Sil de strandjutter door Cor Bruijn

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 3e klas vmbo | 6672 woorden
  • 30 november 2006
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.9
  • 44 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1940
Pagina's
336
Geschikt voor
vmbo
Punten
1 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands

Boekcover Sil de strandjutter
Shadow
Sil de strandjutter door Cor Bruijn
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Sil de strandjutter.

Inleiding.

Waarom heb ik dit boek gekozen?

Ik heb dit boek gekozen omdat ik de film er ook al van gezien had. En eigenlijk ook om dat dit het enige boek was dat bij ons was dat op de lijst stond.

Wat vond ik van het boek?

Ik vond het erg mooi. Het verschilt trouwens ook nog wat met de film. Daarom is het wel verrassend als er wat anders gebeurt. Ik vond het echt een heel mooi boek. Ik heb het met plezier gelezen.

De schrijver is Cor de Bruijn.

Uitgever is Callenbach
De tekeningen zijn van Anton Pieck
Er staat niet in, in wat voor jaar het is uitgegeven.

De hoofdfiguren zijn:
Sil:
Sil Droeviger, zijn bijnaam is Sil de strandjutter omdat hij een van de beste strandjutters is van Terschelling. Hij is streng voor zijn zonen maar hij trekt Lobke, het meisje dat hij gered heeft, voor. Ook is hij erg koppig en maakt hij veel ruzie met zijn zoons, Jelle en Wietse. Sil toont in het boek alleen karakter trekken van koppigheid en driftigheid.
Lobke:
Zij is van oorsprong Zweeds, maar wordt geadopteerd door Sil en Jaakje. Zo groeit zij op als een Terschellings meisje. Als zij wordt gered, is zij drie jaar en als zij trouwt is ze rond de drieëntwintig. Thuis is zij het lievelingetje van iedereen en zorgt voor een goede sfeer. Dikwijls als Sil driftig is komt Lobke naar hem toe en vergeet Sil zijn driftbuien. Door haar vrolijke doen en laten fleurt het hele huis op. Ze is erg leergierig, want als zij van school af moet, wil ze extra boekjes om te leren. En ze wil ook graag dingen weten over het geloof. Maar ze moet tevreden zijn met de verhalen van Jaakje, omdat ze niet naar de zondagschool mag van Sil.

Bijpersonen:

Jaakje:
Is de vrouw van Sil. Zorgt voor de huishoudelijke dingen. Zij probeert een goede sfeer in het huis te krijgen en ruzies te voorkomen, net zoals Lobke. Zij denkt erg veel naar, vooral over het geloof en de aparte manier van gebedsverhoring. Ze bad veel voor een dochter, maar werd onvruchtbaar. En toen kwam Sil thuis met Lobke.
Jelle:
Is de eerste zoon van Jaakje en Sil. Hij is erg wispelturig. Zo werkt hij de ene keer voor twee en de andere keer is hij weg. Het is een echte meidenjager, maar vindt dat niet fijn van zichzelf. Want hij houdt maar van een meisje namelijk Lobke. Hij kan niet zo goed met Sil opschieten, omdat Sil nogal vaak kwaad naar hem uitvalt.
Wietse:
Is de tweede zoon van Jaakje en Sil. Het is een harde werker en denkt veel over dingen na. Hij kan over die dingen erg goed met Lobke praten en vertelt haar erg veel. Als jongen heeft hij erg veel naar de zee verlangd, maar na zijn terugkeer kiest hij voor Terschelling en Lobke.

Tijd:
Ik denk dat het is geschreven in 1940 toen is het boek voor het eerst uitgegeven, waarom denk ik dat? Omdat het nog gaat om houten schepen. Er was toen ook nog geen elektriciteit.

Plaats:
De plaats waar het allemaal afspeelt is in Terschelling in het dorpje Oosterende.
Er was toen (Het boek werd geschreven) oost en west.
Sil woonde op oost. En die op oost woonde hadden meestal ruzie met west.

Thema:
Het thema: is een historische roman. Want het is een boek die niet in onze tijd is geschreven. Er speelt ook veel liefde in het boek. Jelle en Wietse zijn allebei verliefd op Lobke. Sil vind dat niet goed omdat hij vin d dat lobke hun zusje is.

De samenvatting:

Hoofdstuk 1
Van alles op het strand.

Het is nacht en jaakje en sil liggen in bed. Maar jaakje kan niet in slaap komen. Ze ligt maar te woelen en te draaien. Ze moet steeds denken aan de nacht 4 jaar terug. Ze bracht toen een meisje ter wereld, maar het kindje was zo ziek dat het na een paar uur al stierf. Sil was boos, boos op God. Hij zei tegen Jaakje voor dat kind 2 andere. Weer op een nacht hoorde Jaakje voetstappen de deur ging op en Sil vloog de bedstee uit maar kon niemand vinden alleen Jaakje wist dat het de Heere was geweest want ze voelde nog de druk op haar buik. Ze zei tegen sil ik zal nooit meer een kinderen kunnen krijgen. Sil wilde toch zo graag een meisje. Sil stak zelf zijn eigen zoons aan. Ze zeiden tegen hun moeder: Ta zegt dat we nog wel eens een zusje krijgen, mim.
Weer op een nacht komt er een boodschapper en roept: Sil, Sil wordt wakker, van alles op het strand, Sil. Sil is vliegensvlug uit bed. Hij wekt Jaakje en zegt dat ze brood moet klaar maken. Zelf gaat hij naar buiten en zet de hors voor de wagen. Een poosje later is hij bij paal 16 waar het schip is. Als hij daar is vraagt hij aan 1 van de mannen wat voor schip het is. Een brik op ballast. De mannen op het schip hebben het moeilijk en Sil ook want hij kan die arme mannen niet eens redden. De andere mannen die weten ook niet wat ze moeten doen. Ze gaan naar Sil en vragen wat ze moeten doen. Hij kijkt naar het schip en ziet dat ze een sloep over boord laten. Sil pakt de touwen bij elkaar en geeft ze aan 5 mannen en stapt zelf als eerste de zee in. Ze zullen het touw overbrengen. Maar ze komen niet ver want de golven zijn te sterk voor ze. Sil gaat weer vlug het water uit. Beveelt dat zijn paard uitgespannen moet worden springt erop en gaat weer de zee in. Hij gaat de zee in en het gaat veel gemakkelijker op het paard want het zwemt.
Sil komt steeds dichter naar de sloep toe. Als hij bij de sloep is laat hij zich er in vallen. Hij ziet een vrouw met een wond in de sloep liggen en voorin in de sloep ligt een, een meisje. Sil pakt de riemen en roeit naar het strand toe.

Hoofdstuk 2
Sil strijdt om lobkes bezit.

De vrouw wordt begraven die ook in de boot lag. Aan de noordzijde van de kerk.
Sil heeft ruzie met de heren van West. Ze willen niet dat Sil het kind houdt, verzorgen mag wel. Sil heeft ze goed de waarheid gezegd en toen is het kind ingeschreven als Lobke Droeviger. Sil was daarna nog steeds boos. Wat hadden die heren van West een verbeelding, zo dacht hij. Alleen als Lobke in de buurt was kwam er een glimlach op zijn gezicht, op haar kon hij niet boos worden.
Nu Lobke ingeschreven is als Lobke Droeviger wil Sil ook dat ze gedoopt wordt. Daarom gaat Sil naar de dominee.. Maar de dominee wil Lobke nu nog niet dopen, want misschien is ze al gedoopt. Over een jaar mag Lobke gedoopt worden als er geen familie leden zijn geweest om haar op te eisen. Sil wordt erg boos en hij dreigt als Lobke niet gedoopt wordt dat de dominee hem niet meer in de kerk ziet en Jaakje ook niet en later de jongens ook niet.
De dagen daarna is Sil nog steeds boos op de dominee. Hij zegt dat iedereen die het maar horen wil dat de dominee Lobke niet wil dopen. Hij wil zijn dorpsgenoten zelfs overhalen om ook niet meer naar de kerk te gaan. Maar niemand is het echt met Sil eens Kan hij nu niet een jaartje wachten. Alleen Sils buurman, Anne India durft tegen Sil te zeggen dat hij niet zo druk moet doen. Gelukkig is het Anne het tegen Sil zegt want van hem wil hij het wel aannemen al gaat dat niet van harte.
Met Lobke gaat het goed. Ze speelt met iedereen. Maar het meest met Jellle en Wietse . OP een dag zijn ze een eindje gaan lopen en komen ze bij een smalle maar vrij diepe sloot. Er ligt een plank over. Lobke wil er over lopen. Maar Jelle pakt haar op om er over te dragen. Maar dat wil Lobke niet en ze spartelt flink tegen. Met gevolg dat ze allebei in de sloot vallen. Jelle kruipt er geschrokken uit en rent naar zijn vader. Wietse haalt vlug Lobke uit de sloot en samen lopen ze naar moeder toe. Als moeder het hele verhaal heeft gehoord krijgt Jelle straf.
Van Sil mogen de kinderen niet naar de zondagsschool. Sil vindt het al een vernedering genoeg om naar de kerk te gaan. Maar Jaakje wil niet dat de kinderen als heidenen op groeien. Ze vertelt eerst stiekem verhalen uit de Bijbel als Sil niet thuis is. Maar op een avond vertelt ze gewoon waar Sil bij zit en Sil zegt er niets van. Daardoor aangemoedigd begint ze steeds meer te vertellen. Sil helpt zelfs mee om het verhaal kloppend te maken.

Hoofdstuk 3
Je doet maar, m’n famke.

Een van de dorpbewoners is gestorven. Het is Jan Mier waar Sil vaak mee samen werkte. Jan Mier was iemand die andere graag voor de gek hield. Jan Mier zijn land wordt verkocht onder de andere dorpbewoners. Sil heeft ook een stuk land gekocht. Jaakje is er helemaal niet blij. Nu hebben ze weer geen geld. Maar Sil verzint gauw dat hij het voor Jelle en Wietse heeft gekocht. Dan kan Jaakje niks meer zeggen.
In de zomer moeten Jelle, Wietse en Lobke van school af. Ze moeten Sil helpen in het wier. Wietse en Lobke helpen Sil, maar die werkt zo hard dat ze niet bij kunnen houden. Sil heeft Jelle naar Gert gestuurd om daar te helpen. Maar Jelle voert daar eigenlijk niks uit. Sil blijft maar werken totdat Lobke hem dwingt om koffie te gaan drinken. Lobke en Wietse liggen naast elkaar te praten. En dan zegt Wietse dat hij graag naar zee wil. Lobke lacht hem uit Wietse naar zee? Dat kan niet hij is een boer.
Als het avond is gaan ze naar huis. Lobke wil snel naar binnen andere kleren aan trekken. Sijke en Ietske komen net naar buiten. Ietske begint te mopperen dat het toch niet kan da t Lobke nu al mee moet helpen. Sijke zegt dat ze zich niet zo aan moet stellen zij moest al met haar9e van school. Lobke wordt ongerust. Ze wil niet van school. Ze vindt het fijn op school. Ze loopt naar haar moeder. Mim moet ik echt al van school? Jaakje ziet het trieste gezicht van haar dochter. Ja, Lobke wij hebben je thuis nodig er is zo veel te doen. Lobke zegt niks meer, ze begrijpt het wel.
Een paar dagen later als Sil in het dorp is, komt hij de meester tegen. De meester vraagt naar Lobke waarom ze niet meer op school was. Sil zegt dat Lobke van school komt. Want hij heeft het veel te druk. De meester vindt het niet leuk dat Lobke ook al van school gaat. Zo heeft hij nog zo weinig leerlingen, iedereen haalt zijn kinderen van school.
Lobke heeft een boekje bij de meester gehaald. Ze vindt zelf dat ze zo veel fouten nog maakt met het schrijven. Even later komt Sil binnen, hij ziet dat Lobke aan het schrijven is. Lobke vraagt aan Sil: Ta moet heus met s of met een sch. Maar Ta weet het niet. Dan vertelt Sil dat hij ook al vroeg van school moest en het niet weet hoe je heus moet schrijven. Lobke vindt Sil maar dom.

Hoofdstuk 4
Strandgoed.
Het is winter geworden, Jelle en Wietse lopen dagelijks langs het strand, of er wat te jutten valt. Jelle heeft ook gemerkt dat karnhond een goeie rattenvanger is.
Wietse en Jelle hebben op een keer ruzie, Sil moet ze scheiden. Hij trekt partij voor Jelle . Wietse gaat daarna vaker alleen naar het strand en brengt zo van alles thuis.
Oost heeft nu ook een eigen reddingsboot. En iedereen wil natuurlijk levens redden.
Als Sil op een keer een leven red is West daar jaloers om. Een van de ambtenaren roept Vuile jutter tegen Sil. Maar dat pikt Wietse niet en voor hij het weet schopt hij de ambtenaar tegen zijn scheenbeen. Wietse wordt weg gestuurd maar nog dagen later was Wietse nog aan het nadenken daar over. Was jutten vuil?
OP een nacht stormt het, Jelle en Wietse gaan eropuit. Als ze een poosje gelopen vinden ze een vat met wijn. Maar ze krijgen het niet binnen het 1e duin gerold. Want binnen het 1e duin is het van de vinder. Daarom gaat Jelle Sil halen. Na een uurtje is Sil er. Met zijn drieën sjouwen ze het binnen het 1e duin. Ze gaan weer naar huis en eten daar eerst wat. Daarna gaan ze gauw weer naar het vat met wijn. Ze hebben nu douaneplanken meegenomen om het vat de wagen in te rollen. Als bij het 1e duin komen waar ze het vat hebben weggerold is er geen vat te bekennen hoe kan dat nu?
Het vat is gestolen. Jelle en Wietse staan verslagen te wachten totdat Sil zijn drift weer over is.
Als ze naar huis gaan. Komen ze langs het huis van Tjalf. Sil springt uit de wagen en loopt nog vol drift naar het huis. Hij gaat kijken of Tjalf zijn wijn heeft gestolen. Maar Tjalf heeft zijn wijn niet. Na een uurtje weet heel het dorp dat het vat wijn van Sil is gestolen. Ze leven allemaal met Sil. °s avonds vertelt Sil zijn verhaal nog een keer aan Anne India. Maar Anne India is het niet met Sil eens. Hij zegt eigenlijk heb jij het vat ook gestolen, want je wou het niet naar de strandvonderij brengen. En schelden vind ik helemaal al niet goed. Sil is nu nog woedender dan hij al was.
Het is middernacht en er wordt op de ruiten van Sil geklopt. Sil klimt uit zijn bed en laat de man binnen. Die heeft een boodschap. Het hele strand ligt vol met wijn vaten. Als je zachtjes rijdt heb je er veel. Hij wekt Jelle en Wietse. Alleen Jelle is er snel uit. Wietse zegt dat hij niet mee gaat. Even later rijdt Sil zo zacht mogelijk weg om de buren niet te wekken.
De volgende ochtend zijn Wietse en Lobke bezig in de stal. Wietse is nog steeds bezig over het geval: jutten. Hij vraagt aan Lobke hoe die er over denkt. Maar aan haar heeft hij ook niks. Want zij vind jutten goed. Want anders was zij ook niet uit het de sloep gehaald. Sil heeft veel vaten binnen weten te halen. Ook andere uit het dorp. Sil koopt voor Jaakje een zondagse kap, voor de jongens een horloge en Lobke een feest kleedje. Wietse doet het horloge alleen niet om. Het is van gejut geld gekocht en dat hoeft hij niet.

Hoofdstuk 5
De verloren zoon.

Jelle groeit goed op. Hij werkt soms voor twee. Alleen je kan niet altijd op hem rekenen. Hij is soms op eens weg. Dan is hij gaan bot vangen. Of wat anders.
Ook ’s avonds als de jongens op weg gaan om famkes te vangen is Jelle haantje de voorste. Hij heeft ook een keus. Maam van Gert en Nien spreekt hem wel aan. Hij vangt haar ook dikwijls.
Wietse word een stille jongen. Hij helpt Sil overal waar hij helpen kan. Ook als Lobke druk is gaat hij koeien melken wat eigenlijk vrouwen werk is. Hij komt nog maar zelden aan het strand. En als hij aan strand komt brengt hij niks thuis. Als Sil er achter komt dat hij de spullen naar de strandvonder brengt is hij woedend. Hij verbiedt Wietse met het paard en wagen naar het strand te gaan.
Lobke wil naar de lering en vraagt Sil dat aan tafel. Eigenlijk is Sil het er helemaal niet mee eens maar, hij kan tegen dit kind geen nee zegen. Na een poosje geeft hij dan toch maar toe. Even later als Sil en Wietse aan het werk zijn. Zegt Sil: Als jij ook maar niet van die fratsen uit ga halen. Wietse vraagt hoezo. Sil zegt: Nou je hangt aan Lobke als een veulen aan een merrie. Wietse zegt niks maar eigenlijk is hij heel boos..
Een paar weken later gaan er 1 schip gaat naar bodem. En een paar dagen gaat er weer een schip maar die blijft vast zitten. Een paar dagen later is het schip los en de kapitein kan weer naar zijn schip. Hij is niet blij als hij het schip ziet als is er af geroofd. Dan komt de volgende schipbreuk. Van alles ligt er dus op strand. Sil wil vlug naar het strand maar Jelle heeft zijn voet gekneusd. Dus moet Wietse mee, maar hij wil niet mee. Hij zegt als ik mee moet gaat alles wat ik vind naar de strandvonder. Sil is woedend en slaat Wietse op zijn wang. Wietse pakt de wagen en weg is hij. Sil kan hem niet meer in halen. ’s Avonds laat komt Wietse pas thuis. Hij had een briefje gemaakt waarop alles stond wat hij gevonden had. Sil was natuurlijk niet blij dat hij alles naar de strandvonder had gebracht. Hij gaat al vlug naar bed, maar hij gaat niet naar zijn bed maar hij slaapt in het hooi.
De volgende ochtend gaat Lobke melken. Ze komt iemand tegen die zegt is Wietse naar Oost. Lobke schrikt Wietse zal toch niet weg zijn. Maar ze laat niks merken. De hele dag zitten Lobke en Jaakje in angst. Pas tegen de avond wordt hun vermoeden bevestigd. De postbode komt met een brief. Een brief van Wietse. Hij vertelt dat hij met Anders van buren nar Amsterdam is gegaan en daar een goed schip voor hemzelf vinden. Sil vindt het heel erg wat er is gebeurd maar hij kan niet alles terug draaien.

Hoofdstuk 6
Lobke schrijft een brief.

Er komt een brief van Wietse . Hij schrijft dat hij een schip heeft gevonden en nu naar Zweden gaat. Hij heeft er ook het adres bij gegeven waar ze een brief naar een bepaald adres kunnen sturen. Maar Sil wil niet dat iemand een brief stuurt naar Wietse. Hij moet maar naar huis komen.
Jelle gaat nu zo’n beetje met iedereen. Hij wil iedereen wel proberen op het eiland. Sil lacht er maar wat om. Hij zegt laat die jongen toch lekker snuffelen. Jaakje zegt en als andere jongens dat bij Lobke doen wat vind je er dan van??? Maar Sil denkt dat Lobke wel van zich afslaat.
Een paar dagen later is Lobke een brief aan het schrijven aan Wietse het mag wel niet van Sil, maar ze doet het toch. Ze denkt als ik hem geschreven heb leg ik hem op tafel en dan kan Sil zelf weten wat hij er mee doet. Als Sil even later thuis komt ziet hij de brief liggen. Hij wil eerst niet dat ze hem verstuurt maar na lang mopperen mag het nog niet. En dan de volgende ochtend breng ze de brief weg.

Hoofdstuk 7
In de storm op de bosplaat.

Jelle en Lobke gaan naar het strand. Ze hebben de kar genomen. Sil heeft eerst stevig gemopperd maar hij heeft toch toegegeven. Hij is er bang voor dat Jelle Lobke neemt. Hij zit ook altijd zo achter de meisjes aan. En eigenlij heeft Sil wel gelijk. Ze zijn nog maar net weg als Jelle zegt als je niet voor je 20e trouwt dan neem ik je. Lobke vindt dat helemaal niet leuk. Ze gaan steeds verder en ze gaan zelfs tot de Bosplaat. Lobke zegt dat ze ook nog terug moeten. Maar Jelle stoort zich er niet aan. Hij roept kom Lobke we gaan naar het drenkelinghuisje. Ze gaan even later ook nog op Grauw even weg. Lobke vertrouwt het niet. Jelle wanneer wordt het vloed? Zie je die wolken? Voel je de wind? Lobke is niet gerust, maar ze gaat toch mee. Ze zien even later iets groens liggen en als een echt jutter gaat Jelle kijken wat er ligt. Hij rijdt steeds verder. Lobke wordt steeds onrustiger. Maar even later komt hij terug. Hijgend roept hij dat het maar een kist was. Ze lopen terug want de vloed begint te komen en de lucht is nog donkerder geworden. Dan komt er een straal bliksem uit de hemel. Grauw schrikt en steigerd. Door dat Jelle de teugels niet goed vast heeft. Rukt Grauw naar zich los en rent naar huis. Jelle en Lobke gaan naar het drenkelinghuisje. Jelle gaat naar binnen en slaat een glas in dan gaat er een bel bij 1 van de dorpelingen. Ze weten dan dat er iemand in gevaar is. Maar Lobke weigert ik ga niet in dat drenkelinghuisje. We moeten naar huis voor Moeder. Ze zal ongerust zijn. En dan gaan Lobke en Jelle al rennend over het strand. Maar Lobke kan al snel niet meer. En begint te strompelen. Jelle pakt haar op en strompelt zelf verder. Hij moet het halen. Hij denkt bij zijn eigen goed dat we niet van eigen bloed zijn. En dan juicht hij Lobke we hebben het gehaald!
Thuis is Jaakje ongerust en even later zegt Sil ik ga er op af. Hij gaat gauw bij Gert het paard halen. Die kan veel harder draven.
Even later is hij op het strand een van de dorpsbewoners is er ook hij heeft de bel horen rinkelen en is er gelijk op af gegaan. Sil ziet even later Grauw lopen. Ze weten hem met zijn tweeën te vangen. En dan gaan ze naar de Bosplaat. Ze zien even later Jelle van de duin afstrompelen. Hij rijdt er gauw naar toe. Hij pakt Lobke op en zet ze voor op het paard. En dan gaan ze gauw naar huis.

Hoofdstuk 8
De Sunderums

Lobke is de volgende morgen ziek. Ze heeft koorts en moet van Jaakje in bed blijven. Als ze een poosje geslapen heeft hoort ze op eens stemmen. Het zijn Sil en Jelle. Maar ze maken ruzie. Maar dat wil Lobke niet. Ze stapt haar bed uit. Alles draait. Maar ze gaat verder. Dan duwt ze de deur open en ziet ze Sil en Jelle als twee dol geworden stieren tegenover elkaar staan. Dan wordt het Lobke te veel. Ze valt bewusteloos neer. Vlug pakt Sil haar op en brengt haar naar bed. Het duurt dan wel een week als ze weer uit bed kan.
Het leven daarna gaat weer gewoon verder. Er moet weer van alles gedaan worden want het is zomer. Op de zondag na de tweede Sint Jan is er een opperid-tocht. Lobke weet wat er dan gaat gebeuren. Eerst dansen en dan loopt het altijd uit mop vrijen met de een of de ander. Ze gaat dan ook niet mee.
Het 6 december. De dag van de sunderums. Maam gaat de lantaarn buiten hangen. Als teken dat ze ingeven voor de sunderums. Ze wil teruglopen maar dan staat er opeens een sunderum die haar toegang versperd. Ze wordt een paar keer goed gejonast ze schreeuwt en gilt dat ze haar los moeten laten. Even alter wordt ze losgelaten. De sunderums gaan weer verder. Om een uur of 8 gaan ze3 naar Ome Ane waar het feest gevierd is. Als ze daar aankomen komt het muziek hun al te gemoed. Even later komen de meiden ook en de schuur is al gauw gevuld. Ze dansen de hele avond. Lobke met een vrouwelijk figuur. Ze denkt dat het Aike is. En Maam met een rode kater. Zij denkt dat het Jelle is. Ze dansen de hele avond door. Even later moeten de sunderums laten zien wie ze zijn. Naan trekt met een lach de kap af, want ze weet zeker dat het Jelle is maar het is Aike. Ze moet er op zich wel om lachen . Dan doet Jelle zijn kap af. Lobke is verbijsterd heeft ze de hel avond met Jele gedanst? Ze wordt boos. Ze gaat daarom gelijk direct naar huis. Ze ligt al gauw in bed, ze huilt nog wat. Maar opeens hoort ze wat geschuiffel. Het is Jelle hij zegt dat huij van haar houd. Maar ze wil niet en opeens staat Sil er. Hij begint tegen Jelle te schreeuwen, hij wil hem slaan. Maar opeens staat Lobke er tussen. Niet doen. Maar Jelle is al weg. Sil zegt dadt hij en Jaakje in het bed van Jelle gaan slapen en Lobke in hun bed en Jelle in Lobke haar bed. Maar Lobke wil dat niet en ze loopt weg. Ze gaat naar Ane India. Ze slaapt daar. De volgende ochtend is ze als eerste weer in huis. Sil vermoedt niks. Lobke zegt gewoon waar ze is geweest. Even later gaat Sil naar Jelle toe. Hij wil die jongen nog 1 keer zeggen dat hij met zijn poten van Jelle af moet blijven. ’s Avonds komt Ane India. Hij wil met zijn buurman Praten. Hij praat een poosje met Sil maar dan loopt Sil
Kwaad weg

Hoofdstuk 9
De sledetocht.

Enkele dagen later ligt Terschelling onder de sneeuw. Het r helemaal wit van. Lobke zit binnen samen met Jaakje daar praten ze wat over jongens. Jaakje schrikt op den duur wat Lobke zegt. Zou ze van Jelle houden?? Maar Lobke houdt niet van Jelle. Ja wel als broer. Maar ze griezelt van jongens. Even later komen Sil, Jelle en Maam binnen. Het heeft zo hard gesneeuwd dat ze met de ar weg kunnen. Maam gaat met Jelle. Sil vraagt of Lobke mee wil. Maar ze wil niet. Ze wil Jaakje eens een verzetje geven. Dat vind Jaakje ook wel eens leuk.
Die middag zit Jaakje vol bewondering en blijdschap in de ar. Ze is blij dat ze er ook is uit kan.
Lobke zwaait ze allemaal uit. Er zijn dingen die diep in haar geweten knagen. Is ze jaloers op Maam?? Nee, ze zou nooit willen ruilen. Toch is ze best jaloers waarom weet ze niet. Ze zou graag als Wietse er was, met Wietse gaan rijden. Tegen 4 uur komen de arren terug. Maar Sil en Jaakje komen nog niet. Het is Jelle die terug komt. Even later komen ook Sil en Jaakje terug.
Sil en Jelle hebben daarna nog woorden over Lobke. Maar Sil weet zich rustig te houden. ’s Avonds praat hij nog met Jaakje over Jelle en Lobke. En opeens schiet hij zijn bed uit. Het lijkt wel of hij denkt dat Jelle weer bij Lobke is. Gelukkig is het niet zo. Maar Jelle slaapt niet in zijn bed. Hij slaapt in zijn bed. Hij zegt tegen Sil als je Me nog een keer commandeert dan Loop ik ook weg net als Wietse. Sil strompelt terug want dat eil hij niet. Hij vertelt alles tegen Jaakje. Dan gaat Jaakje naar Jelle . Maar zij bereikt ook niks. Ze voelt nog Lobke haar deur maar die zit op slot.

Hoofdstuk 10
Zomerfeest.

Jelle krijgt een baan als schutter maar de buren klagen over hem. Voor heen liep er veel minder vee los. Dus wordt hij na een tijdje weer ontslagen. Hij lacht een keer.
Het is bijna weer de tweede zondag na Sint Jan. En de opper-id is er weer. Aike komt voor de opper-id vragen of Lobke met hem mee zal gaan. Maar Lobke bedankt ze rijdt al met de famkes wagen mee. Maar ze wil wel graag met hem dansen.
De dag van de opper-ip staat Lobke buiten de wagens op te wachten. Ze heeft haar mooie feest kleed aan en staat de wagens op te wachten. Daar komen ze . Lobke kruipt in de famkes wagen en daar gaan ze.
Jaakje vindt het die dag een gezellige dag net of de feest stemming ook hier in huis zit. Als ’s avonds de wagens weer terug komen moet Jaakje lachen. Maar als de stoet bijna oorbij is lacht ze niet meer. De famkes wagen is omstuwd met paarden. De stof dwarrelt overal op. Ze ziet op den duur Jelle en wie rijdt er naast hem? Dat is Maam. Ze rijdt als een man op een paard, de rokken hoog opgetrokken. Gert komt gauw naar Maam toe en trekt haar vanaf het paard. Maar Maam lacht maar wat. Ze kruipt achter zijn rug gauw weer in de wagen. De wagen gaat weer verder. Pas laat in de nacht komt Mam weer thuis.
De volgende ochtend is ze niet te spreken. Ze staart wat lodderig uit haar ogen. Gert en Nien zeuren haar de oren van het hoofd omdat ze wille n weten wat er gebeurd is. maar ze komen niks te weten want Maam weet niet meer wat er de vorige avond is gebeurd.

Hoofdstuk 11
De liefde van Jelle.

Lobke komt terug van het feem zitten. Ze hebben de hele middag aan het spinnen geweest. Nu gaan ze even naar huis om zich om te kleden. Ze zullen die avond weer terug gaan om feest te vieren over wat ze allemaal gespint hebben. Maam zegt dat ze vanavond Jelle wilde. Maar Lobke zegt dat ze, ze allemaal mag hebben. Maar Jelle komt die avond niet. Er wordt wel gepraat en gelachen. Er worden griezelige verhalen vertelt. Na een paar uur komen de jongens. Even later gaat Maam weg. Er springen gelijk 3 jongens op om haar weg te brengen. Maar ze zijn gauw terug want Jelle staat op Maam te wachten. Na een uurtje is iedereen weg maar Lobke ruimt nog wat op. Aike blijf top haar wachten dus moet ze op dan duur wel weg. Aike wil van haar een beloning. Hij vindt jongens die meisjes van het feem zitten afhalen hebben recht op beloning. Maar Lobke vindt dat niet goed en loopt weg. Maar Aike vindt het niet leuk. Maar dan hoort hij Maam. Hij wordt gelijk weer blij. Hij neemt haar dan maar.
Lobke gaat naar huis. Ze kleedt zich bijna helemaal uit. Want ze wil zich helemaal wassen. Maar dan staat Jelle op eens voor haar. Nee, Jelle niet doen. Maar Jelle gaat wel door. Maar dan geeft Jelle een krauw met haar nagels. Jelle stopt. O, Lobke ik wilde dit niet. Lobke begrijpt nu dat hij het meende. Maar dan opeens Sil in de deuropening. hiJ wordt erg kwaad. Maar Jelle staat op en zegt dat hij wel weg gaat. Lobke is ook opeens verdwenen. Dan heeft Sil spijt. Eerst Wietse en toen Jelle.

Hoofdstuk 12
Jelles dood.

Sil ligt heel de nacht te woelen. Hij worstelt met vragen. Hij worstelt met GOD. ’s Ochtends wordt er op het raam gebonkt. Sil staat al gelijk naast zijn bed. Jaakje vraagt of Jelle nu niet is alleen kan gaan. Sil zijn gezicht betrekt. Jelle is er immers niet. Even later is hij weg. Even later staat hij opeen duin. Toe te kijken hoe de storm woedt. Als ze even later bij paal 16 zijn hoort hij dat Jelle de miet brenger was. De mensen vragen kunnen we niet met de boot. Maar dat gaat niet want ze zouden allemaal verdrinken. Een lijn overbrengen? Nee, dat kan ook niet. Even later zien ze een man de zee in rijden. Ze gebaren dat hij terug moet. Dan ziet Sil het, het is Jelle. Hij is al halverwege. Als hij er eindelijk is klimt hij op het schip. De mannen op het land zien hem op de reling staan. Dan als er een golf komt valt Jelle van de reling. De mannen op het strand zijn radeloos. Sil is radeloos. Dan binden de mannen een touw om elkaars middelen en trotseren de zee. Sil zoekt, hij moet Jelle vinden. Daar is hij. Hij hangt in de mannen van zijn paard. Sil pakt zijn zoon en hijst hem op het paard. Hij gaat terug naar het strand. Hij gaat gelijk door naar het dorp. Als hij bijna in het dorp is worst hij tegen gehouden. Sil zo kun je het dorp niet in. Leg hem in de wagen. Hij geeft toe. Opeens gaat hij er in draf van door. Hij moet naar Jaakje. Jaakje begrijpt hem eigenlijk gelijk. Even later is de wagen er. Lobke knielt huilend bij Jelle. Dan stormt ze op haar Sil toe. Sil voelt hoe de band vergroot. De dagen daarna houdt Sil zich goed. Ook als hij hem naar het graf brengt. Voor Lobke is het moeilijker. Ze moet steeds denken aan het laatste uur dat Jelle bij haar was. Dan wordt Jelle begraven.

Hoofdstuk 13
Sil rouwt.

Sil is alles zwart aan het verven om dat hij om Jelle rouwt. Als Jaakje en Lobke zeggen dat Wietse misschien wel terug komt. Is hij erg nors. Maar toch hoopt hij ook dat Wietse terug komt. Ook heeft Sil een zware last van GOD op zijn schouders gekregen. De last van de dood om Jelle. Sil gaat nu iedere zondag ook naar de kerk.

Hoofdstuk 14
Een zoon komt thuis.

Lobke brengt de boter naar West. Als ze voor het geld, wat ze voor de boter heeft gekregen, andere spullen heeft gekocht gaat ze weer op huis aan. Na een poosje gelopen te hebben ziet ze 2 mannen staan. Ha, nu hoef ik niet alleen de mand te dragen, denkt ze. Maar ze heeft het mis want de mannen gaan uit elkaar en lopen door. Maar 1 blijft voor haar lopen. Na een poosje weet ze wie het is! Wietse. Ze lopen samen naar huis. Lobke krijgt de bloedkoralen die Wietse haar eens beloofd had. Ook Zegt Wietse tegen Lobke dat hij voor altijd thuis blijft.

Hoofdstuk 15
Van wie is het kind?

Sil en Jaakje zitten aan de tafel. Dan komt Wietse binnen, voor het eerst is er weer vreugde in het huis. Na een poosje gaan Sil en Wietse naar de stal. Sil vertelt daar alles over Jelle. Maar ook over Maam er wordt geroddeld in het dorp dat ze zwanger is en het kind van Jelle is. De volgende morgen maakt Wietse een afspraak met Gert om te komen praten. Gert vindt dat goed. Als Wietse thuis komt praat hij nog even met Lobke . Lobke is bezorgt over Maam. Dan vertelt Wietse als het kind echt van Jelle is dat hij dan met Maam trouwt. Lobke vindt dat best wel erg want ze houdt van Wietse.

Hoofdstuk 16
Wietse gaat op bezoek.

Wietse gaat naar Gert en Nien. Ze praten daar over Maam en Jelle. Maar Wietse wil Maam er bij hebben. Ze praten een hele tijd. En dan zegt Wietse dat hij wel met Maam wil trouwen. Maar dat willen ze toch niet aannemen. Maar eigenlijk vinden ze het wel een goed idee. Maar dan Zegt Maam dat het kind niet va Jelle is maar van Aike. Dan wordt Gert heel boos. Maar Nien die zorgt goed voor Maam. Wietse en Gert praten daarna er nog over hoe Aike op te sporen is. Even later gaat hij naar huis. Hij wil Lobke en geen ander.

Hoofdstuk 17
De liefde van lobke.

Als Wietse thuis is doet hij verslag wat hij meegemaakt heeft bij Gert en Nien. Sil is erg blij dat Jelle het niet gedaan heeft. Het is toch niet leuk als er gespot wordt over iemand die al dood is. Maar Wietse wil nu wel iemand anders. En da geeft hij toe. Wietse en Lobke mogen trouwen. Hij vindt het goed.

Hoofdstuk 18
Epiloog.

Wietse heeft een nieuw paard. Hij rijdt samen met Sil over het strand. Ze praten over van alles. Over hoe Lobke gered werd. Ook of Wietse nog weggaat. Ook gaat Sil het huisje van Sijke van Jort kopen. Wietse en Lobke trekken dan in de boederij. Hij blijft natuurlijk wel Wietse hepen.

Verwerkingsopdrachten:

Bedenk 5 mogelijke alternatieve titels voor het boek en licht ze toe.

- De zee die geeft en de zee die neemt.

De zee die geeft Sil en de andere mannen wat te jutten. Ook heeft sil op een dag lobke gered. Daarom is het de zee die geeft.
Maar als Jelle op een keer een lijn overbrengt naar het schip die in nood is, verdrinkt hij. Terwijl de andere bemanningsleden worden gered.

- Sils Lobke van Zweden.

Sil heeft lobke uit de golven gered. En ze weten van het schip dat die uit zweden komt. Dus, de mensen gaan haar sils lobke van zweden noemen. Al wil sil zelf dat het gewoon sils lobke heet.

- Jag icke lobke.

Als lobke nog maar net bij sil en jaakje is komen de buren en de vrienden van sil en jaakje allemaal cadeautjes brengen. Dan zeggen ze steeds lobke kijk eens. Maar het meisje weet zelf dat ze geen lobke heet. En dus zegt ze in haar eigen taal: Jag icke lobke en dat betekend, jag = ik icke = niet dus, ze zegt ik niet lobke.

- De familie van Peit.

Het gaat de hele tijd over het gezin van sil. En zijn achternaam is van Peit. Het gaat ook best veel over familierelaties. Zoals wietse kwaad weg loopt als zijn vader hem heeft geslagen. En Jelle steeds in het sloekot moet slapen omdat, Jelle en sil ruzie hebben over lobke.

- Het leven op Terschelling.

Je ziet in het boek heel goed het leven op Terschelling weer. De ruzies van oost en west . als je wat jutte dat je het dan naar de strandvonder moest brengen, maar niemand van oost dat deed. De reddingsactie om bemanning te redden op een zinkend schip. Enz..

Schrijf een kort gedeelte van het verhaal in een ander vertelperspectief.

Jelle bonst om een uur of half 5 op de deur bij Sil. Hij rent alweer verder. Er is een schip in nood. Hij bonst overal op de deuren hij schreeuwt iets maar ze kunnen het niet verstaan. De wind beneemt zijn woorden. Hij rent hij moet een paard zien te krijgen. Naar huis kan hij niet. Vader zal nog wel boos zijn. Even later staat hij bij Gert en Nien en bonst op de deur. Even later gaat de deur open en daar staat Maam. Hij vraagt hijgend of hij de zwarte mag lenen. Hun Grauw is niet snel genoeg. Even later vliegt hij weg op de zwarte van Gert. De zwarte galoppeert de duinen door. Even later is hij op het strand. Hij ziet dat niemand van de mannen iets doet. Ik moet die mensen redden denkt Jelle. Ik moet! Hij galoppeert weer naar huis en gaat daar een lijn halen. Een paar minuten later is hij terug. Hij denkt kan ik het halen? Hij aarzelt even maar gaat dan toch. Hij gaat dwars door zee naar het schip toe. Hij krijgt golven over zich heen. Haal ik het noch wel? Hij wordt door een golf er bijna afgeslagen. Gelukkig kan hij blijven zitten. En daar ziet hij een paar meter voor hem het schip al. Kom op Zwarte je kan het. Dan door een waas wordt hij door de bemanning aan boord getrokken. Hij slaat de lijn om de reling en gaat er zelf boven op staan. Hij ziet op het laatste moment een golf aan komen rollen. Hij denkt: Nee, het touw zit om mijn middel. Maar dan is het al gebeurd. Het wordt zwart voor zijn ogen en even later voelt hij niks meer.

Het leven van de schrijver.

De schrijver van het boek is Cornelis Pieter Bruijn, ofwel Cor Bruijn. Hij is geboren op 17 mei 1883 in Wormerveer. Hij heeft tot zijn 17e jaar in Zaan, in het Gooi gewoond. Hierover schrijft hij ook veel over in zijn boeken. Hij heeft een opleiding als onderwijzer gehad aan de Rijkskweekschool in Haarlem, hij was een echte onderwijs vernieuwer. Vanaf 1942 heeft hij zich volledig aan het schrijven overgegeven. Zijn boeken hebben een positieve levensvisie en er wordt geschreven over vrede, praktische naastenliefde en uitbuiting van alcohol. Hij laat zien dat de hoofdpersonen in zijn boeken het niet makkelijk hebben. Hij laat zien dat optimisme belangrijker is dan rijkdom, zo zijn z’n boeken niet al te prekerig, met dingen wat je niet en wel mag doen. Het boek ‘Sil de Strandjutter’ is heel bekend geworden en in meerdere talen vertaald, ook is het boek verfilmd. Cor Bruijn leeft inmiddels niet meer.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Er staat in dit boekverslag dat Sil met zijn achternaam van Peit heet maar dat is niet zo, want Sils vader heette Peit en hun achternaam is Droeviger!
Groetjes Hanneke.

15 jaar geleden

Andere verslagen van "Sil de strandjutter door Cor Bruijn"