Parken en woestijnen door M. Vasalis

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 5e klas vwo | 5713 woorden
  • 19 juni 2007
  • 58 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 58 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1940
Pagina's
30
Geschikt voor
vwo
Punten
1 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Parken en woestijnen
Shadow
Parken en woestijnen door M. Vasalis
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Hoofdstuk 1; eerste indruk
Het lijkt me erg interessant om deze gedichten door te nemen en de diepere betekenis ervan te onderzoeken. Van wat ik tot nu toe een beetje heb gelezen en doorgekeken komen wel erg veel gedichten erg duister over;

“Ik weet niet of je ’t al vergeten was,
Het komt misschien nog wel te pas
Voor als je eens niet meer zou willen sterven,
Maar wie let je, zei de dood.”

“En elke week wordt hij opnieuw geboren en wreed gescheiden

Van het veilig water-leven, en elke week is het hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.”

“Hoe kón ik dat niet eerder weten,
Niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het ooit weer vergeten.”

Hoofdstuk 2, informatie over de schrijfster
Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, beter bekent als Margaretha Vasalis. Vasalis is in Den Haag geboren op 13 februari 1909 en stierf te Roden 16 oktober 1998. Vasalis studeerde geneeskunde en antropologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en vestigde zich in 1939 als arts in Amsterdam. Later werkte ze als kinderpsychiater in Assen en Groningen. Omdat ze niet als ‘de kinderpsychiater die boeken is gaan schrijven’ bekend wilde staan, heeft ze haar naam vanuit het Latijn vertaald in Vasalis. Er is niet veel van Vasalis bekend; wat wel bekent is, is dat ze kinderen heeft en een paar maand in Afrika is geweest. Op deze paar maanden heeft ze een gedeelte van haar gedichten gebaseerd, die te vinden zijn in haar debuut bundel “parken en woestijnen” die in 1940 verscheen. Haar andere dichtbundels zijn “De vogel Phoenix” uit 1947, “Vergezichten en gezichten” uit 1954 en na haar dood in 2002 “De oude kustlijn”. Daarnaast schreef Vasalis ook enkele essays en een novelle.
Vasalis’ werk is meerdere malen bekroond; in 1941 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Parken en woestijnen. De poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Vergezichten en gezichten in 1955. in 1963 kreeg ze de Culturele Prijs van de provincie Groningen. De Constantijn Huygensprijs werd haar uitgereikt in 1974 voor haar gehele oeuvre en in 1982 de P.C Hooftprijs tevens voor haar gehele oeuvre.

Ik zelf heb ook in Roden gewoond. Het huis waar Vasalis in woonde stond 300 meter van mijn eigen af. Tot op heden wist ik dat er een dichter in het huis woonde, maar niet precies welke dichter. Pas toen ik mijn ouders vertelde dat dit verslag over mevrouw Vasalis ging, kwam ik erachter wie dit grote huis al die tijd heeft bewoond.

Hoofdstuk 3
Korte samenvattingen van de gedichten;

3.1 Drank de onberekenbare:
De ik persoon zit waarschijnlijk in een kroeg of iets dergelijks en heeft al meer op dan ze zou willen. De drank in haar lichaam brengt haar hoofd tot waanzin. In haar hoofd voelt ze zich naakt, omdat ze zichzelf blootstelt aan de drank. De reden tot haar overdadige drankgebruik is het vertrekken van haar geliefde. Ze snapt niet dat hij haar zomaar in de steek heeft gelaten. Ze wordt er voornamelijk verdrietig van omdat niemand haar echt kent, maar alleen haar buitenkant kent.

3.2. Angst;
De geliefde die in het vorige gedicht was vertrokken komt nu enigszins weer terug. Ze vertelt over haar angsten waar ze vroeger bang voor was; het donker, de figuren op het kleed, voor stilte, voor een feest, voor kijken in de tram en voor haar zelf. En net nu ze deze angsten had overwonnen komt er een nog grotere angst bij. Het idee dat haar oude geliefde haar is vergeten, en daarbij het nuchtere gezicht van haar mevrouw dat haar al voorspelt dat er geen brief van hem aan haar is.

3.3 in de Herfst;
Dit gedicht gaat over haar verdriet, de herfst geeft haar gevoelens weer. Net zoals de bomen geen bladeren meer hebben, voelt zij zich leeg en vol verlangen. Een verlangen waarvan ze weet dat deze niet vervuld zal worden. Ze heeft zichzelf te veel bloot gesteld, te veel laten bevangen door de liefde. Het hart dat eens zo van hem hield, is nu pijnlijk gebroken. Het wanhopen naar een plek waar ze weer veilig is, waar ze weg kan komen van zichzelf is slechts een droom.

3.4 De dood;
De dood wijst de ikpersoon op verschillende dingen om zichzelf van kant te maken. Zij vertrouwt hem, hoewel wij weten dat de dood eigenlijk niet te vertrouwen is. Hij stimuleert haar om te sterven, om haar een einde te laten maken aan haar eigen leven. Hij geeft haar tevens een portretje van waarschijnlijk een dierbaar persoon. Wanneer zij zich bedenkt en toch verder wil leven, hoeft ze alleen maar op de foto te kijken en dan zal ze weer weten wat de reden was om zichzelf van kant te maken.

3.5 De idioot in het bad;
De idioot in het bad is in dit geval een gestoorde die elke week door een zuster in bad wordt gestopt. Het warme water brengt hem naar een plek waar hij normaal is en zichzelf. Totdat hij uit bad wordt gehaald en weer de koude harde wereld in moet als de idioot. Vergelijkbaar met de baarmoeder, waar alles vredig is en veilig, totdat je geboren wordt. Dan is het plotseling koud en moet je de harde wrede wereld in.

3.6 Tijd;
De ikpersoon droomt. Ze droomt dat de tijd in haar stil staat, maar dat de rest om haar heen stil staat. Ze ziet alles om haar heen groeien en gebeuren. Dagen en nachten waren van korte duur en jaargetijden vlogen voorbij. Opeens realiseert ze zich dat alles eigenlijk heel erg snel gaat. Ze realiseert dat ze dood gaat. En juist op dat moment dat ze dat zich realiseert wordt ze heel erg verdrietig, want nu ze dit heeft ontdekt kan ze het nooit meer vergeten. Het idee dat alles voorbij gaat, dat de tijd nooit stil staat en dat alles dood gaat.

3.7 Voorjaar;
De ikpersoon was vergeten dat de lente geen zachtjes ontwaken is, maar hartstochtelijk groeien.
In het begin is het donker, het licht vliegt zachtjes over het land. Twee lammeren staan in de wei. Het teken van leven. Het teken van een nieuw begin. Het is voorjaar. Alles ontwaakt uit zijn winterslaap. Alles wat eens zo dood en kaal leek, groeit en leeft weer.

3.8 Begrafenis van Mevrouw T. ;
Een vrouw, een moeder, mevrouw T is overleden. Ze staat op het punt begraven te worden. Verschillende mensen zijn naar haar begrafenis gekomen om een laatste eerbetoon te bewijzen. Het gras om haar heen, de aarde waarin ze begraven wordt, lijkt te wenen. De zon schijnt echter wel als eerbetoon aan de vrouw, omdat ze toch een goede moeder was. De tegenstrijdigheid van blijheid en verdriet.

3.9 De trek;
De ikpersoon is in Afrika. Ze zit daar op een avond een beetje rond te kijken op een hek. Dan ziet ze een karavaan voorbij lopen. Ze vertelt van de dieren die ze ziet; van de vrouw met haar twee zonen die de stoet leiden. De vrouw en de jongens kijken haar rustig en vredig aan en passeren haar dan. Ze kijkt hun na en verlangt er naar om net zo rustig, net zo haveloos; net zo vrij te zijn en om nergens te hoeven wonen net als zij.

3.10 Luchtspiegeling;
De ikpersoon zit nog steeds in Afrika. Afrika is een erg warm continent aangezien het vlak bij de evenaar zit. Door de warmte kunnen je hersens rare kronkels maken, je ziet dan dingen die er niet zijn; een fata morgana, luchtspiegeling.
In het midden van de woestijn ziet ze Nederland in zo’n fata morgana. Een beeld uit haar herinnering die over het land woedt. Het enige wat overblijft is de lust om weer terug te gaan. Met andere woorden; ze heeft heimwee.

3.11 De krekels;
In de nacht ligt de ikpersoon in bed te luisteren naar de stilte. Genietend van de rust droomt langzaam weg. Tot plotseling buiten krekels beginnen te tjirpen: ‘er is geen rust, er is geen nacht oneindig en geen stilte stil.’ De krekels klinken als een soort klokje die langzaam doortikt. Ze bedenkt zich dat er geen sterke kracht is die de tijd ook maar een beetje stil kan zetten. De klok tikt door voor haar totdat haar eigen klokje stopt met tikken.

3.12 Het ezeltje;
De ikpersoon maakt een wandelingetje. In het land op een rots ziet ze een ezeltje staan. Ze beschrijft hem, alsof ze tegen hem opkijkt. Het ezeltje kijkt haar ernstig en bezonken aan. Opeens doet het ezeltje haar denken aan haar jeugd. Toen ze onschuldig, ontwetend, vol goede moed en dromen. Of was het alleen de eerbied voor het beestje. Toch verlangt ze ernaar het onschuldige kind weer te zijn. Om terug te gaan naar die tijd. En dat ze weer opnieuw kon beginnen.

3.13 De weg terug;
Het is avond, de nacht valt in alsof het een spin is die een web maakt van de dag in de nacht. De twee liggen stil en roerloos in bed. Alsof het twee lijken zijn. Het plafond lijkt leeg en het beangstigd de ik-persoon. En opeens klinkt van dichtbij de regen en wordt het ‘niets’ verstoord. Ze is bang om te bewegen, omdat dit stilliggen in de rust, in de lege kamer, in het niets, fijn is en het afschuwelijk is om weer te moeten bewegen.

3.14 Afsluitdijk;
De ikpersoon zit in een bus, deze bus rijdt over de dijk. Het is donker en avond. De lichten in de bus zijn aan. In de weerspiegeling van de ramen ziet ze haar reisgenoten. Zelf verroert ze zich niet, de bus rijdt echter wel. Ze kijkt naar buiten, maar ziet slechts de mensen om haar heen. De beelden van buiten en binnen vloeien door elkaar heen. Het lijkt in principe een grote tunnel. Er is geen begin, er is geen einde. Er is alleen de bus, de mensen en de reis.

3.15 Fanfare-corps;
Ze beschrijft hoe mannen aanstalten maken om op hun hoorns te gaan spelen en het daarna daadwerkelijk doen. Klinkt heel mooi en vol gevoel. En opeens wordt die “rust”verstoord door twee eenden die te zitten wenen. Het klonk alsof de hoorns hen iets probeerde te vragen. Hen volgend met haast menselijk klagen. Waardoor zij opeens erg bedroefd raakt door het fenomeen. Eerbied voor de kleinste dingen. Ze voelde zich bedroefd en goed.

3.16 Herfst
Gaat over de schoonheid van de natuur die ook heel duister kan zijn. Kalkoenen staan daar in een groepje, onbeholpen. In de zon, in de regen. Herfst.

3.17 De onbekende van de Amstel;
De ikpersoon loopt langs de Amstel. Daar ziet ze in de Amstel een vrouw drijven. Haar ogen staan open en haar huid is bleek van de dood. Zandkorrels kleven op haar huid. Ze volgt de ogen van de dode. Die kijken omhoog naar de hemel. Vasalis beschrijft deze als een strand en de wolken als het wier. De zandkorrels op haar huid, alsof het meisje zo uit de hemel is gevallen. De maan wordt beschreven als een wit gezicht. De tegenstelling van de dode in het water en de maan in hemel. De lijkbleke onbekende drijft langzaam verder, net als de maan haar eigen weg gaat.

3.18 Vahine no te tiare
De vrouw met de bloem ziet er aan de buitenkant zelfverzekerd uit. Ieder ander valt daarbij in het niet. Ze is erg rustig en verteld niemand iets. Ze houdt voor iedereen schuil wat voor gedachten ze heeft. Ze laat alles gebeuren. Maar er is iets dat haar verraad. De vrouw weet nog niet dat juist de bloem in haar handen haar verraad. Vol haat en in extase zal ze nog een met een dolk iemand raken die ze liefheeft.

3.19 Herfst
Als je ouder wordt, altijd het gevoel dat er een dag komt dat hét gebeurd, dat je bent zoals je wezen moet. Dat je eigenlijke zelf er ooit nog eens uit moet komen, je wacht en je wacht. En dan nadert het einde en het is nog niet gebeurt. Ze ziet een hert en de zon schijnt; de schoonheid van de natuur zou je werkelijke zelf kunnen bevrijden, als je het maar zou kunnen vertalen.

3.20 Kind in het licht.
Overal is het licht. Licht in de witte gordijnen, licht langs de muur, licht aan het plafond. En dan ziet ze het gezichtje van een kindje, dat schijnt nog meer dan het licht. Ogen poeltjes blauw vuur, het heetste vuur dat er is. Witte vingertjes die uitsteken naar de zon. En haren die zo dun en onzichtbaar zijn als de haren van het paard van Phaëton.
Phaëton is de zoon van de god van de zon.

3.21 Onweer in het moeras.
Het is rustig. Heel erg rustig. Zo rustig, dat het riet zelfs niet beweegt en je de vogeltjes niet in het riet ziet zitten. Totale stilte. Dan begint het opeens te onweren. Alle vogels vliegen op. Van de rustige stilte is het onweer opeens erg onverwacht en erg heftig. Ze schrikt er van. “mijn hart werd plotseling wit en heet alsof ik zelf werd omgesmeed.” Ze heeft het angstig ondergaan. Maar kwam er toch sterk weer uit.

Hoofdstuk 4. Interpretatie.
4.1 De dood.
“de dood wees mij op kleine interessante dingen:”
- is een inleiding op wat de dood haar allemaal laat zien -
“ dit is een spijker – zei de dood – en dit is een touw.”
- de kleine interessante dingen zijn objecten die je kunt gebruiken in de bouw, maar je kunt je zelf er ook lelijk pijn mee doen, als ik het interpreteer vanuit de Dood.
“ Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester.”
- het aan gezicht lijkt blijkbaar op een kind, en tegelijkertijd is hij toch haar meester. Gebruik van tegenstelling.
“omdat ik hem bewonder en vertrouw, de Dood.”
- Ze bewondert hem, ze vertouwt hem, ze ziet hem daarom als haar meester, dus voelt ze zich onderdanig aan de Dood. Waarschijnlijk zal ze alles voor hem doen. Zelfs als dat neerkomt op haar eigen Dood. Het geeft erg sterk de indruk dat de ik-persoon melancholisch is of depressief.
“Hij wees mij alles: dranken, pillen, pistolen, gaskraan, steile daken, een bad een scheermes, een wit laken.”
- hij wees haar alles aan, bovenstaande zijn allemaal manieren om jezelf van kant te maken. Opvallend is het ‘wit laken’ dat er tussen staat; wit staat voor onschuldigheid.
“ ‘zomaar’ – voor als ik eens zou willen”
- ‘zomaar’ klinkt erg onverschillig, alsof het de Dood eigenlijk niet uitmaakt.
“ de dood”
- vervolg op de vorige zin, voor als ze eens zou willen, de dood. Al die gegeven dingen voor als ze een keertje de pijp uit zou willen gaan. Dan heeft ze in ieder geval de middelen om het te doen.
“ En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein portretje…”
- voordat de Dood weer verdween gaf hij haar een portretje van een dierbaar persoon waarschijnlijk, die haar misschien zou stimuleren tot de dood.
“ Ik weet niet of je het al vergeten was,”
- waarschijnlijk heeft de persoon op het portretje iets gedaan of is er juist iets met die persoon gebeurt dat haar erg verdrietig maakt.
“ het komt misschien nog wel te pas”
- misschien dat ze het nog een keertje kan gebruiken volgens de Dood.
“ voor als je eens niet meer zou willen sterven,”
- de foto in het portretje doet haar waarschijnlijk denken aan zoiets afschuwelijks dat ze wel gelijk zou willen sterven. De dood zegt dit “ voor als je eens niet meer zou willen sterven,”
Omdat hij vindt dat als zij niet meer dood zou willen, zou ze gewoon even naar dit portretje moeten kijken en dan weet ze weer waarom ze dood wil.
“maar wie let je?”
- kan je op twee manieren interpreteren: de eerste is; wie houdt haar tegen om niet te sterven qua vrienden en familieleden, klinkt alsof ze er alleen voor staat; dan kan ze er maar beter gelijk een einde aan maken. De tweede is dat de dood een persoon is die haar zou kunnen stimuleren tot de dood.
“zei de Dood”
- zei de Dood

4.2 De idioot in het bad
- de idioot wordt hier beschreven als een gestoorde.
“ Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen”
- zijn lichaamstaal verraad dat de idioot iets moet doen wat hij niet wil.
“ haast dravend en vaak hakend in de mat”
- ze lopen erg snel, zodat de idioot aldoor achter de matten blijft haken.
“ lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen”
- de zuster houdt hem niet erg goed vast, en hij hangt praktisch aan haar doordat ze zo snel lopen
“gaat elke week de idioot naar ’t bad”
- daar waren ze op weg naar toe, elke week lopen ze haast op een drafje naar het badje.
“de damp, die van het warme water slaat maakt hem geruster: “
- eerst voelde hij zich erg onbeholpen, maar het gevoel van het bad, de warme dampen, maken hem rustiger.
“ witte stoom”
- de damp die van het bad afkomt, lijkt op witte stoom: onschuldige dampen van het water.
“ En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat”
- de idioot wordt klaargemaakt voor het bad
“ bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom”
- de idioot maakt dit elke week mee, wat hij waarschijnlijk ziet als een vertrouwde droom, iets fijns wat hij doet.
“ De zuster laat hem in het water glijden,”
- hij wordt het bad in geholpen door de zuster.
“ hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,”
- doet me denken aan dood gaan, dan worden je armen gekruisigd op je borst en wordt je in je kist gestopt, alsof de idioot in het bad nu stukje bij beetje even dood gaat.
“ hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst”
- nu voelt hij iets dat opnieuw begint, een gelukzaligheid, iets dat voelde dat volbracht moest worden
“ en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.”
- hier wordt hij gelukkig van.
“ Zijn zorgelijke gezicht is leeg en mooi geworden,”
- de dingen die de idioot eerst zorgen baarde, zijn nu verdwenen. Hij is leeg in zijn hoofd geworden; hij denkt nergens meer aan. En qua innerlijk is hij mooi geworden; hij is gelukkig.
“zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,”
- de voeten die niet in het bad passen zien er koud uit, als bleke bloemen.
“ zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden”
- zijn benen, die zo bleek en lelijk waren, dat ze het licht verdorden
“ komen als berkenstammen door het groen opdoemen.”
- berken zijn sterk en groot en zo worden zijn benen nu ook gezien. Ze worden gezien als sterke benen die door het groene water opdoemen.
“ Hij is in dit groen water nog als ongeboren,”
- te vergelijken met het vruchtwater in de baarmoeder.
“ hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,”
- hij is zich er nog niet van bewust dat het ene mens zich wel goed ontwikkeld en de ander nooit rijp zal worden van geest
“ hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren”
- er is alleen zijn lichaam, hij alleen in het bad, en verder weet hij niets.
“ en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.”
- hij is als een baby in de baarmoeder; hij heeft alleen zijn lichaam, verder hoeft hij nog niet de dingen van de geest te begrijpen, want hij zit veilig in de baarmoeder.
“ En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt”
- elke keer dat hij uit zijn vertrouwde omgeving wordt weggehaald
“en stevig met een handdoek drooggewreven”
- als een baby die net uit de baarmoeder komt en als het bloed moet worden afgeveegd.
“en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord”
- hij wordt gedwongen naar de koude harde buitenwereld te gaan.
“stribbelt hij tegen en huilt hij even.”
- hij wil niet, maar hij moet. Net als een baby huilt hij ook even als het net uit de baarmoeder komt.
“en elke week wordt hij opnieuw geboren”
- elke week lijk het alsof hij opnieuw wordt geboren en nieuwe kansen heeft
“en wreed gescheiden van het veilig water-leven,”
- wreed gescheiden van zijn vertrouwde ‘baarmoeder’
“en elke week is hem het lot beschoren”
- elke week gaat hij hetzelfde lot weer tegemoet
“opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.”
- hij heeft geen andere keus dan dat hij nooit iets anders zal worden dan een idioot.

4.3 Tijd
“Ik droomde, dat ik langzaam leefde…”
- ze droomde dat de tijd erg snel ging en zij juist erg langzaam was of stil bleef staan.
“langzamer dan de oudste steen.
- een steen leeft niet en staat sowieso stil
“Het was verschrikkelijk”
- de droom pakte niet zo goed uit
“om mij heen schoot alles op, schokte of beefde, wat stil lijkt.”
- alles wat eerst leek alsof het stil stond, beefde of schokte doordat zij langzaam leefde en de tijd heel erg snel ging
“ ‘k zag de drang waarmee de bomen zich uit de aarde wrongen terwijl ze hees en hortend zongen”
- de voorstelling van bomen die ontzettend snel groeien, dat waarschijnlijk een zodanig hard geluid maakte alsof ze zongen.
“Terwijl de jaargetijden vlogen verkleurende als regenbogen”
- een versnelde visie van alle jaargetijden die zo snel achter elkaar plaatsvinden, dat het lijkt als een regenboog, die erg snel van kleur verandert.
“Ik zag de tremor van de zee,”
- ze zag de trillingen van de zee
“zijn zwellen en haastig slinken”
- eb en vloed; de zee gaat vlug en zij staat stil.
“zoals een grote keel kan drinken.”
- een grote keel kan sneller drinken dan een kleine, alsof het heel snel alles opslikt.
“En dag en nacht van korte duur”
- als de tijd erg snel gaat en zelfs jaargetijden voorbijvliegen, zijn dag en nacht ook van korte duur.
“vlammen en doven: flakkrend vuur.”
- snelle dag al vuur dat oplaait en dooft.
“—de wanhoop en welsprekendheid in de gebaren van de dingen,”
- aan de ene kant lijken de korte dagen en nachten, de tremor van de zee en het voorbijvliegen van de jaargetijden wanhopig. Aan de andere kant is het natuurlijk vanzelfsprekend dat deze dingen gebeuren.
“die anders star zijn, en hun dringen, hun ademloze, wrede strijd…”
- geen jaargetijde, geen dag of nacht kan protesteren tegen wat er gebeurt, ze doen het stil en geluidloos. Maar ze zijn het er niet mee eens dat het gebeurt, dat ze altijd maar door moeten en er niets aan kunnen doen.
“Hoe kón ik dat niet eerder weten,”
- ze heeft het eerder nog nooit zo gezien
“niet beter zien in vroeger tijd?”
- ze had het eerder willen zien, dat de tijd snel gaat en dat ze zich niet had gerealiseerd dat je de tijd niet kan stoppen voordat het te laat is.
“Hoe moet ik het ooit weer vergeten?”
- Ze wil nog niet dood, ze is er nog niet klaar voor. En nu ze het weet, kan ze het niet meer vergeten.

4.4 Begrafenis van mevrouw T.
“door de smalle, gewonden, stijgende laan”
- ze lopen door een kleine, gewonden, stijgende laan, alsof ze ergens tegenop ziet.
“waadden we langzaam achter haar aan.”
- de kist wordt gedragen en de mensen lopen er als een kudde achteraan.
“Van het zwijgen deden de kelen pijn,”
- niemand sprak, en het doet pijn om iemand te verliezen. Wanneer je huilt krijg je ook een brok in de keel net als de mensen hier.
“van het trachten zo stil als zij te zijn”
- mevrouw T. is dood en dat doet pijn in het hoofd en in het hart.
“Acht sombere zwarte vreemdelingen deden toen stijf de laatste dingen…”
- de begravers deden de laatste dingen zodat mevr. T het graf in kon.
“Het graf was zo klein, een zwarte wig grond in het fonkelend groen als een smalle wond.”
- de zwarte grond en het groene gras steken op tegen elkaar. Het gras wat groen hoort te zijn is nu kapot gemaakt. En als een smalle wond is als verdriet om het verlies.
“De zon scheen innig rondom op ’t gras”
- de zon staat voor licht dat het duister iets minder donker maakt. En de zon staat ook voor warmte, die de mensen die er zijn verwarmd.
“omdat zij een goede moeder was.”
- omdat ze een goede moeder was, scheen de zon en verwarmde zij de mensen om het graf.
“Haast blij, want alles blonk en geurde,”
- de ik persoon was haast blij, omdat de wereld zo mooi om haar heen was.
“haast dood als ik dacht, wat er gebeurde…”
- in tegenstelling tot de mooie natuur wat leeft en bloeit, begraven ze nu iemand die is heengegaan en morsdood is.
“Toen, na wat zacht en haaprend praten,”
- toespraak voor de overledene voordat het graf wordt dichtgegooid.
“hebben we haar alleen gelaten.”
- staat voor eenzaamheid.

4.5 De krekels.
“Ik lig met open ogen in het duister”
- ze heeft haar ogen open, maar er valt niets te zien.
“en de gordijnen aadmen op en neer,”
- de wind waait door het raam, zodat het lijkt alsof de gordijnen ademen.
“ik heb geen lichaam en geen zwaarte meer”
- langzaamaan droomt de ik- persoon weg.
“mijn geest is rustig en ik luister…”
- haar geest is leeg en ze luistert naar de geluiden van de nacht.
“Rondom: het lege land met stenen,”
- pseudoniem voor Afrika
“boven: de lege lucht met sterren.”
- de hemel boven haar
“’t Begin, duizenden eeuwen her, heeft nimmer zo nabij geschenen.”
- de hemel, het begin van alles, heeft nog nooit zo dichtbij geleken.
“Dan wat ik niet had moeten horen:”
- ze hoort iets wat ze beter niet had moeten horen.
“der krekels hese stroeve stemmen,”
- de krekels verstoren haar rust
“miljarden uiterst kleine remmen schrammend de nacht… die gaat verloren.”
- de rust en de kalmte die ze net had, wordt verstoord door de krekels.
“Er is geen rust. Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil.”
- niets is oneindig en een stilte zal nooit helemaal stil zijn
“Geen groot verlangen, geen enkele wil kan maken dat hij even wacht,”
- ze heeft het hier over de tijd die nooit stilstaan en altijd maar door gaat
“de eenmaal aangevangen tijd.”
- tijd gaat altijd door.
“Ondanks de schijn van eeuwigheid in enkle stille ogenblikken”
- wanneer het stil is, kan het lijken alsof iets oneindig is, maar dat is maar schijn.
“hoor ik voortaan een fijn, schor tikken,”
- de tijd die doortikt
“word ik geschonden door het weten:”
- de tijd slijt haar op
“ook dit wordt langzaam opgesleten.”
- aan alles komt een eind

Hoofdstuk 5. Vormkenmerken en stijlfiguren.
5.1 De weg terug
Vorming:

Het gedicht heeft erg veel weg van een sonnet;
In de oorspronkelijke, Italiaanse vorm zijn de veertien regels verdeeld over vier strofen. De eerste twee strofen bestaan uit vier regels, de kwatrijnen. Samen heten deze strofen het octaaf. De laatste twee strofen hebben elk drie regels, de terzinen. Deze strofen heten samen het sextet. Na het octaaf ligt een inhoudelijke wending, ook wel chute of volta genaamd. De gedeelten voor en na de chute vormen een eenheid van vorm en inhoud.
Vasalis gebruikt het schema: ABBA CDDC EFG EFG
De volta zit ook in dit gedicht na het octaaf, en begint met:
“Toen in dit strak-gespannen niet”

Stijlfiguren
“De avond kwam; de avondspin had ons onmerkbaar ingesponnen.”
- Beeldspraak: de metafoor, er is hier natuurlijk geen echte spin die de nacht inspint. Het beeld neemt direct de plaats in van het geheel van datgene dat wordt uitgebeeld.

“Alles stond stil en de geronnen minuten stroomden niet meer in.”
- personificatie, geronnen bloed is opgedroogd bloed. Wanneer de minuten geronnen zijn, zijn ze dus opgedroogd en stromen ze niet meer verder.

“Ik werd zo bang, ik had één strakke koude wang”
- eindrijm van dit bepaalde stukje. Bij de volgende zin is er een overgang naar een nieuw stuk in het gedicht.

“we lagen roerloos als twee lijken…”
- beeldspraak: vergelijking; lijken liggen stil en bewegen niet. Ze liggen dus roerloos (onbeweeglijk) net als twee lijken (dode mensen).

“Toen in dit strak-gespannen niet,”
- tautologie; strak en gespannen is een beetje dubbelop om het nog duidelijker te maken

“Ontdooien van het vast verdriet”
- alliteratie: het ontdooien van vaste verdriet

“En o de pijn om te bewegen
Om niet meer dood te mogen zijn.”
- paradox; het is niet zozeer een tegenstelling, maar daar wordt wel gebruik van gemaakt tussen het bewegen en het dood zijn.

5.2 Angst.
Vormgeving:

Het gedicht bestaat uit 13 regels dus kan geen sonnet zijn. Angst is een vrij vers. Een vrij vers is een gedicht zonder regelmatige strofebouw. De eerste strofe telt bijvoorbeeld zes, de tweede twee, de derde vijf verzen. De strofe in een vrij vers heeft veelal een eenheid van idee. Vrije verzen hebben vaak geen vast maatsysteem.
Het rijmsysteem in dit gedicht is: ABBACDECFDGGD

Stijlfiguren;
“Ik ben voor bijna alles bang geweest:”
- hyperbool; beetje overdreven als je voor alles bang bent geweest.

“voor ’t donker, voor figuren op het kleed,
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.”
- personificatie; van alle dingen die ze noemt zijn het personificaties behalve dan bang voor haarzelf.

“dat ik bedelf onder een vracht van rede”
- beeldspraak: metafoor; dat er zoveel tegen haar gesproken wordt dat ze er onder ‘bedolven’ raakt.

“wanneer zij ‘s morgens in de kamer treedt samen met het ontluisterd licht”
- personificatie; samen met het ontluisterd licht, alsof het licht een persoon is

5.3 In de herfst
Vorming:

Het gedicht bestaat uit tien regels. In de herfst is ook een vrij vers, voor uitleg zie vorige gedicht.
Het rijmschema in dit gedicht is:
ABC D EADBBE

Stijlfiguren:
“Hol en leeg van verlangen”
- tautologie; hol en leeg is hetzelfde.

“en de gele en amberen bomen”
- tautologie; geel en amber is allebei gelig.

“Het licht hangt stil in de blaren”
- personificatie; het licht is een personificatie

“Mijn hart is te veel geopend, te veel in het licht gevangen”
- beeldspraak: metafoor; haar hart is te kwetsbaar

“En pijndoend, schrijnend dromen”
- tautologie; pijndoend, schrijnend…

“En pijndoend, schrijnend dromen”
weg van mijzelf te komen”
- eindrijm; dromen, komen

Hoofdstuk Thematiek
In haar bundel ‘Parken en woestijnen’ gebruikt Vasalis erg veel antitheses

Parken - Woestijnen
Orde - Chaos
Aangepast gedrag - Wildheid
Gekweld leven - Oorspronkelijk geluk
Tijd - Eeuwigheid
Complexiteit - Eenvoud (rust)
Realiteit - Droom
Beschaving - Natuurlijkheid
Weten - Onschuld

Ze komt bij ‘Parken en woestijnen’ door haar ervaring met Afrika en tevens door haar gedichten over Afrika. Zie; ‘de trek’, ‘luchtspiegeling’, ‘de krekels’, ‘het ezeltje’ en ‘de weg terug’.

Een paar voorbeelden van de antitheses:
Orde in ‘Fanfare–corps’: “met vaste manlijke gebaren werden de horens aangegrepen en luidkeels, zonder enig schromen spoot de muziek tussen de bomen; heldhaftig trots.”
Ook een mooi voorbeeld van orde is ‘vahine no te tiare’: “Als ik haar zie, rechtop gezeten, zwart voor een rode achtergrond vrouw met het rustige gelaat, lijkt ieder ander mij verbeten, onzeker en te snel verwond.”

Chaos komt ook in dit gedicht voor: “zij beseft niet, dat haar hand sluimrend op haar schoot – zo smal met een bloem tussen de vingren – in extase en in haat onverwacht een dolk zal slingren naar wie zij beminnen zal.” Chaos wordt hier beschreven als chaos in het hoofd dat onberekenbare dingen kan doen.

Aangepast gedrag en wildheid zijn in het gedicht; ‘drank de onberekenbare’ erg goed te herkennen. Ze moet zich eigenlijk gedragen zoals het hoort:
“onder ’t net en vlot gesprek, dat mijn hoofd, met de bruine hoed, met de gastheer voeren moet” --- aangepast gedrag
Het feit dat ze zich niet zo voelt als het moet, blijkt uit het volgende stukje;
“denkt mijn hele ziel: verrek! In mijn binnenst stampen beesten, snuiven paarden, ruisen bossen, slangen schuiflen door de mossen, negerstammen vieren feesten. --- wildheid

In het gedicht ‘Tijd’ begint met een droom: “Ik droomde dat ik langzaam leefde” de droom wordt in de rest van het gedicht verteld. Aan het einde van het gedicht komt de ik-persoon erachter wat het verschil in tijd is en dat niet alles voor eeuwig is. “hoe kon ik dat niet eerder weten, niet beter zien in vroeger tijd? Hoe moet ik het ooit weer vergeten?” – Realiteit onder ogen zien.

De belangrijkste thematiek van de bundel vind ik tijd en eeuwigheid, in elk gedicht komt namelijk erg duidelijk naar voren dat ze ontdekt dat niet alles voor eeuwig is en dat zij uiteindelijk ook zal sterven.

Hoofdstuk 7 Opbouw
De gedichtenbundel bestaat uit 21 gedichten. In het midden staat ‘de krekels’. Het bovenste en het onderste gedicht staan met elkaar in verbinding. Het tweede gedicht en het een na laatste gedicht enz.
Ik zal tussen deze gedichten het verband proberen te leggen:

‘Drank, de onberekenbare’ en ‘Onweer in het moeras’:
Beide gedichten beginnen rustig, dan slaat het om en begint het te ‘onweren’. In ‘Drank, de onberekenbare is dat niet letterlijk genomen, in het andere gedicht wel. Daarna keert de rust weer terug.

‘Angst’ en ‘Kind in het licht’:
Deze gedichten hebben dezelfde opbouw, het gaat hier niet zozeer om de inhoud.

‘In de herfst’ en ‘Herfst’:
De titels spreken voor zich, beide gedichten gaan over de herfst.

‘de dood’ en ‘Vahine no te tiare’:
In de dood wordt de ik persoon aangezet tot zelfdoding, in vahine no te tiare gaat de vrouw iemand vermoorden alleen weet ze dat zelf nog niet.

‘De idioot in het bad’ en ‘de onbekende van de Amstel’
Beide gedichten gaat over de onwetendheid, in de idioot gaat het echter om de onwetendheid van de geest, in de onbekende gaat het over de fysieke onwetendheid, namelijk dat niemand weet wie ze is.

‘tijd’ en ‘Herfst’
Gaat voornamelijk over de gang van de natuur.

‘Voorjaar’ en ‘Fanfare-corps’
Over de schoonheid van de natuur.

‘Begrafenis van mevr. T.’ en ‘afsluitdijk’
Gaan over de oneindigheid in tegenstelling tot de eindigheid.

‘de trek’ en ‘de weg terug’
Staan ook in tegenstelling met elkaar, bij het eerste gedicht gaat de stoet heen, bij het tweede gedicht gaan ze juist weer terug.

‘Luchtspiegeling’ en ‘het ezeltje’
Beide gedichten gaan over het terug gaan naar vroeger.

De gedichtenbundel begint met chaos die in de gehele bundel verder gaat. Pas bij het laatste gedicht lijkt het alsof de rust is teruggekeert: “Ik heb het angstig ondergaan, ik kwam er sterk en nieuw vandaan.”

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Parken en woestijnen door M. Vasalis"