Storm in het brein door Hans Almhof

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • Klas onbekend | 4404 woorden
  • 21 oktober 2006
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 10 keer beoordeeld

Eerste uitgave
2002
Pagina's
110
Oorspronkelijke taal
Nederlands

Boekcover Storm in het brein
Shadow
Storm in het brein door Hans Almhof
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Titel: Storm in het brein
Ondertitel: Een praktijkgeval van schizofrenie
Auteur: Hans Almhof
Druk: Eerste druk
Jaar van eerste druk: 2001

Informatie over de auteur:
Geboren / overleden (tijd+plaats):
Geboren in ± 1964 in Nederland.

Beroep / studie:
AIO in een laboratorium op een Universiteit.

Motto:
‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.’ Willem Kloos
In de periode van zijn aandoening dacht hij vaak dat hij alles kon doen.

Samenvatting voorwoord:
Het voorwoord is geschreven door Rigo van der Meer, psychiater en auteur van het boek ‘Leven met schizofrenie’. Hij vertelt eerst wat schizofrenie allemaal inhoudt. Vervolgens beschrijft hij sommige emoties die dit boek bevat. Hij beschrijft ook dat Hans dit boek zo objectief mogelijk heeft geschreven en over het herstel.


Actualiteit:
Ik heb geen krantenartikelen of andere actuele reacties kunnen vinden over dit boek.

Onderwerp:
Leven met schizofrenie staat hier centraal.

Doel:
De schrijver heeft alleen mensen willen informeren.

Hoofdpersoon:
Hans Almhof is het hoofdpersoon. Hij is vaak eenzaam en hij probeert grip te krijgen op zijn leven.

Hoogtepunt / dieptepunt:
Ik vind dat het dieptepunt is dat hij tijdens een psychose zijn buurman moet overhalen om zelfmoord te plegen. Vervolgens belt hij anoniem de politie en geeft het adres door van zijn buurman. Later kwam de politie aan de deur van zijn buurman met de veronderstelling dat er een lijk in het huis moet liggen.

Einde open / gesloten:
Het einde is open.


Genre:
Het boek is autobiografisch.

Perspectief:
Het boek is volledig uit eigenperspectief geschreven.

Tijd en plaats:
Het verhaal speelt zich vooral af in Amsterdam en ook gedeelte in Heilo. Het verhaal werd vooral beschreven vanaf het jaar 1990. Stukken uit het verleden worden meer gezien als flash backs.

Citatie:
‘Dan volgen mijn gedachten een ander scenario, dat veel weg heeft van het Oedipus effect. Ik moet mijn vader vermoorden en vervolgens met mijn moeder naar bed gaan. Als ik gemeenschap met haar heb, word ik door haar vagina opgeslokt, een tegenovergestelde geboorte. Via deze poort zal ik in de Middeleeuwen belanden in een jaar dat correspondeert met mijn pincode. Net als in mijn heelalmodel waarin materie via zwarte gaten van het ene in het andere heelal wordt gepompt. Alle uitverkoren mensen zullen een dergelijke weg hebben. De Postbank zit in het complot. Maar ik ben niet aangepast in het leven in de Middeleeuwen. Ik zal nieamand kennen. Bovendien kun je in de Middeleeuwen niet pinnen. Hoe kom ik dan aan geld? Een grote angst maakt zich van mij meester. Ik verwerp het plan.’ Blz. 69

Mening:
Ik vind het boek zeer interessant, omdat er een heel goed beeld wordt gegeven wat een patiënt met schizofrenie meemaakt. Het boek was wel moeilijk om erdoor heen te komen, maar het verhaal is zeker goed.

Samenvatting:
Het begon met een dag in januari of februari in 1990. Het was een gewone dag als alle andere, maar voor de meeste mensen stond die dag bekent als de dag van de grote storm. Op die dag was hij niet bewust van de gebeurtenissen die zijn leven zouden ontregelen.
Terwijl de storm raasde zat Hans rustig op zijn werk onderzoeken te doen. Na zijn werk ging hij samen met een vriend een eind joggen, maar onderweg werd een auto verpletterd door een omvallende boom waarna zij geschrokken weer naar huis keerden.
Thuis belde zijn broer Johan of hij hem van het station kon halen. Het werd een gezellige avond met z’n drieën. Maar toch zat het voorval hem dwars. De volgende ochtend was de storm gaan liggen, de doden werden begraven en iedereen ging door met hun leven.

Hij kreeg vanaf zijn derde maand weinig aandacht van zijn moeder, nadat zijn vader in het ziekenhuis terecht kwam. Toen hij 4 jaar was, was hij verliefd op een 20-jarig meisje, maar die had al een vriend. Vol verdriet eenzaamheid ging hij naar zijn ouders die geen tijd voor hem hadden. Op zijn 5e verliet zijn beste vriendin hem toen zij ging verhuizen. In het heden denkt hij dan nog vaak aan het verlatingsmotief.
Zijn oudere broers Rob (10 jaar ouder) en Johan (12 jaar ouder) speelde een grote rol in zijn leven. Johan hielp hem met de dagelijkse dingen, zoals aankleden en wassen. Rob speelde een grotere rol in zijn leven. Hij gaf hem uitzicht op het leven van grote mensen. Hij bezocht Rob vaak toen hij op kamer ging. Rob overleed aan een astma-aanval toen hij 29 was.
Zijn zus Maartje was verstandelijk gehandicapt, maar hij geen dichte band met haar. Zij ging op 17-jarige leeftijd naar een internaat. Hij had dan ook grote bewondering voor zijn moeder die ondanks alle dagelijkse taken toch nog voor Maartje kon zorgen. Elise was zijn andere zus en was 4 jaar ouder dan hij. Ze speelden altijd samen en deelden alles samen.
Zijn ouders waren streng. De kinderen hadden geen inbreng en alles gebeurde op vaste tijdstippen. Ze gingen elke zondag naar de kerk en elke dag om 6 uur eten.
Het vreemde vond hij dat zijn moeder veelal op de achtergrond bleef. Hij had weinig herinneringen aan haar. De band is na jaren wel verbeterd, maar in zijn jeugd had hij bijna geen band met zijn moeder. De nabijheid en warmte kwam van zijn vader. Hij bracht hem naar bed en vertelde verhaaltjes. Maar toch kon hij ook heel kwaad worden.
Op de lagere school kon hij zijn draai niet vinden met klasgenoten en werd altijd gepest. In de derde klas ging hij naar een andere school voor een nieuwe start. Op de middelbare school had hij veel vrienden, maar voelde zich toch vaak alleen. Hij had 1 keer een vriendin die het na 2 weken uit maakte. Sindsdien concentreerde hij zocht echt alleen op school en raakte het meeste geïnteresseerd in scheikunde.
In Amsterdam raakte hij bevriend met studiegenoten en werd verliefd tijdens zijn stage op een Surinaams meisje, Linda die Jehova’s getuige was. Hans dacht er vaak over na om ook voor dat geloof te kiezen, maar deed dat achteraf niet. Daarop liep zijn relatie met Linda na anderhalf jaar stuk.
In de zomer van 1987 studeerde hij af en maakte een reis van 3 maanden door Afrika. Hij weigerde in militaire dienst te gaan en na zijn reis ging te werk als onderzoeker in een laboratorium aan de universiteit, maar de sfeer vond hij niet leuk. Ondanks de slechte sfeer boekte hij goede resultaten en zijn Aio-plaats werd verlengd. Maar toch raakte hij mentaal steeds meer in de knoop en werd ziek.

Winter 1990, woensdagavond. Hans ging naar een vergadering van een Milieudefensiegroep. Hij was nieuw, dus zei weinig, maar deed toch mee aan een activiteit om niet ongeïnteresseerd te lijken. Hij dacht vaak na over het verslechterde milieu en de oplossingen daarvoor.Doordat steeds meer vragen door zijn hoofd maalde, raakte hij steeds meer in de put. Zijn identiteitscrisis was compleet.
Maart 1990. Slapen ging steeds moeilijker. Hij dacht veel na over zijn familie en zijn eenzaamheid. Iedereen verliet hem of ging dood. Daardoor dacht hij steeds vaker aan zijn vader die ook niet lang meer zou leven. Elke keer als de telefoon ging, dacht hij aan de dood van zijn vader. Hij besloot zijn gedachte met zijn vader te bespreken waarop zijn vader hem gerust stelde.
Het slapen bleef toch een probleem. De dokter schreef een kalmerend middel voor, Seresta. De dokter stelde ook voor een psycholoog te consulteren. Hans voelde zich niet gelukkig en ging ermee akkoord. De Seresta bleek effect te hebben en hij kon in september bij Paul Harmsen terecht voor psychotherapie.
In zijn nieuwe woning bespreken zijn vader en hij de problemen die hij heeft met zijn eenzaamheid en zijn collega’s. Toen hij zijn vader naar de tram liep werd hij heel boos en begon te schelden en besloot er weer flink tegenaan te gaan met aanmoediging van zijn vader. Het gaf hem een enorme energieboost. Mensen begonnen hem zomaar aan te spreken. Dat verraste hem en vroeg af of het door zijn nieuwe uitstraling kwam.
Juli 1990. Hans zou vertrekken naar Kopenhagen voor een congres en een fietstocht. De nacht ervoor kon hij niet slapen. In de ochtend belde hij zijn moeder om te vragen of hij wel of niet zou moeten gaan. Zijn moeder overtuigde hem ervan om wel te gaan en dat het hem goed zou doen. Op de heen reis genoot hij toch en verheugde zich erop om Kopenhagen te zien.
Op het congres woonde hij lezingen en postersessies bij, maar het interesseerde hem niet veel. ’s Nachts sliep hij ook weer slecht en hij voelde zich weer in de put. Hij probeerde met zijn collega erover te praten, maar die was niet een goed luisterend oor. Toch vond hij een jonge vrouw waarmee hij kon praten en zij met hem. Ze hadden veel steun aan elkaar.
Al aan zijn fietstocht begonnen, dacht hij vaak over zijn leven. De eerste weken gingen vrijwel probleemloos, maar het werd steeds moeilijker voor hem. Hij kreeg een droom over het heelal en verzon dwangmatig allemaal theorieën over dit heelalmodel. Thuis stelde zijn moeder hem gerust door te zeggen dat iedereen wel een keer een Eureka moment heeft.

Een zaterdag eind september 1990 ging Hans voor het eerst in psychotherapie bij Paul Harmsen. In de therapie bespraken ze dat ze het verleden gingen bespreken. Hij vroeg naar het gezin waarin hij was opgegroeid. Na de sessie raakte hij zwaar gedeprimeerd.
In de volgende sessies vond hij het prettig om heen te gaan, maar door de therapie werd hij heel onrustig. Hij dronk veel kamillethee en ging na het advies van Harmsen elke dag mediteren. Via de bedrijfsarts is hij ook halve dagen gaan werken.

April 1991. Hans kreeg veel grootheidswanen. Ook al wordt hij daar eerst euforisch van, het sloeg snel om naar angst en eenzaamheid. Hij slaapt niet meer, is aan het vasten en geloofd telepathisch contact te hebben gelegd met een seksueel misbruikt meisje. Hans voelt dat hij aan het sterven is en schrijft afscheidsbrieven.
Op een zaterdag kwam een doorslag dat het niet goed met hem ging. Hij reed naar zijn huisarts. Die verwees hem na het weekend door naar Harmsen en adviseerde hem te gaan eten. Die maandag verwees Harmsen hem weer door naar een psychiater, René van Soest. Hij adviseerde hem ook in groepstherapie te gaan.
De volgende dag bij René van Soest besprak hij de afgelopen dagen. Hij schrijft hem Orap voor, een antipsychoticum. Maar na een aantal nadat hij voelde dat het geneesmiddel begon te werken, stopte hij er mee, omdat hij het gevoel kreeg dat hij genezen was. Maar aan het eind van de dag merkte hij toch weer, dat de chaos terug kwam en ging snel naar huis voor zijn medicijnen. Een week later werden de medicijnen weer afgebouwd.
Begin mei belde hij Elise en vertelde haar over zijn ervaringen de afgelopen tijd. Zei vertelde hem dat ze naar een psychiatrisch ziekenhuis moest, maar van de gedachte alleen maar depressiever werd. Hij vertelde haar een techniek om met depressie om te gaan.
Op zondag 2 juni werd Hans gebeld door zijn broer Johan om mede te delen dat Elise zelfmoord had gepleegd in de kinderboerderij op het terrein van de leefgemeenschap. Hans vertrok meteen naar zijn ouders voor de condoleance en de begrafenis. Hij besluit langer te blijven bij zijn ouders, maar hij werd daardoor alleen maar meer onder druk gezet. Hij voelde steeds meer woedeaanvallen.
Kort daarna begon hij met de groepstherapie en ging nog steeds wekelijks naar Paul Harmsen. Thuis was hij nog steeds heel erg gestrest. Zo erg dat hij zelf bijna ook zelfmoord pleegde. Geschrokken belde hij de huisarts die hem Cisordinol voorschreef, een antipsychoticum.
De volgende dag raakte hij spastisch door een bijwerking van de Cisordinol. Zijn ouders waarschuwde een arts die hem Tremplex voorschreef, dat tegen de bijwerkingen van de Cisordinol helpt. De Cisordinol werd vervangen door Impromen, een ander antipsychoticum.
De dag erna had hij een gesprek met Harmsen, die hem niet langer kon behandelen en hem over zou dragen aan de RIAGG. Daar zou hij dezelfde gesprekken voeren in combinatie met medicijnen.

Augustus 1991. Heleen Belleman besluit samen met Hans dat hij niet meer alleen thuis kan wonen, dus hij gaat bij zijn ouders wonen. Hans gebruikt vele verschillende medicijnen: Impromen, Akineton, Seresta en Phenergan. Akineton is een soort Tremplex: tegen de bijwerkingen van de Impromen. Seresta en Phenergan houden hem rustig.
Heleen vond dat de therapie met Harmsen te snel ging en dat Hans daardoor last kreeg van postpsychotische depressie. Hans kreeg geen therapie meer, maar had dat liever wel gehad om te praten over Elise en Harmsen.
Door de bewegingsdrang in de nacht raakt hij in de stress, waardoor hij vaak aan zelfmoord denkt. Ook aan zijn moeder vraagt hij of zij hem daarmee wil helpen.
In oktober merkt hij dat hij zich weer wat beter voelt en mag van Heleen Belleman weer wat op het laboratorium werken en via een opbouwschema mag hij weer op zichzelf wonen in Amsterdam.
De maand daarna, de medicatie afgebouwd, beland hij in een grauwsluier. Een lichte depressie waardoor hij op zijn werk niet veel doet.
Op het RIAGG krijgt hij van de psychiater Arnold Spaak gezinstherapie. Er wordt veel gepraat over de verhoudingen in het gezin, zowel als in het verleden als in het heden.
Vaak heeft hij last van wat hij noemt ‘minipsychoses’ waarin hij veel na denkt over wat er in de gezinstherapie wordt besproken. Hij ervaart ze als een doorbreking van zijn lusteloze stemming.
Hij krijgt een nieuwe behandelaar op het RIAGG: Dick Oskam, een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Maar ondanks de gesprekken die hij met Dick voert, ervaart hij ze toch onzinnig door de grauwsluier.
Om de grauwsluier te bestrijden krijgt hij Prozac, een antidepressivum. De werking begint pas bij 6 weken, maar na een maand raakte hij in de war en ging naar de huisarts, die hem weer naar het RIAGG stuurde. Hans belde zijn broer Johan en kreeg een recept voor Impromen.
Hans wordt voortgejaagd door wanen die hem tot bizarre handelingen aanzetten, zoals sigaretten stelen, zijn moeder vermoorden met een bos bloemen, maar ook een ruzie bijleggen met een vriendin waarmee hij 2 jaar geleden ruzie kreeg.
Zijn medicatie is afgebouwd in de hoop dat de zenuwinzinkingen zich niet zullen herhalen. Volgens Rita Sterk, zijn psychiater die hij consulteert voor het medicijngebruik, lijd hij aan een bipolaire stoornis. Dat wil zeggen: psychose, depressie, psychose, depressie, etc. Hans schrikt dat zijn aandoening een naam heeft.
Hans krijgt een vriendin, Mirjam. Ze weet wat hij heeft, maar vind hem toch leuk. Dat verrast hem. Na een paar weken heeft ze de relatie verbroken doordat ze zich onveilig voelde toen Hans bij was in het weekend.

Op een dag in juni 1992 krijgt Gerard, een huisgenoot van Hans last van een psychose. Door de rijdende psychiater werd hij doorverwezen naar een crisiscentrum. Als Hans en zijn buurman hem de volgende gaan opzoeken, krijgen ze te horen dat hij uit een raam is gesprongen. Nadat zij Gerard opzochten in het ziekenhuis, is hij verplaatst in de Valeriuskliniek opgenomen. Door deze toestanden wordt Hans zenuwachtig. Bang om zelf ook in deze situatie terecht te komen.
Hans zijn psychiater heeft geconstateerd dat hij aan bipolaire stoornis lijdt en krijgt Lithium voorgeschreven, een geneesmiddel dat zowel psychoses als depressies tegengaat.
Maar hij moet geduld hebben, want het middel werkt pas na 3 maanden.
Hans slikt nu Impromen en Lithium, maar de Lithiumkuur slaat niet aan. Tot eind januari 1993 werd de Impromen afgebouwd, waarna hij gelijk weer in een psychose verkeerde.
In die psychose ging hij bij zijn ouders langs, die hem Tranxene gaven om rustig te worden en te kunnen slapen. Ook heeft hij gemeld bij de politie dat Gerard uit het raam was gesprongen. Na een paar maanden vertelde Gerard regen Hans dat hij politie over de vloer die zochten naar een lijk. Zijn ouders namen Hans weer terug in huis met huisarrest. Na een paar dagen ontsnapte hij uit het huis en ging terug naar Amsterdam.
Thuis werd Hans weer angstig en dacht weer veel aan zelfmoord. Gerard belde zijn ouders die een opname in het crisiscentrum regelen. Midden in de nacht werd Hans naar het ziekenhuis gebracht waar hij Haldol kreeg, een krachtig antipsychoticum en weer Phenergan. Daarna werd hij per ambulance vervoerd naar het crisiscentrum.
In het crisiscentrum sloeg de Haldol goed aan en na 5 dagen mocht hij weer naar huis.

In maart 1993 wordt Hans meegevraagd naar een skivakantie. Die vakantie doet hem goed, maar thuis wordt hij snel eenzaam. Hij zet een contactadvertentie, maar de vrouwen die daarop reageren, interesseren hem niet veel. Dick Oskam zegt dat hij zijn gevoelend van hem af moet schrijven. Thuis lukte hem dat voor de eerste keer, maar belandde gelijk in een psychose. Op Koninginnedag gaat hij op stap met zijn skimaten. Midden in de nacht raakte hij het groepje kwijt en besluit naar het huis van zijn ouders te gaan. Daar kreeg hij het idee dat hij een reïncarnatie van zijn broer Rob was. Hij ging naar zijn schoonzus toe om te verklaren dat hij de vader van haar kind is, maar ze was niet thuis. Hij fietste langs het kanaal naar huis, waar hij de drang kreeg het kanaal in te fietsen. Hij beheerste zich en ging naar huis. Hij vertelde zijn ouders wat er gebeurt, was die hem meteen weer huisarrest gaven. Thuis verbeeld hij zich dat een nieuwe Hans is geboren. Hij glipt uit huis en stapte de spreekkamer van zijn huisarts binnen. De huisarts bracht hem bij de assistente en belde de vader van Hans. Thuis viel Hans van de trap en schreeuwde dat hij opgenomen wilde worden.
Op 31 mei werd Hans opgenomen in het psychiatrische centrum Sin Willibrord. Hij belandt op de gesloten afdeling van het paviljoen Janianus. De eerste maand van zijn opname wordt door zijn psychiater in het Sint Willibrord Koos Dekker, een diagnose gesteld: Schizofrenie.
Na een tijdje vinden zijn psychiater en de verpleging dat het weer beter met hem gaat. Hij wordt overgeplaatst naar de open afdeling van Janianus. Maar doordat hij vindt dat die mensen veel beter zijn dan hem raakt hij gefrustreerd en agressief. Hij moet weer terug naar de gesloten afdeling waar hij na een agressieve bui in een isoleercel wordt geplaatst. Een paar uur later mag hij er weer uit en moet zich melden bij Koos Dekker. Daar krijgt hij te weten dat hij individuele therapie zou krijgen. In die therapie leert hij zijn agressie af te reageren door zichzelf op te drukken.
Op de gesloten afdeling van Janianus is een nieuwe patiënte gekomen, Judith. Hans heeft al snel contact met haar. Ze worden verliefd op elkaar, maar eind augustus gaat Hans weer naar de open afdeling zodat hij afscheid van haar moet nemen.
Op de open afdeling krijgt hij steeds meer last van zelfmoordneigingen. De psychose is nog steeds niet over. In september op een zondag gaat Hans midden in de nacht naar huis, met alleen zijn sleutels bij hem. Thuis aangekomen met een treinboete van 75 gulden haalt hij van Gerard zijn een geld een broodje. Hij belt zijn moeder dat hij genezen en thuis is. Ze regelt dat zijn broer Johan hem samen met Gerard hem naar het Sint Willibrord terug brengen. Hans vraagt medicijnen van Gerard en vertrekt naar Sint Willibrord. Daar meld hij zich bij het personeel.
Hij bezoekt regelmatig Judith op en verteld haar dat hij 22 september naar het Valeriuskliniek overgeplaatst wordt.

‘Die Hans is misschien wel schizofreen, maar zeker geen doorsnee schizofreen.’ Woorden van Robert Huizinga, een verpleegkundige in de Valeriuskliniek. Hij moet Hans zijn mentor worden, maar Hans heeft liever Richard, een andere verpleger als mentor.
De Valeriuskliniek is heel anders dan het Sint Willibrord. De kliniek is midden in de stad en hij deelt een kamer met een andere patiënt. Ook hier krijgt hij Impromen.
Hans gaat samen met zijn mentor naar zijn Hans. Zijn familie en vrienden hen samen het huis van Hans opgeknapt. Het is volgens zijn mentor de bedoeling dat Hans na 3 maanden weer terug naar huis zal gaan. Ook al lijkt Hans dat heel onwaarschijnlijk.
Na een week in de kliniek te zijn start zijn therapieprogramma. Hoewel de therapie onderdelen niet individueel zijn, is het programma wel individueel.
Aan het begin van het nieuwe jaar van 1994 start hij met afbouwen. Dat betekent dat hij eerst begint met 1 dag in het weekend thuis slapen en dat zo uitbouwt tot hij alle nachten thuis slaapt. Kort daarna zal zijn ontslag uit de kliniek volgen. Ook mag hij geen bezoek meer op de kliniek ontvangen, maar bij hun thuis of in een café afspreken. Ook doet hij weer aan vrijwilligerswerk op het buurthuis. Voordat Hans begint met afbouwen wil hij eerst nog een paar dingetjes aan zijn huis afmaken. Maar het kost hem wel moeite om weer voor zichzelf te zorgen. Het gaat langzaam wat beter met hem. Hij durft weer aan de toekomst te denken.
Eind maart wacht hij op een gesprek, maar door het lange wachten slaan alle stoppen door. Hij raakt weer suïcidaal en kom terecht in een beschermde kamer met een medicijncocktail van Haldol en Phenergan. Na een week mag hij eruit, maar moet weer van voor af aan beginnen. Om herhaling te voorkomen moet Hans een dagboek bij gaan houden die door Hein Hopman gelezen en geëvalueerd worden. Hans mag ook weer terecht als vrijwilliger op het laboratorium. Langzaamaan begint het weer beter met hem te gaan en mag weer proberen thuis te slapen.
In de zomer is het erg warm, en is bekent dat het psychoses kan uitlokken. Midden in de nacht wordt Hans wakker en is erg psychotisch. Hij gaat naar het Valeriuskliniek waar hij naar zijn eigen bed gaat, maar kan niet in slaap komen. Hij trekt zijn kleren aan en loopt naar Schiphol om naar Linda te gaan in Afrika. Onderweg rookt hij al zijn sigaretten op. Halverwege ziet hij af van dit besluit. Weer vlakbij de kliniek besluit hij sigaretten te halen, maar de winkel was dicht. Hans begint kwaad tegen de deur te schreeuwen. De eigenaresse doet open en dreigt de politie te bellen, waarna Hans weer terug naar de kliniek gaat. Zonder sigaretten. Door dit voorval belandt hij weer in de beschermde kamer. Diezelfde middag krijgt hij een nieuw middel. Risperdal, een antipsychoticum. Het is nieuw in Nederland en hij is een van de eerste Nederlanders die het middel gaat gebruiken. Hij is positief over het middel. Ook krijgt hij Fevarin, een antidepressivum. Omdat hij een tijdlang last had van depressieve klachten.
Het verblijf in de beschermde kamer duurde dit keer een paar dagen waarna hij in een waanwereld verkeerde die in het teken staan van afrekenen met het verleden en beginnen met het nieuwe. De verschijnselen namen langzaam af, maar een zekere overmoedigheid bleef aanwezig. Het gaat weer wat beter met hem. Dan krijgt hij te horen dat hij de kliniek moet verlaten, maar niet terug kan komen. Het is ook niet duidelijk of de diagnose wel juist was. Het afbouwschema bestrijkt 2 maanden en half oktober zal Hans de kliniek moeten verlaten. Voor de nazorg kon hij bij J.C. de Keizer terecht, een instelling die nauwe banden met de Valeriuskliniek heeft waar hij begin oktober terecht kon. Op 18 oktober eindigde na ander halfjaar zijn verblijf in de inrichting. Die dag trakteerde hij zijn afdelingsgenoten op een zelf gebakken cake.

In oktober 1994 had hij na het vertrek nog therapie bij J.C. Keizer en wekelijkse gesprekken met Onno Terpstra, psychiater in opleiding en Marian Beekman, een sociaal psychiatrische verpleegkundige. Ook werkt hij nog steeds als vrijwilliger in het buurthuis. Naast zijn andere medicijnen gebruikte hij ook nog Seresta en Risperdal. Hoewel de Risperdal goed aanslaat had hij toch nog last van ‘psychoresten’. Van de Seresta gebruikte hij een tijdlang grote hoeveelheden. De Seresta werd dan ook in een hoog tempo afgebouwd, omdat de angsten waarvan hij last had als ontwenningsverschijnselen gezien werden. Ook de Fevarin werd afgebouwd aangezien hij niet meer depressief was. Hij had nog wel last van de ‘psychoresten’ en angsten, maar ook voelde hij zich lusteloos en mat. En hoewel hij zich beter voelde dan ooit kon hij ook nog direct worden opgenomen, mocht het niet meer gaan.
Eind december stopte Hans met de therapieën en hield het alleen nog met de wekelijkse gesprekken. Ondertussen was het nog steeds onduidelijk wat Hans mankeerde. Het werd met onzekerheid gehouden op schizofrenie waardoor hij de rest van zijn leven antipsychoticum zou moeten slikken. Volgens Onno had hij nu last van de negatieve symptomen die bij het ziektebeeld van schizofrenie horen. Angst en afzondering waren de 2 negatieve symptomen waar hij nog last van had. In maart 1996 verlaat hij het J.C. Keizer en werd zijn behandeling overgenomen door Els de Valk, een sociaal psychiatrische verpleegkundige van het RIAGG.
Aan het eind van het jaar nam hij contact op met het Academisch Ziekenhuis Utrecht voor een onderzoekgroep die zich bezig hielden met een onderzoek naar schizofrenie. Hans meldde zicht aan met een regeling. Een diagnose voor medewerking aan hun onderzoek.
Begin december volgt de uitslag meegedeeld door een psychiater: een lichte vorm van schizofrenie met een gunstig verloop. Hij drukte hem op het hart dat het belangrijk was voldoende te slapen. Als hij slecht gaat slapen dan moet hij Normison gebruiken, slaappillen, om te voorkomen dat het weer misgaat.
Op een nacht in 1997 belandde hij in een waanwereld dat op een psychose leek. De volgende dag schreef Els de Valk een tijdelijk verhoging van de Risperdal voor en Normison. Een paar nachten heeft hij nog last van die wanen, maar ze sloegen niet door als vroeger.
In 1997 was het laatste jaar dat Hans in het boek schreef. Hans voelde zich rijk aan ervaringen. Hij had zichzelf hervonden en de mensen om hem heem. En de ziekte had hij nagenoeg overwonnen.
In de zomer van 1997 loopt hij een tijdje bij een psychiater van de RIAGG, omdat Els de Valk met zwangerschapsverlof was. Volgens die psychiater zouden de lusteloosheid, verveling en vlakke stemming in de loop der tijd afnemen. Een korte tijd daarna merkte Hans al dat er herstel optrede. Nog steeds zou hij medicijnen gebruiken, maar het werd allemaal goed in de gaten gehouden door het RIAGG.

“De storm in mijn brein is gaan liggen. De doden zijn begraven. Het puin is geruimd en ik kan nu uitrusten. Ook Elise kan uitrusten. Net als zij had ik weg kunnen gaan. Ik ben gebleven en daar ben ik blij om.” Hans Almhof.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.