De vlieger door Maarten 't Hart

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 4e klas havo | 6474 woorden
  • 5 maart 2007
  • 18 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 18 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1998
Pagina's
227
Geschikt voor
havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover De vlieger
Shadow
De vlieger door Maarten 't Hart
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
1 Beschrijving

Maarten ’t Hart, De vlieger, Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1998, tweede druk.

2 Titel en ondertitel

De titel slaat letterlijk op de vlieger die vader en zoon samen hebben gemaakt en opgelaten. Als de ik-persoon een keer alleen gaat vliegeren wordt het touw doorgesneden. Hierdoor ontmoet hij Ginus. Ginus wordt uit de kerk gezet. Dat heet ook afsnijden. In de epiloog blijkt dat de ik-persoon ook niet meer naar de kerk gaat. Hier is dus een verband. De vlieger is niet in heel het verhaal aanwezig, hierdoor is het geen hoofdmotief.

3 Voorwerk

Er staat geen opdracht of motto in.


4 Samenvatting

1

Mijn vader is grafdelver op een protestantse kerkhof. Meestal ben ik op mijn zolderkamertje aan het lezen als hij thuis komt. Als mijn vader eenmaal in zijn leunstoel naast de kachel zit en de goede keuze heeft gemaakt, eerst een trek van zijn sigaret en daarna een slok van zijn koffie, hoefden we hem maar één vraag te stellen: ‘Is meneer Rampenne vandaag nog langs geweest?’ Hij begon te vertellen over de stokoude man, waarmee hij met briefjes communiceerde. Na zo’n gesprek ligt het hele kerkhof vol met briefjes met soms maar twee woorden erop. Mijn vader moet die briefjes dan gaan opruimen.

2

Ai van Leeuwen kwam een pak bezorgen. Het was een kruis voor de
rooms-katholieke mevrouw Kraaijenvanger. Het kruis was van tropisch hardhout de verpakking van lichtbruin, licht, soepel papier en de latjes waren van essenhout. Op het kruis zat een Jezusje met een doornenkroon en een doek om zich heen.
Mijn vader wil nu met mij een vlieger gaan maken van de verpakking en de latjes.

3

In het baarhuisje deed mijn vader net of hij er alles van af wist toen we de vlieger gingen maken. Er werd op de deur geklopt. Het was een blauwgrijze reiger. Mijn vader begon tegen hem te praten. Het vliegpapier legde hij tussen een oud baarkleed dat hij van tevoren in de sloot nat had gemaakt. Mijn vader besliste dat hij 1 meter twintig bij negentig centimeter zou worden. Terwijl ik op de uitkeek op Rampenne niet aankwam, maakte mijn vader de kruisverbinding. Toen hij klaar was gingen we kijken of hij in evenwicht was. De reiger keek mee. Mijn vader maakte de kruisverbinding perfect. Daar kwam Rampenne aan. Ik moest met het kruis weglopen terwijl mijn vader Rampenne aan de praat hield.

4


Een week lang ging ik uit school naar het lijkenhuisje. Mijn vader knutselde dan aan de vlieger, terwijl ik keek of er geen pottenkijkers kwamen. Als ik mee wilde helpen, zei mijn vader dat dat niet hoefde. Als staart gebruikten we een gepunnikt touw.
’s Avonds wilde mijn vader de vlieger gaan uitproberen. Ik wilde lezen, maar hij stond erop dat we gingen vliegeren. We probeerden bij het roomse kerkhof te gaan vliegeren, maar er was te weinig wind. Het kerkhof lag in de polder met fijn, lichtgrijs zand. Mijn vader kon het niet laten om even op het kerkhof te gaan kijken. Ik moest op hem wachten. Volgens hem was het daar een smerige zooi, overal onkruid en de Jezusjes waren helemaal smoezelig.

5

Bijna elke avond probeerden we te gaan vliegeren. Mijn vader maakte er enveloppen aan de staart vast met een wens. Ik vroeg altijd om een bepaald boek. Hij vond dat niks. Na het vliegeren ging hij altijd bij het rooms kerkhof kijken.

6

Als ik naar de openbare bibliotheek reed, reed ik langs de roomse bibliotheek. Het zou handig zijn als ik daar ook lid van werd. Dan kon ik hele andere boeken lezen. Met veel moeite stapte ik binnen. Er was helemaal niemand, behalve twee medewerksters. Ik liet me registreren en wilde boeken meenemen. Helaas mocht ik het boek De vrouw met de zes slapers niet meenemen, want er zat een rode sticker op. Ik mocht hem alleen meenemen als ik toestemming had van de pastoor.

7

Ik had halverwege de middag een roman uit. Ik besloot de rest van de middag te gaan vliegeren. Het was moeilijk om in je eentje te gaan vliegeren. Maar het lukte, totdat twee jongens eraan kwamen. Een tengere en een dikke. Ze probeerden mijn vlieger af te pakken. Toen dat niet lukte sneed de dikke jongen het touw door en Cor schopte ondertussen tegen mijn enkel. De vlieger vloog weg. Wat zou mijn vader boos zijn!

8

Rond Kerstmis liep ik door een armoedig straatje, het Stronikaadje, waar nooit iemand kwam. Opeens zag ik mijn vlieger tegen één van de huisjes staan. Ik belde aan en werd binnen gelaten. De deur klemde wel heel erg. De man Gilkinus van Diepenburch woonde er samen met zijn vrouw, dochter en hond. Hij had lange, witte vingers, golvend, zwart haar en als hij lachte leek hij op Jezus. Hij stelde me vragen. Hij wilde er zeker van zijn, dat de vlieger van mij was. Ik kreeg de vlieger mee, doordat ik de hele vlieger aan een jongen zou nemen, in plaats van de helft aan mij en de helft aan een jongen (net zoals in de bijbel). Hij wilde dat hij ook op het lyceum zat, net zoals ik. Hij wist meteen toen hij me zag dat de vlieger van mij was. Zijn dochter stak haar hoofd om de deur. Ik had haar eerder gezien. Hij wilde er een visvlieger van maken en gaan vissen.

9

Toen ik het aan mijn vader vertelde zei hij: ‘Mattheus 25 vers 21.’ Bij de roomse begraafplaats werden galerijflats gebouwd. Niemand wist eigenlijk precies wat het was, maar toch schreven mensen zich in. Ook bijna al de buren. Er moest ook een nieuwe wijkpredikant komen. Eerst was het dominee H.J. Hindervoet, maar hij had een middenscheiding. Mensen konden op woensdagavond hun mening zeggen in de Jabbokkerk. Verschillende mensen hadden hun mening verwoord. De één was er tegen en de ander voor. Als laatste kwam Gilkinus aan het woord. Hij zei dat in de bijbel alleen over haar werd gesproken in 1 Timotheus 6 vers 4. Daarin stond dat haarkloverijen een bron van nijd, twist en lasteringen zijn. Zij waren nu bezig met haarkloverijen.

10

Dominee H.J. Hindervoet werd beroepen. Doordat iedereen ging verhuizen kregen we nieuwe buren. Een jong stel. ’s Avonds hoorde ik ze kreunen, jammeren en lachen. Ik vroeg aan mijn vader of ze ziek waren, maar volgens mij vader leerde ik nog wel wat er aan de hand was. Ik moest van mijn moeder naar de zolderkamer aan de achterkant van het huis verhuizen. Achter ons zag ik hetzelfe meisje als bij Gilkinus. Ik liep een blokje om en zag hem zelf. Ze waren aan het verhuizen. Ik hielp mee en zag het mooiste meisje ter wereld. Ondertussen wilde Gilkinus over van alles alles weten, maar ik wist geen antwoorden.

11

Machteld was bijna zeventien en liep altijd straal langs me heen. Ik was te jong voor haar, ondanks dat ze zeer eigenwijs was. Gelukkig ben ik dikke maatjes geworden met de hond. Gilkinus en zijn vrouw kwamen op bezoek. Mijn vader vroeg meteen of ze gecremeerd of begraven wilde worden. Gilkinus wilde wel eerst door een gehaktmolen en daarna als compost uitgestrooid worden. Zijn vrouw wilde gewoon begraven worden. Gilkinus goot teer bij Key & Kramer. Gilkinus ging volgens zijn vrouw altijd tegen de draad in. Toen Gilkinus en mijn vader gingen dammen, ging zijn vrouw naar huis. Mijn vader vond het leuk dat Gilkinus zo goed kon dammen. Hij mocht vaker komen.

12

De pastoor was bij mijn vader langs geweest. Hij vroeg of mijn vader de skeletten wilde opgraven en aar een nieuwe roomse kerkhof wilde vervoeren in verband met de nieuwbouw. Mijn vader deed het alleen als hij een dragline mocht gebruiken.

13

Door de drukte met school, ga ik dinsdagavond met de meisjes naar catechisatie in plaats van maandagavond. Daar is Machteld dan ook. Ze ziet me nog steeds niet. Iedere week moeten we vragen en antwoorden leren. Alleen ik doe dat. Machteld liet op een avond duidelijk blijken dat ze niet gelooft. Mijn vader wil dat Gilkinus bij de plantsoenendienst komt werken in plaats van in de teer. Misschien kunnen ze dan samen als maatjes werken. Maar Ginus wilde dat hij had doorgestudeerd.

14

Meneer Alers van de gemeente wilde perse dat mijn vader de graven één voor één openmaakte, de botjes netjes bij elkaar deed en ze zo verhuizen. Mijn vader wilde het alleen doen als hij Ginus uit de Pieter Schimstraat kreeg als hulpje. Ginus zag het nog niet helemaal zitten, omdat hij minder loon kreeg. Maar zijn vrouw zag alleen de positieve kanten ervan.

15

Doordat er een ongeluk was gebeurd bij Key & Kramer, ging Ginus naar de gemeente. Na een stage bij de plantsoenendienst werd hij assistent-grafdelver. Hij doet alles perfect en zonder te mopperen. Hij wil alleen doorleren en dat ergert mijn vader soms wel eens. Mijn vader hoorde niks meer over de katholieken en hun kerkhof, ondanks dat Alers soms op de begraafplaats rondliep.

16

Ik zag Machteld zelden meer, nu ik niet meer bij de meisjes catechisatie volgde. Op een zonnige najaarzondag, die evengoed een voorjaarszondag had kunnen zijn, kwam ik haar tegen bij de Wedde, de dijkopgang. Ik vroeg me af of ik het echt had beleefd of gedroomd. Ze had een zonnebril op, dat uitzonderlijk was voor haar eenvoudige afkomst, en een groene jurk met gouden cirkels. Ze remde en keek me aan, maar ze zag niks. Ze fietste onder aan de dijk en ik boven op de dijk. Ze reed naar een grote boerderij. Daar was een man van ongeveer twintig jaar. Ze schreeuwden tegen elkaar, maar ik verstond ze niet. De rest weet ik niet meer.

17

Zondags in het najaar in de kerk kregen we te horen dat als iemand niet oppaste hij uit de kerk werd gezet. We dachten eerst dat meneer Knevelaar overspel had gepleegd, maar het bleek dat Ginus het niet eens was met hoe de zonden werden vergeven volgens de dominee. Hij kon nergens in de bijbel vinden dat God alleen vergaf via de kruisdood en zondebloed zoals de dominee beweerde. Ginus vond dat God ook rechtstreeks vergaf. Hij vertelde dat alles aan mijn vader op de begraafplaats. Hij kon Ginus ook niet overhalen. Het enige wat Ginus na een tijdje zei: ‘ik kan alleen niemand vergeven die mijn dochter ook maar een haar zou krenken.’

18

Mijn vader kwam zonder gefluit thuis. Hij was een graf aan het maken en net naast de sloot lag een spoorlijn waar iemand aanbezig was. Ze hadden een praatje gemaakt en opeens hoorde hij een harde klap. Een trein was tegen de werker aangereden. ’s Middags kreeg hij te horen dat aan het eind van de dag hij hem moest begraven in het graf dat hij op dat moment aan het graven was. De directeur, meneer Kloet, kwam ook langs om te kijken en mijn vader over te halen de roomse begraafplaats te verplaatsen. Hij kreeg twee collega’s mee als hij dat wilde, maar mijn vader deed het niet.

19

Ik ging naar de roomse bibliotheek. Binnen hoorde ik gesteun en gestommel achter de deur, net als de nieuwe buren deden. Ik ging zover mogelijk van de deur staan en ging daar boeken zoeken. Het waren oude stoffige boeken. Ik pakte een boek en moest niezen van de stof. Uit de deur kwam een pastoor met een rood hoofd. Hij keek me aan. Ik zocht snel verder en ging naar de inleverbalie. Eén van de helpsters kwam en hielp me snel. Ik mocht een boek meenemen met een rode sticker. Ze keken me na.

20

Bij Ginus waren Schelleboom en Robbemond, een paar ouderlingen, langsgekomen. Ze probeerden Ginus te overtuigen. Ik en mijn vader keken vanuit mijn zolderkamer zo de huiskamer van Ginus binnen. Mijn vader vond het maar niks dat Schelleboom en Robbemond daar zaten. Het had toch geen zin.

21

Zondags in de kerk werd voor de tweede keer de vermaning voor gelezen, nu met de naam van Ginus. De week daarop werd het Heilig Avondmaal gevierd. De dominee brak het brood en nam een slokje wijn en gaf het aan degene die links of rechts van hem zat. Maar eerst werden het formulier voorgelezen waarin stond dat Jezus zei dat zijn bloed vergoten werd tot verzoening der zonden. Ginus zou er niet aan deel mogen nemen. Toen iedereen werd uitgenodigd om aan de tafel te gaan zitten, gingen ook Ginus en zijn vrouw naar voren. Broeder Baatenburg probeerde ze tegen te houden, maar ze waren al gaan zitten schuin tegenover de dominee. Broeder Deurloo fluisterde Ginus wat in het oor. Ginus schudde ‘nee’. Deurloo fluisterde verder en toen vertrok Ginus samen met zijn vrouw.

22

Mijn vader had het ’s ochtends met Ginus over het H.A. gehad. Ginus hield er zijn eigen beredenering over. ’s Middags kwam de burgemeester Meneer Schwartz. Hij probeerde mijnvader over te halen om te gaan graven. Ze spraken af dat Ginus een keer zijn ideeën bekendmaakte in de mannenvereniging Schrift en Belijdenis om er zo over te kunnen discussieren.

23

Ginus mocht niet naar de mannenvereniging komen. Donderdag kwam er een roodharige professor van de Vrije Universiteit om Ginus te proberen te overtuigen. Mijn vader wilde via mijn kamer kijken en ik moest perse meekijken. Ginus en de professor zaten in de bijbel te bladeren. Mijn vader wilde weten waar ze aan het bladeren waren. Ik moest de bijbel gaan halen, maar mijn vader was sneller. Het gesprek duurde maar kort. Daarna kwam Ginus bij ons dammen. Hij vertelde dat de professor hem niet had overtuigd. Ze hadden in Petrus zitten bladeren. Tussen mijn vader en Ginus ontstond een discussie, maar ze hielden beide bij hun eigen standpunten.

24

Ginus was opgeknapt van de professor volgens mijn vader, maar hij bleef discussieren met de ouderlingen. De week na het Heilig Avondmaal werd de derde en laatste aanmaning gedaan. Mijn vader hoopte dat Ginus van tevoren zich terugtrok uit de kerk, voordat ze hem eruit gooiden. Toen we terug reden naar huis zagen we zijn dochter. Mijn adem en mijn vaders stokte even.

25

Ik was bij de veerboot en zag een hond erop rennen. De dekknecht wilde hem in het water gooien, omdat hij al jaren zonder te betalen mee vaarde. Opeens stond ik achter een bus op de boot. Ik wilde niet mee, maar wilde de hond redden. Het bleek dat het de hond van Ginus was. De dekknecht kreeg de hond te pakken. Ik probeerde hem nog te redden, maar ik was te laat. De hond verdween in de Maas. Ik zag hem de verkeerde kant op zwemmen en riep hem. Hij draaide zich om en zwom de goede kant op. Doordat een vrachtvaarder grote golfen maakte, werd de hond naar de kant geduwd. Ik stapte in het water om hem eruit te halen. We zaten tot de schemer aan de kant. Een andere dekknecht kwam vragen of we niet terug moesten. Ik en de hond mochten gratis mee, want ik had geen geld bij. De hond wilde niet, maar hij moest. Ik bracht hem terug bij Ginus. Machteld deed de deur open en deed net of ze me niet zag staan. De hond wilde me volgen, maar de deur werd net op tijd dichtgedaan.

26

Er was lang geen bezoek geweest bij Ginus, maar op een avond toen ik mijn mechanica opdrachten zat te maken (ik zit op HBS-B in de vierde klas) kwam de pastoor opbezoek. Ik riep mijn vader. Hij was ontzettend bang dat Ginus lijken ging ruimen en hij zou moeten helpen. Maar opeens zag hij dat ze in het Schrift aan het bladeren waren. Ondanks dat bleef mijn vader bang dat Ginus ‘ja’ zou zeggen.

27

De volgende dag kwam mijn vader vrolijk binnen. Hij begon al te vertellen voordat zijn koffie voor hem stond en hij een sigaretje had gedraaid. Ginus had tegen de pastoor gezegd dat hij eerst met zijn chef moest overleggen. Mijn vader bleef volhouden het niet te doen en Ginus was het met hem eens. Ginus en de pastoor hadden het nog over Ginus probleem gehad. Hij kon zijn verhaal kwijt zonder dat de pastoor verhit werd. Dat vond hij fijn.

28

Ginus zat niet lekker in zijn vel, toen ik hem koffie kwam brengen. Het bleek dat zijn dochter zwanger was en met 5 of 6 gehuwde en ongehuwde jongens naar bed was geweest. Ginus wilde zijn dochter wel vermoorden met een bijl, maar dat had hij net niet gedaan.

29

Op een oktoberzondag werd Ginus uit de kerk gezet. De dominee las eerst voor uit de bijbel, toen moest Ginus de kerk verlaten. Eerst wilde hij niet, maar hij ging toch met een opgeheven hoofd.

30

Mijn grootvader was bij ons, toen mijn vader laat thuis kwam. Hij was door de dominee aangesproken op het feit dat hij wilde dat Ginus niet meer voorop mocht lopen bij de begrafenisstoet, omdat hij niet meer bij de kerk hoorde. Mijn vader had gezegd dat hij het met Ginus zou overhebben. Hij mocht de dominee niet erg, omdat die minachtend tegen hem had gedaan. Na zijn verhaal zag mijn vader grootvader zitten. Die kwam alleen vertellen dat hij vanavond niet kwam dammen en vertrok.

31

Mijn vader kwam overstuurd thuis, terwijl hij dat niet wilde toegeven. Ginus had met twee pastoors gepraat. De pastoor uit Nieuw Huyster Lugt wilde een zoon van Chardon huwen met zijn dochter als hij de lijken van de begraafplaats opgraafden. Ginus stemde toe. Nu was mijn vader bang dat hij mee moest gaan helpen.

32

Het was bijna Kerst en ik hielp bij de bakker. Toen ik bij het laatste huisje aankwam in het hof. Ik hoorde geschreeuw en twee mensen die elkaar uitscholden. Even dacht ik verder te lopen, maar toch drukte ik op de bel. Een man deed open. Hij bloedde. Hij schreeuwde en ramde op mijn bakkerskar, toen liep hij weg. Ik riep en er kwam een meid aanlopen. Eerst zag ik het niet, maar het was Machteld. Ze schreeuwde en gaf me een klap. Andere brouwen kwamen aanlopen met mattenkloppers. Machteld sloeg me meteen met een mattenklopper. Ik vond het fijn. Ik werd warm, want het was ontzettend koud en ze negeerde me niet. De vrouwen vonden me een viezerik, omdat ik het fijn vond en gooide met het hofje uit.

33

Mijn vader wilde in Delft grafmaker worden en daarom schreef ik voor hem een sollicitatiebrief. Ginus en hij waren naar de pastoor gegaan en Ginus wilde de lijken wel opgraven. Mijn vader alleen als de pastoor er niet bij was. Hij wilde Ginus ook niet laten vallen.

34

Toen mijn vader met de brandweer naar Antwerpen was voor een oefening, waren twee mensen uit Delft komen kijken naar de begraafplaats. Ze hadden daar Rampennen ontmoet en er mee gepraat. Rampenne had gezegd dat Ginus naar Delft moest. Mijn vader was verontwaardigd. Hij had Rampenne nog nooit kwaad gedaan. Maar het was beter voor Ginus een nieuwe start te kunnen maken. Ginus beloofde ’s avonds te komen helpen met de lijken.

35

Toen ik koffie naar mijn vader ging brengen, trof ik drie mannen aan. Het was een commissie die moest kijken of mijn vader wel geschikt was om de lijken te verhuizen. Mijn vader liet duidelijk merken dat hij niks van katholieken mocht, om zo te proberen onder het klusje uit te komen. Toen de mannen weggingen loerde er één achterdochtig naar mij. Het was degene die ik in de bibliotheek had betrapt.

36

Ik moest perse met mijn vader gaan vliegeren. Eerst hadden we een haring gegeten op de markt en toen waren we naar de sluispolder gegaan, waar het hele maal volgebouwd was. We vliegerden, ik mocht hem vast houden en luisterde naar de aanwijzingen van mijn vader. Toen keek mijn vader naar de begraafplaats. Er was een grote graafmachine bezig om alles op te graven. Doordat we aan het vliegeren waren kon mijn vader stiekem kijken wat ze aan het doen waren. Mijn vader vond het vervelend dat hij was afgewezen. Hij had van Rampenne gehoord dat ze bezig waren. Hij had over het papiertje van Rampenne met ‘vergeven’ erop zand erover gedaan. Toen hij dat deed moest hij aan Ginus denken. Eerst wij er zand over doen en dan God.

Epiloog

Iedere eerste zaterdag van oktober was er de Fluriade. Dan waren er allemaal kraampjes en kon je boten bezichtigen. Vroeger was er een boot, de Flurie. Die moest nodig opgeknapt worden. Door de middenstand werden er kraampjes opgezet en van alles verkocht, om zo geld in te zamelen. Het was zo goed bevallen dat ze het jaar daarop het ook hadden gedaan en nu is het ieder jaar. Ik kreeg een brief van Amnesty International. Ze vroegen of ik een dag in een kooi wilde gaan zitten, om aandacht te vragen voor de politieke gevangenen. Die zaterdag ging ik een halfuur van tevoren van huis weg. Ik liep op de kade en genoot van het uitzicht. Toen het tijd was om naar de kooi te gaan, ging ik er heen. De kooi was van een SM-club en stond onder toezicht van Machteld. Ik herkende haar niet meteen, ze was oud en lelijk geworden en droeg een bril. Ze woonde nu in Den Haag. Ze boeide me en daar zat ik. Ze was drie keer getrouwd geweest, ik had nog steeds dezelfde vrouw. Haar vader was tien jaar nadat ze verhuisd waren, gestorven aan kanker. Mijn vader was al bijna vijfentwintig jaar dood. En toch dacht ik iedere dag aan hem. Vroeger negeerde ze me omdat ze bang voor me was. Ik keek haar zo aan dat het leek dat ik haar wilde verslinden. Ze wist wel dat ik vijf keer op een zondag naar de kerk ging. Misschien was ze toch een beetje verliefd op me geweest. Ze gelooft nog steeds niet meer. Af en toe kwam er een man naar ons toe, om ons met een bijbeltekst te storen. Ze vroeg waarom ik nooit iets over haar vader had geschreven. Ik vertelde dat ik geen fantasie had. Het verhaal had geen dramatisch eind, dus was het geen goed verhaal. Na een lange dag te zitten, werd ik eindelijk bevrijdt. Ondanks de tegenzin van Machteld. Ik had nog wat goed te maken, ondanks ze niet begreep wat ze ermee bedoelde. Ik moest maar een keer langs de club komen. Ik nodigde haar uit, om een keer bij mij thuis te komen. Doordat ik te snel weg liep met mijn stijve ledematen viel ik languit op straat. Ik werd op een rieten stoel op een geïmproviseerd terrasje gezet. Daar zaten twee oude mannen, Sjaak en Stijn. Ze herinnerde mijn vader nog. In november 1944 was er een razzia. Ze zochten alle sterke mannen. Mijn vader kwam rustig aan fietsen, terwijl hij normaal over de dijk fietste naar zijn werk in plaats van over de mart. Hij was helemaal niet bang. Er stond al een groep mannen, waaronder Sjaak, Stijn en Rampenne. Rampenne zag mijn vader en riep tegen de Duitsers dat ze hem ook moesten pakken. Mijn vader maakte een grapje tegen de Duitsers. Ze lagen dubbel van het lachen. Ondertussen konden een paar mannen ontsnappen. Mijn vader stapte op zijn fiets er reed kalmpjes verder. Sjaak en Stijn wisten nu nog niet wat hij toen had gezegd.

5 Genre

‘De vlieger’ is een roman in proza vorm. Want de regels zijn vol, het is ingedeeld in alinea’s en hoofdstukken. Er is geen aandacht besteedt aan het uiterlijk van de tekst. Het is een roman doordat het omvangrijk is. Het boek bevat 227 pagina’s. Er zijn meerdere verhaallijnen en personages. Een subgenre is het geloof. Het geloof speelt een belangrijke rol in het verhaal. Door het geloof wordt de vlieger gemaakt, ontmoet de ik-persoon Ginus en wordt Ginus afgesneden van de kerk. De vader van de
ik-persoon wordt steeds geconfronteerd met de katholieken. Ze willen dat hij hun kerkhof ruimt, maar hij doet dat alleen als hij een dragline mag gebruiken.

6 Tijd

Het verhaal begint ab ovo, want je maakt alle gebeurtenissen in chronologische volgorde mee. Hierdoor is het verhaal chronologisch. Het verhaal staat dus in fabel. Het verhaal is niet continu, want de epiloog speelt zich in de jaren negentig af en het verhaal in de jaren vijftig/zestig. In de tussentijd wordt niks verteld. Hierdoor ontstaat ook meteen een tijdsverdichting. Ook in hoofdstuk vier is er een tijdsverdichting. Er staat: een week lang ga ik elke dag naar het lijkenhuisje. Er wordt dus niet dag voor dag beschreven. Er is een terugverwijzing, als Sjaak en Stijn naar vroeger verwijzen. Doordat de het hele verhaal in de verledentijd staat is het één grote flashback. Hierdoor kijk je terug in de tijd. De vertelde tijd is groter dan de verteltijd. De vertelde tijd is ongeveer een jaar en een dag en de verteltijd is 227 pagina’s.

7 Personages

Er zijn drie hoofdpersonen de oudste zoon, zijn vader en Ginus. Zijn vader speelt een belangrijke rol in het verhaal. Hij is behulpzaam, vriendelijk en rechtvaardig. Maar soms wat nors. Hij is grafdelver. Hij vindt het katholieke geloof maar niks. Ook vindt hij het niks dat zijn zoon hele dagen boeken leest. Hij laat zich niet snel overhalen als hij iets echt niet wilt. Hij neemt zijn vak erg serieus. Hij trekt zich van normen en waarden weinig aan. Hij wil best de begraafplaats met een graafmachine te ruimen. Doordat hij vasthoudt aan zijn standpunt en de mensen van de kerk ook, ruimt een ander het kerkhof (met graafmachine).
De zoon heeft niet echt een rol in het verhaal. Hij vertelt wat hij ziet, doet en hoe hij zich voelt. Hij heeft niet echt een doel. Hij is het oudste, want hij heeft nog een zusje en broertje. Maar die komen niet in het verhaal voor. Hij zit op de HBS-B en kan dus goed leren. Hij luistert graag naar de verhalen van zijn vader en hij leest graag. Hij is verliefd op Machteld.
Gilkinus (Ginus) van Diepenburch, een collega van de vader en achterbuurman van de familie. Hij is jaloers op de verteller, omdat die wel mocht doorleren en hij niet. Hij is standvastig, want hij laat zich niet overtuigen door de kerk dat hij het verkeerd ziet. Hierdoor wordt hij uit de kerk gezet en gaat hij verhuizen naar Delft. Door de vlieger ontmoet de verteller Ginus.
De moeder van de verteller is afzijdig. Ze is nog een beetje ouderwets, want als er nieuwe buren komen moet de verteller maar in een andere slaapkamer gaan slapen. Ook wil ze niet naar de galerijflats verhuizen.
Machteld is knap. Ze is tegen het geloof. Ze vindt het maar niks. Ze gunt de verteller geen blik en slaat hem zelfs een keer. Ze gaat met jongens naar bed. Hierdoor raakt ze zwanger en moet gaan trouwen. Ze heeft altijd ruzie met haar man en wordt geslagen. Na veertig jaar is ze niet zo knap meer als eerst. Ze werkt dan in een
SM-club en doet dat met plezier.
De moeder van Machteld wordt maar even genoemd. Je weet eigenlijk niks over haar.
Rampenne is een doofstomme dagelijkse bezoeker van het kerkhof. Hij communiceert met de vader via briefjes.
De vertegenwoordigers van de kerkgemeenschap zijn antagonisten van de vader. Doordat ze perse alle botjes bij elkaar willen om ze dan opnieuw te begraven, mag de vader het werk niet doen.
Er komen ook twee dieren in voor. Een reiger op de begraafplaats en de hond van Ginus. Zij zijn afzijdig.

8 Ruimte

Het verhaal speelt zich op verschillende plaatsen in Maassluis af. De belangrijkste plek is het kerkhof. Daar vinden veel gesprekken plaats tussen Rampenne, Ginus, de vertegenwoordigers van de kerk en de vader. Het huis van de verteller is ook belangrijk, vanuit daar volgen ze de gesprekken bij Ginus thuis. Ook is de kerk een belangrijke plaats. Daar wordt namelijk Ginus en zijn vrouw buiten gezet. Door de beschrijvingen weet je hoe het er uit zag. Bijvoorbeeld dat er gaslantaarns waren. De kerk speelde een belangrijke rol in die tijd. Zonder de kerk zouden de problemen niet zijn opgedoken. Er bestaat dus een relatie tussen de ruimte en thematiek.

9 Perspectief

Het verhaal staat in de ik-perspectief. Je ziet de andere personen door zijn ogen. Je weet hoe hij zich voelt en hoe hij denkt. Je weet de gedachtes en gevoelens van andere door de ik-persoon. Je weet niet of het waar is wat de ik-persoon zegt, dus is het perspectief subjectief. Het is een achteraf vertellende ik, want het verhaal staat in de verledentijd. De ik-persoon is ongeveer veertig als hij terug kijkt op zijn jeugd. Ik denk wel dat de ik-persoon betrouwbaar is, omdat hij niet echt een grote rol in het verhaal speelt. Hij vertelt alleen wat hij ziet, doet en hoe hij zich voelt.

10 Structuur en geleding

Het boek bestaat uit 36 naamloze hoofdstukken die niet altijd direct iets met elkaar te maken hebben. Het boek heeft ook een epiloog. In de epiloog vertelt de ik-persoon over zijn ontmoeting met Machteld en de twee oude opaatjes. De functie van deze epiloog is vooral laten zien wat de aanleiding was tot het schrijven van de roman, namelijk de ontmoeting met Machteld.
Er zijn alleen witte regels als dominee Baarvink een tekst uit de bijbel voorleest.
Er is een vergelijking als de vlieger doorgesneden wordt en Ginus van de kerk wordt afgesneden. Er wordt een verbinding verbroken. Telkens wordt de vader lastig gevallen met de rooms-katholieken. Ze willen dat hij het kerkhof ruimt, maar door zijn standvastigheid doet hij het niet. Je spreekt hier van herhaling. Ginus is ook standvastig. Hij wil niet toegeven dat de kerk gelijk heeft en houdt aan zijn eigen standpunt vast. Hier is sprake van spiegeling.
Er zijn drie verhaallijnen. Eén van de ik-figuur, één van de vader en één van Ginus. De ik-figuur wil graag met Machteld verkering en verteld hoe hij aan zijn boeken komt. De vader laat duidelijk merken dat hij het kerkhof niet wil ruimen, zonder graafmachine. Je leest van hem hoe het op het kerkhof is en wat hij allemaal beleeft. Je leest hoe Ginus over de bijbel denkt en hoe hij wordt afgesneden.

11 Thema en motieven

Het thema is het gereformeerde geloof. Motieven hiervoor zijn de dialogen tussen de vader van de ik-persoon en Ginus. Ook de discussie tussen Ginus en de gereformeerde kerk is een motief. De kerk speelt een belangrijke rol in het verhaal. De ik-persoon moet naar chatechisatie en mag bepaalde boeken niet lezen. Het geloof is ook belangrijk, want er wordt gediscussieerd over de middenscheiding van de nieuwe dominee.
De vlieger wordt gemaakt van verpakkingsmateriaal van een kruis. Hierdoor ontstaat ook een band met de kerk. Door de vlieger ontmoet de ik-persoon Ginus. Ginus wordt later uit de kerk gezet. Misschien symboliseert het kwijtraken van de vlieger ook het kwijtraken van het gereformeerde geloof van Ginus. Uiteindelijk vindt de
ik-persoon zijn vlieger terug en vindt Ginus een nieuwe kerk en het katholieke geloof.

12 Taalgebruik

De taal heeft een informatieve of referentiële functie. Maar ook een literaire functie. Er worden dingen beschreven die je niet in gesprekken tegen zou komen. De vader gebruikt graag overdrijvingen. Bijvoorbeeld als hij vertelt dat hij een katholiek kruis op de begraafplaats moet zetten. Het is volgens hem een knettergroot grafkuis met zo’n klein Jezusje eraan, dat een beetje kikvors al snel groter is. Hij heeft af en toe een beetje humor. Bijvoorbeeld als hij meneer Schwarz tegen komt. 'Goedemorgen, meneer Schwarz, weet u waarom het zo prettig is als je in je slaap overlijdt?’En hij zei: ‘Ook goedemorgen, ik zou 't niet weten'. En ik zei: ‘Dan merk je pas de volgende morgen dat je dood bent'. In de tekst staan ook bijbelteksten en preken. Bijvoorbeeld de ‘banformulieren’. Ook nemen de discussies over de bijbelteksten een belangrijke plaats in. Er zijn komen veel dialogen in voor. Bijvoorbeeld tussen de vader en Ginus en de afgevaardigden van de katholieken. Ook houdt de vader veel monologen, als hij vertelt wat er die dag is gebeurd. Er zijn beschrijvingen, hierdoor kan je je een beetje voorstellen hoe alles er uit zag. Maarten ’t Hart gebruikt makkelijke woorden en geen lange zinnen, hierdoor leest het prettig. Soms was het lastig met de bijbelteksten als die er niet letterlijk in stonden. Je snapte dan niet helemaal wat ermee bedoeld werd. De taal die de personages gebruiken passen bij ze. De vader die het hoogste woord wil hebben, laat dat zien door te overdrijven en een bepaald soort humor te hebben. Ginus die alles wilt weten en standvastig is, laat dat zien door naar dingen te vragen en in discussies te gaan. De ik-persoon vertelt in makkelijke zinnen wat hij wil en hoe hij zich voelt.

13 Twee recensie vergelijken

De recensie uit het Algemeen Dagblad wordt Maassluis omschreven als een stadje aan de Nieuwe Waterweg tegenover het eiland Rozenburg. In het NRC Handelsblad wordt Maassluis omschreven als een zwartgekoust Zuid-Hollands jarenvijftigstadje. In de recensie uit het NRC Handelsblad wordt uitgebreider verteld over het feit dat Ginus uit de kerk wordt gezet. Volgens de recensies is de vlieger een symbool voor de gelovige die langzaam losraakt van de kerkgemeenschap en het feit dat de vader een vlieger voor zijn zoon maakt. In het Algemeen Dagblad wordt benadrukt dat Ginus én de ik-persoon ontsnappen aan de gereformeerde omgeving. Opvallend is dat in beide recensies dezelfde tekst uit het boek staat: ’Toen ik veertien was, wist ik: God en die hele snertzooi, dat is allemaal grote onzin. () Maar je blijft er maar over dooremmeren.’ ‘Omdat het maar steeds blijft voortbestaan. Omdat de EO de grootste omroep van Nederland is. Omdat er in alle hoeken en gaten van dit kikkerland nog van die griezeldominees preken en catechiseren.’ Ik denk dat deze tekst de gedachte van Maarten het duidelijkst weergeeft. En dat ze daarom deze tekst in hun recensies hebben opgenomen.
Beide recensenten vinden het boek matig. Als je van bijbelcitaten houdt is het een leuk boek om te lezen.

14 Auteur

Maarten 't Hart wordt op 25 november 1944 geboren in Maassluis als oudste zoon van Pau 't Hart (tuinder en later doodgraver van beroep) en Lena van der Giessen. Het gezin bestaat verder uit dochter Lenie (twee jaar jonger dan Maarten) en zoon Arie (zeven jaar jonger). Doordat hij niet met meisjes contact durfde te leggen en geen vrienden had, las hij veel.
De jonge Maarten groeit op in een vrij streng gereformeerd milieu. Het geloof houdt hem dan ook erg bezig. Door de aandrang van een van zijn leraren op de lagere school stemmen zijn ouders (die de MULO mooi genoeg vinden) er in toe dat hij een HBS-opleiding gaat volgen in Vlaardingen. Zelf wil Maarten ook beslist naar de HBS omdat hij later journalist en vervolgens schrijver wil worden. Op zijn twaalfde schrijft hij al een hele roman ('De drie vrienden') die zelfs enkele jaren later in het clubblad van de korfbalvereniging verschijnt.
Na het behalen van het diploma HBS-B gaat hij in Leiden biologie studeren. Tijdens deze periode neemt hij afstand van het christelijk geloof, een ontwikkeling die mede wordt veroorzaakt door het lezen van het werk van Nietzsche.
Van 1965 tot 1967 geeft hij les aan zijn oude middelbare school in Vlaardingen. Het is een periode waar hij weinig genoegen aan beleeft. In 1967, op 15 augustus, trouwt hij met Hanneke van den Muyzenberg die hij een jaar eerder op een feestje heeft leren kennen.
Na het behalen van zijn doctoraal moet Maarten in dienst. Omdat hij zich tijdens zijn studie gespecialiseerd heeft in de ethologie - de wetenschap van het (dier)gedrag -, wordt hij als etholoog aangesteld op een laboratorium van de RVO in Rijswijk. Hij bestudeert er voornamelijk ratten. Na zijn diensttijd krijgt hij begin 1970 een baan bij de Leidse universiteit. Als medewerker van het Zoölogisch Laboratorium verricht hij onderzoek naar stekelbaarzen. In 1978 promoveert hij op een proefschrift over het doorkruipgedrag van de driedoornige stekelbaars. Tot 1987 is hij als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit verbonden. Wanneer in dat jaar ontslagen dreigen vanwege de bezuinigingen, kiest hij (onder zachte drang omdat hij als succesvol auteur de inkomsten niet meer nodig zou hebben) ervoor zich op zijn buiten Teylingerhof in Warmond volledig aan het schrijven te wijden.
Begin jaren negentig gaat hij als travestiet de straat op. Hij noemt zichzelf Maartje.
In 1993 presenteert hij voor de VPRO een televisieprogramma over literatuur waarin hij gesprekken voert met Nederlandstalige auteurs rond een bepaald thema.
In Maassluis werd er in 1999 een wandelroute uitgezet langs de locaties die in het werk van Maarten voorkwamen. In 2003 werd 't Hart bij de jaarlijkse lintjesregen rond Koninginnedag benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Maarten laat overeenkomsten zien tussen zijn leven en het leven in het boek. Het gezin bestaat ook uit vijf personen en zijn vader is ook grafdelver. Het verhaal speelt zich in Maassluis, waar hij is geboren. Hij heeft ook op de HBS-B gezeten net zoals de persoon in het verhaal. Hij is ook gelovig opgevoed en las vroeger ook veel. Hij heeft geen vriendjes en durft geen contact te leggen met Machteld. Later gaat hij ook niet meer naar de kerk.

15 Persoonlijke reactie

Ik heb dit boek gekozen omdat de schrijver bekend is. Ik heb juist voor dit boek gekozen omdat de titel mij aansprak. Als je alleen naar de titel kijkt, zou het een kinderboekje kunnen zijn. Ik werd dus nieuwsgierig, omdat ik wilde weten wat een vlieger in een boek, geschreven voor volwassenen, doet.
Ik vond het een leuk boek. Normaal lees ik boeken over de Tweede Wereldoorlog. De personen zijn vaak heldhaftig en er gebeuren bloederige dingen. Maar nu is de vertellende hoofdpersoon juist verre van heldhaftig en gebeuren er geen bloederige dingen. Het is leuk om nou eens te lezen hoe zo’n persoon tegen het leven aankijkt en wat voor dilemma’s hij moet overwinnen. Het was interessant hoe de vader blijft volhouden om draglines te gebruiken en hoe de kerk er op reageerde. Het bleek heel belangrijk voor ze te zijn dat de botjes één voor één opgegraven werden en daarna weer één voor één te begraven. Nu zouden we er niet moeilijk over doen om een dragline te gebruiken, want dat gaat veel sneller. Ik vond de preken en bijbelstukken soms wat langdradig. Ik zelf had bijbelstukken en preken samengevat, waardoor ze een stuk korter worden. Zielig was dat Ginus uit de kerk werd gezet en ging verhuizen omdat niemand meer met hem wilde praten, alleen de vader en de
ik-persoon. Verrassend was dat in de epiloog de ik-persoon vertelde dat hij niet meer naar de kerk ging, terwijl hij veertig jaar geleden trouw naar de kerk ging en geen dienst miste. En dat Machteld in een SM-club werkte. Ik had dat niet van haar verwacht. Misschien komt dat doordat je haar niet goed leert kennen in het verhaal, want zij komt bijna niet aan bod.

Bronnen

Pieter Steinz ‘Mijn vader moest papen rapen: Maarten ’t Hart over liefde en zwarte kousen’, in: NRC Handelsblad 1998

Frank van Dijl ‘Belevenissen op het graf’, in: Algemeen Dagblad 1998

http://www.knipselkranten.nl

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "De vlieger door Maarten 't Hart"