Onderdeel A. De romananalyse.

De hoofdpersonen:
Kris Blanken:
Kris is een jongen die economie studeert, maar het liefst tekent en schildert. Vanaf kinds af aan heeft Kris last van angstdromen waarin hij z’n eigen dood beleeft. Een huisgenoot: Dominique stuurt hem naar haar tante: een reïncarnatie therapeute. Al gauw gaat kris naar haar toe. Daar ontdekt hij (onder hypnose) dat hij in een vorig leven (in de 17e eeuw) Olivier Moeriaans was en dat hij op z’n 18e melaats werd, en later ook de pest kreeg. Zo ontdekt hij waar zijn droom over gaat. Dit gebeurde niet in één keer, maar in 2 keer onder hypnose. Hij bezoekt Alkmaar om te kijken of hij kan bewijzen dat hij vroeger geleefd heeft en ziet zo zijn oude huis terug. Op het laatste gaat hij nog een keer naar Alkmaar en gaat naar de kerk waarin zijn familie (uit de 17e eeuw) begraven ligt. In de kerk van Alkmaar valt hij in slaap, raakt onder hypnose en beleeft zijn dood (aan melaatsheid èn de pest).
Olivier Moeriaans:
Olivier is een jongen die geboren is in april 1637. Dit is Kris zijn vorige leven. Het moment dat Kris terug gaat naar dit leven(onder hypnose) is in 1655. Olivier is de zoon van een apotheker, die in opleiding is bij een schilder. Nadat de kringen op zijn huid zijn onderzocht wordt er geconstateerd dat Olivier melaats is. Hij wordt verbannen uit de stad en opgevangen in een tehuis voor melaatsen: de leprozerie. Als Olivier op een dag een weiland staat te schilderen komt er een woonwagen langs, met voor op de bok de kwakzalver van de markt: Jeroom Couttenier. De man stopt voor Olivier en laat Olivier mee rijden op voorwaarde dat hij de woonwagen schildert. Zo loopt Olivier weg, weg van de leprozerie, weg van Alkmaar. Na een paar kilometer pikken ze nog een vrouw op: Isa. Er breekt de pest uit en als Olivier geruchten hoort dat de pest ook Alkmaar heeft bereikt, gaat hij terug. Als hij aankomt leeft alleen zijn vader nog. Hij zorgt voor zijn vader, tot die ook overlijdt. Na een paar dagen krijgt hij zelf ook de pest en overlijdt in de ziekenzaal van het pesthuis.

De bijpersonen:
Dominique:
Dominique is een student die in hetzelfde huis woont als Kris. Als Kris weer eens slecht gedroomd heeft vraagt ze wat er aan de hand is. Hij vertelt haar van zijn droom. Dominique komt met het voorstel om eens naar een reïncarnatie therapeute te gaan, zij gelooft daar namelijk in. Kris moet daar niets van weten: hij gelooft niet in reïncarnatie. Uiteindelijk vraagt hij toch het telefoon nummer van Dominiques tante aan Dominique. Later gaat zij nog eens samen met Kris naar Alkmaar om te kijken of hij kan bewijzen dat hij vroeger geleefd heeft en zien zo zijn oude huis terug.

Heleen Walraven:
Heleen is de tante van Dominique en is reïncarnatie therapeute. Zij brengt Kris onder hypnose en helpt hem de betekenis van zijn droom te vinden.

Boudewijn Moeriaans:
Boudewijn is de vader van Olivier. Hij is een apotheker en heeft 2 zoons en één dochter: Olivier, Jan en Hester. Als Olivier melaats is komt Boudewijn nooit meer even kijken. Hij sterft samen met zijn kinderen en vrouw in 1656 aan de pest.

Kathelijne Palts:
Kathelijne is de moeder van Olivier. Als Olivier Melaats is komt zij af en toe even kijken, maar het verdriet wordt voor haar ondraagbaar. Zij sterft in 1656 aan de pest.

Jeroom Couttenier:
Hij is een rondrijzende kwakzalver die Olivier in Alkmaar oppikt. Jeroom beweert namelijk dat Olivier mogelijk niet melaats is. Olivier schildert zijn woonwagen en in ruil daarvoor mag Olivier met hem mee.

Isa:
Isa is de vrouw die samen met Jeroom reist. Zij heeft een tweeling: Lyncken en Marijtje. Marijtje is vanaf haar geboorte al blind. Isa speelt soms toneel dat dankzij Jeroom’s drankje, Marijtje weer beter is (ze verwisselt de baby’s dan). Hierdoor verkopen de drankjes van Jeroom beter. Haar man is aan de pest overleden en Jeroom heeft haar beloofd dat Marijtje nooit zou moeten bedelen aan een poort.


Thema:
Het thema’s van het boek zijn historie, ziekte en dood. Historie is het voornaamste thema, omdat het grootste deel gaat over hoe mensen in de 17e eeuw leefden en hoe ze toen met ziektes omgingen.

Plaatsen:
Het verhaal speelt zich voor een deel af in het Amsterdam van de eenentwintigste eeuw. Kris woont daar en hij studeert daar ook economie.
Kris gaat naar de praktijk van de reïncarnatietherapeute Heleen.
Het speelt zich ook af in het Alkmaar van 1655. Daar woont Olivier en is daar ook in leer om kunstschilder te worden.
Nadat bij Olivier is ondekt dat hij melaats is, moet hij gaan wonen in de leprozerie.
Olivier reist samen met Jeroom Couttenier (een kwakzalver) en Isa rond in een huifkar.

Samenvatting:
Kris is een student die last van angstdromen heeft. In die dromen zit hij in een kamer waar hij zich erg alleen voelt, hij kan eruit, maar wordt tegengehouden door het gevoel dat er achter de deur verschrikkingen zijn. Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij zichzelf als een mismaakt iemand.
Als kind, en nu nog, tekent hij, als hij niks te doen heeft, een huis uit de zeventiende eeuw. Kris denkt dat dat iets met zijn dromen te maken heeft. Zijn ouders hebben er alles aan gedaan om zijn dromen te laten verdwijnen. Dat lukte niet, dus moet Kris er maar mee leren leven.
Hij woont bij Dominique in het studentenhuis, zij vertelt hem dat haar tante een reïncarnatietherapeute is, en dat hij eens naar haar moet gaan. Hij is eerst nog sceptisch, maar na nog een paar nachtmerries gaat hij toch. Kris maakt een afspraak bij Heleen van Walraven, de reïncarnatietherapeute, en gaat naar haar toe. Zij brengt hem onder hypnose naar zijn vorige ik. Daar is hij Olivier Moeriaans, een 18 jarige schilder die nog in de leer is en hij leeft in het jaar 1655. Hij woont in Alkmaar. Als hij ontdekt dat hij allemaal schilfers op zijn armen heeft, gaat hij naar de dokter. Die vertelt hem dat Olivier melaats is, en dat hij nooit meer in Alkmaar mag terugkomen.
Hij moet naar de leprozerie toe, maar vind het daar verschrikkelijk en mist zijn familie. Een half jaar later is hij het daar zat. Hij pakt zijn schildersspullen en gaat naar een weiland om Alkmaar te schilderen. Even later komt hij een kwakzalver op een kar tegen, genaamd Jeroom. Hij vraagt hem of hij Oliviers schilderij mag zien. Hij vindt het mooi en vraagt of Olivier zijn koets wilt schilderen. Olivier doet dat, in ruil voor onderdak en eten bij Jeroom. Hij verlaat stiekem de leprozerie en gaat met Jeroom mee naar de steden om levenselixers te verkopen. Hij verzwijgt dat hij melaats is. Als ze in Haarlem aankomen, wordt er verteld dat de pest is uitgebroken in Leiden.
Olivier wordt bang dat het ook in Alkmaar zal gebeuren, en als ze na een paar dagen langs een uitgestorven dorp in de buurt van Alkmaar rijden, en ontdekken dat iedereen is gestorven, gaat Olivier terug naar Alkmaar.
Hij komt makkelijk door de stadspoort heen, omdat de pest er is uitgebroken en het zinloos is om mensen tegen te houden. Hij ziet karren met lijken langsrijden, en raakt in paniek. Hij rent naar zijn oude huis toe. Er hangen planken voor de ramen en deuren. Hij loopt naar binnen en ruikt de geur van verrotting en zweet.
Opeens hoort hij gebonk op de deur van de bedstee. Hij doet de deuren open en ziet zijn vader liggen, verschrompeld en zijn haar is uitgevallen. Hij vraagt aan hem wat er is gebeurd met de rest. Het antwoord weet hij eigenlijk al. De laatste paar dagen verzorgt Olivier zijn vader en als hij dood is, gaat hij naar de kerk om de graven op te zoeken van zijn overleden familieleden. Hij voelt onder zijn oksel en merkt dat er een buil zit. De ziekentrooster vraagt hem of hij zich wel goed voelt, Olivier zegt dat hij de pest heeft. Hij wordt naar het pesthuis gedragen. Nog voordat hij sterft, wordt hij uit zijn hypnose gehaald.
Kris wil naar Alkmaar toe om te kijken of hij misschien dingen herkent.
Hij gaat met Dominique naar het stedelijk museum om dingen uit de 17e eeuw te bekijken. Hij ziet een schilderij hangen en schrikt. Dat schilderij is van hem. Of eigenlijk van Olivier. Het is de Waag. Hij heeft het geschilderd toen hij in de leprozerie zat.
Van nieuwsgierigheid gaat hij naar het gemeentehuis om te kijken of Olivier echt heeft geleefd, en ziet de namen van hem en zijn familieleden staan in het boek. Kris besluit om door Alkmaar te lopen, en ziet ineens een kerk staan. Hij herkent de kerk uit de hypnose waarin hij Olivier was. In de kerk zijn ze bezig om oude lijken uit de grond te halen die daar begraven lagen. Als Kris op de grafstenen kijkt, ziet hij de namen van zijn familie staan, maar kan Oliviers naam niet vinden. Uiteindelijk blijkt hij op het graf van Olivier te staan. Kris raakt in shock als hij dat ziet. In zijn onderbewustzijn komt hij in het laatste deel van het leven van Olivier, waarin Olivier sterft. Kris maakt de dood mee van zijn vorige ik. Als hij bijkomt voelt hij zich triest, maar ook opgelucht. Hij heeft het leven van Olivier afgesloten. Kris heeft geen last van angstdromen meer.

Titelverklaring:
Kris droomt veel dat hij bijna dood gaat. Dat komt, omdat hij in zijn vorige leven melaatsheid en de pest heeft gehad. Hij ziet zichzelf ook doodgaan. Hij gaat dus niet echt dood, maar schijndood.

Motto:
De achterliggende gedachte van het boek is om de jeugd te informeren over hoe mensen vroeger omgingen met besmettelijke ziektes.
De bedoeling van de schrijver is de lezers amuseren met een mooi verhaal, maar ze ook na laten denken over reïncarnatie. Er zitten een aantal harde bewijzen in dit boek voor het bestaan van reïncarnatie. Kris gelooft er eerst namelijk helemaal niet in. Maar als hij de namen van Ollivier en zijn familie in het geboorteregister en op de grafstenen ziet staan, en het schilderij ziet dat Olivier heeft gemaakt, gelooft Kris toch dat er wel een kern van waarheid in reïncarnatie zit.

Genre:
De genre van dit boek is een historische roman.

Tijd:
Het verhaal in niet-chronologisch geschreven. Kris gaat onder hypnose terug in de tijd, wordt dan weer wakker en leeft weer in het heden. Er worden steeds eeuwen terug- en doorgespoeld.

Structuur:
Het verhaal is opgebouwd in verschillende hoofdstukken die geen aparte titel hebben.

Taalgebruik:
Het verhaal is geschreven op een manier die goed te lezen is. Er worden geen moeilijke woorden gebruikt, wel een paar middeleeuwse begrippen, zoals vuilbrief, klepper, en melaatsheid, maar achterin het boek zit een woordenlijst dus daarmee vind je de betekenis.

Motieven:
Het belangrijkste motief in dit boek heeft te maken met het schilderen dat Kris en Olivier beiden doen en waar ze beiden talent voor hebben. Het huis dat Kris schildert, blijkt het huis te zijn waar Olivier in heeft gewoond. En het schilderij van de Waag dat Olivier maakte toen hij in de leprozerie zat, komt Kris later tegen in Alkmaar.

Perspectief:
Het is een auctoriaal verhaal, dus je beleeft alles vanuit een hij/zij-verteller die zelf geen rol heeft in het verhaal. Dit maakt dat je als lezer in de huid van Kris en Olivier kruipt, meedenkt en meeleeft met hun gevoelens en gedachtes.


Thema:
Het thema’s van het boek zijn historie, ziekte en dood. Historie is het voornaamste thema, omdat het grootste deel gaat over hoe mensen in de 17e eeuw leefden en hoe ze toen met ziektes omgingen.

Plaatsen:
Het verhaal speelt zich voor een deel af in het Amsterdam van de eenentwintigste eeuw. Kris woont daar en hij studeert daar ook economie.
Kris gaat naar de praktijk van de reïncarnatietherapeute Heleen.
Het speelt zich ook af in het Alkmaar van 1655. Daar woont Olivier en is daar ook in leer om kunstschilder te worden.
Nadat bij Olivier is ondekt dat hij melaats is, moet hij gaan wonen in de leprozerie.
Olivier reist samen met Jeroom Couttenier (een kwakzalver) en Isa rond in een huifkar.

Samenvatting:
Kris is een student die last van angstdromen heeft. In die dromen zit hij in een kamer waar hij zich erg alleen voelt, hij kan eruit, maar wordt tegengehouden door het gevoel dat er achter de deur verschrikkingen zijn. Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij zichzelf als een mismaakt iemand.
Als kind, en nu nog, tekent hij, als hij niks te doen heeft, een huis uit de zeventiende eeuw. Kris denkt dat dat iets met zijn dromen te maken heeft. Zijn ouders hebben er alles aan gedaan om zijn dromen te laten verdwijnen. Dat lukte niet, dus moet Kris er maar mee leren leven.
Hij woont bij Dominique in het studentenhuis, zij vertelt hem dat haar tante een reïncarnatietherapeute is, en dat hij eens naar haar moet gaan. Hij is eerst nog sceptisch, maar na nog een paar nachtmerries gaat hij toch. Kris maakt een afspraak bij Heleen van Walraven, de reïncarnatietherapeute, en gaat naar haar toe. Zij brengt hem onder hypnose naar zijn vorige ik. Daar is hij Olivier Moeriaans, een 18 jarige schilder die nog in de leer is en hij leeft in het jaar 1655. Hij woont in Alkmaar. Als hij ontdekt dat hij allemaal schilfers op zijn armen heeft, gaat hij naar de dokter. Die vertelt hem dat Olivier melaats is, en dat hij nooit meer in Alkmaar mag terugkomen.
Hij moet naar de leprozerie toe, maar vind het daar verschrikkelijk en mist zijn familie. Een half jaar later is hij het daar zat. Hij pakt zijn schildersspullen en gaat naar een weiland om Alkmaar te schilderen. Even later komt hij een kwakzalver op een kar tegen, genaamd Jeroom. Hij vraagt hem of hij Oliviers schilderij mag zien. Hij vindt het mooi en vraagt of Olivier zijn koets wilt schilderen. Olivier doet dat, in ruil voor onderdak en eten bij Jeroom. Hij verlaat stiekem de leprozerie en gaat met Jeroom mee naar de steden om levenselixers te verkopen. Hij verzwijgt dat hij melaats is. Als ze in Haarlem aankomen, wordt er verteld dat de pest is uitgebroken in Leiden.
Olivier wordt bang dat het ook in Alkmaar zal gebeuren, en als ze na een paar dagen langs een uitgestorven dorp in de buurt van Alkmaar rijden, en ontdekken dat iedereen is gestorven, gaat Olivier terug naar Alkmaar.
Hij komt makkelijk door de stadspoort heen, omdat de pest er is uitgebroken en het zinloos is om mensen tegen te houden. Hij ziet karren met lijken langsrijden, en raakt in paniek. Hij rent naar zijn oude huis toe. Er hangen planken voor de ramen en deuren. Hij loopt naar binnen en ruikt de geur van verrotting en zweet.
Opeens hoort hij gebonk op de deur van de bedstee. Hij doet de deuren open en ziet zijn vader liggen, verschrompeld en zijn haar is uitgevallen. Hij vraagt aan hem wat er is gebeurd met de rest. Het antwoord weet hij eigenlijk al. De laatste paar dagen verzorgt Olivier zijn vader en als hij dood is, gaat hij naar de kerk om de graven op te zoeken van zijn overleden familieleden. Hij voelt onder zijn oksel en merkt dat er een buil zit. De ziekentrooster vraagt hem of hij zich wel goed voelt, Olivier zegt dat hij de pest heeft. Hij wordt naar het pesthuis gedragen. Nog voordat hij sterft, wordt hij uit zijn hypnose gehaald.
Kris wil naar Alkmaar toe om te kijken of hij misschien dingen herkent.
Hij gaat met Dominique naar het stedelijk museum om dingen uit de 17e eeuw te bekijken. Hij ziet een schilderij hangen en schrikt. Dat schilderij is van hem. Of eigenlijk van Olivier. Het is de Waag. Hij heeft het geschilderd toen hij in de leprozerie zat.
Van nieuwsgierigheid gaat hij naar het gemeentehuis om te kijken of Olivier echt heeft geleefd, en ziet de namen van hem en zijn familieleden staan in het boek. Kris besluit om door Alkmaar te lopen, en ziet ineens een kerk staan. Hij herkent de kerk uit de hypnose waarin hij Olivier was. In de kerk zijn ze bezig om oude lijken uit de grond te halen die daar begraven lagen. Als Kris op de grafstenen kijkt, ziet hij de namen van zijn familie staan, maar kan Oliviers naam niet vinden. Uiteindelijk blijkt hij op het graf van Olivier te staan. Kris raakt in shock als hij dat ziet. In zijn onderbewustzijn komt hij in het laatste deel van het leven van Olivier, waarin Olivier sterft. Kris maakt de dood mee van zijn vorige ik. Als hij bijkomt voelt hij zich triest, maar ook opgelucht. Hij heeft het leven van Olivier afgesloten. Kris heeft geen last van angstdromen meer.

Titelverklaring:
Kris droomt veel dat hij bijna dood gaat. Dat komt, omdat hij in zijn vorige leven melaatsheid en de pest heeft gehad. Hij ziet zichzelf ook doodgaan. Hij gaat dus niet echt dood, maar schijndood.

Motto:
De achterliggende gedachte van het boek is om de jeugd te informeren over hoe mensen vroeger omgingen met besmettelijke ziektes.
De bedoeling van de schrijver is de lezers amuseren met een mooi verhaal, maar ze ook na laten denken over reïncarnatie. Er zitten een aantal harde bewijzen in dit boek voor het bestaan van reïncarnatie. Kris gelooft er eerst namelijk helemaal niet in. Maar als hij de namen van Ollivier en zijn familie in het geboorteregister en op de grafstenen ziet staan, en het schilderij ziet dat Olivier heeft gemaakt, gelooft Kris toch dat er wel een kern van waarheid in reïncarnatie zit.

Genre:
De genre van dit boek is een historische roman.

Tijd:
Het verhaal in niet-chronologisch geschreven. Kris gaat onder hypnose terug in de tijd, wordt dan weer wakker en leeft weer in het heden. Er worden steeds eeuwen terug- en doorgespoeld.

Structuur:
Het verhaal is opgebouwd in verschillende hoofdstukken die geen aparte titel hebben.

Taalgebruik:
Het verhaal is geschreven op een manier die goed te lezen is. Er worden geen moeilijke woorden gebruikt, wel een paar middeleeuwse begrippen, zoals vuilbrief, klepper, en melaatsheid, maar achterin het boek zit een woordenlijst dus daarmee vind je de betekenis.

Motieven:
Het belangrijkste motief in dit boek heeft te maken met het schilderen dat Kris en Olivier beiden doen en waar ze beiden talent voor hebben. Het huis dat Kris schildert, blijkt het huis te zijn waar Olivier in heeft gewoond. En het schilderij van de Waag dat Olivier maakte toen hij in de leprozerie zat, komt Kris later tegen in Alkmaar.

Perspectief:
Het is een auctoriaal verhaal, dus je beleeft alles vanuit een hij/zij-verteller die zelf geen rol heeft in het verhaal. Dit maakt dat je als lezer in de huid van Kris en Olivier kruipt, meedenkt en meeleeft met hun gevoelens en gedachtes.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

En jan? Niet een broer

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast