Samenvatting:

De leeuw Nobel, koning van de dieren, had in zijn rijk bekend laten maken dat hij tijdens Pinksteren hofdag zou houden. Alle dieren verschenen, uitgezonderd Reinaert, hij had al zoveel op zijn geweten dat hij aan het hof alleen nog kon rekenen op de steun van zijn neef Grimbeert de das. De wolf Isengrijn was de eerste die Reinaert beschuldigde van allerlei misdaden: de verkrachting van zijn vrouw Hersint en de mishandeling van twee van zijn kinderen, doormiddel van op ze te pissen zodat twee van hen niet meer konden zien. Ook zegt Pancer dat Reinaert de haas Cuwaert tot kapelaan zou opleiden door hem het credo te leren; hij had het arme dier nog net van een wisse dood kunnen redden. Reinaert had namelijk zijn kop gegrepen.
Toen Isengrijn erop aandrong Reinaert ter dood te brengen, sprong de das Grimbeert verontwaardigd op en hield een vurig pleidooi voor zijn oom. Hij kwam niet ver omdat daar Cantecleer de haan aankwam met op een lijkbaar gedragen door twee hennen en geflankeerd door twee hanen een dode kip Coppe, dochter van de haan Cantecleer. Die vertelde hoe lelijk hij door Reinaert was beetgenomen: de vos had hem plechtig verzekerd, dat hij het wereldse leven voorgoed vaarwel had gezegd. In goed vertrouwen was Cantecleer toen met zijn kinderen buiten de bescherming van de hoenderhof gaan wandelen. Het gezelschap was nog maar nauwelijks buiten, of Reinaert stortte zich op de kippen. Zo had Cantecleer inmiddels nog maar vier van zijn vijftien kinderen over. 
De koning was woedend en besloot Reinaert voor het hof te dagen. Na de plechtige begrafenisceremonie van Coppe stuurde hij de beer Bruun, een van zijn trouwe onderdanen, naar de burcht van Reinaert: Maupertuus, het sterkste kasteel van de sluwe vos. Omdat Reinaert van adellijke afkomst was, had hij recht om drie keer gedagvaard te worden om bij de berechting aanwezig te zijn. Na een lange tocht kwam Bruun, die de waarschuwende woorden van koning Nobel in de wind had geslagen, bij het kasteel aan en eiste op hoge toon dat Reinaert met hem mee zou gaan. Die antwoordde dat hij dat graag zou doen, als hij niet zoveel gegeten had van ‘een vreemde, onbekende spijs’, namelijk honingraten, die hij eigenlijk niet verdragen kon. Hij vertelde de hongerige Bruun dat er honing te vinden was op het erf van boer Lamfroit. Deze honing bevond zich een door de lengte gespleten eik, opengehouden door wiggen. En Bruun stak zijn kop en voorpoten in de gespleten boom, waarna de vos de wiggen eruit sloeg. Bruun zat als een rat in de val. Evenlater hoorde hij ook al de mensen uit het dorp aankomen en werd hij zenuwachtig. Hij begon nog harder te duwen en trekken maar hij kreeg zichzelf er niet uit. Hij trok nu zo hard dat zijn wang en één oor in de spleet bleven steken. Ook de juid van zijn poten scheurde eraf. De menigte kwam er aan en begon nu ook op Bruun in te slaan. Uiteindelijk slaat Lamfroit Bruun in zijn nek met zijn bijl en Bruun is versuft door de klap. Hij wankeld de rivier in. Maar op de weg naar de rivier belandt hij in een groepje vrouwen en stootte er vijf de rivier in. Toen ging alle aandacht naar de in nood zijnde vrouwen en Bruun zag zijn kans schoon om al zwemmend het hazenpad te kiezen. Toen hij een eind verderop aan land ging, werd hij nog door Reinaert bespot. Schuivend op zijn achterwerk en rollend, zijn voorpoten is hij door al het geweld half verloren, weet hij het hof van Nobel te bereiken. 
De tweede bode die Nobel stuurde, de kater Tibeert, verging een zelfde lot. Hoewel hij de reputatie had wijs en voorzichtig te zijn, liep hij ook in de val die Reinaert opzette. De vos beloofde Tibeert dat hij de volgende dag mee zou gaan; de kat had daar geen bezwaar tegen. Reinaert stelt voor dat Tibeert blijft eten en overnachten. Reinaert beweert een plek te kennen waar het stikt van de vette muizen, Tibeert zal een lekkere maaltijd voorgeschoteld krijgen. Samen gingen ze naar de schuur van de pastoor waarin volgens Reinaert de muizen zouden zijn. Rondom de schuur ligt een wal van aangestampte aarde; ergens zit een gat waarvoor een strik gespannen is. Via dit gat had Reinaert namelijk twee dagen daarvoor een haan gestolen van de pastoor. Reinaert laat Tibeert via dit gat naar binnen kruipen, met als gevolg dat de kater vastzit in de strik. Tibeert maakte van angst zo’n kabaal, dat de bewoners in het huis gewekt werden. Ze gingen Tibeert te lijf en probeerden hem om zeep te helpen, maar zwaar gehavend wist de kat toch nog te ontkomen, nadat hij de pastoor aan zijn geslachtsdelen had verwond. 
Als ook Tibeert zwaar gehavend het hof van de koning bereikt, is alleen Grimbeert nog bereid de vos voor de derde en laatste maal te gaan dagen. Hij slaagde erin Reinaert te overtuigen van de noodzaak om nu mee te gaan: dit is immers zijn laatste kans. Reinaert nam hartelijk afscheid van zijn vrouw Hermeline kinderen (Reynaerdine en Rossel) en begaf zich met zijn neef op weg. Tijdens de reis biechtte hij op huichelachtige wijze zijn wandaden en gemene streken op om zijn geweten zogenaamd te zuiveren: hij had Bruun en Tibeert te grazen genomen, Cantecleer van zijn kinderen berooft en Isengrijn diverse keren gekweld. Hij toonde berouw, beloofde beterschap en vroeg of Grimbeert hem zijn zonden kon kwijtschelden en daarna de lekenbiecht kon afnemen. Grimbeert brak een twijgje af en gaf zijn oom veertig stokslagen als boetedoening. Daarna nam de das de lekenbiecht af. Toen ze echter langs een nonnenklooster kwamen waarvan Reinaert wist dat er veel ganzen en kippen in de buurt liepen, had Grimbeert de grootste moeite om zijn oom ervan te weerhouden opnieuw in de zonden te vallen. 
Aan het hof werd Reinaert van alle kanten beschuldigd. De koning is overtuigd en veroordeelde de vos tot de galg. Grimbeert en Reinaerts naaste verwanten wilden de terechtstelling niet bijwonen en vertrokken. Isengrijn, Bruun en Tibeert, de grootste vijanden van de vos, gaan de galg in gereedheid brengen. 
Nu komt het er op aan voor Reinaert. Na een in scène gezette schuldbekentenis vol zelfbeklag komt de sluwe vos met iets heel anders op de proppen. Hij vertelde de koning over een aanslag die Bruun, Isengrijn en Tibeert samen met zijn vader beraamd zouden hebben om de koning, Nobel, uit de weg te ruimen en de beer koning te maken. Het plan zou bekostigd worden met de schat van koning Ermerike, die door Reinaerts vader gevonden was. Reinaert maakte de koning wijs dat hij, na het geduldig observeren van de gangen van zijn vader, de schat gevonden had en ergens anders begraven had om het snode plan te verijdelen. De koning wilde meer weten over de schat, die zich volgens de vos bij de bron Kriekeputte in het bos Hulsterloo bevindt, en schold in ruil voor de schat Reinaerts zonden kwijt. (op aandringen van de koningin Gentel) Bruun en Isengrijn worden gevangen genomen. Reinaert verklaarde dat hij op pelgrimstocht naar Rome wil om de paus om vergiffenis te vragen, daarna zal hij de koning naar Kriekeputte leiden. Tussen neus en lippen door zegt Reinaert dat hij eigenlijk nog wel een tas en een paar extra schoenen kan gebruiken. Dit verzoek wordt meteen ingewilligd: de tas wordt vervaardigd van een stuk huid van Bruun, voor de schoenen wordt het vel van Isengrijns voorpoten en Hersints, zijn vrouw, achterpoten gestroopt. Voordat de vos op reis ging, zou hij eerst nog even langs huis gaan. Cuwaert de haas en Belijn zullen hem daarbij vergezellen, omdat dat ‘zulke oprechte dieren zijn’. Reinaert kan maar moeilijk afscheid van ze nemen. 
Bij Maupertuus aangekomen, vraagt Reinaert of Cuwaert nog even mee naar binnen gaat om afscheid te nemen en zijn kroost te troosten. Ze waren nog maar nauwelijks binnen of de vos beet de haas de kop af. 
Samen smulden het wolvengezin van de haas. Tegen Hermeline, zijn vrouw, zei Reinaert dat Cuwaert een zoenoffer van de koning is, de haas zou hem als eerste vals beschuldigd hebben. Aan Belijn, die buiten had staan wachten, vertelde Reinaert dat Cuwaert nog wel een poosje zou blijven en dat de ram gerust terug kon gaan naar het hof. Belijn moest nog wel een brief namens Reinaert voor de koning mee brengen. Reinaert gaf hem de pelgrimstas, met daarin niet de brief, maar de kop van de gedode haas. Aan het hof gaf Nobel zijn klerk Botsaert de opdracht de tas te openen en brulde de koning het uit van woede toen hij merkte hoe bedrogen en bespot hij is. Op aanraden van het luipaard Firapeel werden Bruun en Isengrijn in ere hersteld. Belijn en Reinaert werden vogelvrij verklaard. De vos was echter al met zijn gezin naar veiligere wildernis vertrokken.

De leeuw Nobel, koning van de dieren, had in zijn rijk bekend laten maken dat hij tijdens Pinksteren hofdag zou houden. Alle dieren verschenen, uitgezonderd Reinaert, hij had al zoveel op zijn geweten dat hij aan het hof alleen nog kon rekenen op de steun van zijn neef Grimbeert de das. De wolf Isengrijn was de eerste die Reinaert beschuldigde van allerlei misdaden: de verkrachting van zijn vrouw Hersint en de mishandeling van twee van zijn kinderen, doormiddel van op ze te pissen zodat twee van hen niet meer konden zien. Ook zegt Pancer dat Reinaert de haas Cuwaert tot kapelaan zou opleiden door hem het credo te leren; hij had het arme dier nog net van een wisse dood kunnen redden. Reinaert had namelijk zijn kop gegrepen.
Toen Isengrijn erop aandrong Reinaert ter dood te brengen, sprong de das Grimbeert verontwaardigd op en hield een vurig pleidooi voor zijn oom. Hij kwam niet ver omdat daar Cantecleer de haan aankwam met op een lijkbaar gedragen door twee hennen en geflankeerd door twee hanen een dode kip Coppe, dochter van de haan Cantecleer. Die vertelde hoe lelijk hij door Reinaert was beetgenomen: de vos had hem plechtig verzekerd, dat hij het wereldse leven voorgoed vaarwel had gezegd. In goed vertrouwen was Cantecleer toen met zijn kinderen buiten de bescherming van de hoenderhof gaan wandelen. Het gezelschap was nog maar nauwelijks buiten, of Reinaert stortte zich op de kippen. Zo had Cantecleer inmiddels nog maar vier van zijn vijftien kinderen over. 
De koning was woedend en besloot Reinaert voor het hof te dagen. Na de plechtige begrafenisceremonie van Coppe stuurde hij de beer Bruun, een van zijn trouwe onderdanen, naar de burcht van Reinaert: Maupertuus, het sterkste kasteel van de sluwe vos. Omdat Reinaert van adellijke afkomst was, had hij recht om drie keer gedagvaard te worden om bij de berechting aanwezig te zijn. Na een lange tocht kwam Bruun, die de waarschuwende woorden van koning Nobel in de wind had geslagen, bij het kasteel aan en eiste op hoge toon dat Reinaert met hem mee zou gaan. Die antwoordde dat hij dat graag zou doen, als hij niet zoveel gegeten had van ‘een vreemde, onbekende spijs’, namelijk honingraten, die hij eigenlijk niet verdragen kon. Hij vertelde de hongerige Bruun dat er honing te vinden was op het erf van boer Lamfroit. Deze honing bevond zich een door de lengte gespleten eik, opengehouden door wiggen. En Bruun stak zijn kop en voorpoten in de gespleten boom, waarna de vos de wiggen eruit sloeg. Bruun zat als een rat in de val. Evenlater hoorde hij ook al de mensen uit het dorp aankomen en werd hij zenuwachtig. Hij begon nog harder te duwen en trekken maar hij kreeg zichzelf er niet uit. Hij trok nu zo hard dat zijn wang en één oor in de spleet bleven steken. Ook de juid van zijn poten scheurde eraf. De menigte kwam er aan en begon nu ook op Bruun in te slaan. Uiteindelijk slaat Lamfroit Bruun in zijn nek met zijn bijl en Bruun is versuft door de klap. Hij wankeld de rivier in. Maar op de weg naar de rivier belandt hij in een groepje vrouwen en stootte er vijf de rivier in. Toen ging alle aandacht naar de in nood zijnde vrouwen en Bruun zag zijn kans schoon om al zwemmend het hazenpad te kiezen. Toen hij een eind verderop aan land ging, werd hij nog door Reinaert bespot. Schuivend op zijn achterwerk en rollend, zijn voorpoten is hij door al het geweld half verloren, weet hij het hof van Nobel te bereiken. 
De tweede bode die Nobel stuurde, de kater Tibeert, verging een zelfde lot. Hoewel hij de reputatie had wijs en voorzichtig te zijn, liep hij ook in de val die Reinaert opzette. De vos beloofde Tibeert dat hij de volgende dag mee zou gaan; de kat had daar geen bezwaar tegen. Reinaert stelt voor dat Tibeert blijft eten en overnachten. Reinaert beweert een plek te kennen waar het stikt van de vette muizen, Tibeert zal een lekkere maaltijd voorgeschoteld krijgen. Samen gingen ze naar de schuur van de pastoor waarin volgens Reinaert de muizen zouden zijn. Rondom de schuur ligt een wal van aangestampte aarde; ergens zit een gat waarvoor een strik gespannen is. Via dit gat had Reinaert namelijk twee dagen daarvoor een haan gestolen van de pastoor. Reinaert laat Tibeert via dit gat naar binnen kruipen, met als gevolg dat de kater vastzit in de strik. Tibeert maakte van angst zo’n kabaal, dat de bewoners in het huis gewekt werden. Ze gingen Tibeert te lijf en probeerden hem om zeep te helpen, maar zwaar gehavend wist de kat toch nog te ontkomen, nadat hij de pastoor aan zijn geslachtsdelen had verwond. 
Als ook Tibeert zwaar gehavend het hof van de koning bereikt, is alleen Grimbeert nog bereid de vos voor de derde en laatste maal te gaan dagen. Hij slaagde erin Reinaert te overtuigen van de noodzaak om nu mee te gaan: dit is immers zijn laatste kans. Reinaert nam hartelijk afscheid van zijn vrouw Hermeline kinderen (Reynaerdine en Rossel) en begaf zich met zijn neef op weg. Tijdens de reis biechtte hij op huichelachtige wijze zijn wandaden en gemene streken op om zijn geweten zogenaamd te zuiveren: hij had Bruun en Tibeert te grazen genomen, Cantecleer van zijn kinderen berooft en Isengrijn diverse keren gekweld. Hij toonde berouw, beloofde beterschap en vroeg of Grimbeert hem zijn zonden kon kwijtschelden en daarna de lekenbiecht kon afnemen. Grimbeert brak een twijgje af en gaf zijn oom veertig stokslagen als boetedoening. Daarna nam de das de lekenbiecht af. Toen ze echter langs een nonnenklooster kwamen waarvan Reinaert wist dat er veel ganzen en kippen in de buurt liepen, had Grimbeert de grootste moeite om zijn oom ervan te weerhouden opnieuw in de zonden te vallen. 
Aan het hof werd Reinaert van alle kanten beschuldigd. De koning is overtuigd en veroordeelde de vos tot de galg. Grimbeert en Reinaerts naaste verwanten wilden de terechtstelling niet bijwonen en vertrokken. Isengrijn, Bruun en Tibeert, de grootste vijanden van de vos, gaan de galg in gereedheid brengen. 
Nu komt het er op aan voor Reinaert. Na een in scène gezette schuldbekentenis vol zelfbeklag komt de sluwe vos met iets heel anders op de proppen. Hij vertelde de koning over een aanslag die Bruun, Isengrijn en Tibeert samen met zijn vader beraamd zouden hebben om de koning, Nobel, uit de weg te ruimen en de beer koning te maken. Het plan zou bekostigd worden met de schat van koning Ermerike, die door Reinaerts vader gevonden was. Reinaert maakte de koning wijs dat hij, na het geduldig observeren van de gangen van zijn vader, de schat gevonden had en ergens anders begraven had om het snode plan te verijdelen. De koning wilde meer weten over de schat, die zich volgens de vos bij de bron Kriekeputte in het bos Hulsterloo bevindt, en schold in ruil voor de schat Reinaerts zonden kwijt. (op aandringen van de koningin Gentel) Bruun en Isengrijn worden gevangen genomen. Reinaert verklaarde dat hij op pelgrimstocht naar Rome wil om de paus om vergiffenis te vragen, daarna zal hij de koning naar Kriekeputte leiden. Tussen neus en lippen door zegt Reinaert dat hij eigenlijk nog wel een tas en een paar extra schoenen kan gebruiken. Dit verzoek wordt meteen ingewilligd: de tas wordt vervaardigd van een stuk huid van Bruun, voor de schoenen wordt het vel van Isengrijns voorpoten en Hersints, zijn vrouw, achterpoten gestroopt. Voordat de vos op reis ging, zou hij eerst nog even langs huis gaan. Cuwaert de haas en Belijn zullen hem daarbij vergezellen, omdat dat ‘zulke oprechte dieren zijn’. Reinaert kan maar moeilijk afscheid van ze nemen. 
Bij Maupertuus aangekomen, vraagt Reinaert of Cuwaert nog even mee naar binnen gaat om afscheid te nemen en zijn kroost te troosten. Ze waren nog maar nauwelijks binnen of de vos beet de haas de kop af. 
Samen smulden het wolvengezin van de haas. Tegen Hermeline, zijn vrouw, zei Reinaert dat Cuwaert een zoenoffer van de koning is, de haas zou hem als eerste vals beschuldigd hebben. Aan Belijn, die buiten had staan wachten, vertelde Reinaert dat Cuwaert nog wel een poosje zou blijven en dat de ram gerust terug kon gaan naar het hof. Belijn moest nog wel een brief namens Reinaert voor de koning mee brengen. Reinaert gaf hem de pelgrimstas, met daarin niet de brief, maar de kop van de gedode haas. Aan het hof gaf Nobel zijn klerk Botsaert de opdracht de tas te openen en brulde de koning het uit van woede toen hij merkte hoe bedrogen en bespot hij is. Op aanraden van het luipaard Firapeel werden Bruun en Isengrijn in ere hersteld. Belijn en Reinaert werden vogelvrij verklaard. De vos was echter al met zijn gezin naar veiligere wildernis vertrokken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.