ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

De volledige titelbeschrijving:

Japin, A.De zwarte met het witte hart. Amsterdam, 1997 (2000)



De samenvatting:

Het boek bestaat uit vijf delen en gaat over Kwasi en Kwame, twee Afrikaanse prinsjes uit Ashanti, die worden geschonken aan koning Willem I. De kinderen dienen als onderpand voor een illegale slavenhandel van de Nederlandse regering.



Deel I

Kwasi en Kwame wonen in Kumasi dat in Ashanti ligt, Kumasi is beroemd om zijn met edel beslagen meubels.

Citaat:

“De allerdaagse waar van yam en maniok, banaan, pinda en citrusfruit was opzijgeschoven om plaats te maken voor de lokale kunstenaars met hun gouden sieraden, insignes, drinkkommen en scepters, vergulde hoofdstellen en met edel beslagen meubels, waar Kumasi over de hele wereld beroemd om was.” Staat op bladzijde 30.

De stad Kumasi heeft een mooi verhaal over het ontstaan van de stad zelf.

Citaat: “Twee takken brak Osei Tutu van de kuma-boom. Hij plantte ze in de aarde, een eind uit elkaar. De ene tak paste zich goed aan. In die nieuwe grond-asi in het Twi- schoot hij wortel. Hij botte uit en droeg vruchten. De andere tak kwijnde weg, verdorde en brak.

Osei Tutu bouwde zijn hoofdstad op de plek waar de kuma opbloeide. Kuma-Asi, de grond onder de kuma-boom, is mijn geboortestad. Kumasi, zetel van de machtige Asantehene der Ashanti.”
Staat op bladzijde 17, bovenaan.



Kwasi en Kwame zijn neven van elkaar, de vader van Kwasi is de koning van Kumasi en de moeder van Kwame is de koningin. De broers van Kwasi waren door zijn vader meegegeven aan de Engelse gezant, die hen naar Fort Cape Coast voerde. Kwasi die altijd alles samen deed met zijn broers was ontroostbaar en op een dag vluchtte hij de kleedruimte in en stuurde alle bediende weg, toen kwam Kwame binnen die dacht dat de wasplaats onbezet was en zag Kwasi verdrietig in een hoek zitten. Hij troostte hem door zelf ook in snikken uit te barsten, vanaf die dag baadden ze samen en werden ze langzamerhand onafscheidelijk, ze waren zelfs zo aan elkaar gehecht dat ze toestemming vroegen om één kamer en één bed te delen, en die toestemming kregen ze van de vader van Kwasi. Zo werden ze onafscheidelijk, de mensen zeiden zelfs dat ze vonden dat ze op elkaar gingen lijken, “zoals de hondentemmer op zijn hond”, zei Kwame.

Citaat: “Voor aan de menigte zat mijn vader, de Asanthene Kwaku Dua de Eerste, op zijn troon onder parasols van goudbrokaat. In zijn rode, met zilvergalon afgezette mantel, armen en benen met sieraden omhangen, tuurde hij voor zich uit over de weg. Naast mijn vader nam op een ivoren zetel, ingelegd met diamanten, Kwames moeder plaats, mijn tante. Zij was, als zuster van de Asanthene, onze koningin-moeder en de belangrijkste van alle vrouwen.”

Citaat: “Kwame en ik, Kwasi, volgens gebruik vernoemd naar de zaterdag en de zondag waarop wij het licht zagen.” Staat op bladzijde 34, bovenaan.



In 1836 was het de taak van de zending in Goudkust een recruteringsdepot op te zetten voor de levering van tenminste 1000 manschappen per jaar voor het Oostindisch leger. De handelsmissie kwam bij de Ashanti onder leiding van de adjunct-commissaris Van Drunen en generaal-majoor Jan Verveer. Het contract werd opgesteld: ieder jaar 1000 recruten te leveren in ruil voor vuurwapens. Als teken van goede wil ontving Kwaku Dua direct 2000 geweren. Voor het vertrek van de delegatie diende hij echter een soortgelijk teken van goede wil te overhandigen. Dat deed hij door enkele dagen later Kwasi en Kwame bij zich te roepen.

Citaat:“Kwasi, Nana heeft een belangrijk besluit genomen. Nana betekent papa. Dat was de gebruikelijke aanspreektitel, maar in de mond van de spreker gaf het me altijd het gevoel dat mij iets dierbaars werd afgenomen. Nana geeft een grote opdracht. Hij heeft veel goeds gehoord over de rijkdommen van Europa, de kennis van de witten. Jij gaat die voor ons vergaren.” Staat op bladzijde 64. De nacht voor hun vertrek brachten Kwame en Kwasi gescheiden van elkaar de nacht door in de armen van hun ontroostbare moeders.

Citaat: “Meer dan haar gezicht herinner ik me de doek die mijn moeder droeg. De symbolen op de stof, waar ze mijn hoofd tegen haar lichaam drukte, strakgespannen door haar heftge ademhalen. Woorden van afscheid zijn evenmin blijven hangen, alleen de cadans van een lied, gezongen met horten en stoten. Ik stel het me tegenwoordig zo voor: zij op de grond, knieën over elkaar, ik in haar armen, suf, terwijl ze het adinkra-symbool van Anansi, een zon met vijf stralen, voor me zingtzegt:

Kinderen van de spin Anansi zijn wij. En de wijde wereld is ons web. Liefde, lust of lot. Brengt ons naar de verste punten. Waarheen we in dat wereldweb ook gaan. Overal zijn er draden om te grijpen. En draden om los te laten."


Dit staat op bladzijde 68, het is Kwasi die dit zegt.

Kwame, die de troonopvolger is van Kwasi’s vader, mocht met Kwasi mee naar Holland, zodat Kwasi steun bij hem kon vinden.

Zo reisde de twee prinsjes naar Elmina waar het ford van de Hollanders was.

Op 26 april 1837 voer het schip met de Prinsjes uit naar Holland, Kwasi zou Afrika nooit meer terugzien.



Deel II

In Delft worden de zwarte jongens als Hollanders opgevoed. Ver van hun ouders verleren zij hun taal en hun gebruiken. Als bezienswaardigheden geïntroduceerd aan het Haagse hof raken zij bevriend met Anna Paulowna’s dochter, prinses Sophie.

De vriendschap van de jongens lijdt onder hun noodlottige ontworteling. Terwijl Kwasi zich uit alle macht aanpast en een echte Nederlander wil worden, vecht Kwame om zijn Afrikaanse identiteit te behouden en op een dag terug te kunnen keren naar zijn volk.



Kwasi en Kwame worden door Van Drunen afgeleverd op de kostschool bij Van Moock in Delft. Daar worden hun namen veranderd door meneer van Moock, omdat ze niet voldoen.

Kwasi krijgt de naam Aquasi en Kwame krijgt de naam Quame.

Citaat: “Kwasi en Kwame…Van Moock schudde zijn hoofd. Nee nee, dat voldoet niet, maar dan ook helemaal niet. Hij nam twee leien uit de kast. Op de ene schreef hij, terwijl hij elke letter benoemde: A-Q-U-A-S-I en gaf het aan mij. Op de andere probeerde hij A-Q-U-A-M-E, las het terug, veegde alsnog een A weg en gaf dit bordje aan Kwame.” Bladzijde 102.

Toen de jongens voor het eerst de klas binnen liepen, gaapte iedereen hun aan.

Citaat: “Er hing een dreiging die je niet kan zien of horen, die geen naam heeft en die ik slechts kende uit de natuur. Wanneer een groep dieren zich aaneensluit, hetzij ter verdediging, hetzij voor een aanval, komt er rust over ze. Dit geeft hun een zekerheid, die ik op dat moment verlangde te bezitten. Laat ik het zo uitleggen: de houding van de klas werkte op mij zoals de spiegel van het meer van Twi, die kalm is en aanlokt. Je weet van de verschrikkingen daaronder en toch zou je de spanning willen breken. En springen. Je staat daar maar en fantaseert hoe het moet zijn de verlatenheid van de oever op te geven. Te worden opgenomen in het verboden water; opkijken en zien hoe de rimpels uitwaaieren tot de spiegel zich boven je weer sluit. Ik heb het nooit gedurfd. Mijn angst bleek altijd groter dan mijn verlangen.” Staat op bladzijde 106.

De jongens hadden een enorme achterstand in alle vakken, deze achterstand haalden ze echter binnen enkele maanden in, doordat meneer Van Moock hun bijles gaf. De jongens ontdekken dat ze in Europa een andere manier hebben om kennis vast te houden.

Citaat: “De kunst van het geheugen had tot nog toe ons leven beheerst. In Ashanti wordt de kennis van alle kunsten en van de wereld zelf bewaard in de herinnering van ieder mens afzonderlijk en in het geheugen van het volk als geheel. Geen menselijk omgang, handel of geloof zou denkbaar zijn zonder deze doorgegeven en opgeslagen wijsheid. Geen gedicht, geen handwerk, geen genezing, geen begrip van de eigen identiteit. Het geheugen wordt onafgebroken geoefend, en zij die er een speciale gave voor bezitten het culturele goed in zich mee te dragen, worden gekoesterd en geëerd. In Europa heeft men een andere manier om kennis vast te houden. Volgens Van Moock was de lijst van de verrichtingen van het volk in de loop der eeuwen zo groot geworden en gingen de ontwikkelingen zo snel dat men er hier al lang geleden toe over is gegaan alles op papier vast te leggen.” Staat op bladzijde 112.

Er was echter een verschil tussen Kwame en Kwasi wat betreft het beantwoorden van vragen, Kwame hield er niet van om alle kennis wat hij over een onderwerp wist prijs te geven.

Citaat: “Zijn trots werkete op mij aanstekelijk, terwijl Kwame zich er, gek genoeg, aan ergerde. Pronkt ik met ieder feitje dat me ter ore was gekomen, Kwame beantwoordde elke vraag afgemeten, stug, bijna met tegenzin. Hij hield er niet van geprezen te worden. Nooit gaf hij zijn volledige kennis over een onderwerp prijs, terwijl hij, als wij elkaar op onze kamer overhoorden, minstens even snel en slim was als ik. Het leek wel of Van Moock hem beledigde met zijn verbazing en zijn lof. Voor mij werd het juist een spel mijn leermeester versteld te doen staan, zodat ik mijn verworvenheden met opzet doseerde. Ik oogstte liever voor elke parel afzonderlijk bewondering dan voor het hele collier ineens.” Staat op bladzijde 117.

Buiten de lessen in de klas om, werden Kwasi en Kwame vaak vernederd, ze werden zelfs allebei een keer bewerkt met een brandende sigaar! Kwasi besloot toen om bokslessen te nemen bij een jongen Cornelius genaamd uit hun klas die wel voor hun op kwam, hierdoor kreeg Kwasi een sterker en breder lichaam dan Kwame. Maar deze vriendschap met Cornelius was door een incident afgelopen.

Kwame bleek een aanleg te hebben voor kunsten, tekenen en piano spelen en Kwasi bleek aanleg te hebben voor de wetenschappen.

Zijn Majesteit had gelast, omdat het zo goed ging met de Prinsen, een beeltenis te laten vervaardigen van de twee Prinsen met tussen hen in Van Veer, deze werd door kunstenaar Raden Saleh vervaardigd. Het schilderij werd twee jaar nadat de Prinsen Afrika hadden verlaten opgestuurd naar hun vader, met als doel hun welstand te tonen en hem aan de afspraak te herinneren.

De Prinsen worden uitgenodigd om het Sinterklaasfeest te vieren met kroonprinses, grootvorstin Anna Paulowna moeder van Sophie en haar familie. Daar maken ze voor het eerst kennis met een Sint Nicolaas en zijn Pieterbazen die erg schrokken van Kwasi en Kwame. De Prinsen vierden hun verjaardag nooit en vanaf die avond werd besloten dat prins Aquasi jarig zou zijn op 24 april, de dag dat zij Afrika hadden verlaten en prins Quame zou jarig zijn op 21 juni, de dag dat zij in Nederland kwamen.



Deel III

Ze vierden Kwame’s verjaardag op het Loo en Sophie en de twee Prinsen lagen op een ronde bank in het park achter het Loo. Kwame vertelde het sprookje van Anansi de Spin, die verliefd was op de zon en er alles voor over had om haar te bereiken, uiteindelijk verbrandde hij, maar zijn as wat door de wind werd verspreid over de aarde en maakte de grond vruchtbaar. De zon bescheen de kleine groene sprietjes die uit het as van Anansi omhoog kwamen en gaf ze zoveel kracht dat deze de aarde overwoekerden. En uit dat groenen woud kwamen dieren te voorschijn en de eerste mens. En daaruit groeiden jij en ik en Kwasi en iedereen. Geboren uit Anansi’s liefde. Zo is alle leven ontstaan. Uit onvervuld verlangen.

Hiermee eindigt Kwame het sprookje.

Kwam en Kwasi beginnen uit elkaar te groeien. Kwasi begint zich zelfs te schamen voor zijn vriend. Citaat: “Heb je haar wel eens gezien? De Neva? Nee, antwoordde Kwame.

Nee, zei ik, ‘ik ken alleen mijn eigen land.’ En Holland! protesteerde Sophie. Holland kennen jullie nu ook. Ik bedoel Holland, zei ik. Kwame keek me verbijsterend aan.” Bladzijde 180.

Ook wil Kwasi niet langer met zijn neef één bed delen.

Citaat: “Toen we in Delft aankwamen, vond ik de moed hem te vertellen dat ik mevrouw Van Moock binnenkort wilde vragen een slaapplaats voor mij op te maken in de dienstenbodenkamer. Ik zei hem dat wij te groot waren geworden om als kinderen één bed te delen.”
Staat op bladzijde 200, onderaan.

Kwames reactie luide als volgt: “Voor jou ben ik een wilde, die ze beschaving bij moeten brengen; jij bent voor mij een beschaafde, die wild geworden is”. Bladzijde 201, onderaan.

Kwasi ontwikkelde een steigerende fantasie voor Sophie, hij bemerkte zelfs op dat hij zijn vriendschap met Kwame inruilde voor Sophie.

Citaat: “Ik had één vriendschap ingeruild en richtte me volledig op de andere. De beslotenheid van een eigen bed leende zich daarbij tot het ontdekken van mijn lichaam, dat in die tijd tot volle wasdom kwam. Ik bezat een steigerende fantasie die zich richtte op Sophie. De beelden die ik overdag op mijn netvlies kreeg, sloeg ik nauwkeurig op, zodat zij in het donker moeiteloos terugkeerden om zich te voegen naar mijn wil.” Staat op bladzijde 204.

Maar Sophie verloofde zich met haar neef Carl Alexander, niet lang daarna trouwden ze en vertrokken per boot naar Weimar waar Carl vandaan kwam.

Kwasi en Kwame worden allebei in de kerk gedoopt.

Het eind kwam in zicht bij Van Moock’s opleiding. De minister wou hen terugsturen naar Afrika, naar Goudkust, omdat ze de Staat veel geld kostte. Maar sinds kort was de Koninklijke Akademie opgericht en Kwasi besloot daar de opleiding voor ingenieur te volgen.

Kwame moest echter nog een jaar extra naar de kostschool. Daarna kwam hij ook op school bij de Koninklijke Akademie, maar in 1845 stopte hij met de studie en besloot naar de Militaire Akademie in Den Haag te gaan. Terwijl Kwasi toe trad tot de Vijf Kolommen, het bestuur van de studentenvereniging. In zijn toespraak vertelde hij over zijn land van herkomst en zij dat hij het wilde leven achter zich had gelaten. Kwame die ook in de zaal zat verliet overspannen de zaal onder luid gegil.

Als Kwame dan een tijdje op de Militaire Akademie zit schrijft hij als reactie op een brief van Kwasi: “De rots ligt onveranderlijk in de rivier. Onder het zachte mos of het geweld van de stortregens blijft hij altijd dezelfde. Het bamboe groeit er pal naast. Hoog wordt het. Beide krijgen hetzelfde te verduren. De een overleeft omdat hij solide is en onverzettelijk, de ander omdat hij bol is en meegeeft” Bladzijde 239. Hiermee bedoelde Kwame het verschil wat tussen hem en Kwasi was gegroeid. Dan vraagt Kwasi of Kwame naar de portretstudio wil komen zodat ze elkaar na een lange tijd eindelijk weer eens zouden kunnen zien. Zijn reactie: “Het spijt me, Kwasi. Ons leven is bedoeld om te vergaan, niet om te worden vastgehouden. Als je me wilt zien, schouw dan je herinnering. Daarin alleen ben ik wie jou het dierbaarst is.” Staat op bladzijde 242.

Kwasi doet een ontdekking als hij kijkt naar zijn portretfoto die gemaakt is op een koperenplaat. Als je die draaide kreeg je afwissenlend de werkelijke zwarte afdruk en het negatief. De werkelijkheid en de droom, zwart wit zwart wit.

Citaat: “Zo draagt die ene afbeelding twee jongenmannen in zich, een blanke met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim. Twee mannen, de één gedoodverfd door de ander, in één portret vereeuwigd. Die mannen ben ik allebei geweest.” Bladzijde 250.



Deel IV

Na de toespraak van Kwasi kwam Kwame erachter dat hij niet langer onder de mensen wilden verkeren die Kwasi van hem hadden afgenomen. Hij ging als militait terug naar Afrika, naar het ford Elmina. Daar ontdekte hij hij het schilderij wat Raden Saleh van hem en Kwasi had gemaakt. Door de zoute lucht en het vocht was het schilderij bezig te vergaan.

Citaat: “Het is waar dat de onenigheid die ons de laatste maanden scheidde, de doorslag gaf voor mijn vertrek. Na jouw toespraak voor Phoenix kon ik niet langer verkeren onder hen die jou van mij hebben afgenomen. Wees gerust, nu is het een zegen! Het bracht me ertoe eindelijk te doen waar ik al tien jaar vurig naar verlang. O, was je maar hier om de lucht te ademen!” Dit staat op bladzijde 253, in het midden.

De vader van Kwasi wilde Kwame echter niet ontvangen, omdat hij het Twi was verleerd en alleen Nederlands sprak. Toen bleek dat niet alleen het gebrek aan kennis van het Twi de reden was dat hij niet naar Kumasi kon. De priesters waren fel gekant tegen nieuwe buitenlandse invloeden en ze waren bovendien bang dat hij meer kennis had.

Zo moest Kwame een lange tijd wachten in Elmina.

Inmiddels was Kwasi naar Freiburg verhuisd voor zijn studie en ontmoette daar vaak Sophie in Weimar. Oktober 1848: Kwame zat al een jaar te wachten in Elmina. Het tij keerde in Kumasi. Europeanen waren eruit gevlucht omdat Christenen er vervolgd werden en het offensief tegen de westerse invloed was ingezet. Kwame hoopte dat Kwasi naar Elmina zou komen om in een van de mijnen te komen werken. Kwame verveelde zich. Hielp mee het fort op te schilderen. Europeanen lieten zich teveel door de tijd, door de wijzers van de klok beheersen. Kwasi weigerde als ingenieur naar de mijnen in Dobokom te gaan. Er waren teveel doden gevallen en te weinig goud gedolven. De Nederlanders waren teleurgesteld in Kwasi vanwege de nutteloze opleiding. Ze hadden hem graag goud voor hen zien verdienen, net als de rest. Maar Kwasi weigerde zelfs om uit Weimar te vertrekken.

Kwame werd steeds zwakker en piekerde steeds meer. Hij zat al 2 jaar in Elmina te wachten en waarop? In december 1849 droomde hij voor het eerst van een soldaat die zelfmoord pleegde omdat hij vond dat mensen je proberen in te lijven in het leven. (dit had hij samen met Kwasi toen ze opweg waren naar Holland en in Elmina verbleven gezien)

Kwame was zich bewust van z’n uitzichtloze situatie. Hij droomde zelfs (het wordt niet duidelijk of het echt is gebeurd) dat z’n moeder buiten aan de poort stond.

In 1850 ontving Kwame het bericht dat een jongere broer van Kwasi de opvolger van z’n vader werd. In zijn dromen verscheen zijn moeder steeds vaker. Hij was op het punt dat de herinnering meer te bieden had dan het echte leven. De ene tak kwijnde weg, de ander bloeide op. Dat wist Osei Tutu al. En op 22 februari 1850 pleegde Kwame zelfmoord.



Deel V

Het is Kwasi die dit hele boek verteld. Aan het begin van het eerste deel merk je dat als lezer al, doordat het verhaal zich dan heel even afspeelt op Java in 1900, waar Kwasi later terecht kwam en daar een eigen theeplantage bouwde.

Hierin wordt verteld dat: Aquasi, vroeger nog Kwasi Boachi genaamd, geboren prins van het rijk van Ashanti aan de Goudkust van Afrika, al 50 jaar woonde op Java.

Om dit te vieren wilde Adeline Renselaar, wie een nicht van mevrouw Zadelhof was, geboren Tietz, van wie hij de plantage huurde, een feest voor zijn jubileum organiseren.



In dit laatste deel van dit boek lees je over hoe Kwasi, Aquasi genaamd, in Java terecht komt en daar zijn bestaan opbouwd. En hoe de bejaarde prins Aquasi Boachi vanaf zijn Javaanse theeplantage terug kijkt op zijn en die van zijn neef Kwame buitengewone levens. Pas dan ontdekt hij het complot waarmee de Nederlandse regering zijn Indische carrière heeft gedwarsboomd.



Drie maanden na de dood van Kwame, voer Kwasi (Aquasi) langs het fort Elmina, op weg naar Indië, waar hij samen met vrienden van hem, Lebret en Linse, aangesteld was als aspirant ingenieur in dienst van de minister voor Koloniën. Hij wilde het graf van Kwame niet bezoeken. Kwasi wilde naar Indië, omdat hij dan ver genoeg verwijderd was van zijn verdriet wat hij had om Kwame’s dood.

Citaat: “Ik voelde geen behoefte Kwames graf te bezoeken. Het was eind mei, drie maanden na zijn overlijden. Hij was inmiddels in mij teruggekeerd. (De dood brengt iemand soms nader dan het leven. Je draagt wat je lief was voortaan bij je. Nooit schiet je meer tekort. Niets valt er nog te verliezen. Niemand komt er nog tussen. Zo stelt de dood dat wat hij ons afneemt, ook voor altijd veilig.)” Dit staat op bladzijde 333, onderaan.

In Indië kwam Aquasi onder de hoede van Cornelius de Groot, z’n oud studiegenoot, als z’n secretaris. Bij z’n eerste grote diner werd hij vernederd, er was niet gedekt voor hem, hij moest bij de bedienden eten.

In 1852 was Aquasi op de Molukken aangekomen voor een inspectiereis van de tinmijnen, samen met Cornelius. Het regende en het rijtuig was er nog niet om hun op te halen, wel was er een inlandse jongen die op hun bagage moest passen. Maar Cornelius wilde omdat het te lang duurde met paarden rijden naar het huis van de resident en verlangde dat de jongen de koffers daar naar toe droeg, maar hij herhaalde de boodschap dat hij alleen moest oppassen op de bagage totdat zij worden opgehaald. Hierop wilde Cornelius de jongen met een zweep slaan maar Aquasi hield beschermend zijn arm voor de jongen, zodat de zweep op zijn arm terecht kwam en een diepe wond maakte. Uiteindelijk aangekomen bij het huis van de resident verzorgde de jongen de wond van Aquasi en de jongen bleek Ahim te heten.

Aquasi werd bevorderd tot administratief hoofd van het departement voor de mijnen.

In werkelijkheid was de functie niets anders dan de hulp van Cornelius. Hij ontdekte dat het hebben van connecties zeer belangrijk was om hogerop te komen.



Door de vernedering en pijn die hij had moeten lijden was Aquasi alleen maar sterker geworden. Citaat: “Ik ben nooit ontmoedigd geraakt door het geweld dat tegen mij gebruikt werd. Integendeel. Pijn sterkt het zelfbewustzijn. Zelden ben ik van mijn eigenwaarde meer doordrongen geweest dan tijdens een vernedering. Uit zulk verdriet ontstaat een geestelijk inzicht, een helder zien.” Dit staat op bladzijde 375, bovenaan.

Hij was nog steeds in dienst van Cornelius, alhoewel hij wel bevorderd werd tot ingenieur derde klas. Hij werd geweigerd voor een levensverzekering, omdat men voor hem geen promotiekansen zag en hij dus nooit lang ambtenaar zou blijven. Op de vraag hoe zij dit wisten, kreeg hij geen antwoord. Hij ging daarom in mei 1856 naar Nederland, om verhaal te halen waarom er voor hem geen toekomst was weggelegd. Aan boord ontmoette hij Duymaer Twist de ex-gouverneur-generaal die het veld had moeten ruimen voor Pahud, omdat hij te humaan was. Duymaer zorgde ervoor dat Aquasi meer bewegingsvrijdheid kreeg bij Cornelius. Deze had hem een keer onderweg zo hard geschopt dat zijn rib gebroken was en hem achtergelaten. Aangekomen in de stad had Cornelius hem als vermist opgegeven.

Duymaer had het inticident echter onderzocht. Deze leugen had de carrière van Cornelius ernstig beschadigd. Aquasi realiseerde zich dat hij tot geen enkele groep behoorde, groot noch klein, maar toch voor iedereen onmisbaar was.

Aquasi was weer terug in Delft bij mevrouw Van Moock. Haar man was inmiddels overleden. Hoe Aquasi ook probeerde, de koning wilde hem niet ontvangen. Hij ging toen naar Weimar naar Sophie en Carl Alexander. Van Sophie kreeg hij de rede te horen waarom hij door de Staat zo behandeld was. Hij had eens in Weimar onenigheid gehad met Raden Saleh, omdat hij zijn vader beledigd had door te zeggen dat hij zich niet aan het contract hield. Aquasi had daarop de minister van Koloniën aangevallen. Raden Saleh had daarop negatief gerapporteerd naar de koning en daarom was Aquasi uit de gratie gevallen.

Mede door deze kennis kwam Aquasi gesterkt uit Weimar terug.

Begin 1858 ging Aquasi terug naar Java. Hij had de minister gevraagd om schadeloossteling voor al het onrecht dat hem was aangedaan. Hij eiste huur van de landerijen op Java. Dit verzoek werd nog enkele jaren tegengehouden, tot 1862. Hij kreeg een stuk land (1770 ha) op Zuid-Oost Java. Toen hij zijn eerste theeplantjes wilde planten, kwamen de Javaanse werknemers in opstand. Ze eisten een eigen stuk land en weigerden orders te accepteren van een zwarte. Aquasi ontsloeg ze allemaal. Een schoot te hulp, het bleek Ahim te zijn, de jongen die hij eens had beschermd. Naar hem zouden ze wel luisteren, omdat hij als Javaan niet boven hen stond, maar naast hen.



Java 1900

Mevrouw Renselaar had stiekem een sleutel bij laten maken van de lade waarin haar man op zijn werk het dossier van Aquasi bewaarde. Na enige moeite konden ze het dossier lezen. Daarin ontdekte Aquasi dat Van Drunen, die hem en Kwame onder zijn hoede had genomen destijds, een brief had geschreven waarin hij zijn ontslag aankondigde. Dit omdat hij had ontdekt had dat Aquasi’s ontwikkeling geremd werd door een beschikking van hogerhand. Van Drunen had zich het lot van de twee prinsen altijd sterk aangetrokken. Na zijn ontslag ging hij werken in een kampong, een rustoord voor oud-recruten uit Goudkust, die naar afloop van hun contract maar amper middelen van bestaan hadden.

Het was de dag van Aquasi’s jubileum. Adeline had een groot feest georganiseerd.

Ze had geregeld dat Van Drunen op bezoek kwam, die inmiddels 87 jaar was.

Aquasi vroeg hem waarom hij van alles had afgezien en gekozen had voor barmhartigheid in de kampong. Hij antwoordde dat hij hem had willen helpen in 1855, met de vraag waarom hij zo behandeld werd. Hij had het archief gelezen van Aquasi. Doordat gewroet in het archief werd hij overvallen en in elkaar geslagen. Cornelius de Groot bleek hier acher te zitten.

Van Drunen had een brief ontdekt van Pahud, de minister van Koloniën, die hij schreef op 24 juli 1850, daarin stond: “Het principe van noblesse de peau, de verhevenheid van de blanke huid boven een andere, en van de morele en intellectuele superioriteit van het witte ras boven het bruine, waarop onze overheersing in Indië berust, zou een ernstige klap worden toegebracht, wanneer Aquasi Boachi zou worden aangesteld in een aan blanken voorbehouden functie met welke bevoegdheid dan ook” Bladzijde 427.

Van Drunen had deze gedachte nooit kunnen verwerken. Onder zo’n man wilde hij niet dienen. Van Drunen had Aquasi uit Goudkust gehaald om hem de Nederlandse Staat als nieuwe moeder voorgesteld. Later kwam hij erachter dat die slechts haar eigen kinderen voedt en die van anderen te vondeling legt.

Na het gesprek met Van Drunen deed Aquasi een middagdutje en bereidde zich zo in alle rust voor op het feest wat die avond ter ere van hem werd gevierd.

Adeline heeft een fotograaf geregeld en hij gaat met zijn kinderen op de foto.

Aquasi besluit dan om in zijn dankwoord te vertellen over zijn verleden, over het land waar hij vandaan komt, Afrika. Hij besloot het verhaal te gaan vertellen van het ontstaan van Kumasi, hoe er twee takken werden afgebroken van de kuma-boom.



Eigen mening:

Ik vond het een fantastisch boek om te lezen! Heel erg mooi beschreven, ik wilde gewoon elke keer niet stoppen met lezen, omdat ik me dan weer afvroeg hoe het verder zou gaan met Kwasi en Kwame. Het is mijn eerste hele dikke literatuurboek wat ik heb gelezen. Ik heb wel gemerkt dat ik niet meer zo’n dik boek ga lezen om daar een boekverslag van te maken, want als je alleen al kijkt naar de samenvatting, daar alleen al ben je uren mee bezig. Ik ga zeker nog meer van deze dikke boeken lezen die een mooi verhaal beschrijven, maar dan gebruik ik ze niet voor een boekverslag, dat is me toch iets te onhandig.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.