Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?


Inleiding
Wanneer ik te horen krijg dat ik een verslag zal moeten gaan schrijven over een literair boek, zoek ik vaak op google op of mensen suggesties hebben voor een interessant en leuk boek. Ook dit keer was dit het geval, en Hersenschimmen stond zeer vaak hoog in de lijst. Voor mij was dit overtuigend genoeg, en ik heb het gehuurd bij de bibliotheek.

De hoofdpersoon van het boek is Maarten Klein, 71 of 72 jaar oud, en heden ten dage gepensioneerd secretaris van de IMCO, een internationale maritieme organisatie. Een tijdje na de oorlog is hij met zijn vrouw Vera naar het plaatsje Gloucester in Amerika geëmigreerd waar hij nu een rustig leven leidt. Geleidelijk aan veranderen er dingen in Maartens brein. Hij raakt steeds vaker afwezig, doet vreemde dingen en vergeet bepaalde herinneringen. Het begint vrij onschuldig maar al gauw wordt het erger. Dokter Eardly komt erbij die hem tabletten voorschrijft en zegt dat Vera en Maarten samen in oude fotoboeken moeten kijken. Toch gaat het nog verder bergafwaarts en moet er een hulp in de huishouding komen. Dat wordt Phil Taylor, een jong blond meisje. Maarten wordt steeds verwarder, doet steeds vreemdere dingen en zakt steeds verder weg in zijn gedachten. Er valt nu helemaal niet meer normaal met hem te praten. Hij wordt uiteindelijk opgehaald en naar een tehuis gebracht.

Het onderwerp van de tekst is de overgang van een normaal, helder denkend mens naar een verward, zielig persoon, oftewel een persoon die lijdt aan dementie. Ik vind het onderwerp boeiend, niet zo zeer omdat het om dementie ging, maar omdat alles beschreven is vanuit het gezichtspunt van de dementerende. Het verrassende was het ik-vertelperspectief en de opbouw van het verhaal. Het onderwerp is goed uitgewerkt, gedachten en gevoelens zijn realistisch met veel diepgang. In het begin van het verhaal bijvoorbeeld zit de hoofdpersoon op het toilet. Hij kijkt naar het tegelwerk op de muur, en voelt aan het cement. Hij denkt dan via zijn linkshandigheid aan zijn tijd op de basisschool, waar hij een keer potloden uit het materiaalhok moest halen, omdat zijn werkje (door z’n linkshandigheid) mislukt was. In dat materiaalhok moest hij op een stoel klimmen. Dan staat de hoofdpersoon ineens op een stoel naar een timmermanspotlood te zoeken. Zulke gedachte- en tijdsprongen komen vaak voor in het boek, waardoor je je goed kunt inleven in de steeds toenemende verwarring van Maarten Klein.

Een belangrijke gebeurtenis vond ik het stuk waarin Maarten naar een oud verlaten huis op het strand loopt, in de waan dat daar een vergadering van de IMCO is. Hieruit blijkt heel duidelijk zijn geestelijke verwarring, die al zo af en toe aangegeven werd in de voorgaande scènes, maar dan minder sterk. Een andere belangrijke gebeurtenis is de komst van Phil Taylor, de gezinshulp. Dit is in feite het begin van het einde voor Maarten en Vera. De derde belangrijke gebeurtenis is natuurlijk dat Maarten naar een tehuis wordt gebracht. Maar de belangrijkste rol in het verhaal is toch weggelegd voor de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon en niet voor de gebeurtenissen. Dit is ook logisch, want in een boek over dementie beschreven vanuit het ik-vertelperspectief zijn gedachten en gevoelens natuurlijk het belangrijkst. De gebeurtenissen waren daarom ook niet heel spannend of groots, maar wel aansluitend.

En ik vond ze vaak ontroerend. Door middel van de gedachtesprongen, flashbacks en gevoelens kun je je goed inleven in de hoofdpersoon, waardoor zijn aftakeling ontroerend overkomt. De indrukwekkendste gebeurtenis gebeurt tegen het einde van het boek maar nog wel voordat Maarten Klein wordt opgehaald. Hij is namelijk zonder jas naar buiten geweest en wordt teruggebracht door een Amerikaan. Thuis wil dokter Eardly hem een injectie geven wat Maarten verkeerd opvat. Hij denkt dat de oorlog weer is uitgebroken en raakt overstuur. Dan valt hij in slaap. Als hij weer wakker wordt, leest het verhaal heel anders. Geen gewone zinnen meer, maar korte, bondige zinnen, waarin maar één gedachte of gebeurtenis beschreven wordt. Maarten is nu helemaal kinds geworden. Dit is een grote ommekeer in het verhaal, hier verandert ook onder andere het taalgebruik en dus de moeilijkheidsgraad van het lezen aanzienlijk. 

De hoofdpersoon is zeker geen held. Hij is een gewone, alledaagse man die helaas aan het dementeren is. Ik heb ook niet echt bepaalde, duidelijke karaktereigenschappen kunnen ontdekken. De hoofdpersoon reageert niet altijd op een bepaalde, vaste manier bij bepaalde gebeurtenissen. Je leert hem wel goed kennen. Ik vind het in dit boek ook niet echt belangrijk of de karaktereigenschappen goed beschreven zijn of niet. Het is geen avonturenboek. Maar in het algemeen vind ik dat wel redelijk belangrijk, hoewel je een mens natuurlijk niet kunt beschrijven met een paar karaktereigenschappen. Maarten Klein is wel 'levensecht', ook weer door de uitgebreide beschrijving van gevoelens en gedachten. Hierdoor kun je je goed in hem verplaatsen.

Of ik de personages sympathiek vind? Dat is moeilijk te zeggen, want je ziet alle personages vanuit de hoofdpersoon, die natuurlijk niet objectief is. Maarten Klein zelf lijkt me wel sympathiek, evenals zijn vrouw Vera. Over de anderen, Phil Taylor en dokter Eardly, valt weinig te zeggen. Phil Taylor heeft natuurlijk het beste voor als gezinshulp, al vond ik af en toe dat ze wat neerbuigend overkwam. Maar omdat ze pas in het boek voorkomt wanneer de hoofdpersoon niet helemaal meer in orde is, krijg je geen duidelijk beeld van haar karakter. Vanuit Maartens gezichtspunt is dokter Eardly, zeker later in het verhaal, niet goed of sympathiek. Op het laatst is Maarten bang voor hem. Maar volgens mij neemt de dokter wel de juiste beslissingen. Ze zullen vast allemaal sympathiek zijn, maar voor mijn gevoel kan ik dat alleen over Maarten en Vera zeggen. 

Het verhaal is redelijk ingewikkeld van opbouw, door de gedachtesprongen en flashbacks, maar hierdoor wel mooi. Het is geen spannend verhaal. Eigenlijk weet je van tevoren de afloop al. Maar het verhaal is ook niet spannend bedoeld. Het zit vol van de flashbacks in het verhaal, wat ik op zich niet vervelend vind. Het draagt bij aan het beeld dat je krijgt van de hoofdpersoon. Het past ook goed bij het onderwerp. Flashbacks zijn herinneringen en dementie is o.a. het vergeten en verwarren van herinneringen. 

Het boekverslag gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Bovendien worden alle acties van de hoofdpersoon als logisch beschreven maar de lezer weet dat ze dit niet zijn. Bijvoorbeeld: in een scène ziet Maarten vanuit het raam zijn hond buiten in de sneeuw lopen. Hij wil dan de hond binnenlaten, maar de deur zit op slot. Dan maar het raam inslaan. Voor hem logisch, maar de lezer ziet natuurlijk dat het niet logisch is, maar iets wat alleen een verward persoon doet. 

Aan het eind blijf je niet met veel vragen zitten. Maarten zit voor de rest van z`n leven (hoelang dat nog mag duren) in een tehuis, dat is duidelijk. 

Het taalgebruik is niet moeilijk, behalve op het laatst, door de korte verwarde zinnen. Een minpunt is dat er wel wat meer dialogen in hadden mogen zitten die het boek levendiger hadden gemaakt. Soms zijn de gedachtesprongen wat te lang. Soms worden er moeilijke beeldspraken gebruikt, vooral op het einde. Dan zijn er ook veel symbolische verwijzingen en duister taalgebruik, wat het lezen er niet gemakkelijker op maakt. Ik heb niet echt geprobeerd om dit bij alles op te lossen. Het bedoelde effect is namelijk volgens mij de diepe verwarring en de in zichzelf gekeerdheid van de hoofdpersoon te laten zien en hierdoor zijn sommige gedachtes en verwijzingen te diep om uit te zoeken. Het taalgebruik past goed bij het onderwerp. In het begin nog normaal, maar op het eind verward, wat klopte met het onderwerp. Ook al was het niet heel prettig om te lezen.

Al met al vond ik Hersenschimmen een goed boek. Een mooie stijl, een boeiend, ontroerend onderwerp, taalgebruik passend bij de situatie. Alleen het eind vond ik iets te langgerekt en lastiger om te lezen.

Verdieping
Tijd
Het aftakelingsproces van Maarten speelt zich in een medisch niet erg waarschijnlijk kort tijdsbestek af, vanaf de eerste tekenen van vergeetachtigheid tot en met de totale dementie die het noodzakelijk maakt Maarten in een inrichting op te nemen. Gewoonlijk duurt het dementeren veel langer.

- De historische tijd. Het verhaal speelt zich af in de moderne tijd. In pagina 81 vertelt Maarten iets over de tijd van de oorlog, en hou oud hij toen was. Op deze pagina is tevens een passage waarin hele duidelijk wordt in welke tijd het verhaal zich afspeelt: “Op de bank kijken we naar de televisie. Een documentair programma over de opkomst van Hitler. De bekende beelden van vlaggen en vaandels en mensenmassa’s op het balkon. Eenentwintig was ik toen.” (pagina 81). De opkomst van Hitler was rond 1930 (1933). Dus hij moet geboren zijn rond 1900. Er was een televisie maar er wordt niet gesproken over een computer. Maarten is 71 jaar in het verhaal, dus het verhaal speelt zich af rond 1971.

- De verteltijd. “Hersenschimmen” wordt verteld in 221 pagina’s, die niet zijn opgedeeld in aparte hoofdstukken (geen geleding).

- Vertelde tijd. Het chronologische verhaal begint op een winterse zondagmorgen. Een week of twee weken later eindigt het verhaal op de zaterdag. Het verhaal duurt dus maar enkele dagen, maar er wordt ongeveer 65 jaar beschreven door de vele terugverwijzingen/flashbacks in het verhaal. Dit wordt niet helemaal beschreven, maar er zitten tijdsprongen in. Dat betekent ook meteen dat het verhaal niet geheel continu verteld is.

- Terugverwijzingen, flashbacks en vooruitwijzingen. Het verhaal wordt verteld in een belevende-ik verteller, de verteller weet niet wat er gaat gebeuren. Dat kan ook, omdat hij langzaam juist veel vergeet en dus helemaal niet kan weten wat er gaat gebeuren. Dit maakt dat het verhaal vooral terugverwijzingen bevat. Daar draait het hele verhaal ook eigenlijk om: om de herinneringen van Maarten. De eerste terugverwijzing komt al op pagina 8: “Min drie wijst de buitenthermometer aan, papa’s Heidensieck-thermometer, een glazen staafje in een mosgroene houten beschermhuls, vastgeschroefd aan het raamkozijn. Links Celsius, rechts Fahrenheit. Papa en zijn Heidensieck. In het doen van weersvoorspellingen geloofde hij niet, maar wel in het vastleggen van feiten. Niet voor niets was hij praktisch zijn hele leven griffier.” Dan in pagina 9: “Ja, hij hield van systemen. Als vader keek hij over je heen, zijn waterige blauwe ogen op iets gericht dat de rest van ons rond de huiskamertafel niet kon zien. We waren eigenlijk een beetje bang voor hem, mama en ik. Hij was op een heel letterlijke manier uit de hoogte. En ook nog op een andere manier. Als hij in een goede bui was, nam hij mij ’s avonds mee op het balkon en wees hij mij de sterrenbeelden aan, de helder schitterende planeten. Een paar keren zagen we een vallende ster. Hij probeerde aan een achtjarige uit te leggen dat wat hij daar in de avondhemel zag een oeroud verleden was, dat wij de werkelijke toestand van het universum niet konden zien, hoogstens berekenen. Een aantal van die sterren die je daar ziet, bestaat in het echt niet meer, maar andere nog wel.” Dan, op pagina 24, gaat Vera met Maarten oude herinneringen ophalen. Het is een vraag of dit een terugverwijzing te noemen is, omdat het zich toch echt afspeelt in het heden en er eigenlijk tussendoor steeds sprongen worden gemaakt van het verleden – de herinneringen – naar het heden. Ik citeer: “’Eigenlijk zou er een glas rode wijn bij moeten’, zegt ze. ‘Weet je nog in Rome, aan dat grote plein. Ik weet niet meer hoe het heette. In het midden was een grote fontein. Toen aten we een pizza zo groot dat hij niet op je bord kon, hij hing er helemaal overheen. Twee bedelende zigeunermeisjes in van die lange lappenrokken zagen dat ik dat ding met gene mogelijkheid op kon en net toen ik ze ieder een stuk wilde geven werden ze door een van de obers van het terras gejaagd. Die verontwaardigde donkere ogen waarmee ze over hun schouder kijkend wegliepen! Later zagen we ze op een brede stoep voor een ander terras dansen als twee volwassen vrouwen. Weet je nog?’” (pagina 25). Nog een terugverwijzing: “Deed ik vroeger ’s winters met papa. Dik aangekleed op de fiets over de Bergense weg naar Bergen-Binnen waar we afstapten voor een kop erwtensoep en dan in één ruk door naar het strand. Daar zetten we de zware fietsen in het berghok van een EHBO-post en dan liepen we naar Egmond en terug. De Nederlandse wind was gemener, scherper dan deze.”

Van pagina 60 tot pagina 72 worden veel terugverwijzingen en flashbacks gegeven. De eerste flashback die gegeven wordt: “Eén keer maar ben ik bij hem thuis geweest. Ter gelegenheid van zijn vijfenveertigste verjaardag. Kind noch kraai had hij. Na een paar whisky’s in die cocktaillounge in Boston nodigde hij me bij zich thuis uit. Hij deed maar één schemerlamp aan. In het halfdonker vertelde hij een verhaal over hoe zijn vrouw of vriendin hem had bedrogen met zijn beste vriend, dat hij een briefje had gevonden dat daar geen twijfel over liet bestaan, hoe hij de straat op was gegaan en een fles bourbon had gekocht en hoe hij die samen met die vriend had leeggedronken terwijl ze redetwistten over de literaire kwaliteit van Hemingways romans. Tenslotte liep het meningsverschil zo hoog op dat de vriend had geroepen: als er nog eens een oorlog komt zul jij het kamp niet overleven, ik wel; Simic mompelde en ik moest me vooroverbuigen om hem te verstaan. Dat had hij niet moeten zeggen, fluisterde hij. Dat had hij niet moeten zeggen. Waarom niet, vroeg ik. Omdat het de waarheid is, had hij geantwoord. Wij dronken die avond geen bourbon maar wodka met ijs. Tenslotte werd Karl zo dronken dat ik hem op bed moest leggen. Hij woog niet veel meer dan een kind. Daar bleef hij doorzingen. Sombere Slavische liedjes waar ik geen woord van verstond. Veel boeken had hij daar in zijn slaapkamer. En een groot schilderij van een in de lucht zwevende balletdanseres. Ik zat op de rand van het bed. Karl was uitgezongen. Ik was ook niet meer helemaal nuchter. Hij lag met zijn rug naar me toe. Ik begon over Vera te vertellen en over de enige keer dat ik haar ontrouw was geweest. In Parijs.” (pagina 60&61). Dan wordt er weer een sprong in de tijd gemaakt, namelijk de keer dat Maarten Vera ontrouw is geweest. Dit is de tweede flashback. Ik citeer: “Ze kwam tegenover me zitten in een overvol restaurant dat me door Leon Bähr was aangeraden. Ze was dik en donker. Een glimmende zwartzijden blouse had ze aan; iets zigeunerachtigs, vrijgevochtens had ze. Het is moeilijk om iemands blik te ontwijken die nauwelijks vijftig centimeter van je af tegenover je aan tafel zit. Ik at entrecôte au poivre. Ook zij bestelde dat. Daarna nam ik een coupe dame blanche. Zij ook. Ik lag steeds een gerecht op haar voor en keek toe hoe ze at, met hele kleine hapjes, maar ze liet niets liggen. Hoe dun haar vingers waren viel me pas op toen ze me bij de Koffie en cognac had ingehaald. Ze hield het glas vast als was het een babyhandje. Ze was traag en ze was sierlijk. Ze had de macht over haar lichaam nog niet verloren, zoals de meeste dikke mensen. We stootten de cognacglazen heel licht tegen elkaar en noemden onze naam. Maarten, Sylvie. Alsof het de glazen waren die zo heetten. En dat was ook zo. Onze namen, onze verledens deden er die avond niet toe. Dat ritueel herhaalde zich nog drie keer. Toen waren wij de enig overgeblevenen in het restaurant. In moeizaam Frans had ik haar uitgelegd waarom ik in Parijs was. Zij werkte ergens op een kantoor vertelde ze. Allons, gebaarde ze toen ze merkte dat het bedienend personeel met hun witte voorschoten tegen de bar geleund naar ons stond te kijken. Allons. (…)” (pagina 62). Dan wordt op diezelfde pagina eigenlijk in een flashback een vooruitwijzing gegeven. Ik citeer: “Had Karl gehoord wat ik zei? Ook hij lag met zijn rug naar me toe. Hij zei niets terug. Ik stond op en vertrok. De volgende dag verscheen hij niet op zijn werk. En ook de daaropvolgende dagen niet. Bähr reed persoonlijk naar zijn huis. De politie deed de rest.” Dan komt er weer een soort vooruitwijzing, er wordt meer in het algemeen gepraat over het verleden: “Allemaal waren we op de begrafenis. Een mooie begraafplaats was het, vlakbij Shipan’s Wreck, een heuvelachtig terrein met grote eiken. Bähr sprak. Hij had het over integriteit en dat wij hem zouden missen. Uit zijn toespraak viel niet op te maken dat Karl zijn polsen in bad had doorgesneden en daarna was verdronken, zoals de sectie uitwees. Niemand sprak meer over hem. Ik dacht vaak aan die avond voor zijn dood terug. Met een beetje minder drank op waren we misschien vrienden geworden toen, had ik hem over zijn schaamte heen kunnen helpen, zijn schaamte dat hij leefde en anderen niet meer; misschien. Nee, dat verhaal over pure lust moet hem ontgaan zijn. Hij sliep. Nu ik weer aan die avond terugdenk zie ik zijn rug in kalme slaap bewegen.”

Nog als laatste voorbeeld een terugverwijzing van Maarten, maar vermoedelijk is deze niet helemaal correct omdat Maarten dan op dat moment al flink aan het dementeren is. Ik citeer: “’Toen ik een kind was kroop ik graag met een boek onder dat bureau. De reizen en lotgevallen van Kapitein Hatteras. Kapitein Hatteras, op zoek naar de Noordpool. Daar droomden ze in de tijd van Jules Verne allemaal van. Ik las er als jongen graag over. Amundsen, Nansen, Kapitein Hatteras. Weet je dat hij gek werd tenslotte, opgesloten in een inrichting? Het slot van De ijswoestijn ben ik nooit vergeten. Hij loopt in de tuin van het gesticht, die omgeven is door een hoge bakstenen muur, steeds maar in één richting, naar het noorden. Net zolang tot hij op de muur stuit. Daar blijft hij, met zijn uitgestrekte handen tegen de stenen, urenlang roerloos staan. En dan leg ik mijn handen zo tegen het hout van papa’s bureau en sluit ik mijn ogen en probeer ik te bedenken hoe het is om Kapiten Hatteras te zijn, helemaal alleen in een woestijn van ijsschoten.’” (pagina 136)

Chronologie
Het verhaal is in een chronologische volgorde verteld, maar tussendoor worden er hele korte terugverwijzingen en flashbacks gegeven. Maar de loop van het verhaal is chronologisch, de lezer kijkt voor een bepaalde tijd in iemands gedachten. Maarten haalt het heden en verleden nog wel eens door elkaar, maar dit heeft geen invloed op de chronologie.

Ab ovo/ in media res
Het verhaal is ab ovo verteld: aan het begin van het dementieproces van Maarten, waar feitelijk het hele boek over gaat. Het verhaal begint dus echt bij het begin.

Fabel/Sujet
Een fabel is een reeks logisch-chronologische gebeurtenissen. Een sujet is een feitelijke weergave van de gebeurtenissen in de literaire tekst. De fabel bevat dus het materiaal (gebeurtenissen, personages, ruimte, tijd) waaruit door het toepassen van kunstgrepen het sujet kan worden afgeleid.

Personages
Maarten Klein. De hoofdpersoon in het boek is Maarten Klein. Maarten is 71 of 72 jaar, geboren in Alkmaar, maar woont al een hele tijd in Amerika. Hij werkte als notulist bij de IMCO, een visserijorganisatie, maar is inmiddels al gepensioneerd. Hij is een karakter, omdat we steeds meer over hem te weten komen, vooral over zijn verleden. Maarten is een lieve man die zijn vrouw heel graag ziet. Als hij kon dan zou hij zijn vrouw nog altijd zo verwennen zoals hij dat vroeger deed. Hij heeft nog heel jeugdige ideeën. Maarten leer je het beste kennen omdat hij het verhaal vertelt, je zit in zijn denkwereld. Op het einde is hij enorm verward en weet hij soms niet waar hij is of wat hij doet. Hij is een grote fiere man die altijd een kostuum draagt. Vroeger toen hij nog werkte heeft hij de halve wereld rondgereisd (in functie van zijn werk). Hij kan niet leven zonder zijn vrouw, maar toch heeft hij haar vroeger één keer bedrogen op zakenreis in Parijs met een hele dikke vrouw. 

- Vera Klein. Vera, Maartens vrouw, is een belangrijk persoon in het boek. Zij is al vijftig jaar getrouwd met Maarten en moet hulpeloos toekijken hoe Maarten aan het dementeren is. Vera en Maarten kennen elkaar door en door. Vera is een sterke vrouw, want ze hebben samen al een zware tijd doorstaan. Dan doen de eerste verschijnselen van Maartens dementie zich voor. Vera hecht hier meer waarde aan dan Maarten en schakelt dan ook een dokter in. Als het eenmaal bekend is dat het steeds slechter gaat met Maarten moet ook Vera steeds meer op Maarten letten om te zorgen dat er geen ongelukken gebeuren. Hier blijkt dat het ware liefde is en dat Vera zeer geduldig en sterk is. Als de situatie eenmaal ondraaglijk is geworden neemt Vera de beslissing dat er niets anders op zit dan een tehuis waar Maarten verzorgd zal moeten worden, omdat zij hem niet meer in de hand kan houden. Haar hele dag stond bijna in dienst van Maarten en zelfs met een extra hulp in huis kan ze niet genoeg voor Maarten zorgen, zó ernstig is hij er aan toe. Vera leer je vooral kennen door de opmerkingen van Maarten. Ze heeft een tenger maar mooi uiterlijk. Hoewel ze hard is, is ze ook wel een gevoelige vrouw. Ze heeft een normaal sociaal leven, ze heeft vriendinnen, doet zelf de boodschappen en heeft vroeger in een bieb gewerkt. Vera is een karakter.

- Dokter Eardly. Dokter Eardly is een naïeve arts die denkt Maartens bewustzijn met behulp van medicijnen en rust weer te kunnen doen opflakkeren. Hij bedoelt het wel goed met Maarten. Hij komt geregeld langs en blijft in elke situatie vriendelijk. Hij is dan ook een type. Hij is een forse man. 

- Phil Taylor. Phil Taylor is de gezinshulp die komt als Vera Maarten in haar eentje niet meer aankan. Maarten verwart Phil met zijn dochter en zijn pianolerares. Phil komt bij hen inwonen. Ze is zeer behulpzaam, maar nog zeer jong van mentaliteit. Ze wil erg vaak tv kijken. Het is een typisch Amerikaans meisje qua gewoontes en kleding. Ze heeft blond haar, een bol voorhoofd en ze is ietwat aan de flinke kant. Ze is een type.

Ik denk dat er niet echt veel doelen waren in het verhaal, het enige wat ik kan bedenken is het doel om Maarten beter te maken, of in ieder geval het proces zo langzaam mogelijk te laten verlopen. Dit doel was dan vooral van Vera. Dit is alleen niet gelukt. Maarten gaat snel achteruit, ook al probeert Vera er van alles aan te doen.

Opbouw
Er is maar 1 verhaallijn en dat is die van de steeds meer toenemende mate van dementie bij Maarten. Dit is duidelijk te merken omdat alles vanaf Maarten wordt gezien. Aan het eind van het boek wordt de structuur veranderd. Naarmate Maarten zich steeds minder herinnert en alles steeds meer in vlagen voor hem over komt worden het allemaal zinsstukjes. Aan het einde van het boek en ook het verre stadium van dementie worden het meer woorden dan zinnen. Uiteindelijk is het allemaal niet meer te volgen.

Het eind is zowel gesloten als open. Je weet namelijk dat hij niet beter zal worden, en in een tehuis is opgenomen. Maar je weet niet precies hoe het met hem afloopt, of eigenlijk, wanneer het met hem afloopt.

Vertelsituatie
Hersenschimmen is het merkwaardig genoeg in de ik-vorm geschreven verslag van water omgaat in iemand die dementeert, van de eerste verschijnselen tot het ontredderde einde. Het is niet geheel betrouwbaar, aangezien je het alleen meekrijgt vanuit het oogpunt van Maarten, en omdat hij nog al eens, zeker naarmate het verhaal vordert, iets vergeet waardoor er ook zomaar iets anders gebeurd zou kunnen zijn. Maar door deze manier van vertellen, leeft de lezer wel meer en sneller met het verhaal mee. Je krijgt echt alle pijnlijke dingetjes mee wat aangrijpend is.

Thematiek
Bernlef analyseert in dit verhaal wat er met het geheugen en daardoor met het verleden van de mens kan gebeuren. De mens ís in feite zijn verleden en door zijn taal ordent hij het: daardoor kan hij personen, dingen en gebeurtenissen plaatsen. De taal is een systeem van sociale afspraken. Als de mens zijn verleden verliest (vergeet), raakt hij stuurloos. Verbanden raken zoek en personen en situaties worden onherkenbaar. De taal verwordt tot een tasten naar de werkelijkheid. En dat betekent het einde.

Het leven als fictie en onzekerheid zijn thema’s die de basis van dit boek vormen. Daarboven bevindt zich een laag van thema’s en motieven die, direct of indirect, naar deze grondproblematiek verwijzen. Namelijk de taal als middel om de werkelijkheid te ordenen en te beheersen. Sneeuw, herfst/winter en het noorden als ‘bewijzen’ van het feit dat alles wat de mens in de werkelijkheid ziet, er grotendeels door hem zelf is ingelegd.

Een derde thema is de dood, dat mede gestalte krijgt via de hiervoor genoemde leidmotieven. Veel meer wordt de doodsproblematiek echter uitgedrukt in de thema’s vergeten en verdwijnen. De thematiek van vergeten en verdwijnen staat centraal in Hersenschimmen, dat voor alles dan ook een roman is over de (naderende) dood. Motieven die naar het verdwijnen verwijzen zijn: de foto’s, de badkamerspiegel en de grote ruit in de woonkamer. Andere belangrijke thema’s zijn desoriëntatie en depersonalisatie. In het kader waarvan de taal als thema een rol speelt.

Ruimte
Fysische ruimte. Het verhaal speelt zich af in verschillende ruimtes. Eigenlijk gaat het verhaal niet zozeer over de ruimte wáár het verhaal zich afspeelt, maar vooral waar Maarten zich bevindt in zijn hoofd. Maarten herinnert zich de plekken waar hij geweest is. Hij herinnert zich Alkmaar, waar hij geboren is. (“Deed ik vroeger ’s winters met papa. Dik aangekleed op de fiets over de Bergense weg naar Bergen-Binnen waar we afstapten voor ene kop erwtensoep en dan in één ruk door naar het strand. Daar zetten we de zware fietsen in het berghok van een EHBO-post en dan liepen we naar Egmond en terug. De Nederlandse wind was gemener, scherper dan deze.”, pagina 53+54). Maarten en Vera wonen nu in Gloucester, in de Verenigde Staten. Ze wonen ook aan zee. Een passage dat de plaats waar het verhaal zich eigenlijk grotendeels afspeelt (in en om Gloucester) beschrijft: “Ik ga aan de tafel zitten en kijk door het raam de besneeuwde duinen in. ’s Zomers houd ik van dit landschap met zijn wat fletse, afgeschuurde kleuren en stugge struiken en weerbarstige distels, van de wind die door de rijen helm op de duinflanken trekt, maar nu stuiten mijn ogen af op een kaal en onverschillig terrein. De lucht erboven is grijs en gesloten. Die verdomde rotwinter ook.” , (pagina 51) Het verhaal speelt zich af in een sneeuwlandschap. Maarten vergelijkt de sneeuw met de situatie in zijn hoofd. Het verhaal speelt zich ook veel af in het huis van Maarten en Vera. Dan vanaf pagina 152 speelt het verhaal zich af in het tehuis waar Maarten zich bevindt. Hij heeft dan zelf nog amper besef van wat er allemaal om hem heen gebeurt. Een passage waarin Maarten de ruimte daar beschrijft: “Meubels, piano, een heel interieur, een hele kamer wankelt en kantelt aan mij voorbij.” (pagina 161), “…een kale hoge ruimte met cementen bloembakken vol pikzwarte aarde…geen bloemen wel afgetrapte keukenzolen…mannen en vrouwen in muisgrijze overalls….soms in de verte, soms angstwekkend dichtbij.”(pagina 162).

- Psychische ruimte. Het verhaal speelt zich af in een sneeuwlandschap. Maarten vergelijkt de sneeuw, de kou, met de situatie die zich in zijn hoofd afspeelt. In de winter kan geen onderscheid worden gemaakt tussen dingen: alles wordt vaag. Een passage waarin Maarten beschrijft hoe hij zich voelt in deze situatie: “Vlokken. Meervoud. Er is alleen maar meervoud in de wereld, vermenigvuldiging, ze dijt steeds verder uit. (Snap die demonstratie daarbuiten best maar men wil er niet aan, men doet niet mee, men moet zich niet laten meesleuren in die gezichtloze warreling daarbuiten.) Sluit je ogen! Maar het blijft sneeuwen. Het sneeuwt zelfs binnenin mij. Nergens meer verweer.” (pagina 161). Een ander mooi passage waarin Maarten zijn gevoel koppelt aan sneeuw: “Meubels, piano, een heel interieur, een hele kamer wankelt en kantelt aan mij voorbij. Vera staat bij de deur. ‘Vera!’ Ik wil overeind komen, scheef hangend mijn armen naar haar uitstrekken. ‘Vera!’ Lig vast, geboeid. Ze dragen me de deur door en ik roep haar, ‘Vera!’, maar ik zie haar niet meer en weer word ik door een deur gekanteld en lig te huilen in de sneeuw, vlokken die op mijn lippen landen, op mijn wangen en nog een keer zie ik haar, achter een raam kijkt ze op de thermometer en dan sluiten de witte deuren van de ziekenwaren zich en begint het ruiden in deze schommelende auto die ook een schip is Vera en ook een sneeuwvlok waarin ik vastgebonden lig en die langs boomtoppen scheert waar de andere sneeuwvlokken met ons meejagen, ons begeleiden als vallende sterren en zo vallen wij door de ruimte Vera en schitteren we nog even na(of zijn wij eigenlijk al dood) tot we doven of verbranden, witte vlokken worden, of zwarte spikkels, wat is het verschil.”
Verder is het huis ook een psychische ruimte. Maarten ervaart dat hij wordt opgesloten in zijn eigen huis, net zoals hij opgesloten zit in zijn eigen hoofd.

- Zintuiglijke ruimte. Er zijn verschillende plaatsen waar de ruimte zintuiglijk wordt geschetst. Ik citeer: “Robbert krabbelt aan de keukendeur. Vera hoort dat niet. Met twee handen moet ik de kruk tegen de wind vasthouden. De hond duwt direct zijn koude neus in mijn uitgestrekte handen. Ik streel zijn tabaksbruine gevlekte vacht waar hier en daar nog sneeuwkristallen op liggen na te glinsteren. Robert weet de weg, regelrecht naar de knetterende haard. Anders kun je door het keukenraam tussen de bomen de rotsige kust en de grauwe deinende zee zien, maar nu is er daar in de verte niets dan een zwart gat. Geen lichtje te bekennen zelfs. De vissers zijn waarschijnlijk met dit weer binnengebleven. Ik zie het hier in Gloucester misgaan met de visserij. De roestige vissersschepen zijn klein, vuil en ouderwets en de vissers hebben geen benul van de ontwikkeling van de moderne geheel geautomatiseerde vissersvloten aan de andere kant van de wereld.” (pagina 18). Een ander voorbeeld, als Maarten al flink aan het dementeren is: “Wassen…wassen…wassen…Er staat een vrouw achter me, kan haar in de spiegel zien. Een chocoladebruine blouse met bladgroene Franse lelies bedrukt, een zwarte rok. Haar gezicht past heel slecht bij de rest van haar verschijning, vind ik, lijkt er los van te staan. Ze houdt een beige badhanddoek in haar uitgestrekte trillende handen. Wassen…wassen…wassen…wassen.” (pagina 103). Vooral als Maarten al heel veel vergeten is, staan juist zijn zintuigen centraal. Hij kan alleen nog maar waarnemen, niet de dingen goed herinneren. In het volgende citaat wordt de eerste keer beschreven dat Maarten Vera niet meer herkent: “Huid die weer dik en ongevoelig aan het worden is. Voel het overhemd niet meer (net alsof ik niet echt ben aangekleed). Achter me in de deuropening staat een vrouw. Haar bruine haar valt met een lok schuin naar rechts over haar voorhoofd. Merkwaardig gladde wangen in een verder oud gezicht dat zich steeds verder lijkt te verwijderen en pas weer dichterbij komt als ik even van de spiegel naar de muur ernaast heb gekeken. Ze houdt me in de gaten. (Zou ze mij zijn toegewezen? Door wie?)” (pagina 103). In dit citaat staat het voelen en het zien van Maarten centraal. Een volgend voorbeeld op pagina 153: “In het zwarte glas hangt een kamer, een piano, een bureau. Een oude man in pyjama kijkt mij aan, imiteert een levende met zijn holle zwarte ogen en zijn lange witte magere handen die hij nu afwerend, de palmen naar buiten gekeerd, tot borsthoogte heft. Snel de gordijnen sluiten!” (pagina 153). Dit citaat beschrijft hoe Maarten zichzelf niet meer herkent. Zijn zintuigen spelen ook hier een grote rol. Van pagina 140 tot het einde van het boek worden alle ruimtes zintuiglijk geschetst. De ruimtes worden weergegeven en hoe Maarten deze ruimtes ervaart. Een voorbeeld: “Licht flikkert uit buizen van bovenaf op mij neer… licht dat alle holten wil binnendringen… dichtknijpen… dichthouden… op slot doen… hij trekt voorgoed de deur achter zich dicht en tegelijk sluiten zich lange witte slepende gordijnen voor het uitzicht op de muur… het iele boompje in de sneeuw.” Pagina 172.

Ook deze ruimtebeschrijvingen,  slepen de lezer weer mee met het lijden van Maarten. Weer wordt duidelijk beschreven hoe dementie in z’n gang gaat, waardoor je het veel beter beseft. Het zorgt voor de lezer dus voor een bepaalde sfeer, niet voor het verhaal zelf.

Taalgebruik
Hersenschimmen bevat geen moeilijk taalgebruik. Er is afwisselend gebruik gemaakt van de tegenwoordige en verleden tijd, waardoor heden en verleden door elkaar lopen. Met name aan het einde van het verhaal gebruikt Maarten korte, onsamenhangende zinnen en woorden. Hierdoor wordt het wel lastiger om het allemaal te begrijpen, maar het niveau van de woordkeuze wordt zeker niet te hoog. 

Literaire kritiek
Recensie
Recensent: Alfred Kossmann
Recensietitel: Aangrijpende roman van J. Bernlef

"Laat ik het voor deze gelegenheid zo stellen- de personages uit de literatuur komen je kamer binnen en vertellen over hun lotgevallen. Er is een auteur bij, als tolk, en wanneer ze zijn vertrokken, de personen en hun auteur, denk je over hen allen na. Je bent geschokt, geboeid, ontroerd, vermaakt geweest, en de auteur was soms te welbespraakt, soms te hakkelig, maar hij deed zijn best. Na de belangwekkende visite zit je met het sociale probleem: zal ik die mensen nog eens opzoeken, eist de beleefdheid het, heb ik er behoefte aan? Ik zou graag met Goethes Faust door een middeleeuws stadje willen wandelen, in pregnante kreupelrijmen sprekend over 's mans Lolita. In Shakespeares Elsenor Ophelia, in zijn Verona Julia. Het zou aardig zijn die meisjes in levenden lijve aan te treffen en hen te vergelijken met Gretchen. Vooruit, ik reis naar Dublin om er in gezelschap van Joyces Leopold Bloom een bordeel te bezoeken. En naar Davos om er nog eens weer naar Thomas Manns Settembrini te luisteren. En de reis naar Mexico is me niet te lang want in een cantina tref ik, hoogst riskant, Malcolm Lowrys Consul, in delirium prachtig pratend. Maar ook in Nederland vind ik mijn weg. Bij Couperus' oud-burgemeester Paul zou ik graag aan tafel zitten, want ze eten daar zo lekker in Den Haag. Zijn Eline Vere mag een zeurpiet zijn geweest, aantrekkelijk was ze. Wie zou Bordewijks Katadreuffe niet eens willen tegenkomen? Of met ontzag naar Dreverhaven willen kijken? Zelfs op de hbs van Vestdijks Lahringen, tussen die provinciale pubers, moet er van alles te beleven zijn. Ik ben ertoe geneigd om de kennismaking voort te zetten. Vervelend Tot voor kort had ik niet de geringste behoefte om aan een van de personen uit J. Bernlefs romans en verhalen een tegenbezoek te brengen. Ze hadden hun verhaal verteld, aan mij die in mijn stoel onbewogen luisterde. De auteur had er zijn commentaar bij gegeven. Voor enige uren boeiend genoeg, maar vervelend dat die mensen waren... Ze vertelden hoe ze uit het raam staarden, rondwandelden door de sneeuw en zich hun jeugd herinnerden, dingen en landschappen, waarover ze stamelend uitweidden. Zelfs Albert Speer, Hitlers bouwmeester, bleek een vervelende man. En die Deense rechter uit "Onder ijsbergen", wat vertelde hij zijn verhaal zonder kraak of smaak. Ik ben nu gretiger. In de nieuwe roman van Bernlef, "Hersenschimmen", is een man aan het woord die ik zou hebben bezocht. Ware het niet dat hij zo ver weg woonde, in Amerika, en het daar almaar sneeuwde. Een boeiend zieke man, Maarten Klein, ook al staarde hij weer lang uit het raam en herinnerde hij zich torenspitsen uit zijn kindertijd. Hij is dement aan het worden en vertelt daarover in de eerste persoon enkelvoud. Het dringt langzaam tot hem door dat er iets mis is met hem. Eigenlijk begrijpt hij het pas door het gedrag van zijn voortreffelijke vrouw die eerst geërgerd en dan medelijdend reageert. Het vergeten is begonnen, en de desoriëntatie en de kindsheid. Er is geen kruid tegen gewassen, en tenslotte gaat Maarten Klein ook fysiek ten onder. Voor het zover is biedt Maarten Klein in uitstekend proza zijn observaties. Het is vanzelfsprekend erg riskant om iemand die dement wordt de pen in de hand te drukken. Maar Bernlef, duidelijk doodsbang voor het verval, laat zijn personage het zwieren en dwalen aangrijpend weergeven. Gedachten, herinneringen, ervaringen raken in de war. Er is veel angst. En de vrouw, Vera, is als een spiegel waarin de man zijn eigen ondergaand bewustzijn ziet, tot zijn schrik en schaamte. Te veel Het is jammer dat Bernlef niet dertig bladzijden of zo eerder is opgehouden met zijn roman. Hij laat Maarten Klein, volstrekt ongeloofwaardig, ook nog vertellen over zijn verblijf in een verpleeghuis, en dat in een kunstproza zonder kracht. Zoals meestal bij Bernlef is Maarten Klein als persoon volstrekt oninteressant. Hij heeft blijkbaar zijn leven lang vergaderd over visquotums, in Duitsland en Amerika, zonder daar iets aan te vinden, en waarom hij nu zo erg eenzaam in de sneeuw is blijven wonen is mij niet duidelijk geworden. Kinderen heeft hij ook, maar over hen vernemen we niets, en zijn herinneringen gaan terug naar potloden uit de kleutertijd, landschappen uit de jeugd, enige seksuele ervaringen, een collega die zelfmoord pleegde zonder dat verteld wordt waarom. Een Bernlef-personage, grauw, tobberig, zonder fantasie, allerminst spiritueel. En toch zou ik dit keer die Maarten Klein hebben willen leren kennen. Voordat hij een wrak werd had hij inzichten en verwarringen die hem herkenbaar maken. Een vervelende man misschien. Maar met een interessant lotgeval. En over dat lotgeval heeft Bernlef een voor driekwart of tweederde beklemmende roman geschreven." 

Commentaar op recensie
Het oordeel van de recensent is duidelijk. Hij vindt Hersenschimmen een erg goed boek, tot op het eind. Hij vergelijkt Hersenschimmen met echte toppers. De recensent ondersteunt deze mening door te zeggen dat hij wel eens op bezoek zou willen gaan bij Maarten, de hoofdpersoon. Ondanks hij waarschijnlijk een saai leven heeft gehad en oninteressant beschreven is in het verhaal. De achtergrondinformatie die hij geeft gaat niet over de roman van Bernlef. Daar verklapt hij alleen wat van de inhoud. Maar hiernaast geeft hij wel informatie over andere boeken en stukken die geschreven zijn in de geschiedenis.

Zijn analyse van het boek bestaat uit een korte samenvatting en beschrijving van de hoofdpersoon. Hij gebruikt hierbij vooral zijn mening, wat natuurlijk logisch is bij een recensie. De heer Kossmann heeft een paar versterkwoorden vermeld, zoals oninteressant en vervelend. Maar is in zijn conclusie toch positief. Veel literaire aspecten gebruikt hij hier niet voor.

Ik ben het behoorlijk eens met de recensent wat betreft het verhaal wat ik heb gelezen. Bernlef heeft een boeiend staaltje werk voor mijn neus geworpen. Ook al had het wel iets eerder op mogen houden. Het verhaal was eigenlijk redelijk saai en gewoon, maar toch erg aantrekkelijk, dit met name door de ziekte die als hoofdonderwerp veel naar voren komt. Dit alles wordt zo goed als hetzelfde beschreven door Alfred Kossmann. Hij heeft het verhaal goed geanalyseerd.

Verwerkingsopdracht A
Ik denk niet zo zeer dat Bernlef het boek geschreven heeft naar aanleiding van persoonlijke ervaringen. Maar wel naar aanleiding van het toenmaals lopende onderzoek en de gestelde vragen rondom dementie, en zoals in elk werk, de taal. Het element taal, is altijd een belangrijk deel van zijn boeken/gedichten. In een interview met Sharon Hagenbeek vertelt hij het volgende:

Als schrijver in hart en nieren - en naar eigen zeggen bovenal in het brein - is de taal niet iets wat Bernlef zomaar voor lief neemt, hij heeft er juist veel aandacht aan besteed in zijn werk. Hij maakt ons graag bewust van wat de taal representeert, waar het vandaan komt en hoezeer we de taal als de normaalste zaak van de wereld beschouwen. Ook in dit gesprek schroomt Bernlef niet om vergelijkingen te maken tussen de muziek, zijn vertaalwerk, het toneel en zijn eigen verhalen. Het resultaat is een ode aan de taal.

De herkomst van de taal is een belangrijk element in het werk van Bernlef. ‘Vaak laat ik zien wat er gebeurt als de verbinding tussen taal en de werkelijkheid verbroken raakt, of dat er iets in de hersenen niet meer goed functioneert waardoor je perceptie van de werkelijkheid verandert, waardoor je dingen niet meer kunt benoemen.’ Hij ziet dan ook de betekenis van de taal als ontsprongen uit de hersens. ‘Al in het allereerste stadium beginnen kinderen betekenissen te hechten aan dingen. Pas als ze ouder worden komen ze erachter dat woorden iets betekenen, dat het een instrument is waarmee je de wereld naar je hand kunt zetten. ‘Ik heb honger’.’ 

Hendrik Jan Marsman is al vanaf klein kind gefascineerd door het menselijk brein. De hersenen zijn het begin van de filosofie en van elk ander denken. Alles komt voort uit hersenen, de taal, gedachten, de concepten waarmee wij de werkelijkheid in tijd en ruimte indelen. Zonder hersenen, is dit alles onmogelijk. En Bernlef was hierom vanaf de meet enorm geboeid.

‘Ik houd niet van die romans die alles verklaren, weergeven wat men dacht, wat de personages bewogen heeft. Dat interesseert mij niet. Mijn manier van schrijven is ontstaan uit de orale verteltraditie, wat aan de geschreven verhalen vooraf ging. Mensen gingen bij elkaar zitten en vertelden elkaar verhalen. Inmiddels is dat een haast uitgestorven kunst. Als iemand een verhaal vertelt let de luisteraar niet alleen op de woorden, maar ook op de mimiek, gezichtsuitdrukking en stem van de verteller. Wat dodelijk is voor zo’n verteller zijn die nodeloze uitweidingen. Als je de orale verhalen die later zijn opgetekend leest, dan zie je ook dat mensen zich beperken tot het vertellen van handelingen. Het waarom van die handelingen wordt niet verteld, daarover uitweiden houdt de lezer alleen maar op. De luisteraar wil weten hoe het verder gaat, hoe het afloopt. Dus het is een tamelijk onpsychologische manier van vertellen, waarbij de luisteraar maar zelf de beweegredenen van de personages moet invullen. Dat vind ik een spannender taalgebruik. Ik kauw het liever niet voor.’ 

Deze gedachte komt gedeeltelijk goed terug in ‘Hersenschimmen’. Er wordt namelijk inderdaad niet vaak vermeld waarom de handeling plaatsvindt. Wat hij hier zegt over de lezer vind ik helemaal correct. Te merken is dat hij veel kennis heeft van zijn vak.

‘Hersenschimmen’ is uitgebracht in 1984. Op dat moment waren de onderzoeken naar dementie net volop in gang. Dementie was toen zeker weten nog een taboe. Het was daarom een goed moment en een logisch moment om dit boek uit te brengen. Ook was het knap dat Bernlef toen al zo goed dit verhaal heeft kunnen beschrijven vanuit het gezichtspunt van iemand die aan de ziekte lijdt, terwijl nog lang niet alles duidelijk was over dementie (en hij er voor zover ik heb kunnen checken, in naaste relaties geen ervaring mee heeft).

In een ander interview, met Roggeman, zei Bernlef het volgende: ‘Het paradoxale van het boek is dat het eindigt in totale vergetelheid maar dat het resultaat, het boek, – als ieder boek – een totaal geheugen is waar nooit meer iets uit weg kan raken. Tot niemand je meer leest. Maar dan hoop ik er zelf niet meer te zijn.’

Dit is een zo mooie vergelijking als het gaat om het geheugen. Hij schrijft over het geheugen en het vergeten, en tegelijkertijd is het schrijven voor de lezers een herinnering. Dit zal hij vast niet na het schrijven van dit boek bedacht hebben.

Evaluatie
Het boek was over het algemeen prima te doen, en het verhaal zelf was meeslepend. Alleen bij het naderen van het eind, werd het verwarrender. Dit kwam, zoals eerder vermeld, door de korte hakkelende zinnen. Het maakt het verhaal onduidelijker, maar in zijn hoofd wordt het natuurlijk niet minder onduidelijk. Dit is dus, ook al leest het iets minder, goed geschreven.

Het maken van de verwerkingsopdracht heeft voor mij echt heel veel toegevoegd aan het verhaal. Ik vond het na het lezen, het boek niet super geweldig. Wel mooi en ontroerend, maar ook een beetje eenzijdig. Nu, na het maken van de verwerkingsopdracht, zie ik veel meer het gebruik van de taal en de ontwikkelingen die Bernlef gebruikt heeft zodat ik, als lezer, zelf ook dingen moet bedenken. Ik vind het hierdoor een completer geheel en nog beter. Vandaar ben ik ook heel tevreden over het uitvoeren van deze verwerkingsopdracht. Oprecht ben ik van mening dat deze opdracht veel toevoegt, ik denk dat dit het geval zal zijn bij elk boek dat ik lees.

Het maken van de verwerkingsopdracht heeft voor mij echt heel veel toegevoegd aan het verhaal. Ik vond het na het lezen, het boek niet super geweldig. Wel mooi en ontroerend, maar ook een beetje eenzijdig. Nu, na het maken van de verwerkingsopdracht, zie ik veel meer het gebruik van de taal en de ontwikkelingen die Bernlef gebruikt heeft zodat ik, als lezer, zelf ook dingen moet bedenken. Ik vind het hierdoor een completer geheel en nog beter. Vandaar ben ik ook heel tevreden over het uitvoeren van deze verwerkingsopdracht. Oprecht ben ik van mening dat deze opdracht veel toevoegt, ik denk dat dit het geval zal zijn bij elk boek dat ik lees.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast