Titel
Nooit meer slapen

Titelverklaring
In het begin van het boek gaat het om Alfred, die niet kan slapen, maar later gaat het om Arne, die doodvalt. De dood wordt meestal beschreven als de eeuwige slaap, maar Alfred noemt het: "nooit meer slapen".

Auteur
Willem Frederik Hermans.

W.F. Hermans is geboren op 1 september 1921. Van 1953 tot 1973 was hij in Groningen lector in de fysische geografie. In 1973 kreeg hij de P.C. Hooftprijs die hij weigerde. In 1977 kreeg hij de Grote prijs der Nederlandse letteren.

De hoofdpersonen in dit boek zijn
Alfred. Hij wordt door het hele boek beschreven als de -ik- persoon. Hij is een student geologie met zeer weinig zelfvertrouwen. Alfred moet voor professor Sibbelee een proefschrift schrijven over doodijsgaten in Finmarken. Hij moet proberen te bewijzen dat sommige doodijsgaten door meteo-rieten gemaakt zijn.

Arne. Hij is een student van professor Nummedal. Hij is een Noorse jongen, die al meer in het gebied geweest is. De spul-len die hij bij zich heeft zijn veelal versleten. Ver-der is hij erg atletisch.

Qvigstad. Hij is een medestudent van Arne. Ook hij is al meer in het gebied geweest en is erg atletisch. In tegenstelling tot Arne heeft hij erg mooie spullen.

Mikkelsen. Hij is ook student van Nummedal, en een atletische en erg stille figuur.

De moeder van Alfred: zij schrijft steeds hysterische brieven.
Het zusje van Alfred: zij is de enige gelovige in de familie.
Professor Nummedal: Een bejaarde, bijna blinde man. Hij is de leraar van Arne en
Qvigstad en de grote vijand van Sibbelee.
Professor Sibbelee: De leermeester van Alfred.
Sterke man: Hij gaat de eerste 25 km mee als pakezel.

Het verhaal speelt in de jaren 60, en is compleet in de tegenwoordige tijd geschreven. Het verhaal speelt zich bijna constant af in de tegenwoordige tijd. Er wordt af en toe door een persoon, in zijn gedachten, teruggeblikt op het verleden. Het is dus een chronologisch verhaal met flashbacks.

Het speelt zich af in Noorwegen en in Nederland. In Noorwegen in de plaatsen: Oslo, Trontheim, Tromsf, Alta, Skaidi, Skoganvarre, Ramnastura, Karasjok en de noordelijkste provincie van Noorwegen: Finmarken. In Neder-land: op het vliegveld en in het huis van zijn moeder.

Korte inhoud
Alfred gaat naar professor Nummedal voor luchtfoto's, maar krijgt ze niet omdat hij door Sibbelee gestuurd is. Nummedal en Sibbelee zijn namelijk aartsvijanden. Alfred gaat met Arne, Qvigstad en Mikkelsen de wildernis in. Alfred is de grote stuntel. Qvigstad en Mikkelsen gaan hun eigen weg. Als Arne en Alfred een kloof zijn overgestoken, krijgen ze een verschil van mening over de route. Ze raken elkaar kwijt, en Alfred verliest zijn kompas. Via een omweg komt hij weer bij de kloof waar hij Arne dood vindt.

De diepere bedoeling van het boek is: al ben je een stun-tel, dan hoef je nog niet alles verkeerd te doen. Als je maar zelf-vertrouwen hebt. Alfred heeft ook last van het feit dat hij eigenlijk fluitist had willen worden, maar door de vroege dood van zijn vader, die geoloog was, voelt hij zich verplicht het werk van zijn vader af te maken.

Verder is het boek gemiddeld van dikte (250 blz.) en het bestaat uit 47 korte tot zeer korte hoofdstukken.

Het thema van dit boek in één woord is: "onzekerheid".

Inhoud
Alfred, student van professor Sibbelee, moet een proefschrift schrijven. zijn onderwerp is: proberen te bewijzen, dat sommige vermeende doodijsgaten in Finmarken veroorzaakt zijn door meteorieten. Voor dit onderwerp heeft hij luchtfoto's nodig, die hij op aanwijzen van zijn professor moet halen bij professor Nummedal in Oslo. Alfred gaat ook samen met drie studenten van Nummedal naar Finmarken. Bij Nummedal aangekomen blijkt dit een zeer oude, bijna blinde man te zijn. Hij stuurt Alfred met een kluitje in het riet, na hem een hele dag bezig gehouden te hebben. Hij is namelijk de aartsvijand van Sibbe-lee. Hij zegt dat Alfred de luchtfoto's moet ophalen bij de geologische dienst in Trontheim. De geologische dienst is aan het verhuizen van Oslo naar Trontheim. De foto's zijn al wel in Trontheim, maar de map met kaartnummers ligt nog in Oslo. Alfred reist daarom zonder luchtfoto's naar Tromsf. Daar vindt hij Arne, later ook Qvigstad, en tot zijn verbazing ook Mik-kelsen. De volgende morgen reizen ze de wildernis in. Ze heb-ben vreselijk veel last van muggen en horzels. Alfred heeft bergschoenen aan en de rest hoge rubber laarzen. Alfred's voe-ten zijn dan ook al snel doorweekt. Hij is ook constant bang dat hij uit zal glijden, of zal vallen. Na een paar dagen is alles drijfnat, omdat het heel hard heeft geregend. Niets wil branden behalve de primus, maar ze hebben te weinig petroleum bij zich om die elke keer te gebruiken. Het natte voedsel raakt ook langzaam op. Niemand heeft tot nu toe gevonden waar hij voor kwam. Als ze een paar dagen op weg zijn gaan Qvigstad en Mikkelsen hun eigen weg. Een dag lopen later komen Alfred en Arne bij een zeer diepe kloof. Arne begint zelfverzekerd aan de afdaling. Alfred is bang, ziet hoe Arne het doet en volgt na veel aarzeling. Als ze aan de andere kant weer boven staan krijgen ze verschil van mening over de te volgen richting. Ze gaan allebei een andere kant op en raken elkaar kwijt. Als Alfred een flink eind gelopen heeft, merkt hij dat zijn kompas ontregeld is door het magnetisme van een steen. Hij wil terug-gaan, maar bij het kaartlezen laat hij zijn kompas in een spleet vallen. Aansturend op een berg, waarlangs ze op de heenweg ook gekomen zijn, komt hij bij een meer aan waar ze al eerder gekampeerd hadden. Door de kloof, waar ze elkaar kwijtgeraakt zijn, loopt een rivier. Deze rivier is een zijrivier van de rivier die ontspringt uit het meer. Hij volgt de rivieren en komt weer bij de kloof aan. Als hij in de kloof de plek gevonden heeft waar ze elkaar kwijtgeraakt zijn, vindt hij de theodoliet die Arne bij zich had. Hij kijkt in het rond en ziet Arne liggen met zijn hoofd op een steen uiteengespleten. Alfred klimt naar boven en vindt daar het aantekenboek van Arne, dat hij bij zijn val kwijtgeraakt moet zijn. Even verderop staat de tent, waarmee hij Arne toedekt. Hij gaat daarna alleen op weg naar Ramnastura, een pleisterplaats voor iedereen die door dit ge-bied trekt. Het is een dag of vijf lopen. Als hij er bijna is moet hij om de honderd stappen rusten, zo moe en ondervoed is hij. Hij kan nog net een huisje binnenstrompelen en vertellen wat er gebeurd is. Daarna wordt hij door de bewoners naar een ka-mer gebracht waar hij kan eten en vooral slapen. Na een paar dagen verzorging wordt hij met een boot naar het dorp ge bracht, vanwaar hij ook vertrokken is. Onderweg naar de boot ziet hij een lichtflits en hoort een harde knal. Hij weet niet wat het geweest is. Later blijkt dit een meteoriet geweest te zijn. In het dorp aangekomen pakt hij zijn koffer, die hij daar achter gelaten had, en stapt op de bus. Hij gaat naar professor Nummedal om te vertellen hoe zijn expeditie verlopen is, en dat Arne dood is. Na dit gedaan te hebben gaat hij naar huis.

Zijn moeder had gewild dat hij de wetenschappelijke carrière van zijn te vroeg gestorven vader zou voortzetten. Zijn vader was, net als Arne, ook in een kloof gevallen. Alfred is eigenlijk een veel te grote stuntel en heeft te wei-nig zelfvertrouwen voor dit beroep. Zelf wilde hij eigenlijk fluitist worden.

Eigen mening
Het is een leuk boek, wel wat moeilijk, maar goed te begrijpen. Het is geen boek waarin je gevangen raakt, zodat je het in een keer uit wilt lezen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.