ADVERTENTIE
Is jouw geschiedenisleraar de allerbeste?

Geef hem of haar dan op voor de titel Geschiedenisleraar van het jaar van het Rijksmuseum. De deadline voor aanmeldingen is 31 maart 2020.

Geef je leraar op!

Titel: De vijand

Oorspr. titel: De vijanden: verhalen. - Brussel: Manteau;

's-Gravenhage: Van Goor Zonen, 1962. (Ad multos-reeks; no. 18)

Gelezen: Penta pocket 9309

Bulkboek Amsterdam 15e druk 1991 78 blz.



Het werk bestaat uit 22 genummerde hoofdstukken van drie, vier of vijf bladzijden, die ieder hun eigen titel hebben. Elke titel van een hoofdstuk geeft weer waarover het hoofdstuk gaat.

Aan hoofdstuk 1 gaat een schuin gedrukte tekst vooraf en aan het eind van hoofdstuk 11 staat ook zo’n schuine tekst.

Het verhaal valt in twee stukken uiteen.





Motto:


On entre en guerre, en entrant dans le monde

Voltaire, Etipres XXXIV.

[Wanneer men de wereld binnenkomt, dan komt men de oorlog binnen].



Opdracht:


Het boek is opgedragen aan de vrienden van vroeger.



Auteur:


Jos Vandeloo



Genre:


oorlogsroman: het verhaal speelt zich af in en na de tweede wereldoorlog, het dorp waar de jongen woont wordt afwisselend door Duitsers en Amerikanen bezet.



Autobiografisch: Het verhaal bevat autobiografische elementen

ik- vorm

Overeenkomsten tussen zijn eigen leven en dat van de hoofdpersoon (ik-figuur)



Novelle: Het verhaal gaat over één belangrijke gebeurtenis n.l. over de Tweede Wereldoorlog door de ogen van een vijftienjarige jongen.

Zijn karakter ontwikkelt zich niet verder naarmate het verhaal vordert.

Er zijn niet zoveel personen aanwezig in het verhaal.



Inhoud:

Het vijftienjarig ik-personage vertelt over zijn ervaringen en belevenissen van de laatste maanden tijdens de tweede wereldoorlog. Hij haat de regen omdat telkens als het regende, iets onaangenaams voor hem gebeurde.



Het verhaal bestaat uit twee delen.

In het eerste deel (hoofdstuk 1 t/m 11) is de oorlog voorbij

In het dorp, vlakbij zijn huis kamperen vier Amerikaanse soldaten met wie hij vriendschap heeft gesloten. De soldaten zijn erg gesteld op de jongen omdat hij hun kolen brengt tegen de koude van het najaar. Daarvoor in ruil krijgt hij vaak eten waar zijn moeder heel blij mee is. Hij leert heel veel van de soldaten en gaat hen als zijn vrienden beschouwen. Hij vertelt over Bea, een meisje van zijn leeftijd die in zijn buurt woont en waar hij op verliefd is. Op een dag ziet de verteller de soldaat Karl, bovenop Bea liggen, maar begrijpt het niet helemaal. Daardoor is hij heel teleurgesteld, want Karl is maar zes jaar ouder en graatmager. Hij denkt vaak na over de gevolgen van de oorlog aan zijn familie. Iedereen is oud en levensmoe geworden.



Het tweede deel (hfst. 12 t/m/22) speelt zich af vlak voor het einde van de oorlog

Zijn vader samen met een paar andere mannen uit het dorp hebben een grote schuilkelder gebouwd omdat de oorlog heviger werd. Het heeft de vorm van een ei en er is plaats voor zo een dertig personen. Steeds vaker moeten ze hun toevlucht nemen tot de bunker wat ze na een tijdje gewoon worden. Als het weer eens regent, wordt er vlak boven de bunker een Duitser neergeschoten. De mannen proberen hem zo goed mogelijk te helpen en leggen hem in een schuur vlakbij de kelder. Ook al werd er nog steeds gevochten, toch gaan er een paar mannen geregeld naar hem kijken, maar zijn toestand vermindert zienderogen. De gestorven Duitser wordt gevonden door een groep soldaten, die de dorpsbewoners in de bunker ervan verdenken hem vermoord te hebben. Alle mannen worden weggebracht en gevangen genomen, waaronder ook de vader van het hoofdpersonage.



Personen:


Hoofdpersoon:

De ik-persoon: zijn naam en uiterlijk zijn niet bekend. Hij woont samen met zijn ouders, zijn twee broers en één zus op het platteland van een Belgisch grensdorpje. Hij is 15 jaar en is verliefd op Bea. Hij zwerft graag rond en sluit vriendschap met de Amerikannse soldaten. Later wil hij ook graag soldaat worden. Hij is idealistisch ( bijv,Hij brengt oorlog in verband met stoerheid en heldendom blz 38) Hij beschouwt zichzelf als de steun en toeverlaat van zijn moeder. Hij is in zichzelf gekeerd en sluit niet zo gauw vriendschap (blz13) Hij denkt meer dan dat hij praat.



Andere personen:


De vader van de hoofdpersoon:

Kalm en standvastig, iemand die bij zijn mening blijft. Hij heeft gezag, mensen hebben ontzag voor hem (blz 56 ze wisten dat hij sterk was en over veel zaken een gezond oordeel had). Hij wordt door de Duitsers meegenomen.



De moeder van de hoofdpersoon:

Zij was voor de oorlog een opgewekte vrouw, die graag lachte en zong.

Aan het einde van de oorlog is ze in zichzelf gekeerd, droevig en moe.

(blz. 15 ik geloof dat de oorlog haar eindeloos moe heeft gemaakt en dat ze nooit meer zal worden als vroeger…)



Bea:

Is een meisje van 15 jaar met donkerrood haar, waarop de hoofdpersoon verliefd is en waarmee hij goed mee overweg kan. Ze zijn samen opgegroeid. Hij ziet haar als een klein meisje met het lichaam van een vrouw (blz 35) Op een dag gaat ze met Karl naar bed. (ze is dus niet zo kinderlijk als de hoofdpersoon haar ziet)



De soldaten:

Paps:

is klein, dik en heeft een rood gezicht. Het is de oudste van de vier soldaten en is een fanatieke en moedige Amerikaan. Hij is chauvinistisch : alleen wat uit Amerika komt is goed. Hij is mild en goedhartig, een vader voor de anderen.



Mac:

de tegenpool van Paps, lang en mager. Hij heeft een vriendelijk gezicht en lacht gemakkelijk. Het is de enige die het hoofdpersonage volledig vertrouwt. Hij praat vlug en binnensmonds Engels.



Karl:

is een bleekgezicht, slungelachtig en graatmager: "Hij is zo dik als zijn geweer". Hij is heel stil. Een jaar of zes ouder dan de hoofdpersoon.



Houston:

is nog niet zo oud, maakt veel grapjes en lijkt op de jongens uit het dorp.

(blz 23 blond, niet overdreven groot, zwijgzaam en met een fijnbesneden gezicht)



Behalve personen worden ook groepen beschreven. (dat zie je aan de hoofdstuktitels).



Dorpsbewoners: een hechte gemeenschap, ze hebben wat voor een ander over (Verzorgen van de Duitse soldaat)



De mannen: traditioneel (kost verdienen, beschermen hun gezinnen en bespreken de toestand in de wereld)



De vrouwen: traditioneel (verzorgen de kinderen, koken en praten over het tekort aan levensmiddelen)

De boeren: gierig, hebzuchtig, sluw en scheinheilig



De soldaten: bange kleine mensen tijdens het gevecht. Na de oorlog vervelen ze zich, drinken en gaan achter de meisjes aan.



Plaats:


Het hele verhaal speelt zich af in een grensdorp tussen België en Nederland. (ze gingen wel eens naar Nederland om graan te halen dat daar goedkoper was dan in België zelf.) De hoofdpersoon woont in een kleine gemeenschap van zes huizen even buiten het dorp. Vooral in het korenveld aan de overkant van de weg waar de Amerikanen kampeerden speelt het eerste deel van het verhaal zich af. Er wordt veel aandacht besteed aan de beschrijving van de plaatsen (Hoofdstuktitels: De huizen, Het veld, Het kamp, De uitkijktoren enz)

Na pagina 53 kent het verhaal zijn verloop in en rond de schuilkelder in of vlakbij het dorp. Een grote kuil overdekt met balken, takken, aarde en graszoden.

De beschrijvingen zorgen voor een bepaalde sfeer in het boek, bijvoorbeeld de schuilkelder schept een sfeer van opgesloten te zijn, te wachten op betere tijden, machteloos te staan.

Ook de beschrijving van de weersomstandigheden is belangrijk. Telkens wijst de hoofdpersoon erop dat het onafgebroken regent. Dit schept een sfeer van troosteloosheid en somberheid. Het blijft hem bij dat er op regenachtige dagen altijd vervelende dingen gebeuren.(schuingedrukte teksten voor hoofdstuk1 en na hoofdstuk 11)



Tijd:


Vertelde tijd:

Het verhaal speelt zich af aan het einde van de tweede wereldoorlog en vlak na de bevrijding.

Hoofdstuk 1 t/m 11 speelt zich af in een dag, de dag waarop de hoofdpersoon Bea met Karl betrapt. Regelmatig zijn er flash backs van de voorbije zes weken. Zolang zijn de Amerikanen er al. (Schuine tekst aan het eind van hoofdstuk 11). Deze hoofdstukken zijn in de tegenwoordige tijd geschreven.

Hoofdstuk 12 t/m 22 zijn in de verleden tijd geschreven. (flashback: nadat hij Bea samen met Karel gezien heeft denkt hij terug aan de dag ‘precies zes weken geleden voordat de Amerikanen kwamen’. Schuine tekst na hfst 11)

De vertelde tijd in hoofdstuk 12 en 13 is niet zo duidelijk (dagen lang, enkele dagen tijdens de oorlog, een tijd later).

De gebeurtenissen vanaf hoofdstuk 14 spelen zich af in één nacht en de daaropvolgende dag. Uit de schuine tekst na hoofdstuk 11 blijkt ’zes weken geleden, een dag juist voor de Amerikanen kwamen”.

Als het verhaal in chronologische volgorde verteld zou zijn, zouden de hoofdstukken 12t/m 22 vóór de hoofdstukken 1 t/m11 moeten komen.



De verteltijd


15e druk 1991 78 blz.

Begin:

In het begin van het boek is er een cursief gedrukte tekst. Deze tekst is een soort inleiding naar het eerste hoofdstuk toe. Het hoofdpersonage vertelt hierin dat hij altijd aan de vijand moet denken wanneer het regent.



Het eerste hoofdstuk heet ‘De Huizen’. Daarin wordt een beschrijving gegeven van de zes huizen langs de straatweg waar de hoofdpersoon woont. (zes huizen en een oude schuur)

Ook de solidariteit van de dorpsgemeenschap wordt beschreven (de vanzelfsprekende en natuurlijke vorm van vriendschapen menselijkheid..)

Bij het oversteken van de weg ziet hij de overblijfselen van een Duitse kar waardoor hij er aan moet denken, hoe de Duitse soldaten vluchtten.(blz 9)

Hij wil daar niet meer aan denken, het is voorbij.



Probleem en afloop:


Dit boek gaat over een jongen die leeft in de oorlogstijd. Hij is vijftien jaar en dan hoor je naar school te gaan en met je vrienden om te gaan maar deze jongen had een heel ander leven.

Hij moest proberen te overleven in een tijd van oorlog..

De verteller vindt dit heel verwarrend, hij heeft het moeilijk om zijn vijanden van zijn vrienden te scheiden.

Bijv. De hoofdpersoon doet zijn uiterste best om voor de Amerikanen een goede vriend te zijn, toch pikt een van hem zijn vriendinnetje in.

Bijv. De mannen uit het dorp doen alles om het lijden van de gewonde Duitser te verzachten, toch worden zij gevangen genomen.

De jongen gelooft eerst in vriendschap en gerechtigheid. Ten slotte weet hij wel beter (hfst 11 hij heeft het ineens koud)

(schuine tekst na hfst.11)

Met de beste bedoelingen kun je het noodlot over je afroepen, in het leven gaat het vaak anders dan je wilt.Ieder mens is in zekere zin zijn eigen vijand.

Aan de ondergang van vriendschap en menselijkheid zijn zowel de Duitse als de Amerikaanse soldaten schuldig.



Op het eerste gezicht zou je kunnen zeggen dat het boek een open einde heeft – de afloop wordt niet meegedeeld. Maar die afloop wordt wel sterk gesuggereerd: je weet bijna zeker dat de mannen uit het dorp nooit zullen terugkeren. Dus je moet toch wel spreken van een gesloten einde van deze novelle.



Door middel van dit boek uit de schrijver kritiek op de oorlogvoerenden die onschuldige burgers tot slachtoffers maken.



Perspectief:


Het verhaal wordt in de ik-vorm vertelt. De vijand is geschreven in een ik-vertelsituatie. De hoofdpersoon treedt als verteller op en geeft weer wat hij zelf heeft meegemaakt. De belevende-ik is vooral te vinden na pagina 53.

Er is weinig dialoog, maar vooral veel beschrijvingen.



Titel:


Uit het titelhoofdstuk blijkt dat de hoofdpersoon de Duitsers in de Tweede wereld oorlog als vijand ziet.. De vijand neemt zijn vader en enkele andere mannen uit de buurt gevangen omdat ze denken dat zij een Duitse soldaat hebben vermoord.

In de schuine tekst na hfst 11 wordt er een antwoord gegeven op de vraag:"Wie is de vijand?".

Maar wie is tenslotte de vijand? Iedereen is de vijand en niemand is de vijand. Misschien zijn wij onze eigen vijand?" Deze passage geeft weer hoe moeilijk het is vriend en vijand van elkaar te onderscheiden in tijden van oorlog.

De hoofdpersoon is er niet meer zo zeker van dat (alleen) de Duitsers de vijand zijn, en kun je de gewonde Duitser wel als vijand zien (niemand is vijand)

Zijn wij zelfs niet onze eigen vijand?

Met de beste bedoelingen kun je het noodlot over je afroepen, in het leven gaat het vaak anders dan je wilt. Ieder mens is in zekere zin zijn eigen vijand.



Motto:


'On entre en guerre, en entrant dans le monde'



Voltaire, Epitre, XXXIV



vertaling:

'Men komt in oorlog bij het betreden van de wereld'



Heel de wereld is een slagveld. Als je geboren wordt kom je automatisch in de oorlog terecht.



Opdracht:


Het boek is opgedragen aan ‘de vrienden van vroeger’:

Mensen die de oorlog meegemaakt hebben’

De Amerikanen die hij als als vrienden beschouwde.

Ondergang van vriendschap en menselijkheid (door oorlog)



Schuine teksten:

Wanneer het regent hangt er onheil in de lucht. Het hoofdpersonage ondervindt dit zelf. Het regende bijvoorbeeld toen de Duitse soldaat vlakbij hun bunker neergeschoten werd. Toen hij Bea samen met de Amerikaanse soldaat zag, regende het ook. De regen heeft nadrukkelijk te maken met de vijand en schept een sfeer van troosteloosheid. Regen en ellende zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden



Beoordeling:


Verwarrend: De opbouw van het verhaal is in het begin erg verwarrend, omdat het boek begint met de periode na de bevrijding, gevolgd door de periode tijdens de oorlog. Naarmate je verder leest begint het een logisch geheel te worden. In het begin wordt namelijk helemaal niets vertelt over de vader van de jongen, deze blijkt dus opgepakt te zijn door de Duitsers.

Spannend: In het eerste deel gebeurt niet veel, het bestaat vooral uit beschrijvingen. Het spannendste deel is het tweede deel hfst. 12t/m22, die zich afspelen in de bunker en waar de dreiging van de vijand goed voelbaar is. Vooral vanaf hfst 17 wanneer de Duitse soldaat neergeschoten wordt, lees je het in een ruk uit, je bent benieuwd hoe het afloopt.

Niet moeilijk te lezen: De zinnen zijn van een mooie lengte; ze zijn halflang. Dat leest gemakkelijk. Je komt hier en daar dialoog tegen, maar vooral zie je veel beschrijvingen Aan sommige woorden kun je merken dat de schrijver Vlaams is b.v. ‘gans’ blz 31, ‘snaken’ blz23, ‘gaarne’ blz 38, ‘schrander’ blz 50. Maar het boek is in eenvoudige begrijpelijke taal geschreven.

Moeilijk te begrijpen: je moet je erg inleven in het boek en je gedachten erbij houden. Een keer lezen is niet genoeg. Dat het boek in eenvoudige taal geschreven is maakt het verhaal heel indringend maar juist wel moeilijk om goed te begrijpen. Ik moest het twee keer lezen. Dit heeft zeker ook te maken met de indeling van het boek.

Aangrijpend: Het is een aangrijpend verhaal. Daarbij speelt zeker mee dat het een jongen van mijn eigen leeftijd is, die dit meemaakt. Het meest aangrijpend zijn de laatste vijf hoofdstukken De angst, de onzekerheid en de stilte, die er heerst in de schuilkelder waarin de jongen en alle andere buurtbewoners leven wanneer er buiten oorlog wordt gevoerd, wordt zeer goed weergegeven.

Meeslepend: Door de manier van schrijven kon ik me heel goed inleven. De vele beschrijvingen zorgen er voor dat je het a.h.w. kunt ‘zien’. Ook omdat je alleen maar de informatie weet die de ikpersoon geeft is het heel meeslepend, want je weet niet wat er zal gebeuren.

Realistisch: Het verhaal bevat autobiografische elementen, er zijn overeenkomsten tussen zijn eigen leven en dat van de hoofdfiguur. Wel komt de jongen veel volwassener over dan je van een vijftienjarige verwacht.Tegelijkertijd is het ook een verhaal wat andere mensen in die tijd ook meegemaakt zouden kunnen hebben



Waarom gekozen:

Ik heb dit boek gekozen omdat ik graag boeken over de Tweede Wereldoorlog lees. Toen ik op de achterkant van het boek las dat het over een vijftienjarige jongen ging sprak me dat wel aan. Een voordeel was ook dat het geen dik boek was.



De Schrijver:


Jos Vandeloo werd geboren te Zonhoven op 5 september 1925 in een mijnwerkersgezin. Zijn vader was mijnwerker, later mijnopzichter. Jos Vandeloo volgde de lagere school in zijn geboortedorp. Middelbaar onderwijs genoot hij te Hasselt. Daarna kreeg hij een opleiding als scheikundige in de mijnindustrie. Als steenkolendeskundige werd hij naar het buitenland gezonden, o.a. naar het Ruhrgebied. Herinneringen aan zijn mijntijd vindt men o.a. terug in "Een mannetje uit Polen" (1965) en "De muggen" (1973). Hij ervaarde zijn technische opleiding echter als te beperkt en ging aan de Koninklijk Academie en het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen Nederlandse en Franse letteren studeren. Hier doceerde hij later trouwens een paar jaar "Literatuur". Na tussen 1945 en 1955 reeds tientallen korte verhalen geschreven te hebben, debuteerde hij in 1955 voorgoed met de dichtbundel "Speelse parade". Hij vestigde zich te Antwerpen en werkte voor de uitgeverij Manteau. Ondertussen was hij in 1949 gehuwd met Lisette. Uit dit huwelijk werd in 1950 de zoon Ferdy geboren. In 1954 kwam dochter Anita ter wereld, nog in 1964 gevolgd door zoon Dirk.

In de jaren '60 was Jos Vandeloo een tijdlang 's zaterdags sportverslaggever bij de toenmalige BRT. Sinds 1982 is hij fulltime schrijver. Bekend werd hij met het verhaal "De muur" (1958), dat eigenlijk getuigt van een weinig optimistische levensvisie, en met "Het gevaar" (1960) waarin de schrijver als één van de eersten de gevaren van de atoomenergie naar voren brengt. Zij literaire loopbaan wordt tweemaal onderbroken door een inzinking, nl. in 1963 toen zijn oudste zoon een ernstig verkeersongeval meemaakte, en in 1969 toen hij zelf het slachtoffer werd van een verkeersongeval.

De voornaamste thema's in het werk van Jos Vandeloo zijn de eenzaamheid, de vervreemding, de angst, de gevaren van de moderne maatschappij, dit alles doorweven met een drang naar een soort irreële paradijselijke leefwereld. Op een sobere doch doordringende wijze heeft hij het over de belaging van onze maatschappij door de toenemende technische mogelijkheden.

Jos Vandeloo werd met zijn verhalen en romans in heel Europa bekend. Zijn werk werd in de meeste Europese talen vertaald, tot het in het Russisch toe. Hij behoort tot één van de meest gelezen auteurs van zijn generatie met o.a. "De croton" (1962), "De coladrinkers" (1968), "Mannen" (1975), "Les Hollandais sont là" (1985), "De vogelvrouw" (1993). Naast romans, verhalen en gedichten schreef hij een groot aantal scenario's voor de Vlaamse en Nederlandse televisie, toneelstukken en kinderverhalen. Zijn werk werd bekroond met verscheidene literaire prijzen.

Het weer is erg belangrijk en symbolisch, want elke keer als er vervelende dingen gebeuren (gevechten, Bea die met Karl vrijt) regent het.

Opmerking: Voor deze leeshulp is de uitgave uit 1974, de zevende druk gebruikt.



Paginanummers verwijzen naar deze druk.

Het boek verscheen als aparte novelle in 1964 voor het eerst. (Voor dat jaar was er een verhalenbundel van Vandeloo met de titel De vijand verschenen).



1. Het is erg belangrijk dat je kijkt naar de bouw van dit boek.

Je ziet: er zijn 22 korte hoofdstukken.

Die hebben alle een titel, het laatste hoofdstuk heet 'De vijand.

De titels geven enig houvast om het verhaal te onthouden. Je zou ze even kunnen noteren.



2. Let nu eens goed op de werkwoordstijden waarin het boek is geschreven. Dan valt je iets bijzonders in de structuur op. Welke tijd hebben de hoofdstukken 1 t/m 11? En in welke tijdsvorm zijn de hoofdstukken 12 t/m 22 geschreven?



3. Je ziet nu duidelijk dat er een eerste deel is (hoofdstuk 1-11) en een tweede deel (hoofdstuk 12 – 22).

Hoe zit het nu met de volgorde? Heb je, toen je het boek las, je gerealiseerd dat deel 2 in de tijd zich eerder afspeelt dan het eerste deel?



4. Als je erover nadenkt herinner je je misschien dat in het eerste deel de moeder van de jongen als een treurende vrouw wordt beschreven. (blz. 17-19). We begrijpen dat pas na deel twee. Wat is er met haar man gebeurd? (Helemaal exact zeker weet de lezer dit niet, we zouden kunnen aannemen dat de mannen zijn gedood – de auteur spreekt van: weggevoerd).



5. Ook wat je op blz. 23 leest (de getrouwde vrouwen hebben soms meer dan gewone belangstelling voor de Amerikaanse soldaten) begrijp je pas volledig als je het tweede deel (hfst 12-22) uit hebt. Wat is de verklaring voor dit gedrag?



6. Zie je nu dat wat bij punt 4 en 5 is opgemerkt vooruitwijzingen zijn?



7. Beide delen, zowel hfst 1-11 als 12-22 eindigen met een heel tragische gebeurtenis. Welke gebeurtenis is dat?



8. Er is ook een verschil in plaatsbepaling tussen het eerste deel en het laatste deel van de novelle. Waar bevinden ze zich in de hoofdstukken 12 – 22? En waar in de hoofdstukken 1-11? Welke verandering in de oorlogsgebeurtenissen is daar oorzaak van?



9. Het boek is door een Vlaming geschreven, dit merk je bijna niet aan het taalgebruik. (Misschien het woord snaken = kwajongens op blz. 29). Het speelt ook in België, in de Ardennen.

Hoe weet je zeker dat het verhaal zich vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog afspeelt?





10. Je ziet uiteraard dat dit boek een novelle is. Waarom is dat zo? (Geef er een argument voor).



11. Het verhaal wordt verteld door een ik-figuur. Je weet niet onmiddellijk hoe oud hij is, dat het nog een jongen is. Pas op blz. 22 lezen we dat hij vijftien jaar is.

Dat strookt niet steeds met de manier waarop de auteur de jongen beschrijft: had je toen je het boek las, het gevoel dat de jongen ouder of jonger dan vijftien was?



12. Er is één soldaat die Paps wordt genoemd door de anderen. Met deze man kan de jongen erg goed opschieten – wat kan een reden daarvoor zijn?



13. Bekijk de twee in cursieve letter geschreven stukjes tekst eens: blz. 5 en blz. 53. Beiden beschrijven een sfeer van regen. Die regen gaat voor de jongen samen met een gevoel van droefheid.

Hij denkt aan de vijand (blz. 5). Wie is die vijand? Natuurlijk de Duitsers – maar er zijn meer vijanden, zoals op blz. 53 wordt opgemerkt door de verteller. Zou je nog een vijand kunnen noemen?



14. Een aanduiding voor een boek als dit is: tendensliteratuur. (Tendens = strekking). Dat betekent dat de auteur kritiek heeft op de maatschappij, in dit geval heeft hij kritiek op de oorlogvoerenden die onschuldige burgers tot slachtoffers maken. Kijk nu eens op bladzijde 36 t/m 39. Waarop richt zijn (nogal scherpe) kritiek zich hier?



15. Nogmaals het slotgedeelte. Op het eerste gezicht zou je kunnen zeggen dat het boek een open einde heeft – de afloop wordt niet meegedeeld. Maar die afloop wordt wel sterk gesuggereerd: we weten bijna zeker dat de mannen uit het dorp nooit zullen terugkeren. Dus je moet toch wel spreken van een gesloten einde van deze novelle.

Het is belangrijk dat je zelf kunt formuleren welk groot misverstand hier leidde tot de tragische afloop.



16. Vreemd is eigenlijk wel dat aan het einde van het boek het heden niet meer ter sprake komt. Deel 1 (hfst 1-12) speelt zich later af dan deel 2 (hfst 12-22).

Je zou verwachten dat er dan nog een terugblik komt vanuit het in deel 1 beschreven heden.

Sommige recensenten hadden kritiek op deze opzet.

Toch kom je een dergelijke structuur vaker tegen in de boeken van Jos Vandeloo.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

Je hebt naar mijn mening een goed en duidelijk boekverslag geschreven.
Alleen heb ik

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast