Het lied en de waarheid door Helga Ruebsamen

Beoordeling 8.9
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas aso | 2545 woorden
  • 16 augustus 2006
  • 26 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.9
  • 26 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1997
Pagina's
463
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
3 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's
Prijzen
Libris Literatuur Prijs (1998 Genomineerd)

Boekcover Het lied en de waarheid
Shadow
Het lied en de waarheid door Helga Ruebsamen
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
‘Verhuizen doet verliezen’

Het hoofdpersonage, Louise Benda, krijgt het hard te verduren in ‘Het lied en de waarheid’.
In het begin is haar leven nog rozengeur en maneschijn. Louise is vier jaar en leeft samen met haar ouders, oom en tante in het paradijselijke Indië, in Bandoeng. Omdat Louise nog niet alles begrijpt van de realiteit, van wat de volwassenen allemaal doen, vlucht ze vaak in haar fantasiewereld. Doordat het verhaal vanuit het standpunt van Louise is geschreven, komt die fantasiewereld heel echt over. Dat is soms wel verwarrend voor de lezer, omdat het moeilijk uit te maken is wat ze nu meent en wat niet. ‘Ze maakt geen onderscheid tussen beide, dus waarom zou de lezer dat wel doen?’ : zegt Elsbeth Ettey in haar recensie, maar ergens moet de lezer nog wel kunnen volgen wat er nu echt gebeurt en wat niet. Zo leeft Louise bijvoorbeeld ’s nachts tussen de nachtmensen. Daar voelt ze zich helemaal op haar gemak, omdat alles verloopt zoals zij het wil. Een vraag die de lezer zich kan stellen is of die nachtmensen echt bestaan. Misschien zijn het gewoon mensen die leven in Louises fantasie, mensen uit haar dromen. Daarover krijg je als lezer geen zekerheid, wat best vervelend is. ‘’s Nachts kon ik zeggen en doen wat ik wilde. Ik hoefde het alleen maar te zien in mijn hoofd en het gebeurde al. Als ik uit bed wilde, naar buiten toe om de maan te zien, dan werd ik meteen uit mijn bed getild en op de arm meegenomen.’(p.11)

Doordat Louise veel fantasie heeft, houdt ze enorm van sprookjes. Haar moeder speelt daar op in door haar soms ‘Assepoesje’ te noemen, of Louise denkt dat ze haar zo noemt. Voordat Louise gaat slapen, leest haar moeder of haar tante altijd een sprookje voor. Daar kan ze enorm van genieten. Ze verzint ook haar eigen sprookjes, bijvoorbeeld over de boom die in hun tuin staat. Deze boom noemt ze de ‘waringin’ en ze gelooft dat hij vroeger een prins is geweest. Aan de voet van die boom stroomt een rivier, de voormalige geliefde van de prins. Deze boom staat in het verhaal symbool voor de vrijheid en vreugde die Louise gewaar wordt in Indië.


Louise maakt van alles een spel, omdat ze nog niets anders kent. Ze vraagt ook voortdurend aan haar huisgenoten om met haar te spelen. Oom Felix, de verloofde van Louises tante, speelt altijd tennis met haar. Ze kunnen er uren mee doorgaan, zelfs zonder balletje. Louise probeert altijd nieuwe spelletjes uit te vinden.
Wanneer ze ’s nachts ronddwaalt, ziet ze haar moeder en haar oom Felix samen het ‘tafelspel’ spelen. Louise kent dit niet en wil het graag eens spelen. De volgende dag legt ze het uit aan Margot, haar tante. Wat Louise niet weet is dat ze hiermee haar gelukkige leventje voorgoed verknalt. Het ‘tafelspel’ staat namelijk voor het liefdesspel. Heleen, de moeder van Louise, en Felix blijken een relatie te hebben. Als lezer heb je dat natuurlijk meteen door, maar Louise is nog te jong om dat te weten. Louise begrijpt niets van de reactie van haar tante. De normaal zo vrolijke Margot sluit zich op in haar kamer. Ik had meteen medelijden met Louise. Niemand wou haar vertellen wat er gaande was en ze gaf de schuld dan maar aan zichzelf. Zij had haar tante verdrietig gemaakt. ‘Die gebeurtenis van ’s middags met tante Margot bedrukte me en ik wist niet hoe ik dit gevoel kon kwijtraken.’ (p. 109)

Het ‘tafelspel’ is één van de redenen waarom Heleen beslist om voor een jaar naar Nederland te verhuizen. Nederland is het moederland van Heleen. Nog een reden hiervoor is dat er onheilspellende berichten uit dat land zijn gekomen over de aankomende oorlog, WOII en hun familie die ginder wonen. Het gezin en hun familie zijn van joodse afkomst en zijn dus niet veilig voor Hitler. Tinka, een bastaardkind van de opa van Louise, gaat ook met hen mee.
Louise wil helemaal niet weg uit het Paradijs, maar ze ziet het als een avontuurtje waar snel een einde aan zal komen. Niets is minder waar, de reis duurt langer dan zij zelf wel wil. Hiermee eindigt de gelukkige sfeer in ‘Het lied en de waarheid’.

Ondertussen heeft Louise er een broertje bij gekregen. Heleen ziet de nieuwe spruit als een verrassing voor haar dochter, maar Louise vindt er maar niets aan. Simon eist alle aandacht op van zijn moeder en daar kan Louise niet tegen. Zij is altijd het mamakindje geweest en nu is er een spelbreker komen opdagen. ‘Zij zag eruit zoals ik haar het liefste zag, zonder mijn broertje. Zij zag er weer uit als mijn mammie, niet als een moeder van ook nog iemand anders. (…). Ik ging aan haar hangen, pakte haar hand vast en toen dat niet lukte, greep ik haar bij de mouw van haar kimono en stelde ik haar vragen die ik op dat moment kon verzinnen. (p.166)

Tijdens de reis maakt de boot een tussenstop in Colombo. Daar komt de beroemde pianist Benjamin Silberman aan boord. Benjamin is een bekende voor het gezin. Tinka en Louise brengen veel tijd door met Benjamin. Hij laat hen zelfs zijn geheime schat zien, maar ze mogen het aan niemand vertellen. De volgende dag zien Tinka en Louise een zwarte vogel op het dek. Deze symboliseert de dood van Benjamin, hij is overboord gesprongen. Dit is het volgende verlies voor Louise, na het verlies van haar Paradijs. Hoe naïef Tinka en Louise zijn, blijkt uit het feit dat ze de schat van Benjamin in de zee gooien. ‘We wikkelden het koffertje in Tinka’s Sarong, een groene, met gouden motieven. Wij klommen uit de sloep en letten op of er iemand aankwam. Het sloependek was verlaten. Tinka gooide het koffertje in zee. (…) ‘Komt het nu goed?’ Tinka knikt.’ (p. 193)

Door de dood van Benjamin verandert de vader van Louise de reisplannen. Ze gaan niet meteen naar Den Haag, maar maken een tussenstop in Parijs. Daar wonen nog familie en vrienden van de vader van Louise. Hij moet hen steunen omdat ze de dood van Benjamin moeten verwerken.
Na Parijs zullen ze naar Den Haag gaan, waar Mimi hen opwacht en daarna gaan ze naar Londen om Tinka weg te brengen. Dat hadden ze beloofd aan opa.

Parijs is niet wat Louise verwacht had. Ze voelt zich er helemaal niet thuis, omdat het niet lijkt op Indië. Ze zijn geen mooie bomen, alleen stenen muren en grauwe dampen. Alles is er donker en koud, net zoals de gevoelens van Louise. Ze is er ongelukkig en er zo snel mogelijk weg. Haar moeder vertelt haar dat ze volgend jaar terug vertrekken. Om volgend jaar uit te drukken gebruikt Helga Ruebsamen een zeer mooie beeldspraak. Ze zegt dat volgend jaar begonnen is als er terug bladeren aan de bomen hangen. ‘O, als de blaadjes weer aan de bomen komen, dan is het volgend jaar.’ (p.218) Louise grijpt zich natuurlijk meteen vast aan dit sprenkeltje hoop om terug te keren naar Bandoeng. Jammer genoeg haalt dat weinig uit. ‘We keken iedere dag en ook iedere nacht uit het raam van de gele kamer. We zetten de ramen open om beter de takken te kunnen bestuderen. Zagen we ze al, de groene puntjes, de nieuwe bladeren? Dan was het volgend jaar en dan gingen we weg.’ (p.218)

Na een tijd gaat het gezin zonder Cees, de vader van Louise, naar Den Haag. Zij komen vier dagen later. Mimi wacht hen op in het station samen met nog een zus van Heleen en Margot, Celia Zwaan. Het eerste wat Celia vertelt aan hen is dat Mimi ziek is. Hiermee weet Louise meteen dat ze zich hier ook niet thuis zal voelen. Dat vermeldt Wim Vogel in zijn recensie: ‘In Den Haag mogen zijn het gras niet betreden, wordt er aan de deur niet gekocht, worden de twee meisjes vreemd aangekeken als ze op hun handen lopen, voelen zij zich volstrekt misplaatst.’
Tussen al het duistere vindt Louise nog een klein lichtpuntje. In het huis van opa Smit, waar Celia ook woont, vindt ze een waringin in een pot. De plant ziet er niet, dus beslist Louise voor hem te zorgen. Ze hoopt hiermee haar vrijheid en geluk terug te vinden. Maar dat vindt ze niet.

Na de dood van Mimi is de ellende voor Louise nog lang niet gedaan. Tinka is het beu in Den Haag en beslist terug te keren naar Indië door de zee. Voor de ogen van Louise loopt ze in het water en verdrinkt. Nochtans dat is wat de familie ons doet geloven. Als lezer kom je nooit met zekerheid te weten wat er nu werkelijk gebeurd is. Louise gelooft niet dat ze dood is en schrijft de beelden van Tinka’s zelfmoord toe aan haar fantasie. Ze weet niet hoe ze met deze gevoelens moet omgaan, maar ze mist Tinka wel heel erg. Haar gevoelens zijn even koud als de wereld om haar heen.

De volgende halte is het waterland. Tijdens hun verblijf daar is de tweede wereldoorlog volop aan de gang. Alleen Louise en haar vader trekken bij Aleida in. Aleida was het dienstmeisje van Mimi. Heleen, Simon en Margot vluchten naar Engeland.
In het waterland is de ellende op zijn hoogtepunt. Doordat het oorlog is, moeten ze in een kelder verblijven zonder ramen zodat de Duitsers hen niet zouden ontdekken. Het is er heel donker en dat is Louise niet gewoon. Ook kan ze niet vrij rondlopen wat ze in het Paradijs wel kon. Op een bepaald moment ontdekken de Duiters hen bijna, maar meneer Van Vloten, die ook met zijn vrouw en kind in de kelder woont, offert zichzelf op. Hij gaat naar buiten en liegt dat hij de enige was die in de kelder verbleef. Op dat moment beseft Louise maar al te goed dat het werkelijk oorlog is.
Het enige wat Louise nog heeft zijn haar vader en zichzelf. Maar uiteindelijk verliest ze ook haar vader doordat hij een relatie begint met Aleida. Ze heeft het moeilijk om nog gehoorzaam te zijn aan hem en dat lijdt tot schizofrenie. Louise bouwt een nieuw persoontje op, slome Louise. Deze Louise is zeer gehoorzaam, doet alles wat men haar vraagt. Slome Louise verdringt de echte Louise volledig. De ellende drijft haar dus zover dat ze zelfs niet meer van zichzelf houdt. Louise voert een innerlijke oorlog met zichzelf. Vanaf dit moment verandert het vertelstandpunt. De ik-persoon verdwijnt grotendeels, de verteller vertelt van op een afstand. De verteller is niet meer zichzelf, is niet meer Louise zelf.

De fantasie van Louise is bijna volledig verdrongen na al de ellende die ze heeft meegemaakt. Toch probeert ze nog om haar vader en Aleida van haar fantasiewereld te overtuigen. Het is erg jammer dat het geen effect meer heeft, ze geloven haar niet meer en spelen er niet meer op in. ‘Ik zei dat waterlelies geen bloemen waren, maar verdronken meisjes. Meisjes die niet konden zwemmen, zeemeerminnen zonder staart. ‘Ze heten wendolienen. Echt waar, Aleida, zo heten ze (…)’ Meis, het zijn bloemen, waterlelies, ze heten geen wendolienen’ (p. 355-356)
Na een tijd geeft Louise het op. Ze gelooft zelf niet meer in sprookjes, ze leert de realiteit te aanschouwen en te aanvaarden. ’s Avonds mag papa geen sprookjes meer vertellen, maar het moet de realiteit zijn, de werkelijkheid.‘De roman is de reconstructie van deze onomkeerbare ontwikkeling tot onttovering en de acceptatie van de waarheid over het verleden en het geleefde leven.’ Louise evolueert van een fantasierijke kleuter naar een 10-jarig kind dat realistisch naar de wereld kijkt en er alles over wil weten.

Als de oorlog gedaan is, is de maat vol voor Louise. Ze wil terugkeren naar Indië. Ze herinnert zich de weg naar Den Haag nog dus beslist via daar terug te keren. Louise is veel volwassener geworden, want ze durft haar verleden achter zich te leggen. Ze kijkt niet meer achterom. ‘Dan liep ik meteen in één moeite door naar Den Haag. Achteromkijken deed ik niet meer, ik keek vooruit. Mijn terugtocht begon.’ (p. 396)

Het verhaal wordt op een eigenaardige, onderliggende manier verklapt aan de lezer. Doorheen het verhaal duiken er vaak vogels op. Deze trekken het verhaal voort en aan de hand van de vogels zou de lezer al kunnen weten wat er gaat gebeuren.
De eerste vogel is de tokeh in Indië. Louise vertelt ons dat, hoe meer de Tokeh roept, hoe meer geluk hij brengt. ‘Bij negen keer, stroomt het geluk en bij twaalf keer krijg je een lang leven, veel zonen, een bekoorlijke dochter en een onmetelijk fortijn.’ (p. 10)
Vlak voordat de ellende begint in Indië, vertelt Louise dat de tokeh maar 3 keer had geroepen. De vogel vertelt hiermee dat het gelukkige leventje van Louise snel zal verslechteren. Het geluk zal ver te zoeken zijn. Dit is waar, want niet veel later legt Louise het ‘tafelspel’ aan Margot uit.
De tweede vogel die opduikt is een zwarte vogel. Zoals eerder vermeldt, komt deze op het dek van de boot zitten. Voordat de lezer het te weten komt, laat deze vogel al weten dat er negatief nieuws op komst is. De kleur zwart staat voor het negatieve.
Ten derde wordt het verhaal, 50 jaar na de feiten, verteld door Louise zelf. Ze heeft het moeilijk om zich alles nog te herinneren omdat ze zeer verward was toen ze het meemaakte. ‘Mijn herinneringen zijn als kraaien: ze strijken neer in zwermen, waar en wanneer zij willen. Ze komen allemaal tegelijk en maken er een bende van, met veel stampij, of er is er geen, slechts een doodse stilte.’ (p.338), aldus Louise Benda.
Ten slotte spreekt Louise ook vaak over vogels, omdat ze zelf graag een vogel wil zijn. Vogels zijn vrij en hoeven zich van niets of niemand iets aan te trekken. Zij was zo vrij als een vogel in Bandoeng, maar niet in Europa. Ze zou zo graag terugvliegen, terug vrij en gelukkig zijn. ‘Vogels die vrij waren om te vliegen waarheen ze wilden, vlogen overzee. Mijn vader had verteld dat vogels uit Europa weggingen om de zee over te steken en te landen in de tropen. De tropen, leerde ik, daar kwamen wij vandaan. Als we de zee eenmaal vonden, dan waren we al halverwege.’ (p. 226)

In de titel ‘Het lied en de waarheid’ slaat ‘het lied’ terug op het feit dat Louise altijd liedjes begint te zingen als ze voelt dat er spanningen opkomen. In het begin van het verhaal wordt er nog spontaan gezongen, maar vanaf dat ze op de boot zitten, zorgt Louise voor amusement al heeft het meestal geen effect. ‘’Witte zwanen, zwarte zwanen, wie gaat er mee naar Engeland varen (…),’ zong ik. Maar ik monterde mijn vader er niet mee op.’ (p.291) ‘Het lied’ staat ook voor de fantasiewereld van Louise, vrolijk en vrij.
Daar tegenover staat ’De waarheid’ uit de titel. Het symboliseert de evolutie die Louise doormaakt gedurende de 6 jaren in het verhaal. Ze heeft de waarheid leren aanvaarden. Ze vlucht niet meer in haar sprookjes en leeft als een volwassenen. Louise is geen kind meer.

’Het lied en de waarheid’ leest als een trein. Niet teveel moeilijke woorden en een vlotte opbouw. Het is zeer mooi vertelt en het vertelstandpunt is zeker ideaal voor dit verhaal.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Het lied en de waarheid door Helga Ruebsamen"