Kruistocht in spijkerbroek door Thea Beckman

Beoordeling 8.1
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 1e klas vwo | 1817 woorden
  • 22 november 2014
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.1
  • 27 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1973
Pagina's
366
Geschikt voor
onderbouw
Punten
1 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Onderwerpen
Verfilmd als
Prijzen
Gouden Griffel (1974 Winnaar)

Boekcover Kruistocht in spijkerbroek
Shadow

De zestienjarige Dolf uit Amstelveen geeft zich op als proefkonijn: hij zal door een materietransmitter teruggeflitst worden naar de Middeleeuwen om daar één middag een kijkje te nemen. Maar door een foute berekening komt hij in het jaar 1212 terecht in een Kinderkruistocht die net uit Keulen is vertrokken en niet op het riddertoernooi in Montgivray in M…

De zestienjarige Dolf uit Amstelveen geeft zich op als proefkonijn: hij zal door een materietransmitter teruggeflitst worden naar de Middeleeuwen om daar één middag e…

De zestienjarige Dolf uit Amstelveen geeft zich op als proefkonijn: hij zal door een materietransmitter teruggeflitst worden naar de Middeleeuwen om daar één middag een kijkje te nemen. Maar door een foute berekening komt hij in het jaar 1212 terecht in een Kinderkruistocht die net uit Keulen is vertrokken en niet op het riddertoernooi in Montgivray in Midden-Frankrijk dat hij zo graag wilde bijwonen. Verbijsterd ziet hij duizenden gelovige - en vooral goedgelovige - kinderen, aan wie wonderen zijn beroofd, zingend aan hem voorbijtrekken. Zij zijn van plan met hun blote landen het Heilige Land van de Saracenen te bevrijden. Om vijf uur diezelfde middag moet Dolf weer op de afgesproken plek staan om teruggeflitst te worden naar de twintigste eeuw - tenminste, als er niets fout gaat...

Kruistocht in spijkerbroek door Thea Beckman
Shadow

Leesdossier



Zakelijke gegevens



Titel: kruistocht in spijkerbroek



Auteur: Thea Beckman



Uitgeverij: lemniscaat



Jaar van uitgave:1977



Illustraties: n.v.t.



Vertaald door: n.v.t.





Inhoud



Dolf woont in Amstelveen met zijn familie. Op een keer gaat hij bij twee bevriende professoren van zijn vader op bezoek.  Zij zijn bezig met een tijdmachine. De professoren zorgen ervoor dat Dolf teruggeflitst wordt in de tijd.





Het is de bedoeling dat hij naar Frankrijk in de Middeleeuwen wordt geflitst. Door een fout in de tijdmachine komt hij in Duitsland in de Middeleeuwen terecht. Dolf heeft met de professoren afgesproken om over een paar uur terug te zijn op de zelfde plaats als hij aankwam, daarom markeert Dolf de steen waarop hij staat bij aankomst.



In Duitsland aangekomen ziet hij drie mannen vechten. Dolf besluit de man die wordt aangevallen te helpen. Samen verslaan ze de aanvallers. Dolf stelt zich voor en de man zegt dat hij Leonardo heet. Na een tijdje ziet Dolf op zijn horloge dat hij terug moet gaan. Als hij terugloopt, ziet hij op de weg waar hij een paar uur geleden was aangekomen alleen maar kinderen lopen. Kinderen zover als hij kan kijken, deze kinderen lopen een kruistocht. Hij zoekt naar de plaats waar hij aangekomen is. Opeens ziet hij een jongen staan op de plaats die hij gemarkeerd heeft. Hij probeert de jongen nog weg te duwen maar plotseling is de jongen verdwenen, hij is teruggeflitst naar Dolf zijn eeuw. Dolf beseft dat hij misschien nooit meer terug zou kunnen naar zijn eigen tijd en gaat Leonardo zoeken.





Als hij Leonardo gevonden heeft, vraagt die Dolf mee te gaan met de kruistocht die richting Spiers gaat. Dolf beseft dat Spiers in Duitsland ligt en er iets is fout gegaan in de tijdmachine. Dolf en Leonardo sluiten zich aan bij de tocht en vragen aan de kinderen waarom ze deze uitputtende tocht ondernemen. De kinderen zeggen dat ze onderweg zijn om Jeruzalem te veroveren in opdracht van God. Ze vertellen ook dat ene Nicolaas uitverkoren is om de kruistocht te leiden. Na in Spiers te hebben overnacht gaan ze op weg en komen in het volgende dorp aan (Rotweill). De kinderen vertellen Dolf dat een van de monniken genaamd Anselmus die Nicolaas begeleidt op zijn tocht zegt dat de zee zal wijken net zoals hij dat deed voor Mozes.





Dolf vindt dat de hele kruistocht niet goed geregeld is, daarom gaat hij naar de leiding en zegt dat het beter kan. Hij verdeelt de kinderen in groepen. Er sterven nu veel minder kinderen. In de stad koopt Dolf genoeg broden voor het hele kinderleger. Dom Anselmus wil om over de Alpen te komen een gevaarlijke route nemen, maar Dolf weet hem ervan te overtuigen dat ze beter een iets langere, maar veel minder gevaarlijke route kunnen nemen. In de Alpen sterven veel kinderen. Ze komen in een gebied van een roofridder waar tientallen kinderen weg geroofd worden, Dolf weet ze te bevrijden.





Als ze uit de alpen komen neemt Leonardo afscheid, met nog maar een groep van ongeveer 1500 kinderen bereiken ze de zee. Dom Johannes vertelt dan aan Dolf dat de hele kruistocht een leugen is. De zee zal niet wijken voor Nicolaas en dat er dan schepen komen die de kinderen naar Afrika brengen om ze daar te verkopen als slaven. Die ochtend heeft Nicolaas het plan om de zee te laten wijken, dat lukt natuurlijk niet. Dolf weet de kinderen tegen te houden om mee te gaan op de schepen die zogenaamd naar Jeruzalem gaan. Ook Leonardo duikt weer op, hij is de kruistocht achterna gekomen. Een aantal kinderen wil toch nog door naar Jeruzalem. Dolf en Leonardo besluiten om samen met die kinderen verder te trekken via Bari. Dolf vindt in Bari een bericht uit de toekomst van een van de professoren. Hieruit blijkt dat hij als hij op de zelfde plek als waar hij het bericht vond gaat staan binnen 24 uur teruggeflitst kan worden naar zijn eigen tijd. Hij zorgt dat hij op tijd is op de goede plaats. Het lukt Dolf maar net op tijd om teruggehaald te worden naar zijn eigen eeuw.







Mening





Mijn mening over het boek in zijn geheel: Ik vond sommige delen in het boek nogal langdradig en af en toe best wel voorspelbaar. Wel  heb ik nu een idee gekregen hoe het er in de middeleeuwen aan toe ging.





De volgende dingen uit het boek vond ik zelf heel droevig.





Het moment dat Carolus overlijdt aan zijn blindedarmontsteking.





Achtenveertig uur lang had Carolus dus rondgelopen met een acute blindedarmontsteking, gemarteld door pijn en koorts en hij had niets gezegd. Een koning moet pijn en ongemak kunnen verdragen. Pas een goed uur geleden was hij in elkaar gezakt en nu viel er niets meer aan te doen. Rust en koelend water konden hem niet redden. Carolus zou waarschijnlijk de ochtend niet meer halen. Snikkend verborg Dolf zijn gezicht in de handen. Leonardo en Mariecke wisselden verschrikt een blik. Uit Dolfs wanhoop lazen ze het vonnis. Marieckes lippen trilden, uit zichzelf vernieuwde ze de natte lappen. Ze begreep dat het zinloos was, maar ze bleef doen wat haar was opgedragen. Telkens als de kleine koning even bij kennis kwam, zochten zijn ogen Dom Thaddeus, die deed wat hij kon om het kind gerust te stellen en die hem de hemel beloofde. Op zeker ogenblik prevelde Carolus: ‘Bertho … opperjager.’ En even later: ’Rudolf van Amstelveen, mijn erfgenaam. Ik draag jouw op…’ en toen zakte hij weer weg in koorts dromen. Dolf was bleek geworden. Hij begreep dat ook de anderen het gehoord moesten hebben. Toen hij opkeek ontmoetten zijn ogen die van Nicolaas, die in de ingang van de tent stond. Nicolaas zei niets, hij keek alleen naar Dolf met afgunst in zijn blik. De hele nacht waakten ze bij de stervende bij het aanbreken van de dag verliet de kleine koning van Jeruzalem zijn onderdanen.





Het moment dat Dolf bij terugkeer in zijn eigen eeuw zijn eigen moeder niet meer herkende.





Wie noemde hem Dolf? Hij was Rudolf Wega van Amstelveen. Knipperend met de ogen, nog altijd vechtend tegen de handen die hem vasthielden, zwaaien met de armen, krijste hij: ‘Vervloekt zijn jullie! Leonardo, help me!’ Hij tastte blindelings naar zijn mes, ontblootte de tanden… Een schrille stem sloeg tegen zijn brein. ‘O nee, het is wéér de verkeerde.’ Die stem kende hij. Ook de vreemde taal waarin de woorden waren uitgesproken had nu iets bekends. De mist om hem heen trok op. De handen lieten los. Hij wankelde even, keek snel naar beneden. Waar was het kruis? Het was er niet meer. Onder zijn voeten zag hij een gladde, groene vloer. Warmte kolkte om zijn hoofd, Stemmen sloegen tegen hem aan. ‘Het is Dolf wèl. Dolf…’ De klokken luidden niet meer. Langzaam sloeg hij de ogen op en zag een vrouw, een opvallend lange vrouw met grijze ogen, die hem angstig en onderzoekend aankeken. Nog meer mensen zag hij: vreemd gekleed starend… Waren dat niet de ogen van Mariecke? Nee, maar hij kende ze toch. De vreemde taal gonsde om hem heen en hij verstond elk woord. Duizelig schudde hij het hoofd. ‘Laat hem even bijkomen.’ ‘God, wat ziet hij er uit!’ ‘Het is de schok…’  ‘Dolf… mijn eigen lieve Dolf…’ Hij besefte opeens dat hij daar stond met een mes in de handen, dreigend opgeheven. De vrouw snikte, naderde hem voorzichtig en raakte even zijn arm aan. Toen drong, langzaam en onherroepelijk, de waarheid tot hem door. Hij stonde in het laboratorium van dr.Simiak. De vrouw met de mooie grijze ogen was zijn moeder. De stand in zijn neus was de geur van een half gesmolten materie-transmitter. En de man, die hem zacht op een stoel neerdrukte, was zijn bloedeigen vader. Het mes viel uit zijn krachteloze hand en bleef trillend in de vloer steken.



Rudolf van Amstelveen was teruggekeerd in zijn eigen eeuw.











De volgende dingen vond ik zelf best spannend.





Het moment dat de andere jongen inplaats van Dolf wordt teruggeflitst.





Dolf begreep opeens dat die boerenjongen op de steen stond! De voorbijstromende kinderen keken op, wezen naar de boerenknaap, lachten om hem. Sommigen riepen vrolijk iets terug. Aan Dolf werd gerukt, geduwd, hij moest zicht schrap zetten om niet meegesleurd te worden. ‘Laat me door!’ gilde hij over de zee van kinderkopjes heen. ‘Hé, daar, ga weg jij. Ik moet daar staan.’ De jongen op de steen maakte danspasjes en grimassen. Hij gaf een voorstelling. De kinderen die voorbij golfden juichten hem toe, velen bleven staan, zicht evenals Dolf schrap zettend. Als een muur stonden ze tussen dolf en de jongen. Dolf, helemaal in paniek, stompte, sloeg, trapte. Een paar kinderen gilden, deinsden terug van de steen. Dolf keek op. De steen was leeg en op de plaats waar de vette cirkels zo-even nog duidelijk hadden gestaan, was nu een flauwe holte te zien. Met een sprong was Dolf er op. Onbeweeglijk, met een hart dat uit zijn borst dreigde te springen en een keel die dicht zat van angst, stond hij daar.





Het moment dat Dolf op het nippertje wordt teruggeflitst.





‘O, schiet op,’ smeekte hij inwendig. ‘Laten ze mij niet weg duwen.’ ‘Rudolf!’ hoorde hij roepen, boven het gezang uit. Hij herkende de stem, het was Peter. Waarschijnlijk bevonden velen van zijn vrienden zich in het gedrang. Hij wilde niet naar het kijken. ‘Rudolf!’ Dat was Leonardo, vlak achter hem. ‘Ga weg,’ siste Dolf. Zou Mariecke er ook zijn? O nee…  Geen vijf meter van hem vandaan naderde de processie. Natuurlijk moesten ze juist deze straat door, langs het bisschoppelijk paleis. Daar stond hij al oog in oog met bisschop Adrianus, die zegenende gebaren maakte. Iedereen lag op de knieën, alleen Dolf niet, die het gevoel had dat zijn hart uit zijn borst zou springen ‘Ga opzij,’ snauwde iemand hem toe, in het dialect van Brindisi. Een hellebaardier drong zich naar voren, strekte de hand naar hem uit. ‘Maak plaats voor…’  ‘Nee, laat me ,’ brulde Dolf hem toe. Toen werd het zwart voor zijn ogen. Hij voelde zich bij de arm gegrepen en weggetrokken. Uit alle macht verzette hij zich, worstelend en gillend. ‘Laat me los!  Blijf van me af!’ Maar de harde handen lieten niet los, sleurden hem weg. Een hevig suizen in zijn oren overstemde het klokgelui. ‘Néé’ gilde hij. ‘Ik moet op het kruis blijven staan!’


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

Goed hoor :)

7 jaar geleden

Andere verslagen van "Kruistocht in spijkerbroek door Thea Beckman"