Ongeschreven wetten door Victor ten Hove

Beoordeling 7.8
Foto van Cees van der Pol
  • Boekverslag door Cees van der Pol
  • Docent | 3884 woorden
  • 5 december 2006
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 14 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
2006
Pagina's
192
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Ongeschreven wetten
Shadow
Ongeschreven wetten door Victor ten Hove
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!



Gebruikte editie
Eerste druk: november 2006
Gebruikte druk: 1e
Aantal bladzijden: 287
Uitgever: De Geus , Amsterdam

Gegevens voorkant
Op de overwegend donkere voorkant staat een bruine map met gebundelde stukken. De aankondiging luidt verder: " Roman van een Haagse insider over ambtenaren en ministers

Genre
“Ongeschreven wetten” is een politieke roman. In een interview met De Volkskrant van 25 november 2006 geeft de schrijfster aan dat het zeker geen sleutelroman uit de Haagse politiek is. Toch moet je bij enkele romanfiguren wel een beetje denken aan bestaande politieke figuren. Zo is er een nieuwe politieke partij die met een charismatische leider ineens 20 zetels haalt; de vergelijk met Pim Fortuyn ligt voor de hand. Bij een fanatieke politica van de Groenen moet je toch wel denken aan Femke Halsema. Bij de niet echt vlot opererende minister van Veiligheid, Vergoor, dringt zich de vergelijking met Piet Hein Donner op. De in de roman niet echt populaire Secretaris-Generaal Ferguson heeft toch wel iets weg van Doctors van Leeuwen, een topambtenaar met wie Sordrager in haar politieke functie overhoop lag.

Geschikt voor …
voor bovenbouw havo en vwo, die in hun vakkenpakket geschiedenis /maatschappijleer hebben of geïnteresseerd zijn in Haagse politieke verhoudingen. De lezer moet wel echt interesse voor politiek hebben anders is het boek voor hem/haar toch wel te saai. Is die interesse er wel, dan is de roman aardig als inkijkje in de politiek, geschreven door een insider. Er zullen dus wel dingen op de beschreven manier “volgens de ongeschreven wetten van de politiek”geregeld worden.


Pseudoniem
Achter Victor ten Hove gaat een andere persoon schuil. Het is de oud-minister van Justitie tijdens het paarse kabinet, Winnie Sorgdrager. Ze wilde echter vrijuit fictie kunnen schrijven. Maar omdat de uitgave van het boek vrijwel onopgemerkt bleef, werd onder druk van de uitgeverij De Geus bekend gemaakt dat Sorgdrager de echte auteur is. Vrijwel direct daarna kwam ze al op tv in de rubriek van Pauw en Witteman. Ook publiceerde De Volkskrant direct daarna een interview met de schrijfster. (zie hieronder in de bijlage een volledige publicatie van het interview)

De flaptekst
De ontsporing van een chloortrein eist tientallen dodelijke slachtoffers. Het ongeluk voedt het groeiende gevoel van onveiligheid bij de burger. Voor de regering is het voorval hét argument om de omstreden plannen te kunnen realiseren die leiden tot een ministerie van Veiligheid. Clemens van der Veer, een even invloedrijke als ambitieuze topambtenaar wordt in de leiding van dit departement benoemd. Achter de schermen trekt hij aan de touwtjes en gebruikt hij mensen om te verwezenlijken wat op zijn verborgen politieke agenda staat. Zelfs de minister ontkomt niet aan de manipulatie van deze spin in het web.

Motto en opdracht
Er is geen motto en geen opdracht.

Structuur, perspectief en verhaalopbouw
Er zijn 74 korte hoofdstukken (gemiddeld een bladzijde of vier) die chronologisch worden verteld vanuit het perspectief van de hoofdpersoon Clemens van der Veer, directeur –generaal op het ministerie van Veiligheid. We zijn er getuige van hoe hij manipuleert en via ongeschreven wetten zijn doel tracht te bereiken. Het is dus eigenlijk een recht toe -recht aan verteld verhaal. Er zijn nauwelijks flashbacks; de chronologische volgorde wordt niet doorbroken.

Titelverklaring
“Ongeschreven wetten” geeft aan dat er in de maatschappij dingen soms gebeuren volgens rituelen die misschien nergens opgeschreven staan, waar die wel een zekere wetmatigheid kennen. “Zo lopen de dingen nu eenmaal.” In de roman gaat het dan voornamelijk over de macht die topambtenaren kunnen uitoefenen op de politiek bijv. op de gang van zaken bij een val van een minister.


Tijd en decor
“Ongeschreven wetten” is een actuele roman, hoewel er niet direct een jaartal bij de vermelding van de feiten (de ontsporing van en de ramp met een chloortrein) worden genoemd. In januari van een bepaald jaar is een Chloortrein in Hoogvliet nabij Rotterdam ontspoord, waarbij 52 mensen zijn omgekomen. De verteller wordt een half jaar daarna benoemd, gaat in juli op vakantie en komt in augustus in de problemen wanneer blijkt dat milieuactivisten een rol
Op blz 132 zegt d e verteller iets over de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Irak. Er zou politieke onrust komen bij het sneuvelen van een Nederlandse militair in Irak. Het moet dan in ieder geval na juni 2003 zijn, toen de Tweede Kamer instemde met de uitzending van militairen. Waarschijnlijker er is het dat ze er al enige tijd zitten, we praten dan over augustus 2004 of 2005. De vertelde tijd is ongeveer een maand of acht, neggen.

Het decor van de roman is natuurlijk het Haagse politieke wereldje, dat af en toe een slangenkuil blijkt te zijn. Het laatste deel speelt zich af tijdens een vergadering van de Tweede Kamer die de minister van Veiligheid aan de tand voelt.

Thematiek
“Ongeschreven wetten”is niet meer maar ook niet minder dan een politieke roman. Hij wil laten zien hoe het er in de Haagse politieke wereld toegaat met zijn achterbakse gekonkel van ambtenaren die elkaar uitspelen, op elkaars baantjes uit zijn, politieke belangen hebben en een minister onjuist voor lichten omdat ze lid zijn van een andere partij. De hoofdfiguur is daar een “fraai exemplaar “van: zij het dat hij veel dingen op het randje doet om er zelf beter van te worden. Hij wil nu eenmaal het hoogste bereiken: hij lekt daarom tegen journalisten, hij licht zijn minister maal half voor, geeft zijn mening over andere ambtenaren aan dezelfde minister en speelt op die manier collega’s tegen elkaar uit. Er is hier met recht sprake van een “verborgen politieke agenda.” Gelukkig krijgt hij aan het einde van de roman niet de door hem gewenste beloning, maar ook niet de opdonder die hij van de lezer verdient.

Ook in zijn privé-leven heeft hij het niet voor elkaar: zijn vrouw bekent dat ze een jaar lang een relatie (ook een seksuele) heeft gehad omdat hij zo weinig aandacht en tijd aan haar besteedde en bovendien hooghartig op haar werkzaamheden neerkeek. Maar ook zij laat hem niet in de steek: eigenlijk vanwege de kinderen. Het leven van Clemens van der Veer is dus menselijk (en politiek) gezien een mislukking. Het wordt daarmee het verhaal van een “loser.”
Hij heeft een bijzondere moeder-zoonrelatie die op de zenuwen van zijn vrouw werkt, hij verwaarloost zijn kinderen in emotioneel opzicht en “werkt”ook nog eens in zijn vakanties. Het ontbreekt er nog maar aan dat hij zelf een geheime relatie heeft, maar daarvoor is hij waarschijnlijk te onaantrekkelijk voor vrouwen of zijn de vrouwen die om hem heen werken, te streberig om iets met hem te willen. De beste relatie heeft hij nog met zijn trouwe secretaresse Aukje.

Samenvatting van de inhoud
In het eerste hoofdstuk ontvangt Clemens van der Veer een brief van de Minister van Veiligheid over zijn benoeming van directeur-generaal van het nieuw op te richten ministerie voor Veiligheid.
Hij is er erg content mee, want het is een topfunctie voor een ambtenaar. De benoeming is versneld nadat er in januari van dat jaar een chloortrein ontspoord is in de buurt van Rotterdam. Er zijn 52 doden en heel veel gewonden te betreuren en de politiek eist uiteraard opheldering. Daar er een dreigbrief ontvangen is van een moslimorganisatie denkt men in de politiek eerste instantie aan een terroristische aanslag in de hoek van de islam, maar uit de roman blijkt dat topambtenaren zelf achter de verzending van de brief hebben gezeten in de hoop dat de politiek dan sneller tot een ministerie van Veiligheid zou beslissen. Wanneer het schijfje met daarop de tekst van de brief verdwenen is, ziet Van der Veer er geen been in om de schuld meteen in de schoenen van een ondergeschikte te schuiven. Hij zelf zal er dan niets mee te maken hebben.

Hij krijgt te maken met een aantal personen over wie hij zijn mening al direct aan de lezer kenbaar maakt. Er is een twijfelende minister Evert Vergoor, die geen duidelijke lijnen uitzet en door de coalitie min of meer gedoogd wordt. Er is een secretaris -generaal Ferguson, die hij ook niet competent vindt. De voorzitter van het OM is een fanatieke carrièrevrouw, Ella Beers, die hij aanvankelijk afschuwelijk vindt maar gaandeweg weet hij haar meer te waarderen. Ook andere ambtenaren in zijn omgeving vindt hij maar niets. Hij manipuleert echter steeds met informatie, laat hier en daar wat lekken naar de journalistiek en maakt een onsympathieke indruk.

Die indruk wordt voor de lezer versterkt vanwege zijn privé-leven. Het huwelijksleven met zijn vrouw Anke stelt niet zo veel meer voor: ze slapen apart en hij besteedt erg veel tijd aan zijn baan. Zijn kinderen (opgroeiende pubers) ziet hij nauwelijks en hij kan niet heel erg goed opschieten met zijn dochter Eef en zijn zoon Carel. Een aardig voorbeeld daarvan is dat hij tijdens de zomervakantie een thema uitzoekt (De Eerste Wereldoorlog) en zijn kinderen steeds van de ene historische plek naar de andere meesleurt. Die hebben er na een paar uurtjes gauw genoeg van, maar Clemens dwingt ze min of meer om het programma af te maken.
Het is dan ook natuurlijk niet verwonderlijk dat het leven van zijn vrouw Anke een andere kant opgaat. Na de vakantie biecht ze hem op dat ze een verhouding heeft gehad met iemand die ze tijdens het muziek maken heeft ontmoet. Deze Bart heeft meer empathie voor Anke dan Clemens, maar toch schrikt hij voor de affaire, want dat had hij niet van zijn vrouw verwacht. Hij vindt het later nog erger wanneer hij van een bevriende journalist hoort dat Bart bovendien een goede architect was, waar hij eerst dacht dat het een onbetekende leraar of gemeenteambtenaar was. Maar Anke en Bart hebben besloten dat ze niet meer met elkaar omgaan en ook dat ze niet gaan scheiden, omdat ze hun gezin niet in de steek kunnen laten. Clemens voelt zich nog erg verongelijkt ook, want hij heeft Anke in haar studententijd nog wel zo goed geholpen. Ze was toen depressief. In het begin van de roman blijkt ook dat er altijd nog uit die tijd een soort wrijving is tussen Anke en Clemens’moeder, want hij mag eigenlijk niet van haar bij zijn moeder op bezoek gaan. Er is waarschijnlijk sprake van de klassieke schoonmoeder-schoondochter relatie.

Intussen heeft Clemens van der Veer door de vele verslagen van vergaderingen en gesprekken met de minister, de andere directeuren van veiligheid, met de Secretaris- Generaal Ferguson
en met bevriende journalisten tegen wie hij wel eens wat laat uitlekken of suggereert geprobeerd zijn eigen paadje zoveel mogelijk schoon te vegen. Via een politiefunctionaris in Rotterdam (Bibi Mentink) komt hij te weten dat er waarschijnlijk helemaal geen moslimorganisatie achter de treinramp zit, maar dat milieuactivisten een netwerk ook binnen de overheid hebben opgebouwd, waardoor ze het onderzoek hebben kunnen frustreren. Bovendien zitten enkele ambtenaren/ milieuactivisten zelf ook nog achter de aanslag of het ongeluk. Bibi Mentink brengt dit naar buiten, omdat ze door een ex-vriend bedreigd is. Clemens probeert haar te laten beveiligen: hij is er zelf niet helemaal verantwoordelijk voor, maar hij weet de schuld weer keurig in de schoenen van een ander te schuiven, wanneer Bibi Mentink werkelijk fysiek geweld wordt aangedaan. Natuurlijk staat de politiek op zijn achterste benen, mede door publicaties in De Volkskrant en in nieuwsrubrieken als “Nieuwsnet”, waarin “Nova”min of meer valt te herkennen. Het leidt allemaal tot een spoeddebat in de Tweede Kamer, waarin minster Evert Vergoor met de billen bloot moet. Leuk is wel de manier waarop oppositie en coalitie met de minister omgaan. Ook de manier waarop de minister geholpen moet worden in zijn voorbereiding op de behandeling van Kamervragen en bij het laatste spoeddebat, wekt wel de lachlust op. De coalitie heeft geen behoefte aan een crisis, omdat ze in de peilingen er niet goed voor staat. Besloten wordt tenslotte om de minister aan te laten blijven, maar hij moet wel school schip maken op zijn nieuwe departement dat immers niet in staat is gebleken de ramp met de chloortrein adequaat aan te pakken. Van Ella Beers hoort Clemens van der Veer dat de Secretaris-Generaal Ferguson moet wijken. Door Evert Vergoor de dag ervoor het falen van Ferguson duidelijk te hebben gemaakt, is hij min of meer medeverantwoordelijk voor diens vertrek. Het heeft natuurlijk allemaal met eigen belang te maken. Zelf heeft hij later die middag een onderhoud met de minister: hij hoopt te horen dat Vergoor hem zal benoemen tot de nieuwe Secretaris-Generaal, maar dat baantje gaat toch aan zijn neus voorbij. De minster geeft aan iemand van buiten te willen benoemen. Tot zolang mag een door Clemens geminachte ambtenaar Levevre de waarneming van die positie doen. Dat is een lelijke streep door de rekening van Clemens: hij moet nodig een luchtje scheppen. Wanneer hij wat hersteld is, neemt hij het openbaar vervoer naar huis. Dat is lange tijd geleden, want bij de functie van directeur-generaal hoort immers een auto met chauffeur.

Recensies
Alleen op recensieweb van 10 oktober 2006 is tot nu toe een recensie van de roman verschenen. Nivo Voskamp bespreekt daarop de roman.
'Alles wat je altijd al aan politieke rottigheid vermoedde maar liever niet wilde weten.' Die ondertitel komt meteen in gedachten als je begint aan “ Ongeschreven wetten”. De schrijver schrijft onder pseudoniem, is in 1952 geboren, studeerde rechten en geschiedenis in Leiden en behoorde tot de ‘inner circle’ van het Haagse politieke circuit. In dit boek legt hij ‘de ongeschreven wetten bloot die het dagelijkse politieke bedrijf regeren’. Dat belooft lekker veel moddergooierij.[……] Ten Hove zet een geloofwaardig verhaal neer in een wat afstandelijke schrijfstijl, die goed overeenkomt met het karakter van de hoofdpersoon. De roman leest prettig maar heeft een wat zwakker eind. Hoofdpersoon Clemens is hard voor zichzelf en voor anderen. Tijdens het carrière maken verliest hij zijn geliefden. Zijn vrouw bedriegt hem en nog kan hij niet met haar praten. Je ziet hem geestelijk langzaam afglijden, maar tot waar? Daarop geeft de schrijver geen antwoord.

Over de schrijfster
Victor ten Hove bestaat niet. Het is een pseudoniem voor Winnie Sorgdrager. Winnifred (Winnie) Sorgdrager (Den Haag, 6 april 1948) is oud-procureur generaal en oud-minister van justitie. Op dit moment is zij lid van de Raad van State en vervult ze diverse bestuursfuncties.
Winnie Sorgdrager studeerde rechten in Groningen. Van 1971 tot 1979 werkte zij in diverse functies aan de Universiteit Twente en van 1979 tot 1986 was zij officier van justitie bij de rechtbank van Almelo. In 1991 werd zij advocaat-generaal aan het gerechtshof in Arnhem en in 1994 procureur-generaal in Den Haag.
Als procureur-generaal werd zij gezien als een toekomstig politiek gezicht van D66. Als minister van justitie in het eerste kabinet-Kok (Paars I) in 1994 daalde haar ster echter snel. Zij kreeg achtereenvolgens te maken met de uitkomsten van de IRT-enquete, de gouden handdruk voor oud-procureur-generaal Van Randwijck en de "opstand der PG's" onder leiding van Arthur Docters van Leeuwen. Geconfronteerd met de bijverdiensten van haar hoogste dienaren zei Sorgdrager: "De oren vielen van mijn hoofd".
Een ander pijnlijk moment voor Sorgdrager was het stuklopen van de vervolging van Desi Bouterse voor zijn aandeel in de decembermoorden. Haar partijgenoot Hans van Mierlo, op dat moment minister van Buitenlandse Zaken, besloot in 1997 in overleg met de Amerikaanse regering om Bouterse niet te laten arresteren in Brazilië.
In 1998 stapte zij uit de politiek. Ze werd voorgedragen voor de functie van Nationale Ombudsman, maar zag daarvan af wegens het verzet in de Tweede Kamer.
Ze werd enkele maanden lid van de Eerste Kamer voor D66 en was van 1999 tot 2006 voorzitter van de Raad voor Cultuur. Nu is zij (onder andere) lid van de Raad van Toezicht van de Universiteit Twente, voorzitter van het College van Toezicht en Advies S.I.R.E. (Stichting Ideële Reclame) en lid van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie.

Bibliografie
“Ongeschreven wetten”is Sordragers eerste non-fictie literaire werk.

BIJLAGE: interview De Volkskrant van 25 november 2006 over het pseudoniem.

Zegt VVD-senator Uri Rosenthal in het voorbijgaan tegen voormalig D66-leider Thom de Graaf: ooit van Victor ten Hove gehoord? Rosenthal is Nederlands veiligheidsexpert; De Graaf was minister van Binnenlandse Zaken. Maar wie is Victor ten Hove? Hij begeeft zich op het terrein van Rosenthal en De Graaf met zijn debuutroman Ongeschreven wetten, dat gaat over het ministerie van Veiligheid en de onderlinge machtsverhoudingen dan wel persoonlijke ambities van ambtenaren. De flaptekst van de roman vertelt dat de schrijver werd geboren in 1952 en rechten en geschiedenis studeerde in Leiden.
Pikanter is de vermelding dat de schrijver is gepokt en gemazeld in het politieke en ambtelijke circuit in Den Haag. Wie is Victor ten Hove? Rosenthal en De Graaf zijn niet de enigen die zich deze vraag stellen, hoewel Den Haag door het verkiezingsgeweld nog nauwelijks weet heeft van het boek. Slechts een enkeling zet de feiten op een rijtje en is bereid tot een voorzichtige speculatie. Op internet is al een verwijzing naar het ontslag van een topambtenaar naar aanleiding van de Schipholbrand.
Maar de feiten kloppen niet. Want Victor ten Hove is een pseudoniem en zijn alter ego is van 1948 en studeerde in Groningen. De onthulling is daar. Victor ten Hove is niemand minder dan Winnie Sorgdrager, minister van Justitie in het eerste Paarse kabinet (1994-1998) en op dit moment lid van de Raad van State.
‘Het is geen sleutelroman’, haast ze zich te zeggen. Wie op zoek gaat naar bekende figuren komt bedrogen uit. In niemand is de lijvige persoon van Arthur Doctors van Leeuwen, ooit Sorgdragers tegenpool, te ontwaren. ‘Een sleutelroman zou te kinderachtig zijn, te veel een zoekplaatje. Bovendien zou je er mensen mee beschadigen en dat wil ik niet.’
Maar waarom dan een pseudoniem?
‘Ik had het nodig om het boek te kunnen schrijven. Er zijn ook politiemannen die crimi’s schrijven, zo moet je het zien. Nee, het is geen zendingsdrang of zoiets. Ik was oorspronkelijk ook niet van plan mijn ware identiteit te onthullen, maar ik heb gemerkt dat dat niet werkt. De druk om dat pseudoniem te onthullen, was groot.’

Wat heeft u willen beschrijven?
‘De bijzondere constellatie van de ambtelijke en politieke wereld. Dat is een heel andere dan die van het bedrijfsleven. Het is leuk en relevant om bezig te zijn met de publieke zaak, maar ook lastig. Als in de publieke dienst dingen gebeuren is de impact vele malen groter, omdat iedereen meekijkt. Democratische controle betekent ook democratisch meekijken.
‘Een gewoon bedrijf houdt de vuile was binnen, daar heersen andere normen. Daar wordt gezegd: als je het niet aanstaat, ga je toch weg. Bij de overheid is er altijd een buitenpartij die zich bemoeit met de gang van zaken, andere organisaties, het parlement, maar ook de media. Allemaal met hun eigen dynamiek. Dat bepaalt voortdurend het dagelijks leven van ambtenaren, met name dat van topambtenaren. Het gaat mij om dat proces, dat heb ik willen beschrijven.’

In uw roman hollen de minister en zijn topambtenaren van incident naar incident.
‘Wat me zelf heeft gefrappeerd in mijn ministertijd, is de ongerichtheid van de werkwijze. Ik heb willen beschrijven hoe sommige mensen voortdurend bezig zijn het eigen vege lijf te redden, omdat ze in de verdediging zitten, in een afrekencultuur. Je moet mensen op hun fouten kunnen wijzen, maar moet een fout altijd leiden tot ontslag? Dan krijg je die afrekencultuur. De invloed daarvan op de mensen en de organisatie is groot. Iedereen is druk bezig, niet zozeer om de zaak op te lossen, maar om te zorgen dat je geen fouten maakt, dat er geen verkeerde stukken in de krant komen.
‘Het gaat zelden over de inhoud, maar over de gevolgen voor de organisatie, voor jezelf, dat heb ik willen laten zien. Als er iets gebeurt – in deze roman is het een ramp met een chloortrein – ontstaat er een zekere mate van machteloosheid. Er moet snel onderzoek komen, de Kamer is boos, de minister zegt tegen zijn ambtenaren: doe iets.
‘Je ziet het nu met de publicaties over mishandelingen door Nederlandse mariniers in Irak. De Kamer zegt niet: minister, vertel eens, wat is daar precies gebeurd, maar wat valt de minister te verwijten, waar heeft hij gefaald? Ik vind het boeiend wat zich in zo’n biotoop afspeelt. Het is sociologisch interessant. Wat bezielt zo’n groep?
‘Als minister was ik ook iemand die af en toe een stapje terugdeed om te kunnen zien wat er om me heen gebeurde. Ik heb soms de neiging toeschouwer te zijn, ook al ben ik zelf het middelpunt. Dit boek is een inkijkje. Het verhaal dat ik vertel is helemaal gefantaseerd, maar daarom is het nog geen onzin.’
De hoofdpersoon is niet de minister, maar een directeur-generaal die zich gedraagt als een minister en voortdurend politieke spelletjes speelt om er zelf beter van te worden.
‘Het is spannend je een andere persoon aan te meten. Ik heb geprobeerd me te verplaatsen in die hoofdpersoon en ik maak gebruik van alles wat ik heb gezien en gehoord. Natuurlijk hoor je veel verhalen, ook over andere ministers. Op een departement kijkt iedereen altijd naar de minister.
‘Veel mensen gaan die minister imiteren, diens manier van doen, diens gedrag, dat gaan ze nabootsen, soms onwillekeurig. Ze krijgen dezelfde manier van kijken naar wat er gebeurt, ze gaan namens hem denken. Tegelijkertijd is bij sommige ambtenaren die drijfveer heel sterk aanwezig er zelf beter van te worden en staat loyaliteit op de tweede plaats. Laat er geen misverstand over bestaan, bij de overheid werken heel veel gepassioneerde mensen. Maar ik heb ook veel cynische mensen ontmoet, misschien word je dat ook wel na de 150ste schriftelijke vraag van een parlementslid. Die houding heeft me aangegrepen, net zoals het katten op elkaar onderling, de minachting voor het parlement, voor het politieke proces, voor politici of voor de media.
‘De hoofdpersoon is zo’n cynische man, een vervelende kerel die aan z’n moeder hangt, een beetje het hybride type. Iemand die geen hart meer heeft voor het werk. Als er op het einde klappen dreigen te vallen, gaat hij naar de minister met het doel diens beslissing te beïnvloeden. Zoals hij het doet, werkt het niet, uiteindelijk wordt hij ook ontmaskerd. Ik denk niet dat het gewoon is, zoals hij is, maar het gedoe er omheen is dat. Er zijn voortdurend incidenten, wat gebeurt er, wat staat er in de krant, wat moeten we nu?’

U heeft van de minister een zwakke figuur gemaakt. In hoeverre spelen autobiografische elementen een rol?
‘Natuurlijk zitten er autobiografische elementen in, die vind je door het hele boek heen. Maar deze minister staat vrij ver af van de mensen om hem heen. De ambtenaren in dit boek vinden hem geen goede minister. Nou ja, dan duurt het vier jaar, dan ben je er weer van af, that’s it. Zo redeneren ze. Nee, ik geloof niet dat ik zelf zo bekeken werd, hoewel mijn ambtenaren mij op het laatst ook liever kwijt dan rijk waren.
‘De minister in mijn roman wordt gezien als iemand die een beetje naïef in de wereld staat, die sommige dingen gewoon niet begrijpt, afwachtend is, wel druk bezig maar niet in staat een deuk in een pakje boter te slaan. Ik zou het heel erg vinden om zo te zijn, zo gezien te worden, dat afwachtende, dat jezelf verbazen over wat er in de wereld gebeurt. Deze minister is een beetje een sukkel. Nee, ik heb daar niet mezelf in gelegd. Het klopt, met mij was er ook altijd wat, maar het ging toch steeds over belangrijke zaken.’


‘Eenzaam en ook weer niet. Er zitten mensen om je heen die je steunen en beschermen. Je wordt niet altijd gepamperd, maar in slechte tijden is het heel belangrijk mensen om je heen te hebben die weten dat het niet goed gaat. Ik denk nog wel eens terug aan zo iemand als Frida van de catering, die even je hand op je schouder legt als er moeilijkheden waren. Zo lief.
‘Mensen leven met je mee, dat gevoel had ik wel, tot op het laatst toe. Het is prettig, dat mag je accepteren. Een ambtenaar vindt het akelig als het niet goed gaat met de minister, dat straalt af op het departement, dus ook op hem. Natuurlijk, het is moeilijk te weten of mensen je niet naar de mond praten. Je weet dat er slijmerds zijn, die ken je. Je kent ook de mensen die dat in elk geval niet zijn, daartussen zit een hele grote groep.’
In uw roman is sprake van een ministerie van Veiligheid, dat na de ramp met de chloortrein snel werd opgericht. Ook nu wordt gesproken over zo’n samengaan van politie en justitie in één ministerie.
‘Er moet altijd iets gebeuren, voordat dit soort grote beslissingen worden genomen. Een ramp, of een aanslag. Zou zoiets nu gebeuren, dan heb je kans dat er bij de formatie van het nieuwe kabinet wordt besloten tot de oprichting van een ministerie voor Veiligheid. Op andere momenten krijg je dit soort reorganisaties niet voor elkaar. Ik heb de aartsrivalen van nu in mijn roman laten samengaan. Het betekent niet dat ik daarvan een pleitbezorger ben. Integendeel.
‘Het duurt heel lang voordat een reorganisatie werkelijk zijn beslag heeft gekregen. Je ziet dat de oude tegenstellingen dan toch blijven bestaan. Ik geloof niet dat het veel zal uitmaken. Het scheelt misschien een verantwoordelijke minister, maar dat is het dan, de diensten functioneren zoals ze functioneren. Op papier is het mooi, de praktijk blijft hetzelfde. In mijn tijd was er een heftige strijd tussen het departement en het Openbaar Ministerie, mede als gevolg van reorganisaties. Dat geeft onrust, gedoe. Als het is geregeld, schikt iedereen zich. Maar je kunt als minister ook zonder dat soort reorganisaties invloed hebben op de samenwerking tussen verschillende departementen.
‘Hans Dijkstal was destijds minister van Binnenlandse Zaken. We hebben tevoren afgesproken niet meer voortdurend de strijd met elkaar op te zoeken en die vreedzame houding uit te dragen. Dat heeft gewerkt. De verhouding tussen de twee departementen werd daardoor veel beter dan in voorgaande jaren.’

U lag in de clinch met Arthur Doctors van Leeuwen, toen voorzitter van het college van procureurs-generaal, dat ten slotte resulteerde in het ontslag van Doctors van Leeuwen. Heeft u hem daar nooit om vervloekt?
‘Vervloekt wel eens, maar ik heb nooit een hekel aan Doctors gehad, toen niet en later ook niet. Ik kijk met een zekere sympathie op hem terug.’

Van deze affaire is een tv-serie gemaakt. U schrijft nu een roman over de interne verhoudingen op een departement. Wanneer komen uw eigen memoires?
‘Misschien als ik 65 ben dat ik dan over mezelf ga schrijven. Ik wilde dit boek graag schrijven om die wereld te laten zien. Als ik het nu niet had gedaan, zou ik het nooit meer hebben gedaan. Ik schrijf graag, ik heb altijd non-fictie geschreven. Over mijn eigen periode als minister heb ik heel veel materiaal, dus misschien komt het er nog een keer van.
‘Ik had een kamerbewaarder die van al zijn ministers alle krantenartikelen uitknipte en inplakte. De man is nu met pensioen, maar het was heel bijzonder. Ik wist niet dat hij dat deed. Bij mij thuis op zolder staat nu een hele rij ordners met allemaal artikelen over die periode. Het was zijn afscheidscadeau.’

U zat namens D66 in de regering. Verlangt u wel eens terug naar de politiek?
‘Nee. Het is fantastisch dat ik die vier jaar als minister heb meegemaakt, maar ik zou het niet nog eens willen doen. Wat mij vooral is bijgebleven, is de enorme concentratie die je moet opbrengen op alle onderdelen waarop je bezig bent.
Het is een geweldige intellectuele uitdaging al die dossiers die zo verschillend zijn op zoveel verschillende manieren te behartigen. Fascinerend, maar niet verslavend, althans niet voor mij. Je zit in een ontzettend klein kringetje dat afgesloten lijkt van de buitenwereld. Je moet hard werken en er blijft heel weinig ruimte over iets anders te doen.’

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Cees van der Pol