We hebben niet alleen een nieuwe site, we hebben ook een nieuwe start gemaakt met ons Instagram-account. Wil je elke dag beginnen met een meme? Nieuws en blogs zien? En soms een handige story of video voor school? Volg ons nu


Schrijver: Bernlef, J.
Titel: Hersenschimmen
Jaar van uitgave: 1984
Bron: De Volkskrant
Publicatiedatum: 14-09-1984
Recensent: Aad Nuis
Recensietitel: Dementie als bruut en snel ontluisteringsproces

Zelden zijn zoveel woorden gewijd aan het zwijgen als in het werk van J. Bernlef. De personages in de dertig boeken - dichtbundels, toneelstukken, essays, romans en verhalen - die hij sinds 1960 op zijn naam heeft gebracht, zijn opmerkelijk vaak eenzelvige mompelaars, en soms ontbreken ze geheel. In de gedichten wordt hun rol vaak overgenomen door de dingen; die zeggen van nature al niets, en in deze poëzie hullen zij zich zelfs in een zwijgen dat veelbetekenende mag worden genoemd. De stilte wordt er vaak nog verdiept door stilstand - of de beweging die daar het dichtste bijkomt, het geleidelijk verval. De gemiddelde temperatuur is laag. De titels van de bundels geven het al aan, van Kokkels en Morene tot Hoe wit kijkt een eskimo, Zwijgende man, Stilleven en Winterwegen. In het beschouwende deel van zijn werk toont Bernlef ook een duidelijke afkeer van het vertoon van het warm persoonlijke in de literatuur, dat hem al gauw te opdringerig lijkt voor te komen, of het zich nu uit in de taal van het directe, onversierde gevoel of op de hoge toon van de dichterlijke zelfverheffing. Aanvankelijk was hij een exponent van het quasi-objectief uitlichten van onanzienlijke stukjes werkelijkheid, zoals in het tijdschrift Barbarber de gewoonte was. Later werd hij redacteur van Raster, een blad dat er aanzienlijk ingewikkelder theorieën op na houdt over de relatie van werkelijkheid en verbeelding en de maatschappelijke consequenties daarvan. Toch was die sprong niet zo groot als hij misschien lijkt, want beide tijdschriften kwamen tegemoet aan het afstandelijke, nuchtere, tot abstraheren en construeren geneigde in Bernlefs manier van werken. Noch in Barbarber, noch in Raster behoorde Bernlef overigens tot de extremisten. In het eerste blad ging K. Schippers verder dan hij, en ook in Raster hoort Bernlef niet tot degenen van wie de meest halsbrekende toeren op het koord van de structuralistische of neomarxistische theorie moeten worden verwacht. Een volhardend abstract denker is hij niet, misschien is hij ook daar wel te nuchter voor; in ieder geval lijkt hij meer in zijn element als hij een gedicht schrijft of een roman, op een manier die zich niet al te ver verwijdert van wat ten onzent voor gedichten en romans gebruikelijk is. Zijn grote belangstelling voor wat er elders in de wereld aan moderne poëzie te koop is, richt zich ook in de eerste plaats op het Engelse taalgebied, waar van oudsher traditie en vernieuwing meer verstrengeld zijn en minder met elkaar op voet van oorlog staan dan op het continent, en waar men over het algemeen weinig op heeft met theoretische scherpslijperij. De huiver voor het persoonlijke en de afkeer van de duivel der abstracte consequentie zijn op zichzelf zeker geen schrijversondeugden, maar in het volumineuze oeuvre van Bernlef gaan ze gepaard met een nogal smalle thematiek, met de eeuwige wederkeer van telkens dezelfde motieven en met een vertreltrant die competent en zelfs vernuftig maar nooit echt verrassend is. Dat heeft hem gemaakt tot een schrijver die alleen van onberispelijke literaire respectabiliteit, maar ook van niet geringe saaiheid. Zo'n oordeel komt uiteraard voor rekening van degeen die het uitspreekt, wellicht zijn er lezers bij wie het werk van Bernlef juist grote en warme geestdrift losslaat, maar die ben ik nooit tegengekomen. Kalme waardering lijkt me meer typerend voor de ontvangst van zijn werk dan jubel of verguizing, en het zou verbazend zijn als het anders was bij een schrijver als hij. Neem zijn romanproduktie van de laatste tien jaar. In Sneeuw uit 1973 zwalkt een eenzame man in de barre kou over een Zweeds eiland. Aan het begin verliest hij door een ongeval zowel zijn vrouw als zijn geheugen, en het boek gaat heen met zijn tot mislukking gedoemde poging zinvolle samenhang te brengen in de chaotisch uit elkaar gevallen werkelijkheid die hem omgeeft. In Meeuwen uit 1975 zwerft een eenzame man in een gure herfst over een Waddeneiland. Hij heeft gehoord dat hij keelkanker heeft, heeft zich vanaf dat moment in volledig zwijgen gehuld, en vervalt langzamerhand tot totale verbijstering omdat de zinvolle samenhang uit de dingen is verdwenen. De volgende roman, De man in het midden uit 1976, moet ik gemist hebben, maar in Onder ijsbergen uit 1981 dwaalt een eenzame man over het onherbergzame Groenland. Het is een Deense rechter die klaarheid moet brengen in een ondoorgrondelijke eskimomoord, maar hij staat overal buiten en wordt steeds onzekerder over de zinvolle samenhang van de wereld en zijn eigen bestaan. De lezer kijkt er daarna niet meer van op als de man die aan het begin van het nieuwe Herschenschimmen eenzaam naar de sneeuw staat te staren in een grotendeels verlaten vakantiedorp op een schiereiland aan de Amerikaanse Oostkust, bezig blijkt zijn geheugen te verliezen. Niettemin vind ik Hersenschimmen een boeiender en overtuigender boek dan zijn grijzige voorgangers. Voor een deel ligt dat misschien aan het onderwerp. Het gaat over dement worden. En de geestelijke aftakeling van de ouderdom is, anders dan de uitzonderlijke afflicties van eerdere Bernlefpersonages, een algemene bedreiging, die door velen meer wordt gevreesd dan enig ander gebrek of zelfs dan de dood zelf. Andere vormen van desintegratie, door drugs of waanzin, hebben voor de meeste mensen minder het karakter van genadeloze willekeur en onomkeerbaarheid. Natuurlijk is Bernlef niet de enige die erover schrijft. Hij is zelfs niet de eerste die probeert het proces van binnenuit te beschrijven in de Nederlandse literatuur van de laatste tijd. Alfred Kossmann, voor zover ik weet de uitvinder van het werkwoord verschimmen in dit verband, is hem al voorgegaan in menig boek. Kossmann weet ?? in iemand van tachtig verkeert. Sindsdien leven veel van Kossmanns personages in een mentale schemering die zeer authentiek aandoet, en die merkwaardig genoeg niet als uitsluitend negatief wordt ervaren. In Bernlefs roman daarentegen doet de dementie zich voor als een bruut en snel ontluisteringsproces zonder compensaties. In de kortste keren verandert Maarten Klein, een keurige gepensioneerde ambtenaar bij een internationale organisatie, in een onsamenhangend wrak in een verpleegtehuis. Op zichzelf maakt de beklemming van zo'n onderwerp een boek niet beter, maar in dit geval lijkt de schrijver erdoor te worden gedwongen tot groter directheid. In eerdere romans leek het verhaal al te zeer een koele, afstandelijke toepassing van algemene stellingen, over de verhouding tussen taal en werkelijkheid bij voorbeeld; dat gaf iets vrijblijvends aan het verhaal, terwijl de stellingen weinig opzienbarend waren. In Hersenschimmen dringt het verhaal zich ruw op de voorgrond. Het ziektegeval zelf houdt de aandacht gevangen, de gedachten over vergankelijkheid en over woorden en werkelijkheid blijven op de achtergrond - en worden daar alleen maar indringender van. Maarten Klein lijkt ook minder dan zijn voorgangers op een proefpersoon doordat de schrijver hem niet geheel alleen op zijn eiland heeft neergezet. Zijn vrouw Vera, met wie hij van jongsafaan is getrouwd, is bij hem en maakt zijn onttakeling mee. Daarin vooral ligt het dramatische van de situatie. "Ik glimlach tegen Vera's spottende groene ogen met de donkere spikkeltjes in de pupillen. Laatst kwam ik een oude foto van haar tegen. Ze leunt op het dek van een salonboot met haar rug tegen de witte dubbele reling. Een tochtje naar Harderwijk. De zon schijnt op haar bruine springerige haar. Dik was het toen... Maar het beeld dat ik van haar heb - van binnen bedoel ik - lijkt niet op de jonge vrouw van die foto en evenmin op de Vera tegenover mij. Het is een beeld waarin alle veranderingen die zijn heeft ondergaan verenigd zijn. Daarom is het ook meer een gevoel dan een beeld." Zo is het aan het begin. Naarmate Maarten zijn greep op de werkelijkheid verliest, vallen er meer gaten in dat beeld, - hoewel er van het gevoel tot aan de allerlaatste zin iets lijkt te blijven bestaan. Door de getroebleerde ogen van de verteller vangen we zo nu en dan een glimp op van de ontreddering waarmee Vera van zijn ondergang getuige is. We zien haar irritatie om aanvankelijk onverklaarbaar gedrag, haar schrik om zijn plotselinge onhandelbaarheid, haar verdriet als hij haar met anderen en vooral zijn moeder gaat verwarren. "Mensen zoals wij", zegt ze tegen een jonge verpleegster, "leven van hun herinneringen. Als die er niet mere zijn, is er niets meer. Ik ben bang dat hij zijn hele leven aan het vergeten is. En (dat ik) alleen met die herinneringen (zal moeten) leven terwijl hij ernaast zit... leeg." Terwijl Vera zich dit realiseert, probeert Maarten nog uit alle macht de ernst van de situatie te ontkennen. Hij verzint listen om zijn geheugenzwakte te maskeren, bemoeit zich op een gevaarlijke manier met de huishoudelijke gang van zaken, onderneemt stuurloze wandelingen, bereidt imaginaire vergaderingen voor alsof hij nog werkte. In de beschrijving hiervan toont Bernlef iets dat elders in zijn werk zelden vrij spel krijgt: een talent voor grimmige en ongegeneerde humor, in de manier waarop Maarten telkens weer naar het welzijn van een al lang dood hondje van de buurman informeert bij voorbeeld zit iets onweerstaanbaar komisch, en het accentueren daarvan maakt de tragiek van de man nog navranter. Het is vooral die humor die de koele gelijkmatigheid van Bernlefs verteltrant doorbreekt, en de indruk wekt van een weliswaar indirecte, maar wezenlijke persoonlijke betrokkenheid bij het lot van de hoofdpersoon. Helemaal gaaf is Hersenschimmen niet. Het vanbinnenuit beschrijven van een zo snel en radicaal verlopend dementeringsproces is uiteraard een tour de force, en soms zijn er kleine onvolkomenheden die daaraan onbedoeld herinneren. Vooral in de laatste twintig bladzijden, die het laatste stadium proberen uit te beelden, slaagt de auteur er niet in de beklemming verder op te voeren of zelfs in stand te houden. Ook voegt dit dertigste boek zich in veel opzichten te gemakkelijk in de lange rij voorgangers om van een verrassend keerpunt te kunnen spreken. Wel kan gezegd worden dat de kwaliteiten van Bernlef hier geconcentreerder dan gewoonlijk aanwezig zijn, met een markante en doeltreffende roman als resultaat.

Schrijver: Bernlef, J.
Titel: Hersenschimmen
Jaar van uitgave: 1984
Bron: Trouw
Publicatiedatum: 20-09-1984
Recensent: Tom van Deel
Recensietitel: Het lekraken van de geest

Dat romanschrijven een soort onderzoek is met behulp van de verbeelding, laat Bernlefs nieuwste boek "Hersenschimmen" zien. Het verschijnsel dat hij erin wil uitbeelden staat vrij algemeen bekend als dementie, maar wat deze stoornis precies inhoudt voor degene die hem heeft, is moeilijk voor te stellen.
In "Hersenschimmenöwordt een poging ondernomen om het dementeringsproces van binnenuit te beschrijven. Dat is een riskante onderneming, want het moet uit de aard der zaak geen levensechte, maar een artificieel doeltreffende uitdrukking worden van wat men zich kan indenken dat dementeren is.
Bernlef beschouwt dementie als een vroegtijdig afscheid van de wereld, een vertrek uit een werkelijkheid waarin herinneringen in een zinvol verband staan, oorzaken gevolgen hebben, de nacht volgens de klok op de dag volgt, - en al die dingen meer, op grond waarvan mensen verstandelijk en emotioneel met elkaar samenleven. De bejaarde man die hij in het boek laat denken, begint ogenschijnlijk gewoon, hij staat voor het raam van zijn huisje in Gloucester - gelegen boven de Amerikaanse stad Boston -, hij ziet de besneeuwde weg en vraagt zich af waar de schoolkinderen blijven. Zijn vrouw maakt hem er dan op attent dat het zondag is.
Vanaf dit eerste foutje gaat het bladzij na bladzij steeds fouter wat tijd en ruimte aangaat in het hoofd van de man. Hij denkt dat het ochtend is, maar het is middag, hij handelt nú volgens een plotselinge herinnering aan tóen. Hij wijt deze warboel, die hem zelf af en toe ook opvalt, aan de sneeuw: "Het komt door de sneeuw (...), die monotonie, als alles wit is om je heen vallen de verschillen weg. "Ik verlang best naar de lente, jij niet?" Maar zijn geheugen takelt snel af, hij leeft niet steeds meer in het nu, maar veronderstelt geregeld de aanwezigheid van zijn, al dode, vader en moeder.
Gevoel voor finesse Bernlef heeft met veel gevoel voor structurele finesse dit oude echtpaar, uit Holland afkomstig, geplaatst in een wat afgelegen Amerikaans gebied dat bovendien van sneeuw is voorzien. Beide gegevens spelen een belangrijke rol in het boek. De man is weliswaar tweetalig maar gaandeweg wordt het Amerikaans hem vreemder en ten slotte gelooft hij zelfs met de Amerikaanse bevrijders van doen te hebben op bevrijdingsdag. De sneeuw met z'n sporen geeft aanleiding tot allerlei overwegingen met betrekking tot oorzaak en gevolg.
De vrouw zegt tegen een vriendin (en de man hoort dat, vandaar dat wij het weten): "Ik ben bang dat hij zijn hele leven aan het vergeten is." Dat is ook zo, zelf heeft hij het gevoel lek te zijn, "zoek te raken of te verdwalen": "Iedere dag verdwijnt er wel iets, iedere dag wel iets. Overal lekt het." En elders denkt hij het op een lucide moment zo: "Een soort zeeziekte lijkt het wel. Onder dit leven woelt een ander waar alle tijden, namen en plaatsen door elkaar heen spelen en waarin ik als persoon al niet meer besta."
De persoon om wie hij het meest geeft, zijn vrouw, raakt uit zijn gezichtsveld, hij herkent haar soms niet, en het is precies hun relatie en de ontbinding daarvan (zijn vertrek eruit, om zo te zeggen) waar Bernlef de nadruk op legt en dat tot de meest emotionerende kanten van het boek behoort. "Hersenschimmen" heeft als motto twee versregels van Philip Larkin: "A touching dream to which we all are lulled/But wake from seperately." Jan Eijkelboom vertaalde ze als: "een mooie droom waar iedereen wordt ingewiegd en elk apart uit wakker wordt". Ze zijn afkomstig uit het lange gedicht "The building", dat over een ziekenhuis gaat, en ze slaan in het algemeen op de werkelijkheid, of het leven. Zijn "apart" uit de "droom" ontwaken, wat de man al dementerende doet, laat een verbijsterde vrouw aan zijn zijde achter.
Ronduit meesterlijk De manier waarop Bernlef een indruk probeert te geven van het reddeloos verlies van greep op tijd en ruimte, is ronduit meesterlijk. Tenslotte zijn wij, gedurende de lectuur van het boek, getuige van wat zich in het hoofd van de man afspeelt, wij weten wat hij eerst nog wist, maar even later al weer vergeten is, wij zien de tegenspraken, wij horen ànders wat zijn vrouw hem zegt, wij zijn kortom in staat zijn afscheid te analyseren. Zo roert het bijzonder, als we hem tegen zijn huilende vrouw horen zeggen: "Ik ben bij je, wat er ook gebeurt, ik ben bij je. We zullen eraan moeten wennen dat onze wereld kleiner geworden is, dat je steeds minder mensen ziet, dat je schrikt als de telefoon gaat, dat alle dagen op elkaar gaan lijken. Maar wij hebben elkaar, Vera, vergeet dat niet."
Zulke dramatische momenten staan er veel in het boek, dank zij het onderwerp en Bernlefs sensibele, perfect ingehouden stijl. Met groot romantechnisch vernuft schakelt hij de gebeurtenissen zo aaneen dat we niet alleen inzicht krijgen in het proces van verlies van tijd-en-ruimte-besef, maar ook in het voorbije leven van de man, zijn jeugd, zijn verliefdheden, zijn kinderen en zijn werk. Strak en doelmatig voert Bernlef enkele gegevens uit het vroegere leven van de man in, waardoor de noodzakelijke verwarring van tijden en ruimte reliëf krijgt.
Wie het boek openslaat en het slot doorbladert, ziet de geest van de man al naar de vorm dementeren. De zinsbouw neemt in welgevormdheid af, de alinea's worden klein en gescheiden door wit, de man denkt over zichzelf in de tweede of derde in plaats van eerste persoon. Zijn wereld is de ruimte waarin hij zich bevindt, er is nauwelijks nog sprake van tijdsbesef. Hij is dan opgenomen in een inrichting en als hij bezoek krijgt van zijn vrouw, blijkt uit niets dat hij haar herkent: "de stem van een vrouw en je luistert... je luistert met gesloten ogen... luistert alleen maar naar haar stem die fluistert... dat het raam is gemaakt... dat waar eerst die oude deur voor zat gespijkerd... dat daar nu weer glas zit... glas waar je doorheen kunt kijken... naar buiten... het bos in en de lente die bijna begint... zegt ze... fluistert ze... de lente die op het punt staat te beginnen..."
Aangrijpend Bernlef heeft al vaker romans met sneeuw geconcipieerd - eentje heet zelfs "Sneeuw", een ander "Onder ijsbergen". Het is voor zijn manier van schrijven, die vaak wel "koel" genoemd wordt, belangrijk dat hij thematische kwesties kwijt kan in bespiegelingen van "lokale" aard. Het verdwijnen, waaraan de man is overgeleverd, laat zich goed afbeelden in een winterend landschap.
Ook over herinneren en vergeten heeft Bernlef al dikwijls geschreven: het is zijn creatieve obsessie. Maar hij heeft het bij mijn weten, of ik moet zeggen: naar ik mij herinner (want zijn oeuvre is immens), nog nooit zo aangrijpend behandeld als in deze roman "Hersenschimmen". Voor het eerst blijft hij als verteller niet buiten zijn personage staan, maar waagt hij zich aan de binnenkant en probeert hij van daaruit te verbeelden. Als model van een lekgeraakte geest is dit boek een prestatie.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast