Zakelijke gegevens
Louis Couperus, Eline Vere. Een Haagsche roman (Volledige werken Louis Couperus 3)
Utrecht/Antwerpen, 1987, uitgaande van 4de druk (diplomatische druk) (1e druk 1889)
Eline Vere verscheen eerst als feuilleton Het Vaderland, de eerste aflevering verscheen in de uitgave van 17/18 juni 1888 en de laatste was op 4 december 1888. Bij de tweede druk in 1890 voegde Couperus de opdracht “Aan mijn vriend Gerrit Jäger” toe, dit ten ere van Gerrit Jäger, die gezorgd had dat de roman in Het Vaderland was verschenen.
Genre: Psychologische/naturalistische roman

Keuze
De 19de eeuw was nog de enige periode waaruit ik een boek moest lezen. Eerst sprak Max Havelaar mij erg aan, maar Couperus is ook een erg bekende schrijver van eind 19de eeuw en toen mijn vriendin mij dit boek aanraadde heb ik het gelezen en besloten het op mijn lijst te zetten.

Eerste reactie
De eerste paar bladzijden vond ik best even zwaar om door te komen. Ik vond het even wennen aan het ‘klimaat’ in het boek en je wordt zo midden in de gebeurtenissen gezet, zonder dat je weet wie al die personen zijn en wat er gebeurt. Na het lezen was ik vooral verrast door het einde en de prachtige uitwerking van de personages in het boek. Ook de stijl sprak mij uiteindelijk erg aan, met de lange, sierlijke zinnen en vele beeldspraken.

Samenvatting
De roman speelt zich voor een groot deel af in de Haagse “coterie” aan het eind van de vorige eeuw. Een vaste kring van mensen uit dezelfde hogere klasse maakt visites bij elkaar, geeft een dineetje of een soirée, gaat naar de opera of naar het Kurhaus in Scheveningen. We geven hier eerst een opsomming van de leden van deze Haagse kring om ons daarna te beperken tot de verhaallijn rond Eline Vere. Aan het eind van deze samenvatting vertellen we kort de lotgevallen van de belangrijkste overige personages.
Eline Vere woont bij haar zus Betsy, die getrouwd is met Henk van Raat; ze hebben een zoontje, Ben, die wat achterlijk is. Henks moeder, de oude mevrouw Van Raat (Dora) heeft na het overlijden van haar man, met wie ze zeer gelukkig was, een eenzame oude dag. Haar zoon Paul, die bij haar woont, gaat veel uit. Hij vormt een vrolijk clubje met zijn nichtjes Lili en Marie Verstraeten en de twee jongste telgen van de adellijke familie Van Erlevoort ter Horze: Etienne (Eetje) en Frédérique (Freddy). Bij de Van Erlevoorts heerst altijd een gezellige drukte. Aan het grote huis aan het Voorhout woont de weduwe Van Erlevoort met de twee genoemde kinderen en met haar zoon Otto en dochter Mathilde van Rijssel, die na haar scheiding met haar vier kinderen Johan, Tina, Lientje en Nico weer haar intrek in het ouderlijk huis heeft genomen. De oudste zoon, Théodore, woont met zijn vrouw Truus en zijn kinderen op het Gelderse familielandgoed de Horze; de zusters Cathérine en Suzanne zijn respectievelijk getrouwd met Percy Howard en Arnold van Stralenburg. Zomers komt de hele familie meestal bijeen op de Horze.
De gebeurtenissen in de roman spelen zich voor een belangrijk deel in de huizen van bovengenoemde vier families af. Andere families, zoals “de Eekhofjes” of de Oudendijks, worden slechts schetsmatig beschreven. Alleen het jonge Cateautje (Toos) van der Stoor en zus en broer De Woude van Bergh (de 38-jarige vrolijke oude vrijster Emilie en de veel jongere, wat fatterige Georges) worden meer in detail getekend. Uitgebreide aandacht is er ook voor de met ziekteverlof uit Indië overgekomen familie Ferelijn, al hoort die niet echt bij de coterie. Jeanne, een jeugdvriendin van Eline en Betsy, heeft een zorgelijk huwelijksleven met haar zieke man Frans Ferelijn en haar zwakke kinderen Dora, Wim en Fritsje.
De roman begint op een avond in november. Eline is niet met haar zuster en zwager meegegaan naar de verjaardag van de heer Verstraeten, wiens kinderen en vrienden prachtige tableaux vivants opvoerden. Eline is in een melancholieke bui, wat wel vaker voorkomt. Ze is ontevreden met haar doelloze, nutteloze bestaan. ‘s Nachts stort ze haar hart uit bij haar zwager Henk van Raat.
De volgende dag voelt Eline zich opgeknapt. Paul, met wie ze vaak zingt, komt langs en ze gaat zelf mijnheer Verstraeten en daarna de oude mevrouw Van Raat opzoeken. ‘s Avonds aan het diner schertst ze vrolijk met Georges de Woude; haar gemaakte lachje doet haar oude schoolvriendin Jeanne van haar vervreemden. Als de Ferelijns weg zijn, gaan Eline, Betsy en broer en zus De Woude naar de opera. Er zingt een nieuwe bariton: Théo Fabrice. Eline probeert de anderen niet te laten merken dat ze nogal onder de indruk is van zowel de opera als de zanger. Tijdens de pauze zien ze neef Vincent Vere, pas teruggekeerd van een van zijn reizen. Eline mag hem wel; hij doet haar aan haar overleden vader denken. Betsy daarentegen koestert een soort vrees voor haar neef.
Op Sinterklaasavond ten huize van de Van Erlevoorts krijgt Eline een prachtige waaier van Bucchi. Ze weet niet wie de gever is, maar Frédérique heeft een vermoeden, dat na een gesprek met haar broer Otto enige tijd later bewaarheid wordt. Freddy voelt een sterke antipathie tegen Eline; ze waarschuwt Otto dat “dat coquette nest” hem ongelukkig zal maken. Eline zelf, zich nergens van bewust, koestert ondertussen haar geheime hartstocht voor Fabrice. Ze verbeeldt zich dat hij haar de waaier heeft gegeven en droomt al van een opwindend leven aan zijn zijde. Ze gaat zo vaak mogelijk naar de opera en verzamelt plaatjes met zijn portret. Ze maakt lange ochtendwandelingen door het park in de hoop hem tegen te komen, wat een enkele keer gebeurt. Aan haar liefde komt abrupt een eind als ze hem zonder de flatteuze operakleding ziet optreden tijdens een concert - hoe had zij zo kunnen dwepen met die lompe, burgerlijke timmerman! Elines teleurstelling is hevig, maar ze heeft niet lang de tijd verdrietig te zijn, want een nieuwe ontwikkeling doet zich voor: op een voorjaarsdag vraagt Otto van Erlevoort haar zijn vrouw te worden. Eline twijfelt: ze vindt Otto erg sympathiek, maar ze voelt geen hartstochtelijke liefde voor hem. Tijdens een avondje met enkele intieme vrienden voelt ze zich echter gedreven door een onzichtbare macht en ze stemt toe in een huwelijk. Vanaf dan voelt ze zich steeds rustiger en gelukkiger worden, als in een kalm, blauw nirwana. In de zomermaanden die ze met Otto op de Horze in Gelderland doorbrengt, bereikt haar geluk een hoogtepunt. Ze voelt zich gezonder, vrolijker, oprechter en meer zichzelf dan ooit te voren. Zelfs Frédérique begint haar sympathiek te vinden. Op een nacht huilt Eline van geluk en ze bidt tot God dat het altijd zo mag blijven. Later noemt ze dit het keerpunt; de gedachte dat het mogelijk een keer afgelopen zou zijn met haar geluk, zaaide een kiem van twijfel, die niet meer weg zou gaan.
In de tijd dat Eline op de Horze was, logeerde Vincent bij Henk en Betsy. Betsy dacht dat het hun wat gezelligheid zou geven en Vincent zou dan wat minder geldzorgen hebben. Als Eline weer thuis is, blijft Vincent hangen - tot ergernis van Betsy. Eline besteedt haar dagen door aan haar uitzet te werken en vage, filosofisch getinte gesprekken met Vincent te voeren, onder andere over het noodlot en de onmacht van de mens zijn eigen wil te volgen. Bijna elke avond komt Otto dineren. Op een dag wordt Vincent ernstig ziek. Eline verpleegt hem in de weken daarna zorgzaam. Ze vindt Vincent eigenlijk een interessanter persoon dan Otto en ze begint zich in te beelden dat Vincent een geheime liefde voor haar koestert. Voor Otto voelt ze af en toe onverschilligheid, wat ze wanhopig probeert tegen te gaan: ze hield op de Horze zo innig veel van hem! Op een avond maakt ze met Betsy ruzie over Vincent en daarna vaart ze driftig uit tegen Otto: ze wordt dol van zijn eeuwige kalmte. Henk dwingt haar vergiffenis te vragen aan Otto, maar zowel Eline als Otto beseffen die avond dat het afgelopen is met hun geluk. Otto koestert nog hoop, maar na enige tijd schrijft Eline hem een brief waarin ze het uitmaakt. Ze voelt dat als haar plicht, omdat ze hem nooit gelukkig zal kunnen maken. Na het versturen van de brief huilt Eline zo wanhopig, dat Betsy en Henk het ergste vrezen. Na een scène met Betsy vertrekt Vincent naar Londen en vandaar naar New York, waar zijn vriend St. Clare een baan voor hem weet. Eline hoopt dat Vincent bij zijn afscheid over zijn liefde voor haar zal spreken, maar hij bedankt haar alleen maar voor haar goede zorgen. Eentonig slepen de dagen zich voort; Eline is zelfs te lusteloos om Betsy tegen te spreken, die elke avond tijdens het eten op die ellendige neef van een Vincent scheidt. De eerste keer dat Eline weer mee uit gaat naar een diner, hoort ze Betsy weer kwaadspreken over Vincent, en ze wijst haar zus en plein public bits terecht. Thuis maken ze er ruzie over, waarna Eline in overspannen toestand het huis uit vlucht. Het stormt verschrikkelijk; doornat en tot op het bot verkleumd klopt ze bij Jeanne aan voor hulp. Ze heeft een zware kou gevat en tot ze beter is, blijft ze bij de Ferelijns wonen. Ze wil onder geen voorwaarde terug naar Betsy, met wie ze toch steeds ruzie zal krijgen.
Oom Daniël Vere komt Eline opzoeken en vraagt of ze met hem en zijn jonge vrouw Elize die winter op reis wil gaan. Eline stemt toe; ze ziet Parijs, Nice, Spanje, Bordeaux en woont ook een tijdje bij hen in Brussel. Pas na anderhalf jaar komt ze terug in Den Haag, moe van het opgeschroefde leventje met haar oom en tante. Ze is sterk vermagerd en heeft iets schichtigs en nerveus over zich gekregen. Ze eet weinig, drinkt veel, en heeft aan haar kou een naar hoestje overgehouden. Dokter Reijer constateert het begin van longtering. Hij vertelt de oude mevrouw Van Raat, bij wie Eline haar intrek heeft genomen, dat het meisje niet alleen lichamelijk ziek is. Hij hoopt dat mevrouw Van Raat met haar goede zorgen de geknakte bloem weer zal doen opbloeien. De oude vrouw is blij eindelijk weer een doel in haar leven te hebben, maar na een tijdje ziet ze in dat ze Eline niet kan helpen. Eline voelt zich een ruïne, van binnen en van buiten. Ze heeft haar geluk moedwillig weggegooid (de brief aan Otto) en kan nooit meer gelukkig worden. Ze verafschuwt het nutteloze leven en de huichelarij van de mensen.
Tot beider spijt vindt Eline bij mevrouw Van Raat niet de rust die ze gehoopt had en ze vertrekt weer naar Brussel, waar ze met oom Daniël en tante Elize naar allerlei dubieuze feesten gaat. Op een dag in december komen Vincent en zijn vriend Lawrence St. Clare, die samen een grote reis gaan maken, Eline, oom en tante opzoeken. Eline voelt grote sympathie voor de kalme, oprechte en wilskrachtige St. Clare, die haar aan Otto doet denken. Na enkele ontmoetingen vraagt St. Clare haar zijn vrouw te worden; hij is vast van plan haar weer lust in het leven te geven. Wanhopig weigert Eline en vertelt van Otto, die ze ongelukkig heeft gemaakt en die altijd tussen hen in zal staan. St. Clare vraagt haar om niet ondoordacht voor de tweede keer haar geluk weg te gooien en hem pas te antwoorden als hij over vijf maanden terugkomt van zijn reis. Dat belooft Eline.
Ze gaat weer terug naar Den Haag, waar ze haar intrek neemt in een pension. Ze slikt regelmatig druppels morfine, die ze van een dokter in Brussel gekregen heeft ter bestrijding van baar slapeloosheid. De morfine helpt niet erg en in haar half doorwaakte nachten wordt Eline gekweld door nachtmerries. Overdag voelt ze een matheid en een dofheid in haar hoofd die haar verhinderen goed door te denken over allerlei dingen. Ook haalt ze steeds vaker herinneringen door elkaar en verwart ze Otto en St. Clare. Soms zingt ze koortsachtig gedeelten uit een opera en verbeeldt ze zich dat ze actrice is. Ze is bang dat ze gek aan het worden is. Op een avond ziet ze zo tegen een slapeloze nacht op, dat ze een te grote dosis morfinedruppels neemt. De volgende dag wordt ze dood in haar kamer gevonden.
Otto was inderdaad erg ongelukkig nadat Eline het had uitgemaakt. Pas een jaar na Elines dood voelde hij dat zijn verdriet aan het slijten was en kreeg hij oog voor Marie Verstraeten, die al tijdens zijn verloving met Eline van hem hield. Lili Verstraeten trouwde met Georges de Woude en na allerlei strubbelingen vonden Paul en Freddy elkaar eindelijk, zij het met behulp van de oude mevrouw Van Raat, die in haar ijver om het geluk van haar jongste zoon een laatste levensdoel had. Met Jeanne Ferelijn liep het slecht af; zij stierf in Indië.

Stijl
Er worden in Eline Vere enkele stijlmiddelen vrij duidelijk en veelvuldig toegepast. Ten eerste zijn er veel beschrijven te vinden, ten tweede wordt er veel gebruik gemaakt van dialogen en het derde punt dat veel terugkomt is de zogeheten ‘erlebte Rede’, dat is het weergeven van een innerlijke monoloog op indirecte wijze. De schrijfstijl wordt gekenmerkt door soms erg lange, moeilijk leesbare zinnen en een enkele keer ook Frans taalgebruik, dit vooral wanneer mensen van stand met elkaar praten of wanneer er over ‘directe’ onderwerpen wordt gepraat waar kinderen bij zijn. Beeldspraak komt ook veelvuldig voor. De gevoerde dialogen zijn veelal levendig en natuurlijk.

Ruimte
De ruimte in Eline Vere is van groot belang. Het is het Haagse aristocratische milieu dat de toch al zwakke, nerveuze Eline fataal wordt. Dit milieu kan als decadent worden omschreven; de meesten verlummelen hun tijd met zinloze, geldverslindende dineetjes en partijtjes en met melodramatische opera’s of met krachteloos gepeins. Elines zenuwen raken in dit leven van overbeschaafdheid en luxe overspannen. Ze ziet wel duidelijk de zinloosheid van het Haagse leven, maar ze heeft niet de kracht zich eraan te onttrekken. Telkens past ze zich aan en voert een nietszeggende conversatie en lacht haar onnatuurlijk lachje. In haar dagdromen kan ze fantasie en werkelijkheid niet altijd goed uit elkaar houden. Ze speelt zoveel rollen, dat ze zelf niet goed meer weet wie ze eigenlijk is.
Heel anders is ze op het landgoed de Horze, waar haar gedrag na enkele dagen echt en ongekunsteld wordt. Zelfs Freddy, die haar in Den Haag “een en al onnatuur en affectatie” had gevonden, begint haar sympathiek te vinden. De goede invloed van de landelijke omgeving uit zich bijvoorbeeld in Elines muziekkeuze: ze zingt, eenvoudig en ongekunsteld, iets van Mozart, en niet zoals in Den Haag aria’s uit melodramatische Franse opera’s, waarbij ze zich inbeeldde als actrice op de planken te staan. Alleen op de Horze is haar liefde oprecht, haar geluk volmaakt, zoals ze zelf later inziet.
Terug in Den Haag gaat het al snel bergafwaarts met Eline. Ze gaat nog wel twee keer weg uit Den Haag, maar haar leven bevindt zich al in een neergaande spiraal waar geen ontkomen meer aan is. Brussel is minder burgerlijk dan Den Haag; Eline leeft daar meer in de anonimiteit. Het opgeschroefde vrolijke leventje maakt haar geestelijk en lichamelijk steeds zwakker. Haar definitieve ondergang volgt dan in Den Haag.
Ook op enkele andere personages heeft het Haagse milieu een slechte invloed. Vincent, wiens ziekte min of meer aan de verstikkende atmosfeer van de residentie wordt toegeschreven, verlangt naar afwisseling, maar het vele reizen geeft hem geen rust. Pas in New York, onder de krachtige positieve invloed van de St. Clare en het luxe leventje dat die hem biedt, bloeit Vincent op.
Op kleiner niveau valt het op dat de ruimte waarin men leeft vaak typerend is voor het karakter van de bewoner. Zo heeft Eline haar kamer zo ingericht, dat alles er weelderiger en rijker uitziet dan het eigenlijk is, er is een aanzien van weelde en een artistiek waas. Evenzo doet Eline zich steeds anders voor dan ze is. Oom Daniël Vere bewoont een appartement dat ‘hoewel in geen stijl, artistiek-weelderig is ingericht’ (blz 468). Dit interieur past goed bij het bijeengeraapte stel vrienden van Daniël Vere.

Tijd
Eline Vere bestaat uit 36 hoofdstukken, aangegeven in Romeinse letters, verschillend in lengte, allen onderverdeeld in sub-hoofdstukken. De roman beslaat 568 bladzijden. De gebeurtenissen worden chronologisch verteld, op enkele flashbacks en de uitwijding over Elines verleden na. De vertelde tijd is ongeveer viereneenhalf jaar. De roman is sterk scènisch van opzet. In de scènes met veel dialogen wijkt de verteltijd niet erg veel af van de vertelde tijd. De gebeurtenissen in de tijd tussen twee scènes worden of (sterk) samengevat (tijdverdichting) of is er een grote sprong in de tijd. De snelheid waarmee verteld wordt, is dus discontinu. Het tijdsverloop wordt nauwkeurig aangegeven. De roman begint in november (het avondje bij de Verstraetens); de gebeurtenissen tot november het jaar daarna (Eline ziek bij de Ferelijns) worden uitvoerig beschreven. Dan is er een grote sprong in de tijd van anderhalf jaar (Elines reizen), waarover de lezer maar weinig te horen krijgt. Dan wordt er weer een periode van een jaar, van mei (Eline bij mevr. Van Raat) tot mei (Elines dood) beschreven, zij het minder uitvoerig en met meer tijdverdichting dan het eerste jaar. Dan volgt er weer een grote sprong in de tijd van een jaar om in het korte slothoofdstuk de roman toch nog iets van een “happy end” te geven: Marie en Otto vinden elkaar. De roman is geschreven in de onvoltooid verleden tijd (behalve natuurlijk de vele dialogen).
Er zijn veel subjectieve en impliciete vooruitwijzingen. Elines ondergang wordt op vele manieren voorbereid:
- Elines vage, angstige toekomstverwachtingen; haar vrees dat het geluk met Otto niet blijvend is en haar opmerking: “Veranderde het, ik zou sterven”;
- het herhaaldelijk verwijzen naar het fatale noodlot;
- de “zwarte Piet” bij het kaartleggen, die niet alleen, zoals Eline denkt, naar Fabrice verwijst, maar ook naar Vincent, die tussen haar en Otto in komt te staan, of nog algemener: naar de dood (van Eline), waarna Otto zich langzaam weer open kan stellen voor de liefde van een andere vrouw (Marie);
- Betsy's vrees voor Vincent, wiens verschijning de ondergang van Eline inluidt;
- St. Clare die bang is dat Eline een ongeluk overkomt;
- de scène met Manoël uit de opera Le Tribut de Zamorra (waarin de vrouwelijke hoofdpersoon Xaïma dreigt in de afgrond te springen) die Eline vlak voor haar dood zingt.

Werkelijkheid
In deze roman zijn veel voorwerpen en gebeurtenissen uit de werkelijkheid verweven, wat de roman een zeer natuurgetrouw uiterlijk geeft. Hiermee doel ik niet enkel op de gebeurtenissen omtrent Eline en het waarheidsgehalte van het verhaal, maar veel meer op kleine aspecten van het verhaal.
Ten eerste is er de woonomgeving van Eline. Zij woont in Den Haag, een stad waar ook Couperus een groot deel van zijn leven doorbracht. De tocht die Eline ’s nachts door de storm maakt bijvoorbeeld is letterlijk te maken in Den Haag. Ook de straatnamen die genoemd worden bestaan echt.
Ten tweede is er de muziek en de opera’s waar Eline naar toegaat, evenals de waaier van Bucchi en de genoemde boeken in de roman. De opera Le tribut de Zamora van Gounod die Eline bezoekt, is een echte opera uit 1881. Bucchi was daadwerkelijk een kunstenaar die in dezelfde tijd leefde. De schrijver Ouida en Longfellow zijn voor die tijd moderne schrijvers.
Zo is Eline Vere in 1889 een erg eigentijdse roman en blijkt Eline in veel opzichten een modern meisje te zijn. Ze is immers op de hoogte van nieuwe muziek, leest moderne boeken en gaat naar modern vermaak. Wat zij mooi vindt, werd in haar tijd soms als wat populair beschouwd. Deze eigenschappen benadrukken nog maar eens de persoon van Eline: een romantisch, ietwat dweperig, meisje.

Personages
De meeste romanfiguren zijn personen van vlees en bloed, met hun goede en slechte eigenschappen, hun dromen en verlangens, hun vreugde en verdriet. De karakters van de personages zijn vaststaand, bepaald door milieu en opvoeding, maar vooral door erfelijke factoren, en de hele roman door handelen de personages consequent naar hun eigen aard. Alleen Henk lijkt een keer uit zijn rol van “goedige New-Foundlander” te vallen als hij krachtig tegen Eline optreedt. Karaktereigenschappen en milieu bepalen het lot van de personages, waaraan alleen heel krachtige invloeden een wending kunnen geven, zoals St. Clare bij Vincent, Freddy bij Paul.
Er komen zeer veel personages in de roman voor wier karakter en lotgevallen min of meer uitgebreid beschreven worden.
Vooral bij de Veres krijgen de erfelijkheidsfactoren veel aandacht. Deze familie is in twee groepen in te delen. Aan de ene kant staat Betsy, die het overheersende, nuchtere karakter van haar moeder heeft; aan de andere kant staan Eline, Vincent en in iets mindere mate oom Daniël. Eline heeft het karakter van haar vader geërfd. Ze is nerveus, romantisch, artistiek, zwak en beïnvloedbaar; hierin lijkt ze op Vincent, die haar weer vaak aan haar vader doet denken. Eline is in het begin van de roman een elegante, knappe vrouw van 23 jaar, die met haar amandelogen vooral de mannen en oudere vrouwen voor zich inneemt. Ze heeft grote behoefte aan genegenheid en speelt daarom steeds de rol waarvan ze denkt dat de ander haar die graag ziet spelen. Haar gedrag krijgt daardoor een zekere onnatuurlijkheid, die door sommigen verafschuwd wordt. Elines innerlijke neergang gaat gepaard met uiterlijk verval; ze wordt mager, haar gebaren worden nerveus, haar tred waggelend. Haar fantasie begint haar parten te spelen en langzamerhand wordt ze gek. Eline is willoos en besluiteloos; ze laat zich leiden door de omstandigheden en is zelfs te krachteloos om zich vast te klampen aan degenen die haar door krachtige leiding geluk hadden kunnen geven (Otto, St. Clare). Zonder duidelijk “ja” te zeggen verlooft ze zich met Otto; zonder het echt te willen verbreekt ze die verloving weer, zonder te beseffen wat ze doet vlucht ze de stormnacht in, een daad die haar later verbaast. Zelfs haar zelfmoord pleegt ze min of meer ongewild. Ook dokter Reijer noemt de overeenkomst tussen Eline, haar vader en haar neef, bepaald door erfelijkheid: “Maar verder zag hij in Eline iets, wat hij het noodlot van haar familie kon noemen. Elines vader had dat gehad. Vincent had dat. Het was een zielstorende verwarring van haar zenuwen, die de verwarde snaren van een gesprongen en ontredderd speeltuig gelijk waren.” (blz. 416) Couperus gaat niet verder dan beschrijven en omschrijven van de situatie van Eline, hij geeft geen diagnose waaraan ze zou kunnen lijden, later is dit echter wel gedaan door twee andere mensen.
Ten eerste schreef W. H. Staverman in 1917 een artikel in De Nieuwe Taalgids, hierin stelt hij de diagnose dat Eline aan hysterie lijdt. Staverman zegt echter ook geen medicus te zijn en het zou ook een andere ziekte kunnen zijn. Enkele kenmerken van hysterische mensen zijn: het zijn veelal vrouwen, de personen zijn vaak erfelijk belast, de ziekte wordt bevorderd door een saai en triest leven en de zieke heeft een neiging tot dromen en is melancholiek, inactief en willoos. Door al deze eigenschappen maakt de hysterica vaak een onechte en gekunstelde indruk.
Ten tweede bracht psychiater Frans de Jonghe een boekje genaamd Eline Vere bij de psychiater uit. Hij stelt dat Eline leidt aan depressiviteit. Kenmerken daarvan zijn: langdurige somberheid, verlies van interesse en plezier in de omgeving, vermindering of vermeerdering van eetlust, slapeloosheid of overmatige slaperigheid, traagheid of gejaagdheid, hevige vermoeidheid, schuldgevoelens en gedachten aan de dood. De Jonghe verklaart ook de verhoudingen tussen de personages in de roman en zegt dat wanneer Eline naar een psychiater had kunnen gaan in haar tijd, zij geen zelfmoord had gepleegd.
Vincent hangt er meestal futloos en uitgezakt bij. Hij heeft een geelbleek, ingevallen gelaat (zo ziet Eline er later ook uit). Hij heeft er een handje van op andermans zak te leven zonder zich daarover erg schuldig te voelen: hij is immers zoals hij is en kan daar weinig aan veranderen. Zijn cynische, passieve houding vloeit voort uit zijn fatalistische levensvisie. Hoewel de meeste andere personages ook in het decadente Haagse milieu vertoeven, zijn ze anders dan Eline en Vincent. Paul van Raat is ook artistiek en heeft ook gebrek aan energie, maar uiteindelijk wordt hij door positieve invloeden in zijn omgeving (Freddy, zijn moeder) toch wat wilskrachtiger. De andere jongeren in de roman zijn over het algemeen vrolijk en levenslustig. Door Lili, Marie, Freddy en Etienne wordt heel wat afgeschaterd. Van de drie meisjes krijgt vooral freule Frédérique van Erlevoort aandacht. Ze is eerlijk en oprecht, recht-door-zee, vol bezorgdheid en liefde voor haar familieleden. Ze is wel een tikje hooghartig, waardoor ze bijna haar liefdesgeluk verspeelt.
Naast dit luidruchtige, wat oppervlakkige vriendenclubje staan drie rustiger karakters, die allen wat voor Eline voelden en haar misschien van de ondergang hadden kunnen redden: Henk van Raat, Otto van Erlevoort en Lawrence St. Clare. Bij Henk is de mannelijke flinkheid ontaard in sullige goedheid. Otto heeft een degelijk, kalm, mannelijk karakter, maar toch heeft hij niet genoeg overwicht over Eline om aan haar levensloop een wending ten goede te geven. Waarschijnlijk was de Amerikaan St. Clare daarvoor wel sterk genoeg, maar hij kwam voor Eline te laat om dit te bewijzen.
Naast de nerveuze, oppervlakkig-vrolijke en degelijk-kalme jongeren zijn er nog twee jonge vrouwen, die in het leven teleurgesteld zijn en voor wie geen geluk is weggelegd: Jeanne Ferelijn, die zich als vrouw en moeder te kort voelt schieten en zich in het kille Den Haag ongelukkig voelt, en Mathilde van Rijssel, die zich na haar scheiding dood voelt, maar alleen voor haar kinderen nog verder leeft, zonder klagen.
Verder spelen er nog enkele ouderen een rol in de roman, waarvan mevrouw Van Erlevoort en vooral mevrouw Van Raat het belangrijkst zijn. Ze zijn beiden weduwe, maar beleven hun oude dag op heel verschillende wijze. Mevrouw Van Erlevoort kan, ondanks haar ouderdom, niet buiten drukte en levendigheid en verzamelt zoveel mogelijk haar kinderen en kleinkinderen om zich heen. Mevrouw Van Raat slijt haar oude dag tobberig in eenzaamheid, weemoedig om het huwelijksgeluk dat ze heeft gekend en nu voorbij is, melancholiek om het noodlot dat onherroepelijk kinderen van hun ouders doet vervreemden. Nog twee keer heft zij zich op uit haar doffe berusting: de eerste keer om Eline weer levenslust te geven, wat mislukt, de tweede keer om Paul en Freddy bij elkaar te brengen, wat wel lukt

Vertelwijze
Eline Vere wordt vanuit meerdere personages verteld: een meervoudig personaal perspectief. In grote delen van de roman verneemt de lezer direct gedachten en gevoelens van de personages. Het meest gebeurt dit bij Eline Vere, mevrouw Van Raat, Paul, Frédérique, Vincent, Jeanne, maar ook de meeste andere personages worden van tijd tot tijd van binnenuit (vision dedans) beschreven. Zo krijgt de lezer van diverse zijden een visie over andere personages en over de gebeurtenissen. Opmerkelijk is dat St. Clare, die aan het eind van de roman toch een belangrijke rol speelt, nauwelijks van binnenuit wordt beschreven; het perspectief ligt in Brussel bijna geheel bij Eline. De lezer wordt zo min of meer meegesleurd in haar aftakeling en krijgt zo net zomin als Eline de kans St. Clares positieve levenshouding over te nemen: Elines ondergang is op dat moment al onontkoombaar. De meervoudig personale vertelwijze geeft de roman een nogal objectief karakter: de lezer kan de meerdere subjectieve visies tegen elkaar afwegen en zo zelf een oordeel vormen. Ook de vele dialogen (neutrale vertelwijze) geeft de lezer ruimte tot eigen interpretatie. Toch is de roman niet echt objectief door de vele verborgen, en soms ook openlijke, opmerkingen van de auctoriale vertelinstantie. Een duidelijk auctoriale passage is te vinden in hoofdstuk III, waarin de instantie de voorgeschiedenis van Eline vertelt en het verschil tussen haar en Betsy's karakter uit de doeken doet. Het auctoriale blijkt vooral uit het doorgronden van de karakters van de personages (beter dan zij dat zelf doen) en de kennis van hun verleden. Nergens blijkt duidelijk goed- of afkeuring van de daden van Eline.
De houding van de instantie is niet helemaal objectief: hij lijkt het eens te zijn met de levensvisie van Vincent. Dit blijkt uit het verloop van het verhaal (Eline kan inderdaad geen weerstand bieden aan haar noodlot) en uit het feit dat dokter Reijer, een wetenschapper die objectief geacht kan worden, Vincents opvattingen bevestigd. Toch lijkt de instantie zich tegen wil en dank neer te leggen bij Vincents fatalisme, alsof hij dat liever niet zou willen maar niet anders kan. Hij spreekt de negatieve oordelen van de andere personages over Vincent nauwelijks tegen; de positieve gevoelens die Eline voor hem heeft noemt hij “ingebeeld”. Ook laat hij enkele negatieve geluiden over dokter Reijer horen (bijv. oordelen van Jeanne, mevr. Van Raat en Eline, terloopse opmerkingen over het dure tarief, zijn korte en vluchtige visites, zijn weelderige kleding). De instantie doet dus moeite zijn “partijdigheid” te verbloemen.

Thematiek
“Zij zoû het zelve ook wel eens ondervinden; men kon zich zijn leven maar niet maken; het een hing van het andere af, alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minste schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterende catastrofe, en het leven was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes en catastrofes smeedde… daar was niets aan te doen” (p. 266)
Dit vertelt Vincent aan Eline. Deze uitspraak zou evenwel door de schrijver zelf kunnen zijn gedaan. In het denken van Couperus staat het noodlot centraal. Er is een geheimzinnige kracht actief in het leven van alle mensen. Alles is al voorbeschikt, er is een levenslijn die de mens dient te gaan, waaraan hij niet kan ontkomen. Ook Eline kon hier niet aan ontkomen.
Meerdere malen wordt in het verhaal herhaalt dat Eline op haar vader lijkt en Betsy op haar moeder. Zo herhaalt de geschiedenis zich, immers, Elines vader stierf ook al jong. Ook dokter Reijer bevestigt dat de dood van Eline door een erfelijke familiekwaal komt.
Ook bij Vincent treffen we dit patroon aan: een indolente geest, met een zwak fijn-bezenuwd gestel. Hij heeft echter de kracht om zich van geen mens of conventie iets aan te trekken. Paul van Raat zegt van Vincent dat deze hem aan zijn oom doet denken, Elines vader dus. Vincent gelooft in het noodlot en accepteert dit. Eline echter is veel meer speelbal van het noodlot, dan dat ze deze levenshouding aanvaardt. Een levensvisie als deze noemen we positivistisch-deterministisch. Erfelijkheid en milieu maken je tot wie je bent en de direct omstandigheden zijn verantwoordelijk voor de verdere ontwikkelingsgang en het uiteindelijke lot.
Waar Vincent het positivistisch-determinisme verpersoonlijkt is Lawrence St. Clare zijn tegenpool. St Clare redt Vincent van de ondergang en helpt hem er weer redelijk bovenop. De visie van St. Clare is echter haaks op die van Vincent, het is een anti-fatalistische overtuiging dat ieder mens zijn eigen lot in handen heeft. Hij probeert Eline ook van deze visie te overtuigen: “O, spreek niet over een noodlot. Noodlot is een woord. Ieder mensch maakt zijn eigen noodlot. Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken.” Waar St. Clare Vincent kan redden met zijn visie, is hij voor Eline te laat, zij kan haar noodlot niet meer ontlopen.

Motieven
Levensvisies
Het hoofdmotief is de thematiek: het weergeven van twee haaks op elkaar staande levensvisies. Wat opvalt in de roman is dat Couperus geen partij voor één van de twee visies neemt, het is dus meer een roman over de twee visies. Alleen het sterven van Eline kan als een hint worden gezien voor de daadwerkelijke gedachten van de schrijver.

Oude wereld en nieuwe wereld
Er is vaker een contrast waar te nemen tussen de oude en nieuwe wereld in de romans van Couperus. In het geval van Eline Vere is de oude wereld Europa en de nieuwe wereld Amerika. De oude wereld staat voor opperste verfijning, decadentie en verval. In deze wereld is het noodlot de meedogenloze heerser. In de nieuwe wereld echter zijn begrippen als gezondheid, frisheid en vitaliteit belangrijk. De mens heeft er een vrije wil. Natuurlijk staan Vincent en Eline in deze roman voor de oude wereld en is Lawrence St. Clare afkomstig uit de nieuwe wereld. De keuze van Amerika is niet geheel toevallig: Amerika was natuurlijk nog betrekkelijk nieuw land. Ook geloofde men in de Verenigde Staten in de waarde van de mens en de vrijheid van het individu. De filosoof R. W. Emerson (1803 – 1882) is afkomstig uit de Verenigde Staten. Hij is de filosoof wiens ideeën overeenkomen met die van St. Clare: de menselijke geest is vrij en men kan kiezen voor de positieve dingen in zijn leven.

Schoonheid en schone schijn
De roman begint met voorstellingen van drie prachtige tableaus en lijkt zo een erg mooie en vrolijke roman te worden, niets is echter minder waar. Het verband tussen de tableaus en het verhaal is achteraf toch te geven: op het eerst tableau staat Cleopatra, die zichzelf doodde met gif, Eline doet hetzelfde. Het tweede tableau toont een vrouw in doodsstrijd, hier is Eline ook in terug te zien. Het vijfde tableau stelt de vijf zinnen voor. Hierin is de persoonlijkheid van Eline terug te vinden: zij leeft volstrekt gevoelsmatig. Ze laat zich meedrijven op golven van emoties, indrukken en gewaarwordingen. Ze leeft vanuit haar zinnen. De dag na het tonen van de tableaus komt de fotograaf, de tableaus blijken dan echter lang niet zo mooi meer te zijn. Ook Théo Fabrice blijkt niet zo mooi te zijn als Eline eerst denkt dat hij is.
Uit deze voorbeelden blijkt dat dingen en mensen niet zijn wat ze lijken te zijn. De vermeende schoonheid blijkt in werkelijkheid niet echt of goedkoop te zijn. Het is dit motief dat veel terugkomt in het boek: de schoonheid die de ondergang, aanvankelijk nog onzichtbaar, in zich draagt. Zelf is Eline ook een mooie, jonge vrouw, die steeds bezig is met het accentueren van haar schoonheid. Zij is voortdurend bezig met haar uiterlijk en kleding. Door deze zorg met zichzelf maakt ze op anderen vaak een gekunstelde indruk. Ook haar innerlijk en haar wanhoop verbergt ze voor de buitenwereld. Hiervan is zij zich ook bewust. Op een gegeven moment echter is ook de schoonheid van Eline weg: ze is mager, ongezond, bleek met kringen onder haar ogen. Ze verzorgt zich niet meer en wil niemand ontmoeten. Ook Eline kan de schijn niet meer ophouden, de schoonheid is ontmaskerd.

Acteren
Uit bovenstaande blijkt al dat Eline dus eigenlijk constant acteert. Het motief acteren komt echter vaker terug: al bij de tableaus wordt er geacteerd, de vele opera’s die worden bezocht zijn acteerwerk. Het belangrijkste is echter dat Eline een rijke fantasie heeft, in haar gedachten acteert ze continu. Zelfs vlak voor ze sterft acteert ze nog. Acteren kan op twee manieren worden opgevat: je voordoen als iemand anders, de schijn ophouden, maar ook het vluchten naar je fantasie en in die mooie wereld leven.

Muziek
De muziek die Eline zingt staat vaak in verband met de gemoedsstemming waarin ze verkeert. Eline houdt zelf erg veel van muziek, ze zingt zelf en gaat graag naar de opera. Zelfs vlak voor haar dood zingt Eline nog. In de late 19de eeuw was het heel normaal dat vrouwen muziek speelden, luisterden en zongen, zo konden zij zich vermaken in hun vrije tijd. Er is echter meer te vinden achter het motief muziek. Muziek is vaak een taal der liefde, soms zelfs van de erotiek. Het kan mensen buiten zichzelf laten raken. In het geval van Eline hebben de liederen die ze zingt niet alleen vaak betrekking op haar gemoedstoestand, maar vooral op de gemoedstoestand inzake liefde.

Maatschappijkritisch
De roman geeft een behoorlijk zorgvuldig beeld van de Haagse society in de tijd dat hij is geschreven. Vaak gebeurt dit objectief, maar soms sluipt er impliciet toch kritiek in. Uiteindelijk wordt de Haagse burgerij weergegeven als een hol en op uiterlijk gericht klimaat, waar weinig te beleven is. De kritiek komt ook duidelijk naar boven in het materialisme van Betsy en het wat banale geluk van George en Lili. Het duidelijkst wordt het echter wanneer je het klimaat in Den Haag vergelijkt met dat op de Horze. Op de Horze komt iedereen tot rust, iedereen kan zichzelf zijn en er is bijna alleen maar geluk.

Titel
De titel en ondertitel zeggen laden de inhoud van het verhaal heel goed. Eline Vere. Een Haagsche Roman, Eline Vere is natuurlijk het hoofdpersonage uit de roman, het is dus een roman, en Den Haag is zowel de plek waar het verhaal zich afspeelt, als een belangrijke factor op de ondergang van Eline. Ook geeft Couperus een goed beeld van het leven in de hogere Haagse kringen van eind 19de eeuw.
De titel toont ook treffende vergelijkingen met andere romans uit dezelfde tijd, allen genoemd naar de hoofdrolspeelster: Anna Karenina (Tolstoj), Juffrouw Lina (Emants) en Madame Bovary (Flaubert).

Genre
Eline Vere kan gerekend worden onder het naturalisme. Dit genre kwam eind 19de eeuw opzetten en poogde de werkelijkheid zo goed en objectief mogelijk te volgen en beschrijven. Het naturalisme komt voort uit het positivisme. Dit was een filosofische stroming waarin men streefde naar die kennis die leidde tot waarheid. Men trachtte dit te bereiken door alleen van objectieve feiten uit te gaan. De Franse filosoof Taine was een andere belangrijke invloed op het naturalisme. Hij ontwikkelde een visie op de mens die er resumerend op neer kwam dat het leven volledig bepaald werd door afkomst van de mens, opvoeding/milieu en omstandigheden. De meeste naturalistische romans doen aan een aantal van de volgende kenmerken:
- De hoofdpersoon, mannelijk of vrouwelijk, is overgevoelig en nerveus van aard;
- In de loop van het verhaal komt de ontnuchtering van de hoofdpersoon;
- Er komst steevast een verklaring voor hoe de hoofdpersoon zo geworden is (erfelijkheid);
- De auteur heeft kritiek op de gevestigde orde, de burgerij;
- In de roman is belangstelling voor seksualiteit en deze wordt beschreven;
- Er is sprake van een zo natuurgetrouw mogelijke dialoog en gekunstelde beschrijvingen;
- Als verteltechniek wordt de personale verteltrant gebruikt, met veel gebruik van de erlebte Rede;
- De auteur is zo objectief mogelijk jegens zijn hoofdpersoon.

Eline Vere voldoet aan alle kenmerken, behalve de belangstelling voor en het beschrijven van seksualiteit. Daarmee mag geconcludeerd worden dat deze roman inderdaad tot het naturalisme gerekend mag worden.

Schrijver
Louis Marie Annie Couperus. Nederlands romanschrijver ('s-Gravenhage 10.6.1863-De Steeg 16.7.1923). Als jongste kind uit een groot gezin groeide hij op onder de hoede van zijn moeder en zusters in ontzag voor zijn vader, bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, aan wiens verwachtingen hij niet kon voldoen. Deze situatie heeft zijn persoon en het karakter van zijn werk sterk bepaald. Zes jaar van zijn jeugd bracht hij in Nederlands-Indië door. In 1878 keerde hij naar Den Haag terug en bezocht er de hbs, die hij niet voltooide. In 1886 legde hij het middelbaar examen Nederlands af.
Zijn eerste werk bestond uit gedichten, waaraan vanwege hun gekunsteldheid bij De Nieuwe Gids een slechte ontvangst ten deel viel. Hij rehabiliteerde zich als prozaïst met de psychologisch-realistische roman Eline Vere (3 dln., 1889). Met gedichten trad hij sindsdien nog slechts bij uitzondering op. In 1891 huwde hij zijn nicht Elisabeth Baud. Vanaf 1893 reisde en woonde hij in het buitenland, vooral in Zuid-Frankrijk en Italië. Gedurende wo i vertoefde hij weer in Den Haag. Met W.G. van Nouhuys en C. Buysse maakte hij sinds 1903 deel uit van de redactie van Groot Nederland. Het werk van de vaak als een precieuze luiaard poserende Couperus, type van de dandy, kan globaal in vier groepen worden verdeeld; eigentijdse psychologische romans; symbolische sprookjes en mythologische romans; historische romans, die zich steeds in een ten ondergang gedoemde of decadent geworden cultuur afspelen; korte historische verhalen, reisimpressies en journalistieke schetsen, die hij voornamelijk sinds 1909 voor het dagblad Het Vaderland en sinds 1916 voor het weekblad De Haagsche Post schreef en in talloze bundels bijeenbracht. Vele van zijn werken werden vertaald (in het Engels door zijn vriend A. Teixeira de Mattos).
Hoofdmotief in zijn romans is het noodlot, dat mens en maatschappij beheerst. In Eline Vere wordt het nog in hoofdzaak deterministisch opgevat, later wordt het meer en meer gezien als een in wezen onbegrepen fataliteit (bijv. De stille kracht, 1900; Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan, 1906; De ongelukkige, 1915). Zowel ieder mens afzonderlijk als gehele volken en culturen zijn aan dit noodlot, dat ervaren wordt als een onbegrepen schuld die men boeten moet, onderworpen. Ook wordt zijn werk gekenmerkt door het motief van de tegenstelling tussen noordelijke streken en de zuidelijke landen aan de Middellandse Zee. Het noorden representeert de benepen, sombere, koude, onvrije en stoer-manlijke vorm van leven tegenover het open, warme, vrije, soms zwoele en vaak week-vrouwelijke leven in het zuiden. Couperus' voorkeur voor het laatste hangt samen met zijn psychische structuur, die hij eerst in Dionyzos (1904) geheel weet te aanvaarden. Daarna pas schrijft hij zijn reeks historische romans, spelend in het Rome van de keizertijd en andere decadente cultuurgemeenschappen.
Eline Vere is de geschiedenis van een zeer onevenwichtige jonge vrouw met zwakke gezondheid, die door het noodlot langzaam tot zelfmoord wordt gedreven. Dit noodlot zetelt in de eerste plaats in haar eigen gesteldheid, produkt van erfelijke factoren, opvoeding en het milieu waarin zij verkeert, geheel volgens de opvattingen die leefden binnen het naturalisme. Eline's angst voor de werkelijkheid doet haar zichzelf verliezen in dromen, die echter onhoudbaar blijken, zodat haar angst en melancholie verhevigd terugkeren. De ondertitel `Een Haagsche roman' bestempelt Eline Vere tevens als zedenroman. Voornamelijk de gegoede Haagse kringen van het einde der 19de eeuw zijn er achtergrond én tegenspelers. Het verhaal is nl. opgebouwd uit vergelijkbare scènes: Eline's lotgevallen vertonen overeenkomst met die van anderen of zijn daarmee in tegenstelling.
In De boeken der kleine zielen, bestaande uit De kleine zielen (1901), Het late leven (1902), Zielenschemering (1902), Het heilige weten (1903), komt de tegenstelling naast het compositorisch gebruik ervan, voor als motief in de opzet van bijna alle figuren. Hierdoor reikt deze roman verder dan Eline Vere. Het betreft de tegenstelling tussen kleinheid en grootheid van ziel, afgewisseld met die tussen schijn en werkelijkheid in het leven. Zo belichaamt deze roman vóór alles Couperus' visie op de noordelijke levenssfeer en draagt daarbij sterk het karakter van een afrekening.
De berg van licht (1905-1906) is Couperus' eerste historische roman. Het verhaal speelt in het Romeinse keizerrijk ten tijde van Heliogabalus (218-222), toen het rijk aan velerlei destructieve krachten blootstond en oosterse religieuze invloeden zich steeds sterker deden gelden. In zijn vorige werk had Couperus de zuidelijke levenssfeer meestal slechts aan die in het Noorden ten voorbeeld gesteld; nu kiest hij deze levenssfeer zelf tot onderwerp. De compositie van deze groots opgezette roman is vrij los. Het eerste deel, in Emessa spelend en handelend over Heliogabalus' verkiezing tot keizer, wordt in één vloeiende lijn verteld. De beide volgende delen laten weer de tegenstelling tussen scènes zien als belangrijkste kunstgreep, maar nu geheel in dienst van een dramatische ontwikkeling.
Iskander. De roman van Alexander den Groote (2 dln., 1920) draagt duidelijk het stempel van Couperus' eigen visie. Weer staan het Westen en het Oosten tegenover elkaar. De manlijke kracht der Macedonische legers overwint het week-vrouwelijke, overbeschaafde Perzische rijk. Vooral de eunuch Bagoas, die Alexander dient én haat, is de bewerker van zijn ondergang. Deze vervult dezelfde noodlotsrol als Vincent in Eline Vere en Hierocles in De berg van licht. Wierp in laatstgenoemde roman de val van het westerse Rome nog slechts zijn schaduw vooruit en werd vooral de persoonlijke nederlaag van de oosterse priester-keizer verhaald, hier is de ondergang van de westerse kracht, in de persoon van Alexander, het eigenlijke onderwerp.
Hoewel typisch een vertegenwoordiger van de literatuur van zijn tijd (determinisme en naturalisme in Eline Vere, psychologisch realisme in De boeken der kleine zielen, exotisme in de historische romans) is Couperus in hoge mate oorspronkelijk. Het noodlotsmotief bijv. vertoont een zeer persoonlijk cachet en het motief van de geografisch gesitueerde polaire krachten vindt men in Nederland zo alleen bij hem. Een denker was hij niet, wel een scherp waarnemer, die intuïtief velerlei problemen begreep. Vóór alles was hij een romancier: hij bezat het vermogen de door hem opgeroepen personen en situaties een eigen, onafhankelijk leven te verlenen, waarbij iedere figuur een andere kant van het behandelde probleem belichaamt. Meestal is de compositie goed doordacht. Als subliem verteller weet hij zijn romans en verhalen een dynamische ontwikkeling te geven, al brengt de ijdele arrangeur in hem soms statische passages of te schetsmatig gebleven gedeelten aan. Aanvankelijk beïnvloed door Ouida, Tolstoi, Flaubert, Zola en Wilde, vindt hij al in zijn eerste roman een volstrekt eigen toon. Deze wordt in hoge mate bepaald door zijn enigszins geaffecteerde, precieuze, in de loop der jaren volgens sommigen overdadig geworden stijl, vol neologismen, archaïsmen en inversies. In het algemeen ziet men deze stijl echter als een wezenlijk bestanddeel van Couperus' werk.

Plaats in de literatuurgeschiedenis
Eline Vere is de eerste roman van Couperus na enkele dichtbundels die niet goed werden ontvangen. In veel opzichten vertoont deze roman een nauwe relatie met de komende romans en verhalen van Couperus. Als belangrijkste punt zou het naturalisme met het noodlot vaker in zijn romans terugkomen. Ook zijn stijl is typerend voor Couperus. Jongeren uit deze tijd typeren deze stijl graag als ‘niet door te komen’, iets waar ik het niet mee eens ben. Ook het uitdiepen van personages zou Couperus vaker doen, evenals het gebruik maken van Den Haag als inspiratiebron voor een roman.
Zoals al bij genre gezegd, kan het boek vergeleken worden met andere naturalistische romans. Het is waarschijnlijk de derde Nederlandse roman in dit genre, na Een liefde (1887) van Lodewijk van Deyssel en Juffrouw Lina (1888) van Marcellus Emants. Ook kan de roman op nationaal niveau vergeleken worden met andere romans die in Den Haag gesitueerd zijn, zoals werken van Gerard Keller en Jan ten Brink.
Op internationaal niveau kan de roman geplaatst worden naast een aantal Franse realistische en naturalistische romans. Vooral Flauberts Madame Bovary (1857) treft enkele gelijkenissen. Couperus’ tijdgenoot Frans Netscher wees al op de overeenkomsten met Tolstoi’s Oorlog en Vrede (1863–1869), Couperus wees deze vergelijking echter van de hand, behalve dat hij de structuur van korte hoofdstukken van Tolstoi had overgenomen.

Beoordeling
Als feuilleton in Het vaderland werd Eline Vere zeer positief ontvangen. Vele lezers volgden de gebeurtenissen omtrent Eline nauwgezet en een enkeling liep de dag na overlijden zelfs met een rouwband om. De roman werd dan ook onmiddellijk bekroond met de medaille van het Thieme-fonds.
Na de boekpublicatie een jaar later waren ook zowel het publiek als de recensenten overwegend positief. In de Nieuwe Gids schreef hoofdredacteur Willem Kloos: “En Couperus die zich vijf jaren lang heeft vergist in de kunst, die hij maken moest, is van een precieus en pretentieus poëetje, veranderd in een groot en mooi voelend realist.”
Een jaar later schreef de gevreesde criticus Lodewijk van Deyssel in hetzelfde tijdschrift: “Eline Vere is goud, ik heb het gezien als helder glazend goud, maar mooi mat beslagen door mijn aandoening, als een glas Rhijnwijn met ijs in een warme kamer.” Ook hij is dus zeer positief.
Naast deze positieve kritieken waren er ook nog positieve kritieken in De Nederlandsche Spectator en De Amsterdammer. In het algemeen prees men Couperus’ psychologische diepgang en zijn vermogen om de Haagse atmosfeer treffend weer te geven.
Echt negatieve recensies ontbraken. Alhoewel Van Deyssel wel opmerkte dat de structuur van de roman erg onsamenhangend is, vooral het gedeelte na Eline’s vertrek naar Brussel hing er maar een beetje bij. Vanuit morele gronden werd soms het determinisme van de roman afgekraakt. Dit zou echter pas in Couperus’ latere romans op grotere schaal gebeuren.

Zelf kan ik erg lovend zijn over de roman. Vooral de psychologische diepgang spreekt ook mij erg aan. Vooral met Eline kan je heel goed meeleven, heel haar neergang wordt goed besschreven en je kan je echt voorstellen hoe zij zich voelt, maar ook de andere personages zijn meestal goed uitgewerkt. Het einde verraste mij op een positieve wijze. Alhoewel er meerdere malen een hint wordt gegeven naar Elines zelfmoord en dat ze onder zal gaan, ging ik er toch niet vanuit. Waarschijnlijk komt dat doordat de meeste boeken een goede afloop hebben, deze dus niet. Dat vond ik een erg positief punt.
De stijl van dit boek is voor vele jongeren een reden om het niet te lezen. ‘Langdradig, saai, niet door te komen’, zo wordt er vaak geoordeeld. In eerste instantie kwam ik er ook even moeilijk door, maar uiteindelijk vond ik de stijl juist erg mooi, lange zinnen, veel beeldspraak en soms wat moeilijke, maar begrijpelijke, woorden er tussen, dat vind ik juist erg mooi om te lezen.
Soms vond ik de roman echter wel wat te lang worden en leek het niet echt ergens naar toe te werken. De spanning ontbreekt soms ook een beetje. Dat zijn de belangrijkste negatieve punten voor mij.
Ik stoor mij niet aan de deterministische inslag van de roman. Misschien werd het in de 19de eeuw als gevaarlijk geacht, maar ik kan me nauwelijks voorstellen, ondanks dat je je goed in Eline kan inleven, dat iemand om dezelfde redenen zelfmoord zou plegen, of dat de roman aanzet tot het geloof in determinisme, het is niet zozeer een aansporend filosofisch boek.

Mijn eindoordeel is dus zeer positief. Voor klasgenoten die van lezen houden en geen probleem hebben met een wat sierlijkere stijl, kan ik dit boek zeker aanraden. De roman is ook verfilmd en er is een toneelstuk van gemaakt, ik heb deze niet gezien, maar kan mij goed voorstellen, dat, zoals gezegd wordt, zij de Haagse society en rijkdom wel goed schetsen, maar de psychologische diepgang niet.

Bronvermelding

http://www.dbnl.org/tekst/bork001nede01/coup002.htm

Prisma Uittrekselboek

M. G. Kemperink, ‘Louis Couperus, Eline Vere. Een Haagsche roman’ in
Lexicon van Literaire Werken
A. G. H. Anbeek van der Meijden en anderen
November 1992

Danny Jansen
‘Louis Couperus, Eline Vere’
Walvaboek (Memoreeks)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Mooie boekverslagen, bedankt!

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast