ADVERTENTIE
Wil jij exposeren in het Rijks?

Heb jij een goed oog voor mooie beelden? Het Rijksmuseum zoekt jonge fotografen die hun talent durven laten zien. De prijzen: een tentoonstelling in het Rijksmuseum en je eerste betaalde foto-opdracht! Klik voor meer info over het thema en de wedstrijd.

Meer info

Titel: Twee vrouwen

Auteur: Harry Mulisch

Jaar van uitgave: 1988

Druk: Twaalfde druk

Uitgeverij: De Bezige Bij

Plaats van uitgave: Utrecht

Jaar van eerste druk: oktober 1975

Aantal bladzijden: 156 bladzijden



Thema:

Het thema is het dramatische einde van het liefdesleven tussen twee vrouwen. Mulisch gebruikt bij dit verhaal ook veel symbolen.

Bijvoorbeeld het Griekse toneelstuk, wat verwijst naar Laura's relatie.



Korte introductie

Dit verhaal gaat over kunsthistorica Laura. Zij rijdt per auto naar de begrafenis van haar overleden moeder in Nice. Door vermoeidheid stopt ze haar reis in Avignon, waar ze op een kamer begint te schrijven. Ze schrijft over haar mislukte huwelijk met Alfred, maar vooral over de kortstondige en heftige relatie die ze had met Sylvia. De relatie met haar is uitgelopen op een groot drama.



Dit boek heb ik gekozen omdat het me een mooi boek leek. Ik heb de tekst op de achterkant gelezen, en die sprak me erg aan. Volgens mijn vader is dit een mooi boek, en Harry Mulisch een goede schrijver.

Door de literatuurtoets die we moesten maken, kende ik al een aantal boeken van Harry Mulisch. Ook door dingen die ik op tv heb gezien wist ik een beetje wie Harry Mulisch is. Bij de lijsters die we hebben gekregen zat ook een boek van Harry Mulisch: Siegfried.



De hoofdpersonen

Laura Tinhuizen:

Laura is de hoofdpersoon van het verhaal. Zij is 35 en heeft een huwelijk van 7 jaar achter de rug. Ze wordt voor het eerst verliefd op een vrouw. Haar vader, met wie ze een hechte band had, is overleden. Haar moeder woont in een verzorgingstehuis in Nice. Ze bemoeit zich volgens Laura te veel met haar leven, waardoor ze nog steeds het gevoel heeft dat ze niet op eigen benen staat. Om van dit gevoel af te komen, wil ze zelf moeder worden. Ze blijkt echter onvruchtbaar te zijn. Laura komt uit een intellectueel en kunstzinnig milieu en werkt in een museum. Ze is een rond karakter.



Sylvia Nithart:

Sylvia is 20 jaar. Ze is een raadselachtige persoon, zwijgzaam en uitgekookt. Ze heeft een zeer sterke wil en om haar doel te bereiken kan ze keihard zijn. Ze heeft relaties met zowel mannen als vrouwen gehad. Zelf komt ze erg jongensachtig over. Sylvia is een vlak karakter.





Alfred Boeken:

Alfred is de ex-man van Laura. Hij is hertrouwd met Karin en heeft 2 dochters uit dit huwelijk. Alfred verkeert in dezelfde kringen als Laura. Hij is een vlak karakter.



De moeder van Laura:

De moeder van Laura is een oude dominante vrouw. Ze woont in Nice, waar ze haar laatste dagen doorbrengt. Ze is een vlak karakter.



Ik vind zowel Laura als Sylvia twee aardige mensen. Naar elkaar zijn ze heel liefdevol. Ook zijn het twee doorzetters. Ze trekken zich niks aan van wat anderen van hun relatie vinden. Van mezelf zie ik eigenlijk niks terug in deze twee vrouwen.

In het begin van het verhaal (als je het op de goede volgorde zou zetten) hebben de hoofdpersonen niet zo veel problemen. Het enige is een beetje dat Sylvia een liefdesrelatie heeft met een vrouw, wat haar moeder niet goedkeurt. Als Sylvia weg is, zit Laura wel met een probleem: Wat moet ik nu verder met mijn leven? Ik vond dit heel erg voor haar, en ik zou precies hetzelfde doen als zij. Ze was erg onrustig en liep meteen naar de deur als er werd aangebeld om te kijken of het Sylvia was. Ook als er telefoon was of een brief kwam keek ze meteen of het een bericht van Sylvia was. Ook Sylvia zat met een probleem: Hoe kan ik er voor zorgen dat Laura en ik een kind krijgen samen. Ik zou niet naar de Alfred zijn gegaan. Ik vind dat er in dit boek niet een “meest”of “minst” sympathiek iemand zit. Als ik zou moeten kiezen, zou ik voor Sylvia kiezen, omdat zij er voor heeft “gezorgd” dat zij samen met Laura een kind zou krijgen. Namelijk via Alfred.



De tijd

Dit verhaal speelt zich af in ongeveer één jaar van de twintigste eeuw.

Het verhaal kan eigenlijk wel altijd spelen. Een relatie tussen twee mensen is iets wat al zolang men weet bestaat. Dat dit een lesbische relatie is, is misschien wel functioneel voor de tijd waarin dit geschreven is. Het was lang geleden, voor mensen raar dat twee vrouwen verliefd op elkaar waren. Dit werd wel minder, maar rond de jaren ’70 was dit nog niet heel “gewoon”. Misschien heeft Harry Mulisch met dit verhaal een beetje geprobeerd het taboe te doorbreken, dat twee mensen van hetzelfde geslacht een relatie hebben.

In dit boek komen deze gebeurtenissen niet voor.

In dit boek worden voornamelijk flashbacks gebruikt. De schrijfster (Laura) die in dit boek het verhaal schrijft, schrijft dit als ze op een kamer zit, op weg naar de begrafenis van haar moeder. Ze schrijft dit als alles wat er het afgelopen jaar met haar gebeurt is. Helemaal op het einde van het boek, staat een stukje in het “heden” geschreven, iets wat ze nu denkt, iets wat op dát moment gebeurt.



Plaats van handeling

Dit verhaal speelt zich af in een stad in Nederland: Amsterdam. Voornamelijk in het appartement van Laura. Natuurlijk maken de hoofdpersonen nog “uitstapjes” naar andere plekken, dus het is niet één plek. Dus soms is het in een concertgebouw, in Frankrijk, waar Laura haar verhaal opschrijft enz.

Vooral Frankrijk is een belangrijke plaats voor dit verhaal. Omdat Laura hierheen moet om haar moeder te begraven, rijdt zij bijna aan één stuk door. Hierdoor raakt zijn oververmoeid, en zoekt ergens een kamer. Op deze kamer schrijft zij haar hele verhaal op. Woonde haar moeder niet zo ver weg, dan hoefde Laura niet zo ver te rijden, en was ze waarschijnlijk niet oververmoeid geraakt. Misschien had ze haar verhaal dan niet opgeschreven, en was dit een heel ander boek geworden.

In het jaar waarin we nu leven, 2007, is een lesbische relatie wat minder een taboe dan in 1975.



Vertellerstandpunt:

Dit verhaal volgen we door de ogen van kunsthistorica Laura, een persoon de verteller is die in haar eigen verhaal heel belangrijk is en zelf meespeelt. Ze is dus zowel de verteller als personage in het verhaal. Dit is heet een

ik-verhaal.



Wat het verhaal de lezer wil zeggen

Ik denk niet dat de bedoeling van dit boek was mensen te amuseren. Het gaat over een lesbische relatie, wat in 1975 nog best gevoelig lag bij veel mensen. In dit boek wordt openlijk gesproken over een seksuele relatie tussen twee vrouwen. Het zal dus denk ik ook geschreven zijn om mee de taboe te doorbreken dat twee mensen, met hetzelfde geslacht een liefdesrelatie hebben.

Hier staat niks over in mijn documenten.

Ik vind dat in de documenten heel goed omschreven staat waar het boek over gaat. Waar het om draait. De relaties tussen dingen, hoe het een na het ander volgt. Hoe je misschien anders naar het boek kan kijken. Hoe het te maken heeft met de geschiedenis, de manier van schrijven.



Zou je nog eens een verhaal of boek willen lezen?

Ik zou van deze schrijver zeker nog wel eens een boek willen lezen. Ik vind dit een prettige schrijfstijl, waar je makkelijk doorheen leest.

De tijd waarin dit boek is geschreven, waarin dit tegelijk ook afspeelt, in gewoon de tijd van nu. Dit boek zou op dit moment af kunnen spelen. Dit is een fijne tijd om te lezen, omdat dit het leven is wat je dagelijks meemaakt.



De titel ed.

De naam van dit boek is ‘Twee vrouwen’. Deze titel is gekozen omdat het verhaal gaat over twee jonge vrouwen, die middenin hun leven staan en een heftige relatie hebben: Laura en Sylvia.

Bij dit boek is geen ondertitel.



'... weer doorsidderde mijn hart

Eros, zoals de wind op de bergen in eiken valt'.

Het is gekozen uit het werk van Sappho, een Griekse dichteres, die omstreeks 630 vóór Christus op Lesbos woonde, het eiland waarnaar de lesbische liefde is vernoemd.



Het motto illustreert door zijn woordkeus nog twee aspecten van Laura's liefde voor Sylvia. Het is een passie: Eros 'doorsiddert' haar. En het is iets dat haar overvalt, overkomt: ze is er niet op uit en zelfs niet op bedacht.



Dit boek is niet aan iemand opgedragen.

Op de voorkant van dit boek staat een lange weg afgebeeld, gezien vanaf een balkon..

Op de achterkant van het boek staat een foto van Harry Mulisch.



Informatie over de auteur

Harry Kurt Victor Mulisch werd op 29 juli 1927 geboren in Haarlem.

Harry is de enige zoon van Karl Victor Kurt Mullisch (geboren in Oostenrijk – Hongarije) en Alice Schwarz (geboren in België). Wanneer zijn ouders in 1936 scheiden blijft Harry bij zijn vader in Haarlem wonen. Omdat Harry de enige thuis was die goed Nederlands spreekt heeft hij nog een vreemde verhouding tot de taal waarin hij schrijft: “voor mij is niets wat ik schrijf vanzelfsprekend”.

Als in 1940 de Duitsers Nederland komen bezetten komen Harry en zijn moeder, die van Joodse komaf is in moeilijkheden. Harry en zijn moeder weten echter uit de handen van de Duitsers te blijven dankzij Harry’s vader. Harry’s vader slaagde hierin door zijn functie als directeur van Lipmann-Rosenthal, een bank die in bezit genomen Joodse bezittingen beheerd. Vanwege dit werk bij Lipmann-Rosenthal is de vader van Harry 3 jaar opgesloten in een interneringskamp. De tweede wereldoorlog en het interneringskamp hebben veel indruk gemaakt op Harry Mulisch. In veel van Mulisch’ boeken speelt de tweede wereldoorlog een belangrijke rol.

Tijdens de jaren op de middelbare school raakte Harry in de ban van de wetenschap. Harry richtte een laboratorium in voor zijn experimenten, verzamelde fossielen en hield zich bezig met alchemie. Dit alles ging ten koste

van zijn schoolprestaties en in 1944 ging Harry dan ook van school af. Vanaf 1949 gaat Harry Mulisch zich volledig richten op het schrijven. Na in 1955 al vertrokken te zijn uit het huis van zijn vader, vestigde hij zich in 1958 in Amsterdam waar hij toetrad tot de redactie van het blad “Podium”. Later werd hij nog redacteur van “Randstad” en van “De Gids”.

Mulisch trouwde in 1971 met Sjoerdje Woudenberg met wie hij twee kinderen kreeg. In 1992 werd uit een verhouding met een nieuwe partner nog een zoon geboren. Bij zijn vijftigste verjaardag werd Mulisch benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1992 volgde een bevordering tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Harry Mulisch heeft een groot aantal literaire prijzen ontvangen, o.a.: de Constantijjn Huygensprijs, de P.C. Hooft-prijs en de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde.



Een aantal van de bekendste boeken van Harry Mulisch zijn:

- Archibald Strohalm (1951)

- Het stenen bruidsbed (1959)

- Twee vrouwen (1975)

- De aanslag (1982)

- De ontdekking van de hemel (1992)

- Siegfried (2000)



Samenvatting

'Er zijn mij een paar dingen overkomen,- niet alleen de dood van mijn moeder', luidt de openingszin van Twee vrouwen (p. 7). Die wordt uitgesproken door Laura Tinhuizen, hoofdpersoon en ik-verteller van de roman. De 'paar dingen' die haar overkomen zijn, leveren de stof voor de roman, waarin twee verhalen in elkaar zijn gevlochten: het verhaal van haar lesbische liefdesrelatie met Sylvia Nithart (februari - juli) én het verhaal van haar autorit naar Frankrijk om de begrafenis van haar moeder te regelen (augustus). Ter wille van de overzichtelijkheid worden de twee verhalen hier na elkaar weergegeven.



Laura komt uit een intellectueel milieu en is zelf ook hooggeschoold. Haar vader, met wie zij een innige band had, was hoogleraar in Leiden. Hij schreef een beroemd boek over de Provençaalse liefdeslyriek en ligt begraven in zijn geliefde

Provence. Haar moeder leeft nog, maar de relatie met haar is zeer afstandelijk. Na de dood van haar man is ze in Nice gaan wonen, in een verzorgingstehuis.



Laura heeft kunstgeschiedenis gestudeerd en is conservator van een klein (iconen)museum aan een van de Amsterdamse grachten. Zij is zeven jaar getrouwd geweest met de kunstcriticus Alfred Boeken. Hun scheiding, vijf jaar geleden, is vooral veroorzaakt doordat zij geen kinderen kon krijgen. Alfred is inmiddels hertrouwd met Karin; ze hebben samen twee kinderen, maar hun relatie is weinig uitbundig.



Laura is nu 35 en heeft het gevoel dat ze op een belangrijk punt in haar leven is aangekomen. Op een zaterdagmiddag in februari ziet ze, voor een etalage in een drukke winkelstraat, Sylvia staan. Ze spreekt haar aan; het klikt meteen tussen de twee. Sylvia is veel jonger dan Laura: 20; ze woont in Petten en is kapster in Egmond.



Op Laura's kamer neemt hun liefdesleven een aanvang. Laura heeft nooit met vrouwen de liefde bedreven. Sylvia heeft geen voorkeur voor een van beide seksen. Haar enig criterium: 'Als ze maar aardig zijn' (p. 28). Met Sylvia als regisseur - 'zij de heer, ik de knecht' (p. 30) - bloeit hun relatie op. Al spoedig trekt Sylvia bij Laura in.



Omdat Sylvia's ouders (en Laura's moeder) niets van hun lesbische liefde mogen weten, verzint Sylvia het verhaal, dat zij gaat samenwonen met Laura's denkbeeldige zoon Thomas. In die constructie is Laura dus haar aanstaande schoonmoeder. Om op alles voorbereid te zijn laat Sylvia zich - wanneer zij met Laura samen in Artis is - gearmd met een willekeurige jongeman fotograferen. Het blijkt later een nuttige voorzorgsmaatregel te zijn geweest.



In mei wil Laura haar moeder in Nice bezoeken. Samen gaan ze er per vliegtuig heen, maar Laura wil absoluut niet dat haar moeder Sylvia ontmoet of van de lesbische relatie hoort. Sylvia belooft op ruime afstand te blijven, wanneer Laura bij haar moeder op bezoek gaat in de tuin van het tehuis. Laura vertelt haar moeder, dat ze een nieuwe vriend heeft (Thomas Nithart!) en heel gelukkig is. Maar dan verschijnt, tegen de afspraak in, Sylvia ten tonele. In haar verwarring verspreekt Laura zich. Haar moeder doorziet de relatie en probeert met haar stok Sylvia te slaan. Overhaast maken de twee vrouwen zich uit de voeten.



Terug in Amsterdam praten Laura en Sylvia diepgaand over Laura's kinderloosheid en haar kinderwens. Een belangrijke overweging van Laura is: 'Als je je altijd dochter voelt, is er maar één manier om van je moeder af te komen, en dat is door zelf moeder te worden' (p. 62). Sylvia vraagt of Laura een kind van haar zou willen hebben. Laura antwoordt bevestigend, maar wijst uiteraard op de biologische onmogelijkheid.



In juni bezoeken ze de première van het toneelstuk Orfeus' vriend, een bewerking van de Orfeus-mythe, waarin Eurydice door een man vervangen is. 'Heb je er iets van ons in herkend?' vraagt Laura (p. 75). Maar zo heeft Sylvia er niet naar gekeken. Tijdens de nazit - waaraan behalve de auteur ook Alfred, Karin en de twee vriendinnen deelnemen - raakt Laura in gesprek met de schrijver over de vraag, of hij van Orfeus evengoed een vrouw had kunnen maken als van Eurydice een man. Intussen trekt Sylvia zich met Alfred terug op het balkon.



Vanaf dat moment gedraagt Sylvia zich stug en onverschillig. Op advies van Laura zal ze een paar dagen naar haar ouders in Petten teruggaan. Maar als Laura na drie dagen opbelt, blijken die van niets te weten. Laura raakt in paniek. Totdat Karin haar belt: 'Die lieve Sylvia van jou is er met Alfred vandoor' (p. 111). Ze geeft Laura ook hun adres: een obscuur hotelletje achter het Rembrandtplein.



Hoewel Laura volledig van slag is, gaat zij meteen naar het opgegeven adres. Sylvia weigert te praten, maar Alfred legt uit, dat het initiatief geheel van Sylvia is uitgegaan. Woedend en verdrietig vertrekt Laura: de relatie met Sylvia lijkt voorgoed voorbij. Wanneer Sylvia kort daarna contact opneemt, is het alleen om haar paspoort op te halen: ze gaat met Alfred in Londen wonen.



Laura probeert het verlies te verwerken. Juist wanneer ze daarin voor haar gevoel enigszins slaagt, duikt Sylvia weer op. Stralend brengt zij het verrassende nieuws: 'Ik ben zwanger' (p. 141). 'Je wilde toch een kind van me hebben? (...) Ik kom het je brengen' (p. 142). Het blijkt dat Sylvia vanaf het begin zich consequent hierop heeft gericht.



Laura is opgetogen, vooral ook omdat Sylvia belooft: 'Nu blijf ik voorgoed bij je' (p. 143). Wel vindt ze, dat ze de gang van zaken behoorlijk moeten uitpraten met Alfred. Sylvia voelt daar niet voor, maar onder sterke aandrang van Laura komt de volgende afspraak tot stand. Terwijl Laura naar haar werk is, zal Alfred in



Laura's huis eerst een gesprek hebben met Sylvia. Daarna zullen ze gedrieën verder praten.



Op de bewuste dag wordt Laura door de politie opgehaald van het museum: er is iets ernstigs gebeurd. Thuis vindt ze Sylvia dood, half op de bank, half op de grond. Met drie kogels uit zijn revolver - in hoofd, hart en buik - heeft Alfred haar vermoord.



Het tweede verhaal, het kaderverhaal, beschrijft Laura's autorit naar Zuid-Frankrijk. Begin augustus wordt zij midden in de nacht - het is vier uur - vanuit Nice opgebeld met de mededeling, dat haar moeder is overleden. 'Drie maanden geleden had ik haar voor het laatst gezien, zonder afscheid te nemen waren wij uit elkaar gegaan' (p. 8). Laura stapt meteen in de auto om in Zuid-Frankrijk te regelen, dat haar moeder, conform haar wens, wordt begraven in St. Tropez.



Om zes uur passeert zij de Belgische grens, om half acht de Franse. Zij raakt meer en meer vermoeid. Zowel tal van jeugdherinneringen als de dramatisch geëindigde liefdesrelatie met Sylvia spoken door haar hoofd. In Parijs stopt zij voor de lunch, maar zo gauw mogelijk vervolgt zij haar reis.



Wanneer zij tankt bij Avallon, ontmoet zij in een wegrestaurant toevallig de auteur van Orfeus' vriend . Ze praten over Sylvia. Laura valt flauw en moet overgeven. De schrijver raadt haar dringend aan niet verder te rijden, maar Laura zet door. In de buurt van Lyon wordt zij tot tweemaal toe gepasseerd door een grote zwarte sportwagen. Kort daarna ziet zij de auto als wrak in de berm, mét de omgekomen inzittenden: 'zij hadden zichzelf ingehaald' (p. 119).



Meer en meer wordt Laura's rijgedrag onverantwoord. Haar auto vertoont kuren; zelf krijgt ze last van hevige duizelingen. Met een slakkengang over de vluchtstrook rijdend bereikt zij de afslag Avignon-Noord. Zij zoekt en vindt de VVV, maar alle hotels zijn vol.

Een medewerker van het toeristenbureau brengt haar onder op een privé-adres, bij 'een oude dame, helemaal in het zwart' (p. 135).



Op haar kamer, hoog in het huis, slaapt zij eerst heel lang. Daarna besluit zij voorlopig in Avignon te blijven en de begrafenis van haar moeder maar te laten schieten. Zij wil eerst alles opschrijven wat haar het laatste halfjaar overkomen is. Na een week is haar verhaal klaar: de roman die de lezer zojuist (bijna) uit heeft.



Vlak voor het huis waar Laura tijdelijk woont, ligt een twintig meter diepe bouwput voor de aanleg van een parkeergarage. In de slotregels van de roman kijkt Laura naar beneden: 'loodrecht onder mijn raam gaapt het gat als een wachtend graf'. En ze peinst: 'Ik kan eerder beneden zijn dan de echo van mijn schreeuw terug is' (p. 156). Een slot, dat heel sterk zelfmoord suggereert.



Titel en motto's

De titel van de roman verwijst uiteraard naar Laura en Sylvia, de twee vrouwen die een liefdesrelatie aangaan. Dat het om een lesbische relatie gaat, wordt ten overvloede onderstreept door het motto:



'... weer doorsidderde mijn hart



Eros, zoals de wind op de bergen in eiken valt'.



Het is gekozen uit het werk van Sappho, een Griekse dichteres, die omstreeks 630 vóór Christus op Lesbos woonde, het eiland waarnaar de lesbische liefde is vernoemd.



Het motto illustreert door zijn woordkeus nog twee aspecten van Laura's liefde voor Sylvia. Het is een passie: Eros 'doorsiddert' haar. En het is iets dat haar overvalt, overkomt: ze is er niet op uit en zelfs niet op bedacht.



Taal en stijl

Twee vrouwen onderscheidt zich stilistisch van Mulisch' eerdere romans. Zijn nadrukkelijke virtuositeit en zijn barokke overdaad aan beelden en vergelijkingen ontbreken hier volledig. De roman is discreet en ingehouden geschreven, fijnzinnig en sober. De dialogen zijn levensecht, direct en eenvoudig. In de roman geeft Mulisch zich bovendien veel minder dan anders over aan getheoretiseer.



Toch is Twee vrouwen een roman met tal van Mulisch-kenmerken. Hij speelt met de namen van verschillende verhaalfiguren. Alfred, de recensent, heet Boeken; de keiharde Sylvia heet Nithart (geen hart) en wordt bij Laura's moeder omgedoopt tot Potmans (p. 58), het begin van de ontmaskering.



Verder is Mulisch' stekelige humor royaal aanwezig. Zijn tirades over de studie andragologie aan de Universiteit van Amsterdam (p. 43/44) en over de moderne Nederlandse literatuur (p. 34) zijn er voorbeelden van. In dit verband verloochent Mulisch zijn bekende neiging niet, zélf in de vorm van een alter ego in de roman op te duiken. De toneelschrijver die Laura bij Avallon ontmoet, heeft 'twee maanden zitten werken in een geheim Italiaans bergdorp' (p. 90) en daar in één ruk een roman geschreven (p. 91). Twee vrouwen is door Mulisch gedateerd: 'Lingueglietta, mei-juni 1975' (p. 156). In dat dorp schreef hij, blijkens een interview met Ischa Meijer, de roman in vier weken ( Haagse Post , 1 november 1975).



Mulisch' voorkeur voor een klassiek-mythisch kader werd al genoemd in de paragraaf over de thematiek. Ook zijn voorkeur voor symboliek is bekend. Die uit zich bijvoorbeeld in kleuraanduidingen: wit als kleur van het leven tegenover zwart als kleur van de dood. Maar ook in situatietekeningen die een symbolische meerwaarde meekrijgen. Zo legt Sylvia op een gegeven moment Laura op haar rug, met haar armen wijd uitgespreid en haar voeten over elkaar. Ze ligt er als een gekruisigde Christus. Sylvia knielt naast het bed, slaat een kruis en vouwt haar handen (p. 47). Een symbolische vooraankondiging van het lijden.



Recensie

Schrijver: Mulisch, Harry

Titel: Twee vrouwen : roman

Jaar van uitgave: 1975

Bron: De Volkskrant

Publicatiedatum: 08-11-1975

Recensent: Kees Fens

Recensietitel



Twee vrouwen in de ban van hun geschiedenis

Op zich is de vrij plotselinge liefde voor wat als een grof gebreide blauwkous in de literatuur gold, de liefdesroman, een roman. In het begin was er een boek dat gewoon Love Story heette en dat een hoogleraar in de klassieke talen in elk geval voor het leven in staat stelde onbezorgd zijn eerste liefde te beoefenen. Turks Fruit was nog maar nauwelijks versmolten of daar verscheen, in de woorden va de omslagtekst van het boek, "de intiemste en aangrijpendste liefdesroman in de Nederlandse taal": Het jaar van de kreeft van Hugo Claus. Het eindpunt was dus vrij snel bereikt. Over tot de haat van de dag.



Maar daar komt plotseling Harry Mulisch, kort na zijn Mijn getijdenboek, misschien ook een liefdesroman in zoverre hij gestalte geeft aan de liefde van Harry Mulisch voor Harry Mulisch, met een roman die Twee vrouwen heet en de kwalificatie "liefdesroman" meekreeg. In hoeverre er van "creatieve wedijver" tussen de onderscheiden auteurs gesproken moet worden, weet ik niet.



Als ik dat hogere wedstrijdelement even aanhoud, lijkt Mulisch mij voorlopig de winnaar. Als was het alleen maar vanwege de variant die zijn boek geeft op het onvermijdelijk einde van de liefdesroman: de dood. Dat einde is conventie in de literatuur. Het conventionele karkter ervan wordt opgeheven wanneer de dood een duidelijk aanwijsbare literaire ingreep is: de literatuur draait een der hoofdfiguren de nek om, waarmee het leven van de liefdes-, doodsroman gered is.



Die "literatuur" wordt vertegenwoordigd door ene Alfred, een theatercriticus en -historicus met als specialiteit de invloed van de theatergeschiedenis op het theater. Als moordenaar van een der partners handelt hij, kan men zeggen, volgens het boekje. Hij is in de macht van de geschiedenis. Zijn norm is de conventie - hij is niet voor niets een misprezen criticus - de literaire conventie. En daarvan verliest in deze roman de onconventionele liefde het. Het leven gaat dood aan de gehoorzaamheid van de letter. En de roman wordt mede daardoor van de letter gered (Alfreds optreden lijkt bijna een ingebouwde waarschuwing aan critici van deze roman: de moordenaars zijn onder hen).



Mulisch' roman is aan de oppervlakte - en het zal zich uitstekend aan die oppervlakte laten lezen, de liefhebbers van het gene behoeven weinig te vrezen, maar ook weinig te verwachten van de intimiteiten die Claus tot zijn specialisme verklaarde - het verhaal van een liefdesgeschiedenis tussen twee vrouwen: een kunsthistorica Laura en de kapster Sylvia.



De eerstgenoemde is de vertelster, want de overlevende. Zij begint te schrijven twee dagen na de dood van haar in Nice wonende moeder. Zij schrijft in Avignon, tot zover is ze haar dode moeder genaderd, in een ouderwets huis van een zwarte vrouw, met voor haar raam het immense gat voor een aan te leggen parkeergarage en tegenover zich het pauselijk paleis. Zij vertelt twee verhalen: dat van haar reis per auto naar Zuid-Frankrijk, naar de dode moeder toe en van de dode geliefde weg, en de geschiedenis met Sylvia, die een half jaar eerder begonnen is.



Het gaat dus om een dubbele terugblik, in zekere zin zelfs om een drievoudige, want herinneringen aan haar jeugd zijn tussen de delen van de twee verhalen opgenomen. Een der opvallendste herinneringen betreft het weglopen van huis op tienjarige leeftijd. De tocht ging naar Weg, dat wil zeggen was op een verdwijnen gericht uit het leven en dus in de dood. De tocht lijkt de reis naar Zuid-Frankrijk op microformaat.



In hoeverre zijn de twee verhalen nu op elkaar betrokken? Die vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden, want er laten zich vele relaties leggen, op verschillende wijzen. Er is in de roman een grote afwezige: de vader van Laura. Hij is al geruime tijd geleden gestorven; haar bewondering voor hem moet groot geweest zijn. De relatie met de moeder in Nice ligt te verstenen, lijkt veel koeler. De vader heeft boeken geschreven, ondermeer over die grote liefdespoëzie die de Provençaalse lyriek is geweest. Dat zij in het "gebied van haar vader", Avignon voorlopig blijft, hoeft niet verwonderlijk te zijn: met voor haar raam de onderwereld en tegenover zich die, zou ik willen zeggen, vaderburcht bij uitstek, het pauselijk paleis.



Laura is een aantal jaren gehuwd geweest met de al genoemde Alfred, die waarschijnlijk niet toevallig van zijn achternaam "Boeken" heet. Ze zijn gescheiden: Laura kon geen kinderen krijgen. Het verhaal van het mislukken van haar huwelijk en het waarom daarvan vertelt zij aan Sylvia. Op de vraag van de laatste of kinderen zo belangrijk zijn, antwoordt Laura dat er maar één manier is om van je moeder af te komen: zelf moeder worden. Gezien haar verhouding met Sylvia lijkt de binding aan de moeder te zullen voortduren tot de dood van de moeder.



In de verhouding van de twee doet zich een breuk voor, althans dat lijkt het: Sylvia verdwijnt, met Alfred. Het lijkt de gewone of in dit geval misschien enigszins ongewone vorm van ontrouw. Sylvia keert evenwel terug, in verwachting. Maar, in haar redenering krijgt niet Alfred maar Laura een kind van haar. En op de zolder van het huis, temidden van restanten uit het verleden, waaronder nagelaten papieren van de vader, wordt Laura door Sylvia voor de eerste en laatste keer "vader" genoemd. De volgende dag wordt Sylvia vermoord, Laura's vaderschap is daarmee ten einde. Kort daarop sterft in Nice de moeder. De reis en daarmee het boek begint, tot de poorten van de onderwereld, waarin niet de moeder, maar geloof ik, de vader opnieuw en definitief verdwenen zijn.



Zie ik het goed, dan voltrekt zich in Laura's leven heel snel een heel ander proces van losmaking van de moeder: niet door zelf moeder te worden, maar door zelf vader, de eigen vader te worden: de bijna voortdurend verzwegene wordt dan de allesbeheersende figuur op de achtergrond van Laura's verhaal. Met "behulp" van Sylvia, die niets beredeneert maar handelt in impulsen gewekt door het letterlijk nemen van uitspraken - bijvoorbeeld de uitspraak van Laura dat zij een kind van haar, Sylvia, zou willen hebben - wordt de vader even uit de dood, de onderwereld verlost.



In eerste of in tweede instantie is Twee vrouwen ook de liefdesroman van dochter en vader, welke liefde tot volkomen identificatie leidt. Zij is niet alleen het beeld van haar vader, zij is die vader ook, even dan, zoals de iconen in het museum waar Laura werkt afbeelding en afgebeelde personen tegelijk zijn. (Misschien weer niet toevallig dat de vader Laura aan de baan in het museum geholpen heeft). Het onmogelijke is gepoogd: het verleden terug te halen, de dode tot leven te brengen. Dat kort na Sylvia de moeder in Nice sterft, kon niet uitblijven.



Misschien is Mulisch' roman hierom wel boeiend: het boek is in geen enkel opzicht expliciet. Er wordt heel veel te vermoeden overgelaten, door de zwijgzaamheid van de mensen tegenover elkaar - door de ik-vorm kan die zwijgzaamheid gehandhaafd blijven, er kan niet meer verteld worden dan de "ik", die tussen alle zwijgers in zit, weet - door het weglaten van alles dat de conventies van deze soort romans bepaalt - de roman is zeer discreet en zeer ingehouden geschreven - door de weinige nadruk waarmee betekenisvolle details worden behandeld: Mulisch trekt geen lijnen, door de gekozen vorm geeft hij de lezer alle gelegenheid relaties zelf te leggen.



Mulisch heeft, naar vorm en inhoud, niets nagelaten om de roman te maken tot een liefdesroman die geen liefdesroman is, naar de traditie dan. Daardoor heeft hij de misschien eerste oorspronkelijke liefdesroman van de laatste jaren geschreven. Met Twee vrouwen (dat even herinnering kan wekken aan die andere grote liefdesroman van twee vrouwen, Vestdijks Een Alpenroman) lijkt het genre pas goed begonnen. De auteur is niet, als zijn figuren (ook Laura, die in haar leven het verleden zich wil laten voorspellen) in de macht van de geschiedenis.



Recensie 2:

Schrijver: Mulisch, Harry

Titel: Twee vrouwen : roman

Jaar van uitgave: 1975

Bron: Nederlands Dagblad

Publicatiedatum: 10-04-1976

Recensent: onbekend

Recensietitel:



Nieuwe roman van Mulisch op de oude toer

De nieuwste roman van Harry Mulisch, "Twee vrouwen", is geschreven volgens een oeroud schema. A is verliefd op B; dan komt C en gaat er met B vandoor, totdat B liefdevol bij A terugkeert; maar C neemt het niet en doodt B; A blijft treurend achter. Dit open schema is in de loop van een paar duizend jaar literatuurgeschiedenis door honderden auteurs, dichters, toneelschrijvers en filmmakers "ingevuld". En of dat nu ongeloofwaardig gebeurde in een 18e-eeuwse keukenmeidenroman of knap in een 17e-eeuws toneelstuk van Vondel, de grondtrekken zijn dezelfde: liefde, jaloezie, liefdesverdriet, haat, dood.



Harry Mulisch is, hoe men ook over het ethische aspect van zijn werk mag denken, een auteur die de pen kan hanteren en een boek kan componeren, getuige zijn "Het stenen bruidsbed". In zijn nieuwe roman heeft hij een minder ingewikkelde compositie gekozen, ik denk mede om zijn boek leesbaarder te maken voor een groter publiek.



Hoe heeft hij het oeroude schema ingevuld? Deze twee geliefden zijn bij hem twee vrouwen, de twintigjarige Sylvia en de wat oudere Laura, die in een lesbische verhouding samenleven. Vooral Sylvia vindt echter dat er aan hun verhouding iets ontbreekt: het kind. Ze doet alsof ze Laura verlaat en gaat samenwonen met een gewezen man van Laura. De angst en de wanhoop waaraan Laura ten prooi is, zijn door Mulisch zeer wezenlijk op papier gezet. Sylvia is voor haar de fatale vrouw, haar hele leven hangt af van de goede verhouding met haar. Als Sylvia zwanger is, keert ze haar "vriend" de rug toe, om weer met Laura te gaan samenwonen. Ze had hem alleen even nodig, om zwanger te worden en de lesbische verhouding te completeren met een kind. Maar als de relatie Sylvia - nog maar net is hersteld, komt de jaloerse derde, de verlaten man, en hij doodt Sylvia. Ook voor hem is zij een fatale vrouw, zelfs in dubbele betekenis: hij kan haar niet meer missen en daardoor drijft zij hem naar moord.



Noodlottig einde

Mulisch' roman geeft een doorsnee van het leven in een moderne godloze en normloze omgeving in een grote Nederlandse stad. Het woord "normloos" geldt overigens niet helemaal. Sylvia houdt er wel degelijk een norm op na; het is de in zichzelf gevonden norm dat alles mag meewerken aan haar doel: het scheppen van de drieëenheid Laura-Sylvia-kind. Mulisch laat de beide partners eve proeven van deze in hun ogen ideale situatie. Dan laat hij de man tussenbeide komen om met zijn revolver een bloedig einde te maken aan de drieëenheid. Want ieder ideaal is immers bestemd om niet bereikt te worden of, àls het even bereikt wordt, een noodlottig einde te vinden. Mulisch heeft in meerdere boeken gezegd, dat de mens een oerwoudwezen is, dat nooit het werkelijke geluk zal kunnen vinden. Zo is het ook weer gegaan met de "Twee vrouwen".



Vele lezers zullen deze situatie herkennen als hun eigen situatie. Er vindt dan een identificatie-proces plaats: die man, die vrouw ben ik, zo ellendig ben ik er ook aan toe, zo godverlaten sta ik ook in de wereld. Ook een christen-lezer zal met een dergelijke identificatie kunnen beginnen. Maar hij zet er goede vrijdag en pasen tegenover. Alleen door opstandingslicht kan de noodlotcirkel van Mulisch doorbroken worden en komt de lezer tot anti-identificatie.



Gekruisigde

In dit verband wil ik nog attenderen op en m.i. belangrijke passage in de roman van Mulisch. Op een gegeven moment beleeft Sylvia haar liefde voor Laura op religieus niveau. Ze vraagt Laura of ze met de ahnden gespreid en de voeten over elkaar wil gaan liggen. Dan knielt zij naast haar neer, slaat een kruis en vouwt haar handen. Deze blasfemische situatie is bewust zo door Sylvia in scène gezet. Dat wordt in het vervvolg van de roman duidelijk. Ze moet, in haar plan om aan een kind te komen, haar vriendin doen lijden, ze moet haar kruisigen door haar tijdelijk te verlaten. Daarna wil ze zwanger (dus in haar gedachtengang beter dan ooit) terugkomen om de verhouding compleet te maken met een kind. Dat zal de opstanding van de gekruisigde Laura betekenen, en niet alleen van de gekruisigde, maar van de totale tot stand gebrachte menselijke drieëenheid.



Deze opstanding lijkt één moment werkelijkheid te worden, maar meteen daarna stort elk teken van hoop en liefde neer, Sylvia wordt vermoord, het kind zal nooit komen, Laura blijft eenzaam achter. Er is eigenlijk nog één uitweg: de zelfmoord. Met de gedachte hieraan eindigt de roman: "Loodrecht onder mijn raam gaapt het gat als een wachtend graf. Ik kan eerder beneden zijn dan de echo van mijn schreeuw terug is." Gemakkelijk Wie alleen al de eerste bladzijde van "Twee vrouwen" leest herkent de knappe auteur, die zijn taal met meesterhand neerschrijft. Ook een christen zal dat moeten erkennen, hoe beperkt menselijk en werelds hij de inhoud van het boek ook zal moeten noemen.



Behalve bij de "boodschap" van het boek zet ik echter ook een aantal min-tekens bij de literaire uitwerking ervan. Mulisch heeft voor deze roman uit 1975 oude gedachten en ideeën uit de doorsnee existentialistische roman van de jaren vijftig/zestig gekozen: eenzaamheid, schuld, zelfmoord, onttakeling, het zijn ook hier kernbegrippen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Mulisch zich het gemakkelijk heeft willen maken met oude, bekende begrippen, terwijl de existentialistische roman, zoals Anna Blaman en W.F. Hermans die twintig jaar geleden schreven, momenteel uit de tijd is.



Ook de vorm van het boek is niets nieuws. Mulisch laat Laura het hele verhaal opschrijven, als ze op weg is naar haar gestorven moeder. De kadervorm is overbekend in de literatuur. Mulisch noemt zichzelf en velen noemen Mulisch een van de belangrijkste moderne auteurs. Was hij het dan niet aan zijn literaire stand verplicht, om, nu hij een aantal jaren als romanschrijver gezwegen heeft, met iets origineels te komen?

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

Top en heel erg bedankt

8 jaar geleden