Havisten en vwo'ers uit de bovenbouw gezocht! Vul deze korte vragenlijst over jouw studiekeuze in en maak kans op een Bol.com bon t.w.v. 15 euro.

Doe mee


Inleiding.

Ik heb voor dit boek gekozen omdat ik al eerder een boek van Jan Wolkers heb gelezen. Dat was Kort Amerikaans. Ook dit boek is weer een depressief boek, net als het vorige. De schrijfstijl is wederom open en zeer eerlijk, af en toe snap ik niet dat mensen geïnteresseerd zijn in deze schrijfstijl. Het is immers tegen het geloof gericht en voor de seks. Voor mijn derde boek ben ik van plan "Turks fruit" te lezen, ook van Jan Wolkers dus.



Samenvatting



Hoofdstuk 1. Een houten roos

Dit hoofdstuk is een inleidend hoofdstuk. Er wordt aan de hand van een oude foto een aantal familieleden besproken. De nogal streng Calvinistische ouders van de ikfiguur uit het verhaal komen uit Amsterdam. Ze hebben nog een tijdje in Leiden gewoond maar wonen nu in Oegstgeest. Daar beginnen ze een nogal exclusieve delicatessenwinkel. In Dit hoofdstuk wordt ook verteld over hoe ze elkaar hebben leren kennen, liefdeslevens en bijbaantjes van de vader van het ikfiguur. De titel van dit hoofdstuk verwijst naar een mooi stukje houtsnijwerk op het hoofdeinde van een ledikant. Dit valt de ikfiguur op als hij op bed een beschuitje zit te eten.





Hoofdstuk 2. Terug naar Oegstgeest

De verteller loopt langs een kerkje waar zijn broer begraven ligt. Bijna het hele hoofdstuk gaat dan ook over die broer en roept veel herinneringen op bij de verteller. Tussen de broers leefde er een haatliefde verhouding. Dan bewonderde de verteller zijn broer, maar hij had ook vaak ruzie met hem. Bij een van de ruzies is het zelfs zo ver gekomen dat de verteller alle foto`s van zijn broer heeft verbrand. Sinds zijn broer overleden is, is er nergens meer een foto van hem. De verteller heeft er nog steeds nachtmerries van. De bestemming van de reis naar Oegstgeest is een bezoek aan zijn ouders. Zijn vader is niet echt trots op de verteller omdat hij van zijn leven een troep maakt.



Hoofdstuk 3. Voor koffie en thee

Dit hoofdstuk speelt rondom de geboorte van de verteller. Dat was op precies de 35e verjaardag van zijn vader. Na een korte tijd kreeg de verteller al spruw, dat is een ziekte. Zijn handen worden in washandjes gestopt zodat hij niet kan krabben. Ook krijgt de verteller nog bronchitus, om dat op te lossen moest er een kroepketel komen. Doordat de tuit (waarschijnlijk) verstopt was, was de tuit eraf gesprongen tegen het voorhoofd van de verteller, die er een litteken aan overhoud.

Het hoofdstuk speelt zich af rondom de geboorte van de auteur, op de 35ste verjaardag van zijn vader.



Hoofdstuk 4. Terug naar Oegstgeest

De verteller gaat terug naar de winkel die ze vroeger hadden. Daar ontdekt hij dat het gebouw nu in gebruik is voor het kantoor van een middenstandsbank. Daar gaat hij ook op bezoek bij de oude buren. Via haar tuin loopt de verteller nog even door de tuin die hun vroeger bezaten. Er komen herinneringen boven over de manier waarop de konijnen werden geslacht. En ook het grote beschuitblik waar hij een terrarium in had.



Hoofdstuk 5. De betekenis der cijfers

Deze herinneringen zijn verbonden aan de lagere school. De titel van dit hoofdstuk verwijst naar zijn rapporten. In de allereerste klas had hij een juffrouw die Vink heette. Hij had bewondering voor haar en was verliefd op juffrouw Vink. Hij deed bij haar goed zijn best en haalde mooie cijfers. In de tweede klas kreeg hij juffrouw Hakkenberg, zij was het tegenovergestelde van juffrouw Vink. Volgens Hakkenberg kwam de verteller uit een van de gestichten die naast de school stonden. Zijn cijfers waren beduidend slechter en voor het eind van het schooljaar stapte hij over naar een nieuwe gereformeerde school.





Hoofdstuk 6. Terug naar Oegstgeest

De verteller loopt net als vroeger van zijn huis naar de lagere school. Hij komt zijn vader tegen die op weg is naar de AH, hij praat nog even met hem. Hij vertelt hem dat zijn buurvrouw overleden is.



Hoofdstuk 7 Springbok en Perlimoen

De verteller zorgt ervoor dat hij geen onvoldoendes meer staat en gaat over naar de 3e klas. Hij herinnert zich weer dat hij vroeger altijd langs een muur liep met grote letters, waarin reclame wordt gemaakt voor Kaapse Wijnen, op weg naar school.

De meeste leraren die hij heeft gehad kan hij niet meer voor zich halen. Wel de hoofdonderwijzer die hij de Papagaai noemt. Hij denkt weer aan een vreselijk opstel dat hij zelf verzonnen had. Hij kreeg het terug met de opmerking: "Ik heb zitten rillen op mijn stoel. Een 9." Het laatste jaar van de lagere school is een iets drukker jaar. Gevechten met de katholieke school, seksuele spelletjes, hevige verliefdheid en een optocht. Tijdens de optocht was de verteller een politieagent. Dit hoofdstuk is erg lang.



Hoofdstuk 8. Terug naar Oegstgeest

Als de verteller terugkeert naar zijn vroegere basisschool dan is die tekst op de muur weg. Net zoals meer dingen van vroeger. Er komen wat herinneringen boven drijven over winterse zondagmiddagen. Wanneer zijn vader een projectielantaarn tevoorschijn haalt en plaatjes projecteerde op de muur. Ook gaat de verteller nog langs een museum waar hij vroeger al tekenend vele uren heeft doorgebracht. Iets wat hem duidelijk is bijgebleven is de dood van zijn oma. Ze was pas maanden na haar dood gevonden door zijn vader en oom.



Hoofdstuk 9. The Splendid Thirties

De achteruitgang van de winkel van zijn ouders betekent dat ze kamers moeten gaan verhuren. Het gezin wordt steeds groter en de armoede stijgt ook maar. Op advies van "papagaai" gaat de verteller naar het MULO in Leiden. Het kerstrapport is zo triest dat zijn vader hem van school af haalt en laat werken in de winkel. Niet lang daarna wordt de winkel gesloten. De mobilisatie van strijdkrachten bracht een lichtje in de duisternis. Vader krijgt een baan als beheerder van een militaire kantine.



Hoofdstuk 10. Terug naar Oegstgeest

De verteller bladert in een krantenarchief om uit te zoeken of hij niks vergeten is. Allereerst bekijkt hij de kranten van 1939, kerstmis om precies te zijn. En vervolgens die van 1925. In dat jaar is hij geboren. Het weer is op die dag precies zo als hij zich had voorgesteld: zwaarbewolkt, regenbuien en een krachtige wind. In Oegstgeest ziet hij zijn ouders naar de kerk gaan maar de verteller praat niet met ze. Als winkeljongen was de verteller niet geschikt, hij gaf aan de arme mensen spullen soms gratis mee.



Hoofdstuk 11. Euthanasie en vivisectie

Als de verteller veertien jaar is, dan krijgt hij voor het eerst een baantje. Als dierenverzorger bij het academisch ziekenhuis. Hij heeft nogal medelijden met de beestjes en hij besluit te vroegtijdig af te maken. Nadat er een andere jongen bijkomt loop dit totaal uit de hand.

Dan breekt de oorlog uit. De verteller is doodsbang dat zijn broer zal sneuvelen. Als de verteller weer zijn werk wil hervatten dan wordt hij zonder excuus ontslagen.



Hoofdstuk 12. Terug naar Oegstgeest

Als de verteller terugkeert naar het laboratorium dan vergelijkt hij concentratiekampen met het laboratorium. Sinds de 20 jaar dat hij weg is ziet alles er nog net zo netjes uit als dat de concentratiekampen er nu uit zien. Vreselijk beelden komen bij hem boven over geslachte konijnen voor feestmaaltijden. Hij maakt opnieuw de angst mee om zelf ooit eens te worden geslacht.



Hoofdstuk 13. Schildersverdriet of hoe-langer-hoe-liever

In dit tijdsstadium van zijn leven begint de verteller zich te interesseren in beeldende kunst. De eerste tekenlessen krijgt hij van zijn vader, want dat kost niet veel. Nu heeft hij een bijbaantje als tuinjongen op het landgoed van een multimiljonair, Houtheer. Van werken komt niet veel, hij zit vaak te tekenen en in de pauze`s bestudeert hij Engelse en Franse leerboeken van zijn zus. Na een jaar "trouwe" dienst gaat hij werken voor groenbedrijf Broodster, hij krijgt hier 2 keer zoveel betaald als bij de miljonair. Nu kan de verteller `s avonds typ- en tekenlessen nemen. Op de typcursus ontmoet hij een meisje met rood haar. Hij wordt verliefd op haar maar het stuntelige gedrag van hem lijdt nergens naar. Na twee keer een tuinman te zijn geweest gaat hij werken in een lijstenmakerij. Daar steelt hij tubes verf. Hij wordt ontslagen. Bij zijn vierde baantje als bediende op een distributiekantoor gaar hij tekenen en verhalen schrijven. Hij gaat vaak naar zijn buurman toe waar hij kennis maakt met de gedichten van Gorter.



Hoofdstuk 14. Terug naar Oegstgeest

De verteller gaat terug naar het landgoed van Houtheer waar nu een belastingkantoor zit. De tuin en het huis zijn een puinhoop geworden. Hij ontmoet daar ook een oude tuinknecht, hij werkte er 20 jaar geleden ook al. Hij hoort dat Houtheer al 5 jaar dood is.



Hoofdstuk 15. Ezau's handen

Dit hoofdstuk gaat bijna alleen over het sterven van de broer van de verteller. De verteller ziet zijn broer meer als een Ezau, en hij vindt zichzelf een Jacob. Toen hij de voeten van zijn moeder aan het masseren was werd hij weggestuurd door zijn vader, zijn moeder ging snel iets anders doen. Allerlei herinneringen komen boven over gesprekken in de avond op bed en hun strooptochten. Ook een verschijning van een gigantische paling komt in zijn gedachten naar boven. De verteller ziet dit als een voorteken voor de dood van zijn broer door difterie.



Hoofdstuk 16. Terug naar Oegstgeest

In dit hoofdstuk (net als in het vorige hoofdstuk), wordt veel gedacht aan de gestorven broer van de verteller. De gedachten worden alleen maar sterker omdat zijn huis wordt gesloopt. Hij mag er nog een keer doorheen lopen.

Weemoed op zijn vader vervult hem. "Ik zag dat mijn vader met geloof aan godsvertrouwen begonnen was, maar berooid en met lege handen geëindigd.' Maar vooral voelt hij het gemis van zijn broer. Het laatste dat hij van hem bezat , een regenjas gemaakt van een parachute, is verloren gegaan toen Wolkers een jonge reiger erin wilde wikkelen. De vogel pikte de jas aan flarden en wiekte omhoog. Met dit beeld van bevrijding eindigt de roman.



Tijd.

Chronologisch/niet chronologisch.

Het verhaal is totaal niet chronologisch, ik vind de opzet zelfs rommelig. Het is ook heel erg makkelijk te bewijzen dat het verhaal niet chronologisch is. Het boek zit namelijk vol flashbacks. Onder andere te vinden op bladzijde 13 onderaan de bladzijde: "Toen ik een kleuter was". En ook op bladzijde 56 staat weer een goed voorbeeld: "Toen ik een maand geleden". In het boek staan nog veel meer flashbacks maar om die allemaal te noemen is er veel meer ruimte nodig.



Continu/niet continu.

Het verhaal is niet continu omdat er telkens terug wordt geblikt op eerdere gebeurtenissen in het boek of in het leven van een persoon.



Tijdsverdichtingen

Het boek bevat tijdsverdichtingen. Dat wil zeggen dat de overgangen tussen verschillende tijden word aangegeven. Op bladzijde 21 staan er heel wat. Te weten: Om 7 uur, 10 minuten later, bijna gelijktijdig, even later, precies om half 8, datzelfde voorjaar en in diezelfde tijd. Een andere hele goede staat op bladzijde 81, te weten: "Toen ik 10 was ". Er wordt niet verteld wat er in die tussentijd gebeurt. Die tijd wordt opgevulde met die zijn die een regel hierboven staat.



Verwijzingen:

Ik heb in het verhaal geen verwijzingen kunnen vinden.



Vertelde tijd:

Het verhaal begint op de dag dat de ikpersoon geboren is. Vanaf die tijd kan hij over zichzelf vertellen. Het verhaaleinde is niet aan te wijzen, want in het laatste hoofdstuk staat geen tijdsbepaling, extra moeilijk wordt het nog gemaakt door al die "Terug naar Oegstgeest"-terugblikken. Wanneer is hij teruggeweest? Mag ik zomaar aannemen dat dit verhaal stopt op de dag dat de schrijver de laatste zinnen heeft geschreven? In dat geval stopt het verhaal in 1965.



Verteltijd:

In de "De grote lijsters"-uitgave bestaat het boek uit 184 bladzijden.



Handeling

De hoofdpersoon in het verhaal is de ikfiguur. In dit geval dus Jan Wolkers. Hij blikt in het verhaal terug op zijn vroegere levensjaren. In de oneven hoofdstukken vertelt hij hoe alles vroeger was, in de even hoofdstukken vertelt hij hoe het is als hij weer op die plek komt of hetzelfde doet. Opvallend is zijn haar richting het geloof.

Het boek bestaat uit 16 hoofdstukken. In de oneven hoofdstukken blikt Jan Wolkers terug op zijn jeugd, in de even hoofdstukken gaat hij terug naar zijn woonplaats en vertelt hoe alles nu is, flink wat jaren na dato. Het eerste hoofdstuk is een hoofdstuk met veel informatie over zijn familie en andere personen. Het eerste hoofdstuk is ook aan te wijzen als inleiding.

Als je een grafiek zou moeten tekenen voor de lijn van het verhaal dan zou de lijn erg vlak worden. In het boek zitten maar heel erg weinig hoogtepunten en dieptepunten. Af en toe zijn er wel eens gebeurtenissen, maar die zijn dan niet van essentieel belang voor het verhaal. Een paar kleine hoogtepuntjes zijn: (wederom) de dood van zijn broer en de strijd tegen zijn vader.

Het laatste hoofdstuk van het boek is naar mijn inziens het slot. Ik heb het gevoel dat Jan Wolkers de besproken periode nog 1 keer helemaal meemaakt en dan alles voorgoed afsluiten. Verder met een nieuw leven. Een eigen leven, die niet meer voor je wordt bepaald

De kortste aanduiding van het probleem is volgens mij "trauma". De ikfiguur heeft het erg moeilijk met de dood van zijn broer, waarmee hij weliswaar een haat-liefde verhouding had, en het geloof dat hem wordt opgedrongen door zijn vader.



De belangrijkste motieven in het verhaal zijn:

- Dieren

De verteller heeft een ware obsessie voor dieren. Opvallend is ook dat het meestal de koudbloedige dieren zijn. Zoals kikkers (58), slakken (59), uil (67), vogel (69), hert (74) en een reiger (184). Ook worden er vaak vergelijkingen gemaakt tussen personen en dieren. Zoals bij een onderwijzer die de ?papagaai? werd genoemd.



- Geloof

Aan de ene kant heeft de verteller een enorme afkeer van het geloof, maar in zijn teksten gebruikt hij heel erg veel bijbelse citaten en bijbelse figuren. Een citaat staat onder andere op bladzijde 13: ?noch hun dienstknecht, noch hun dienstmaagd, noch hun vee, noch hun vreemdeling die in de poorten is?. En de ark, die op de Ararat vastzit (blz. 182) Nog zo`n voorbeeld staat op bladzijde 61 waar de schrijver spreekt over Kanaän.



- Foto`s

In het eerste hoofdstuk worden diverse personen beschreven aan de hand van foto`s (bladzijde 9-12). Na een flinke ruzie tussen de verteller en zijn broer heeft hij alle foto`s verbrand die er van hem waren. Na zijn dood waren er helemaal geen foto`s meer van hem (bladzijde 33)



- Dood

Bij dit motief horen de woorden ?schuld? en ?angst?. De verteller denkt dat zijn broer is gestorven door de foto`s die hij van hem heeft verbrand. Ook de dood van een medescholier trekt hij zich erg aan. Hij denkt namelijk dat diegene aan een hersenvliesontsteking is overleden omdat hij die leerling tegen het hoofd had geslagen.



Ruimte.

Het gehele verhaal speelt zich voornamelijk af in Oegstgeest. Vooral thuis en in de winkel van hun.

Erg vreemd vind ik het verband tussen een omstandigheid en een gebeurtenis. Op de geboortedag van de hoofdpersoon regent het, en staat er een harde stormachtige wind. Een logisch verband zou zijn geweest: Geboorte ? zonnig en lekker weer. In dit boek is er zo bij zo geen verband tussen weersomstandigheden en de gebeurtenissen in het boek. Het kan namelijk ook voorkomen dat er bij een rotgebeurtenis de zon hoog aan de hemel staat.

In dit boek wordt (naar verhouding met Kort Amerikaans) veel minder tijd besteed aan de bespreking van een bepaalde ruimte.



Figuren.

Ik denk dat je wel mag constateren dat de ik-figuur in het boek ook meteen de schrijver is. Als je de biografie van Jan Wolkers gaat lezen dan zie je heel veel dingen terug die je ook in zijn verhalen vindt. Er is in dit boek maar 1 hoofdpersoon en 1 belangrijk bijfiguur. Hieronder worden ze omschreven:



De ikfiguur (Jan Wolkers):

- Heeft een litteken op zijn linkerslaap die hij opgelopen heeft door een fluitketel.

- Besteed niet veel tijd aan het uiterlijk, draagt oude vieze kleren. Zijn haar zat vaak in de war en ook had hij vaak vieze handen.

- Heel erg ingewikkeld karakter. Hij gaat (bijna) overal tegenin. Hij is min of meer tegen het geloof dat wordt opgedrongen door zijn vader.

- Heeft een soort fobie met allerlei koudbloedige dieren. Hij maakt ze vaak af. In het verhaal komen we veel van dit soort situaties tegen. Onder andere met de kikker (bladzijde 58) en de vogel (bladzijde 69).

- De ik-figuur heeft een haat-liefde verhouding met zijn broer. Nu heeft hij nachtmerries over zijn broer omdat hij alle foto`s van hem heeft verbrand.

- Is klein beetje "psychisch in de war". Hij denkt dat de dood van zijn broer komt doordat hij alle foto`s van hem heeft verbrand.

- Heeft vaak onenigheid met zijn vader, terwijl hij het goed kan vinden met zijn moeder.



Vader van ikfiguur:

- Vaak onenigheid met zijn zoon. (De ikfiguur)

- Heeft een eigen delicatessenspeciaalzaak in Oegstgeest.

- Is snel driftig en heeft een vaste routine. Zodra die routine wordt doorbroken wordt hij erg nijdig.

- Streng gelovig, hij gaat van kerk naar kerk op zoek naar het ware woord. Als het hem niet zint dan gaat hij gewoon weer naar een andere kerk toe.

- Als hij sinterklaas moest spelen op 5 december stond hij al vloekend in de gang terwijl hij toch erg streng gelovig is.



Andere figuren die niet volledig/duidelijk gepresenteerd zijn:



Broer van ikfiguur: Overlijd aan difterie. Er zijn geen foto`s meer van hem. Had een haat-liefde verhouding met zijn broer (ik-figuur).

Moeder van ikfiguur: Open, goede relatie/verstandhouding met haar zoon.



Perspectief.

Het gehele boek is verteld in het ik-perspectief. Je ziet alles door de ogen van dit figuur en je weet zijn gedachtes. Hieronder staan de bewijzen hiervoor:

- Mijn vader, bladzijde 9

- Ik schrok, bladzijde 9

- Hij heeft het me nooit vergeven, bladzijde 10

- Vanmorgen ben ik, bladzijde 39

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

Wat ben jij een drama, zeg!

17 jaar geleden

M.

M.

bedankt!

17 jaar geleden

O.

O.

bedankt gast,door jou moet ik dat schijt boek niet lezen
kei bangleijk

16 jaar geleden