In de bovenkooi door J.M.A. Biesheuvel

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas vwo | 2392 woorden
  • 2 maart 2011
  • 30 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 30 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1972
Pagina's
194
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Onderwerpen

Boekcover In de bovenkooi
Shadow
In de bovenkooi door J.M.A. Biesheuvel
Shadow
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
J. Biesheuvel, In de bovenkooi, Utrecht 1974 6e druk [1972]

Motto

‘‘Ils virent dans ce lieu des Goilans (céft ine espèfe d’oifeaux marins) prefque auffi gros que les cygnes de ce pays, qui n’avoient pas peur des homes, comme n’eftans pas accouftumés d’en voir;mais venoient librement dans les navires, & se laffoient prendre et tuer des matelos.’
- Uit deel XII van de grote Blaeu-atlas, het in kaart gebrachte watergebied rond Terra del Fuego naar gegevens van Schouten en Lemaire, ‘Magalanique’-’
Dit betekent:

‘Ze leven in het gebied van de Goilans (het zijn een soort zeevogels) en ze zijn bijna even groot als de ganzen in dit land, die niet bang zijn voor de mensen, omdat ze niet gewend zijn die te zien; maar ze gaan vrijwillig op de schepen af en laten zich pakken en doden door de matrozen.’
Het motto illustreert Biesheuvels idee van de zinloosheid van het leven, en hoe machteloos de kleine man is. De vogels zijn hier onwetend en worden door een sterker persoon gedood. Dit kan je ook terugzien in Biesheuvels boeken. De mens is onwetend en er wordt met hem gespeeld door de ‘hogere machten’.

Opdracht
Dit boek is opgedragen aan Marinus van der Lubbe. Hij was een Nederlandse communist die door de meeste historici wordt beschouwd als de aanstichter van de brand in het Duitse parlementsgebouw, Rijksdaggebouw, in 1933. Toch beweren anderen dat dit gebouw door de nazi’s zelf is aangestoken en dat Lubbe voor niks is opgehangen. Voor Biesheuvel is dit het voorbeeld van het uitzichtloos bestaan dat beheerd wordt door hogere machten dan jijzelf.

Genre
Dit boek bestaat uit achtentwintig kleine afzonderlijke verhalen. In zijn geheel kan het boek worden beschouwd als een psychologische verhalenbundel met autobiografische aspecten. Sommige verhalen zijn meer autobiografisch en minder fantastisch dan anderen, bijvoorbeeld het verhaal ‘De heer Mellenberg’. Dit in tegenstelling tot het verhaal ‘De vijver’, een verhaal dat totaal fictief is. De verhalen gaan overwegend over Biesheuvels pubertijd en zijn persoonlijke belevingswereld. Hij spreek openlijk in zijn verhalen over zijn psychische problemen.

Stroming
Twee duidelijk terugkerende kenmerken in Biesheuvels werk zijn de diepe schuldgevoelens voor al het leed in de wereld en zijn eenzaamheid. Hij heeft ook hele bizarre verhalen, zoals die over een man die met een motor over het water rijdt. Welke stroming is dit?



Titelverklaring

Als ketelbink sliep Biesheuvel in de bovenkooi. Na het harde werken en vaak ook de wrede pesterijen is dat de plek (zijn bed) waar hij veilig en warm is. Toch is dit de slaapplek waar je het hardste valt als je uit je bed valt (dit gebeurt vaker op een schip door de ruige zee). Dit symboliseert de beiden kanten van ‘het bestaan’. Daarnaast is ‘In de bovenkooi’ een verhaal in de bundel.


Schrijver
Jacob Martinus Arend (Maarten) Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939) is een Nederlands schrijver. Hij debuteerde met de verhalenbundel In de bovenkooi (1972), waarmee hij onmiddellijk naam maakte. Hij publiceert als J.M.A. Biesheuvel. (…)
Biesheuvel maakt gebruik van allerlei literaire verteltechnieken. Hij parodieert en ironiseert. In zijn debuut rekende hij op speelse wijze af met een verleden waarin een gereformeerde opvoeding, een verblijf in een psychiatrische inrichting en de literatuur (bijvoorbeeld Moby Dick, Vladimir Nabokov) een grote rol spelen. Naast verhalen met een hoog werkelijkheidsgehalte schreef hij kolderieke, surrealistische vertellingen. In zijn talrijke volgende bundels bewees Biesheuvel een meester te zijn in het soms autobiografische, soms gedeeltelijk fictieve verhaal. (…)
Biesheuvels werk heeft binnen de literaire kritiek altijd op veel bijval kunnen rekenen. In de bovenkooi was een van de meest succesvolle debuten in de naoorloge Nederlandse literatuur. (...) In zijn werk werden vooral zijn tegendraadse verteltechniek, zijn licht archaïsche stijl, zijn onstuitbare humor en de ontwapenende eerlijkheid over zijn geestelijke toestand geprezen.
In de jaren tachtig ging men in Biesheuvels verhalen een hoofdpersonage herkennen dat meer en meer gesteld raakte op huis en haard dan dat hij nog openlijk sprak over zijn levensangst, zoals in de bundel Reis door mijn kamer. Voor dit boek ontving hij in 1985 de Ferdinand Bordewijk Prijs.
Vanaf 1990 liep Biesheuvels productie door een writer's block ernstig terug en verdween de schrijver uit de aandacht van de literaire kritiek. Desalniettemin moet Biesheuvel worden gezien als een zeer gerespecteerde, veel gelezen en veel geprezen schrijver, niet in de laatste plaats vanwege zijn hilarische optredens op toneel, radio en televisie.
Onderscheidingen
Op 24 mei 2007, één dag na zijn 68e verjaardag, ontving Biesheuvel voor zijn gehele oeuvre - vrij onverwacht - de prestigieuze P.C. Hooft-prijs 2007 [1]. In april 2008 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Eerder was hij al benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Bibliografie
In de bovenkooi (1972)
Slechte mensen (1973)
Het nut van de wereld (1975)
De Weg naar het Licht (1977)
Een dag uit het leven van David Windvaantje (1978)
De verpletterende werkelijkheid (1979)
De merel (1980)
Duizend vlinders (1981)
Hoe de dieren in de hemel kwamen, voorafgegaan door Die aardige beer (1982)
Brommer op zee (1982)
De bruid (1982)
De steen der wijzen (1983)
De wereld moet beter worden (1984, vervanging door de auteur van de bundels Slechte mensen en Het nut van de wereld)
Reis door mijn kamer (1984)
Zeeverhalen (1985)
De klacht van de dorpsschoolmeester (1985)
Eert uw vader en uw moeder (1985)
Godencirkel (1986)
De angstkunstenaar (1987)
Een overtollig mens (1988, boekenweekgeschenk)
Biesboek (1988)
Konijn (1988)
Vijftig verhalen (1989)
Carpe diem (1989)
Kind / Het wonder (1994)
Zes novellen (2001)
Oude geschiedenis van Pa, die leefde als een dier want hij schaamde zich nergens voor en hij was erg practisch (2002)
Eva's keus (2003, bundeling verhalen, samengesteld door Eva Gütlich)
Verzameld werk (2008, 3 delen dundruk)
http://nl.wikipedia.org/wiki/J.M.A._Biesheuvel

Samenvatting en hoofdpersonen
Het boek bestaat uit achtentwintig verschillende verhalen, en dus ook verschillende hoofdpersonen. De meeste verhalen zijn echter autobiografisch, de hoofdpersoon is dus Biesheuvel zelf. Hij vertelt veel over zijn jaren als ketelbink en zijn jaren in de psychiatrische inrichting. Maarten vertelt bijvoorbeeld over het feit dat hij Karel van ’t Reve een tijd lang als god heeft beschouwd en over Biesheuvels teleurstelling in de wereld. De (oudere) personages in het boek zijn meestal teleurgesteld in de wereld en voelen zich daarom verantwoordelijk voor al het leed in de wereld, maar ze kunnen het niet stoppen want de personages zijn te onbelangrijk. Daarom doen ze niks en zeuren ze maar de hele dag, terwijl de mensen die niet zeuren veel gelukkiger zijn, en meer uitrichten. Een goed voorbeeld daarvan is het verhaal ‘De beo’, waarin Jacob B. de hele dag huilt om het leed van de wereld. Hierdoor krijgt hij nauwelijks zijn werk af of ook maar iets gedaan. Bij een koffiezaak gaat hij iets drinken en hoort hij het verhaal van een andere jongeman met een beo. De jongeman heeft een KLM-retourvlucht geboekt om de beo naar het oerwoud terug te brengen. En terwijl Jacob zich zorgen maakt of ‘het wel zin heeft’ want de vogel kan toch de volgende dag doodgeschoten worden door een jager, legt de jongeman deze zorgen in Gods handen en doet gewoon zijn best zijn steentje bij te dragen.
De jongere personagers zijn aanzienlijk optimistischer. Ze zitten vaak vol ideeën en initiatief. Vaak geloven ze ook nog in god en het goede van de wereld, zoals in ‘Inwijding’ op bladzijde 83:
‘Op het laatst vroeg hij of ik ook een geloof had. Ik vertelde hem alles wat ik geloofde. Dat mensen eden en rein van hart moeten zijn. Dat hoeren en stelen uit den boze is. Dat God je altijd en overal ziet.’
In dit verhaal wordt de hoofdpersoon helemaal lens geslagen, niet alleen als inwijding, maar zijn lot op de boot. Hij wordt afgemat omdat hij ene buitenstaander is, een gymnasiast. Het goede vertrouwen in de wereld van de jongelingen in de verhalen wordt op het eind meestal vernietigd door iets buiten de schuld van het personage om. Het ‘afwezig zijn van God’ wellicht. De jongeling wordt doorgaans gepest, geslagen en gedupeerd. Zo ontstaat langzamerhand het oudere karakter, lijdend aan de wereld.
Het titelverhaal gaat zeer waarschijnlijk over Biesheuvel zelf, toen hij een ketelbink was. Hierin wordt duidelijk hoe hij naar zijn verleden verlangt, bladzijde 89:
‘Je rechterhand glijdt tussen het hout van de kooi en de warme zacht schommelende matras. Je bent zo gelukkig en geborgen als vóór de droom die psychiaters vele jaren later ‘de objectief geldende werkelijkheid’ en anderen ‘het leven’ zullen noemen. Onder de matras vind je je Plato, Ovidios, Flaccus, Homerus en Vergilius. Mooie oude bandjes, die je op school eigenlijk niet meer gebruiken mag omdat ze in je grootvaders tijd al stukgelezen zijn en omdat nu steeds meer bewerkingen van de klassieken aftrek vinden,’
Zo denkt hij terug aan zijn jeugd, maar ook aan het zeeleven want hij associeert Odysseus bijvoorbeeld met zeereizen. Hij vergeet al het leed dat hij op het schip heeft moeten doorstaan en valt zo vredig in slaap. Totdat hij wakker wordt door een gevecht tussen de zeemannen. Hij denkt, bladzijde 92/93:
‘‘Dit zijn mijn vrienden, hun leed is mijn leed, mij zal niets overkomen’ en langzaam doezel je als op een warme en zacht deinende buik van honderd bunder weer in.’

Opbouw
Het boek is opgedeeld in achtentwintig delen. Zoals eerder gezegd hebben sommige delen andere hoofdpersonen, hoewel het meestal ofwel Biesheuvel zelf is, ofwel iemand die heel erg op hem lijkt (met vaak dezelfde vrouw, Eva). Er wordt bijna altijd vanuit de ik-persoon geschreven en deze ik-persoon is ofwel te optimistisch, ofwel te chagrijnig en lijdend aan de wereld (zie hierboven). Alhoewel er wel in sommige verhalen jaartallen staan, zoals in ‘Astrid Krikke’, zijn de verhalen niet chronologische geordend.


Taalgebruik

Het taalgebruik is erg uitgebreid met lange zinnen en veel bijvoeglijke naamwoorden en bijzinnen. Daarnaast dwaalt Biesheuvel snel af van het onderwerp, zoals op bladzijde 211:
‘Wat hierboven staat, die blanco-regels heb ik maar weggelaten, want daar mag je geloof ik niet eens over praten, als je al jaren dood bent, want je moet dat aan de palingen, de maden en de wormen overlaten. Stinkende fosfor, roestend ijzer, verschraald bloed en water, een kweekplaats voor mijn lief gebroed, waarvan de Vader zeggen zal: ‘Bidt.’ En er zal een koor zijn van drieëntwintig onnozele kleinen: ‘Teere tege tyge tape tamen, lekkere pap!’ Zoals de kleintjes van mijn broer, die ingenieur, ouderling en uitvinder tegelijk is, een van zijn zoontjes heet Arkóda! Zo springt de geprogrammeerde Heidelbergse Catechismuskenner om met ‘Arie’, ‘Kornelis’ en ‘David’, namen van onze familieleden. Zo zou mijn zoon ‘Jamaar’ heten (Jakob, Maarten, Arend). Mijn poezen, de oudste een geleerde zwerver..’
Het is wel met enige humor geschreven, zoals wanneer hij verteld dat de gecastreerde kat Jean Claude heet (‘een lief klein meisje zelfs in het Frans fonetisch: ‘Sans Clôtes,’ wat wellicht nog het best Eva’s en mijn bedoeling benadert.’ Bladzijde 212).
Biesheuvel gebruikt in zijn verhalen ook veel woorden en uitdrukkingen uit een andere taal, zoals het Duits en het Frans, maar vooral worden veel Latijnse teksten geciteerd of zelfs hele Latijnse zinnen door de hoofdpersoon bedacht. Daarnaast gebruikt Maarten soms ook opvallende stijlfiguren, zoals een opsomming van allerlei bekende personen van anderhalve bladzijde lang.

Thematiek en belangrijke begrippen
Het duidelijkst aanwezige thema in deze verhalenbundel is ‘het lijden aan de wereld’. Vooral in de verhalen met een oudere hoofpersoon komt dit thema sterk naar voren. Bij verhalen met een jongere hoofdpersoon wordt de basis voor dit thema gelegd door een goed geloof in de wereld en God dat vervolgens , veelal door pesterijen, ondermijnd wordt. Het goddeloze bestaan is hier een zijtak van. Biesheuvel zelf had er als kind ook al moeite mee gehad. Als protestant opgevoed begon hij later te twijfelen aan de het bestaan van God. Hij zag de slechtheid van de wereld en realiseerde zich dat áls er een God bestond, God de wereld had gemaakt ‘om er daarna van af te blijven’. In zijn verhalen komt dit terug, bladzijde 65:
‘Van dag tot dag wordt de werelds een grotere etterbuil. Goed, dan zal God de wereld geschapen hebben, maar wat heeft hij daarna gedaan? Niets! Helemaal niets.’
Een opvallend vaak terugkerend onderwerp is de natuurkunde. Hij zegt een aantal keer hoogleraar natuurkunde te zijn en in ‘Een dwaze hoogleraar’ gebruikt hij wis- en natuurkundige berekeningen om uit te vinden hoe hij een staaf ijs van tachtig kilogram door de woestijn kan vervoeren. Een personage in het boek zegt ook later erg geïnteresseerd te zijn in de natuurkunde.
Biesheuvel heeft het natuurlijk ook vaak over de psychiatrische inrichting. Hij vertelt hoe hij op de afdelingen ‘Heren E’ (eerst ‘Mannen E’) is terechtgekomen en hoe het hem daar vergaan is. Maarten vertelt openlijk over zijn ‘stoornissen’ en illusies. Hoe hij zich een tijd God of de Messias heeft gewaand. De psychische stoornis is daarom ook een belangrijk thema in het boek.
Tot slot is het belangrijk te weten dat er ook een aantal verhalen in deze bundel staan die kant noch wal raken. Het verhaal met het ijs bijvoorbeeld, of het verhaal waarin een motorijder over zee aanmeert bij een schip. Deze absurditeiten zijn natuurlijk geen ‘thema’, maar ik vind het wel noodzakelijk dat ze hier genoemd worden. Ze zijn immers een vermakelijk en definiërend deel van het boek.


Eindoordeel

Ik vond de langdradige schrijfstijl met veel zijtakken op het begin niet erg om te lezen. Maar helaas was de tijd niet aan mijn zijde, en omdat ik daarom had ingepland het boek in één dag uit te lezen, werden de zijtakken nogal frustrerend. Gelukkig waren er tussendoor de leuke verhaaltjes die nergens op sloegen, zoals ‘Brommer op zee’, (die met de brommer natuurlijk). Dit gaf de nodige afleiding van de toch ietwat dezelfde verhaallijn. Biesheuvel is bijna voortdurend aan het woord en klaagt veel over het leed van de wereld en dergelijke. Al met al is het wél leuk om te lezen, omdat de saaie verhaaltjes met het leed, vaak worden opgevrolijkt met een licht verhaaltje over een jong personage dat de wereld nog door een roze bril ziet. Deze verhaaltjes maken het boek vrolijker en sluiten misschien ook beter aan bij mijn belevingswereld. Bovendien is het belangrijk dat ik elk verhaaltje op zichzelf heel mooi vond, vooral omdat elk verhaal een soort statement was. Heel individueel en uniek. Daarnaast vind ik dat elk verhaal (ook de saaie met het leed) heel mooi is afgesloten. Met andere verhalenbundels had ik het idee dat ik wou weten hoe het afliep, maar deze verhaaltjes sluiten allemaal met een hele toepasselijke, simpele en rustgevende zin, zoals bladzijde 30: ‘hij haalde tenslotte zijn schouders op en sjokte naar huis’.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "In de bovenkooi door J.M.A. Biesheuvel"