De Tornado door Bé Nijenhuis

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 4e klas vwo | 9447 woorden
  • 22 augustus 2006
  • 94 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 94 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1956
Oorspronkelijke taal
Nederlands

Boekcover De Tornado
Shadow
De Tornado door Bé Nijenhuis
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
B. Citaten die gebruikt kunnen worden voor de vergelijkende opdracht aan het einde van het leerjaar.
1. blz. 27: Dominee Kladak vertelt Vergy dat hij bij de meeste gelegenheden aanwezig moet zijn: “Als ze je gemist hebben spreekt iedereen je er over aan. Behalve de dokter. Die weet er altijd wel een bevalling tussen te schuiven, meestal met recht want daar zijn ze hier erg vlug mee. Vlugger met bevallen dan met dopen. Komt u wel eens in de kerk?” Vergy aarzelde even, toen zei hij: “Nooit.” “Jammer, ik ben de moeite waard.” Er klonk duidelijk verbittering in zijn stem. Vergy ging er niet op in. “Hoe denkt u over de burgemeester?” vroeg hij. Zonder te aarzelen zei dominee Kladak: “Een mengsel van domheid en slimheid. Ik zou hem eigenlijk moeten bekeren maar ik zie er geen gat in. Vergeet niet dat hij nog drinkt ook. Wat hij zich overdag voorneemt weet hij ’s avonds niet meer, en wat hij zich ’s avonds voorneemt is hij overdag vergeten. Ik laat hem over aan God.”
2. blz. 39: Ezen is een gelovig man. Het volgende stukje speelt als hij net is aangenomen als werknemer bij Vergy. ‘Dominee Kladak glimlachte. “Hoe voel je je nu, Ezen?” vroeg hij. “In Gods hand,” zei Ezen. Toen liep hij haastig weg, maar Vergy zag dat zijn lippen beefden.

3. blz. 46: Ezen leert Vergy hoe een schop in de grond te steken op een manier die de minste kracht eist van de spieren. “Dat heb ik geleerd van mijn zwakke lichaam,” zei hij. Trots zei hij erbij: Als ik Saren’s kracht had, mijnheer, of de uwe, ik spitte viermaal vlugger dan u beiden, maar…” Hij brak af, doch ineens hief hij zijn hoofd op en keek over de glanzend geploegde akkers, zich uitstrekkend naar de verre einder. Zijn gezicht was plotseling hevig ontroerd. “Op de nieuwe aarde,” zei hij zacht, “zal ik God vragen zo’n akker voor Hem te mogen spitten, helemaal alleen. Ik zal spitten en niet moe worden,”Hij herhaalde: “Spitten en niet moe worden.
4. blz. 51: “Ineens liep Vergy met lange passen op hem toe. “Dit is hier waarachtig wel het dorp van de waarschuwingen,” zei hij woedend. “De een waarschuwt me voor de Poltergeist, de ander voor Saren, de derde voor Woolky en de vierde voor de duivel. Wie moet ik eigenlijk geloven?” “Wist ik dat maar,” zei dominee Kladak. Hij draaide zich meteen om en fietste weg.” Vergy reageert kwaad op alle waarschuwingen. Kladak weet het ook niet. Terwijl hij, als dominee, toch zal moeten weten dat men met zekerheid in God kan geloven. Hij spreekt altijd de waarheid.
5. blz. 59. Als Vergy oog in oog staat met de krankzinnige die hem met een karabijn met opgestoken bajonet tegemoet komt, staat er: “… en strak in de waanzinnige ogen kijkend, liep hij stap voor stap achteruit. Hij zei niets. Hij liep stap voor stap achteruit, zwijgend, ook tegen God.” Als de krankzinnige bijna bij hem is: “Maar ook nu vroeg Vergy niet aan God of de rivier met de zilveren oevers onder de maan mocht blijven voortdrijven.” (blz. 60) Vergy denkt er niet aan om God te vragen of Hij hem wil helpen.
6. blz. 73: Ezen denkt positief over de mens. Dat merk je aan de manier hoe hij over de krankzinnige praat. “…zei Ezen nadenkend: “Maar hoe kon hij dan in leven blijven?”Vergy haalde zijn schouders op. “Zo ongeveer als een dier. Hij moest zich voeden met wat hij vond.”Hij voegde er met afschuw aan toe: “Eigenlijk zag hij er ook uit als een dier.” Het gevoelige gezicht van Ezen was verdrietig geworden. “Als een dier,”zei hij zacht, “een schepsel van God.”
7. blz. 89: Als Saren weggebracht wordt, vraagt Ezen waarheen hij gaat. “Vergy zweeg even. Toen haalde hij achteloos zijn schouders op. “Dat dondert niet, Ezen,”zei hij onverschillig.” Dit getuigt van onverschilligheid tegenover de medemens.
8. blz. 110: Juffrouw Radek lijkt een bazige vrouw, die niet veel geeft om de mensen om haar heen. Dit verandert als Ilze zwaargewond binnengebracht wordt. “Toen Ilze Zarmut door Vaderis op het bed gelegd werd, had juffrouw Radek naar het witte gezicht gekeken en Vaderis geboden dat hij weg zou gaan. Het sterke hart van juffrouw Radek brak haast van verdriet omdat de verlatenheid op het witte gezicht zo groot was. Zo oneindig groot was, dat juffrouw Radek gedacht had dat nooit een dood gezicht zo eindeloos verlaten zijn kon, alleen een gezicht van een levende kon zo hevig zwijgen in verlatenheid. Toen had juffrouw Radek haar gezicht gelegd op het gezicht van Ilze Zarmut en gefluisterd: “Stil maar kind, stil maar, je pijn stroomt over in mijn hart. Wat zal lijden zijn als het niet samenvoegt? Is je wang koud als van een dode, God neme je ziel. Is hij niet koud als van een dode, ik haal wijn.
9. blz. 117. De kruidenier Woolky en de veldwachter praten niet zo netjes tegen en over elkaar. Het respect voor de medemens is ver te zoeken. “Concu… Jij grote smeerlap, dat ik je nou pas in de gaten krijg,” raasde Woolky. Jij wilt er geen werk van maken omdat je er geen werk van maken mág. En nou probeer je me bang te maken. Maar ik weet wie hier achter zit. Jij door en door verdorven corrupt vod dat je bent. De veldwachter zuchtte diep. “Ik zou liever sterven dan dat ik dat verstaan had, mijnheer Woolky, maar dan moet u nou ook ophouden. Tenslotte ben ik een stuk van de wet.” “Jij bent een stuk van een ezelskont,” tierde Woolky.”

10. blz. 127. Dominee Kladak praat met de zieke Ilze, die weer opknapt. Hij praat met Ilze over haar broer e.d. “De achtergrond van het lijden,” begon hij, en brak weer af. Ze vroeg genadeloos: “En waar is de achtergrond van het lijden?” “Job…”, begon hij aarzelend, daarop zweeg hij opnieuw. Toen zei hij: “Christus, de liefde van Christus.”
Vlak daarna kan Kladak het gesprek niet meer leiden. Hij vindt het te moeilijk. Hij laat
Ezen halen. Ezen moet Ilze helpen, die helemaal angstig was. “Verlos me van de
haat,” fluisterde ze (blz. 129). Ezen vervangt de dominee. Hier wordt dus ook duidelijk
hoe moeilijk de dominee het heeft. Dan zegt Ilze: “Je ruikt naar de stal. Dus hij heeft ie-
mand uit de stal gestuurd om met me aan te pappen.” “Jezus Christus,” zei Ezen,“heeft
ook naar de stal geroken. Ik dien Hem.” Na een gesprek bidt Ezen met haar.
11. blz. 177: Dominee Kladak stond met Ilze te praten. Het ging over hoe het met haar ging. Hij weet dat ze verliefd op Vergy is en dat hij die niet beantwoord. Dan vraagt hij ook of ze daar al vorderingen mee gemaakt heeft. “Geen enkele,” zei ze. Rechtstreeks vroeg ze er achteraan: “Komt hij eigenlijk wel eens bij je in de kerk?” Zijn mond werd hard. Toen zei hij ruw: “Hij barst nog liever.” Later blijkt uit het gesprek dat Ilze vindt dat Kladak niet goed preekt. Ze zegt: “Als ik uit een kerk kom wil ik graag het gevoel hebben dat God tóch bestaat.”
12. blz. 187: Dominee Kladak heeft na de gebeurtenis uit zijn verleden moeite om aardig tegen de mensen te zijn. “Ik denk dat er van ieder mens wel dingen te vertellen zijn die erg zouden tegenvallen.” Hij zei: “Ja, dat is zo,” en deed er verder het zwijgen toe. Ze keek hem opmerkzaam aan. “Jij houdt niet erg van de mensen, wel Jacob?” Hij haalde zijn schouders op. “Daar is ook niet veel reden voor.” Zakelijk voegde hij er achteraan: “Ik geef natuurlijk toe dat we ze in Christus allemaal moeten liefhebben,” en daar bleef het bij.”
13. blz.191: Ezen praat met Ilze over Vergy. “Hij zweeg en ze staarde lang en nadenkend naar de bossen zonder dat zij ze zag. “Ja,” zei ze tenslotte langzaam knikkend, “ik geloof dat je in alles gelijk hebt, Ezen. Hij vecht met God en hij vecht met mij; al van de eerste dag dat ik hier kwam heb ik het gelzen in zijn ogen.” Hij zei waarschuwend. “God kan het winnen en dan kunt u het toch nog verliezen.”
14. blz. 219: Ezen verlangt erg naar de dag dat hij God zal ontmoeten. Als juffrouw Radek hem een keer spreekt zegt hij dat hij spoedig zal sterven. “Op de nieuwe aarde,” zegt hij zacht, “zal ik God vragen zo’n akker voor Hem te mogen spitten, helemaal alleen. Ik zal spitten en niet moe worden.” Hij herhaalde: “Spitten en niet moe worden”. Een paar dagen later verongelukt hij. “Nu al,” fluisterde hij.” en “Nu al,”herhaalde hij fluisterend, “mijn eigen akker, juffrouw.”
15. blz. 228: Vlak voor Ezen stierf, beval hij Ilze het paard Kosja te doden. Hij vertrouwde het paard niet. Ilze twijfelt lang, maar… “Ze begon de opdracht van Ezen in een steeds helderder licht te zien. Op het ogenblik dat hij die woorden zei moest hij reeds zo dicht bij God geweest zijn dat hij zich niet had kunnen vergissen; of op zijn minst had zijn gelovig hart gewerkt als een klankbord van de hemel. En met haar tanden op elkaar nam ze zich voor, datgene in Vergy wat van God was bij te staan en datgene wat van de duivel was te doden, zelfs al was dat Kosja.” Dit geeft aan dat Ilze toch gelooft in God, al wil ze daar niet altijd voor uitkomen. Later bevestigd juffrouw Radek dit als Vaderis vraagt waarom Ilze het paard gedood heeft. “Langzaam en nadrukkelijk zei ze: “Omdat dit een zaak was tussen haar en God en niemand anders.”
16. blz. 258. Ze gebruiken de Naam van God ook om er bij te zweren. “Woolky nam op bevel van de rechter de Bijbel in zijn rechterhand en zei: “Ik zweer bij de Almachtige God dat ik de waarheid spreken zal en niets dan de waarheid.” Later zweert ook Ilze bij de Naam van God. blz. 280: “Ik heb gezworen voor God,”zei ze, “Ik ben geen meinedige.”
17. blz.269. Na de rechtspraak tegen Vergy zit Ilze in een restaurant. Daar zitten een paar lui die er niet direct zo prettig uitzien en die elkaar de hele tijd maar een beetje zitten te beledigen. “Ilze zag hen ineens voor wat ze waren: een stelletje vermoeide decadente intellectuelen. Ze hadden afgedaan met God, nu hadden ze niets anders meer over dan elkaar pijn te doen, elkaar en zichzelf. Ze waren zelfs te moe geworden om hun kwelzucht nog te kunnen verbergen. O God, dacht ze ineens woest, wat is de wereld een boeltje geworden,wat een boéltje.” Het is dus duidelijk hoe ze hier over de mens en over de maatschappij denkt. Later spreekt Ilze dominee Kladak. Ze zegt dat hij maar eens in dat restaurant moet gaan kijken als hij daar het lef voor heeft. Want “daar zitten er vier in de hel”.
18. blz.286: Vergy voelt dat er weer een tornado komt. Hij ziet dit als een straf van God. “Jaag allen uit de hoeve en de schuren,” riep hij, “de mensen, het vee, alles! Laten ze in het veld gaan. En blijf zelf ook uit de buurt. Als God naar mij slaat blij dan uit de buurt… Blijf dan uit de buurt, ik heb het gister gevoeld!”
19. blz. 295-299 en blz. 301/302. Dit gaat over Kladak en Vergy die allebei zien hoe God terugkomt in de tornado. Kladak bidt intens tot God of de hoeve gespaard mag blijve. Hij had verwacht dat God op een andere manier (Ilze) zou komen, maar nogmaals komt God in de vernietiging. Op blz. 302 geeft hij zich over aan God.
20. blz. 307: Ilze verwijt Vergy dat hij gedacht heeft dat hij God naar zijn wil zou kunnen zetten. “En gister? jij brutale vlerk, toen je door de strop heen nog met God stond te discussiëren? Lafaard, láfaard. Hij deed het niet, je deed het zelf. En sindsdien zou je rechtvaardiger leven dan God Zelf . God moest jou eerst maar eens uitleggen waarom Hij jou Majade had laten vermoorden, hè? En toen God je een andere vrouw stuurde, haalde jij Kosja. En op Kosja dacht je mij te vergeten. Ziet U wel God hoeveel ik van Majade hield? Ziet U wel dat U me tot een moordenaar gemaakt heeft van het lieste dat ik ahd? O Vergy, jongen, wat heb ik jou door. Ik mocht zelfs geen bloembakken voor de ramen hebben om dat Majade dat ook had.” Later bekent zij haar liefde toch aan Vergy, al wil ze eigenlijk weglopen.

Hieronder nog enkele blz. die ik ook goed kan gebruiken voor het B-deel. Dit zijn echter niet zulke heel belangrijke citaten. De blz. waar !!! achterstaat, zijn wel erg belangrijk, maar veel te lang om als citaat over te nemen. Dan is het dus ook geen citaat meer.

blz. 63, 67, 88, 113, 150/151, 205, 216!!!, 244, 275, 284!!!

C.
1. Samenvatting van de inhoud.

Vergy Maulveau wil de hoeve vlak buiten het dorp kopen. Iedereen raadt het hem af, maar hij zet door. Ook al noemt iedereen het ‘de pesthoeve’ en ook al zegt iedereen dat er ‘poltergeisen’ rondzwerven. De hoeve lijkt namelijk heel erg op de hoeve waar hij eerder in woonde, maar die is vernield in een tornado. Zelf hoort hij de ‘poltergeist’ (een schreeuw in de nacht) ook een keer. Maar hij is niet bang.
Dominee Kladak beweerde dat Vergy op de ‘pesthoeve’ geen personeel zou kunnen krijgen, maar Vergy dwingt Saren, een stroper waar iedereen bang voor is, door hem zijn geweer af te nemen. Een andere werknemer is Ezen. Dominee Kladak komt hem een keer brengen. Ezen is een godvrezende man. Hij is bang voor Saren, maar hij weet dat Vergy hem zal beschermen en door zijn geloof in God weet Ezen dat hij bij Vergy kan gaan werken.
Als huishoudster komt mevr. Radek bij Vergy. Zij was eerst de huishoudster van dominee Kladak, maar die kon niet zo goed met haar opschieten en wou haar graag kwijt. Vergy wordt een behoorlijk goede vriend van dominee Kladak.
Dominee Kladak zit erg in de knoop met zijn geloof. Eens is namelijk de vleugel van een kerk ingestort, terwijl hij preekte over ‘de liefde Gods’. Hij is weggevlucht uit het dorp. Later zal hij nog eens wegvluchten voor een probleem, maar hij zal niet ver komen (zie einde samenvatting). Hij begrijpt God niet meer en is bang van Hem te vervreemden. Hij uit dit in abstracte schilderijen.
Nadat er 2 mannen van de verzekering zijn geweest, ziet Vergy Saren anders. Dit omdat de mannen van de verzekering geen brandverzekering willen afleggen. Zij denken dat Saren uit wraak de hoeve in brand wil steken, omdat Vergy hem een keer neergeslagen had. Vergy zorgt ervoor dat Saren ergens ver weg als brandwacht aangesteld wordt en stuurt hem daarheen.
Op een nacht hoort Vergy de ‘poltergeist’. Hij gaat op onderzoek uit en komt erachter dat het een doodzieke krankzinnige is die het geluid veroorzaakt. De krankzinnige wil Vergy vermoorden, maar voor hij bij Vergy is, zakt hij bewusteloos in elkaar. Vergy neemt hem mee naar huis en in het ziekenhuis sterft de krankzinnige. In de krant komen allerlei wilde verhalen en foto’s over de krankzinnige. Dan komt Ilze bij Vergy. Zij is de zus van de krankzinnige en is boos, omdat er zulke gemene verhalen in de kranten staan. Zij geeft Vergy de schuld. Op de terugweg krijgt Ilze een ongeluk. De eerste weken van haar ziek zijn, verblijft zij op de hoeve van Vergy. Vergy komt niet vaak bij haar, hij wordt door haar te veel aan zijn overleden vrouw Majade herinnert. Zodra Ilze vervoerd kan worden, wil ze naar het ziekenhuis om daar helemaal beter te worden. Uiteindelijk mag ze daar ook weg. Omdat ze nog op krukken loopt kan ze niet in haar flatje wonen. Ze komt door toedoen van Mevr. Radek weer op de hoeve. Ze wordt verliefd op Vergy. Vergy is ook verliefd op haar, maar wil zijn liefde niet toegeven. Hij vindt dat hij het niet waard is om een vrouw te hebben. Hij voelt zich de moordenaar van zijn overleden vrouw. Zij was namelijk ongeneeslijk ziek verklaard. Hij heeft haar daarom met opzet niet gered tijdens de tornado, maar wilde met haar sterven. Hij bleef echter leven en later hoorde hij dat niet zijn Majade, maar een andere vrouw ernstig ziek was. De foto’s waren verwisseld. Sindsdien voelt hij zich een moordenaar. Dominee Kladak is ook verliefd op Ilze, zij wil echter alleen Vergy.
Vergy laat Kosja, een paard, op de hoeve brengen. Dat paard was van Majade. Het lijkt een rustig paard, maar Ezen denkt dat het paard gevaarlijk is.
Een poosje later horen ze dat Saren weer in het dorp is. Hij zegt dat hij nog iets te doen heeft. ’s Nachts houden Vaderis (ook een werknemer) en Vergy de wacht bij de hoeve. Eerst komt Saren niet. Maar als ze het praatje rondstrooien dat Vergy een weekend weg is, komt hij wel. Hij was bang voor Vergy. Vergy vecht met Saren en vermoordt hem.
Kort daarna vertelt Ezen aan Ilze dat hij spoedig zal sterven. Ong. een week later verongelukt hij. De tractor waar hij op zit, valt om als hij bovenop een instortende duiker staat. Zijn laatste woorden zijn dat Ilze het paard moet doden. Ilze wil dat eigenlijk niet, want ze vindt het paard heel lief. Toch schiet ze het paard dood, huilend.
Dan besluit Ilze weer naar huis te gaan. Ze gaan weer lopen zonder krukken en redt het wel alleen. Als ze bijna bij de trein is wordt ze teruggehaald door Vaderis. Vergy is opgepakt, omdat hij Saren heeft vermoordt. Iemand heeft hem aangeklaagd. Hij zit 2 maanden in de gevangenis en wordt dan door de rechter verhoord. Het lijkt erop dat hij zal verliezen, maar doordat Ilze haar verhaald doet, wint hij toch en komt vrij. Dan wil Ilze hem nooit meer zien, want hij doet heel stug tegen haar. Ze wil door de bossen naar huis, maar Vergy weet dat er een tornado nadert en wil haar tegen houden. Zij gaat toch. Hij gaat achter haar aan, ze schelden op elkaar en hij geeft haar een klap. Dan tilt hij haar op en beschermt haar als de tornado over de weilanden raast. Terwijl de tornado raast zit dominee Kladak op de zolder van de hoeve en hij bidt tot God. Hij klaagt al zijn moeiten en vragen aan God en vraagt of God hem wil helpen en de hoeve wil sparen. En de hoeve blijft gespaard, al is hij behoorlijk toegetakeld. Als de tornado voorbij is, begint Ilze ontzettend te schelden op Vergy. Ze scheldt hem uit voor alles dat mooi en lelijk is. Ze wil hem niet meer zien en wil weg gaan, maar… “ze begon brullend te huilen en hoewel ze zich wilde omdraaien viel ze struikelend in zijn richting en haastig liep hij op haar toe.” Daar houdt het verhaal over Vergy en Ilze op.
Dominee Kladak is ook gespaard gebleven in de tornado. Zijn geloof in God is weer gegroeid. Hij wil weggaan met de trein, omdat Vergy nu met Ilze zal trouwen. Door een symbolische gebeurtenis (zie ‘motieven’) keert hij echter terug.

2. Een bespreking van het werk:

Titelverklaring:
De titel van het boek is “De Tornado”. De meest voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat er aan het einde van het boek een tornado over de hoeve raast. Maar ik denk ook dat voor deze titel gekozen is, omdat Vergy met een groot probleem leeft. Dit probleem gaat ook terug naar een tornado. Zijn vrouw Majade was ongeneeslijk ziek verklaard. Vlak daarna kwam er een tornado, Vergy redt het paard Kosja en gaat dan het huis in om samen met Majade te sterven. Maar alleen Majade sterft en hij blijft leven. Vlak daarna krijgt hij een brief dat niet Majade, maar een andere vrouw ongeneeslijk ziek was. De röntgenfoto’s waren verwisseld. Hierna voelt Vergy zich de moordenaar van zijn vrouw.

Thema:
De Tornado gaat over het probleem van het lijden.

Om het in enkele regels uit te leggen: Drie personen, die elk een groot verdriet te verwerken hebben, zijn samen in een boerderij in Frankrijk als een tornado losbreekt; daardoor worden zij gedwongen zich opnieuw op God en de zin van het leven te bezinnen.

Subthema uit het 1e deel van het boek.
 In het 1e deel is een belangrijk thema bijgeloof. De bewoners van het dorp geloven dat er
geesten rond de hoeve zwerven. Toch gaat Vergy in de boerderij wonen. Hij is niet zo bijgelovig. Toch hoort ook hij de schreeuwen in de nacht. Maar hij gelooft niet dat het geesten zijn. Ook kan hij zich niet voorstellen dat het een mens is. Op een nacht gaat hij op zoek waar de schreeuw vandaan komt. Dan blijkt dat het een krankzinnige is, die na de WOII, waarin hij ernstig gewond was geraakt, compleet gestoord was geworden. Deze krankzinnige veroorzaakte dus de bijgelovigheid van de dorpsbewoners.

Motto:
In dit boek wordt geen motto vermeld.

Motieven:
Motieven die tot het thema van het boek leiden zijn:
De hoofdfiguren zijn christenen, maar ze wankelen tussen geloof en ongeloof, tussen opstandigheid en twijfel. Ze willen wel zonder God, maar ze raken hem niet kwijt.
Vergy staat met gebalde vuist tegenover. Hij daagt God uit door een tweede hoeve te kopen die sprekend lijkt op zijn verwoeste hoeve. Hij doet alles om de boerderij tot bloei te brengen. De kranten worden uitgenodigd om de verdwijning van het spook te schrijven, want dan zal hij wel personeel kunnen krijgen. Ter wille van zijn hoeve scharrelt Vergy tussen de politieke partijen in het dorp door. Hij is blij met de dood van Saren, want de kan de hoeve in de brandverzekering.
Toch zal de 2e hoeve niet gelijk kunnen worden aan de 1e. Vergy mist Majade. Hij koestert haar nagedachtenis. Daarom haalt hij Kosja naar huis.
Vergy wil met zijn 2e hoeve op herhaling om God uit te dagen. Maar die herhaling loopt hem uit de hand, wanneer Ilze op de hoeve komt. Zij lijkt op Majade, maar juist dat kan Vergy niet verdragen.
Nijenhuis heeft zich op glad ijs gewaagd met dit herhalingsmotief. Herhalingen kunnen verdacht veel lijken op goedkoop toeval. Er komt zelfs een 2e tornado die de hoeve bedreigt. Toch is Nijenhuis aan het gevaar van het goedkope toeval ontsnapt. Dit komt niet alleen door de sterke verteltrant, maar vooral doordat het in zijn roman niet in de 1e plaats gaat om de gebeurtenissen, maar om het probleem van het lijden en het Godsbestuur. Met behulp van al die herhalingen krijgt de roman iets van een breed uitgebouwde gelijkenis, van een mythe met een verbeeldingskracht die de gewone werkelijkheid te boven gaat.
Behalve herhalingen komen er in ‘De tornado’ ook verschillende spiegelbeelden voor. Bij de eerste tornado gaat Vergy de hoeve binnen om met Majade te sterven. Bij de tweede verhindert hij Ilze om naar de hoeve te gaan en ontloopt hij ook zelf het gevaar. Dit is een teken van verandering in hem.
Bij de tweede tornado is het Kladak die de vernietigende God zoekt in de boerderij, maar ook hij holt naar buiten. Beiden ontdekken dat God geen vernietiger wil zijn, maar een hersteller. Zo wordt ook het motief van verzoening in zijn roman verwerkt.

Vertelsituatie:
Het is een auctoriaal verhaal/ perspectief van de alwetende verteller. Soms komt erg duidelijk naar voren dat de verteller weet wat er in de toekomst gebeurt. Een duidelijk voorbeeld hiervan is bijv. blz. 217: “Reeds spoedig zouden de gebeurtenissen haar overrompelen, het eerst de dood van Ezen.” Het lijkt of het verhaal geschreven is door iemand die van een afstand toekeek naar wat er allemaal gebeurde.

Tijd:
Het verhaal speelt na de WOII. Dit weet ik, omdat de krankzinnige, gestoord is geworden na gebeurtenissen die in de WOII gebeurd zijn. Het speelt dus ergens na de WOII. Wanneer precies is mij niet duidelijk. Het hele verhaal beslaat ong. 1 jaar. Dit denk ik, omdat het verhaal begint met de krankzinnige. Ong. een maand na het begin van het boek, wordt de krankzinnige gevonden. Weer enkele weken later komt Ilze, de zus van de krankzinnige, in beeld. Zij krijgt op de terugweg van haar bezoek aan Vergy een ongeval en verblijft dan ernstig gewond in zijn huis. We zijn inmiddels al in het 2e deel van het boek belandt. Zodra Ilze weer zo opgeknapt is, dat ze naar een ziekenhuis vervoerd kan worden, gaat ze weg. Dit is denk ik ong. een maand na het ongeval. Na ong. een maand wordt ze ontslagen uit het ziekenhuis, en ze komt door toedoen van Mevr. Radek weer op de hoeve van Vergy. Daar verblijft ze een behoorlijke tijd. Uiteindelijk besluit ze naar huis te gaan. Dat is ong. 2 maanden later. Maar als ze op weg is naar het station wordt ze teruggehaald door Vaderis, een werknemer van Vergy. Vergy is opgepakt en moet voor de rechter verschijnen. Dit omdat hij enkele weken daarvoor Saren, een oude werknemer van hem, vermoord heeft. Gelukkig wint hij het proces, maar dan wil Ilze toch echt weg. Dat is wel weer 3 maanden later, want Vergy wordt pas na 2 maanden vastgezeten te hebben verhoord. Dan komt er een tornado en Vergy raadt haar af door het bos te gaan. Hij gaat haar achterna en beschermd haar. Dan verklaren ze elkaar hun liefde na een heftige scheldkanonnade. Bij elkaar opgeteld krijg je dan dus:
1 maand + enkele weken + 1 maand + 1 maand + 2 maanden + 3 maanden = ong. 8 maanden en enkele weken. Dat is dus nog minder dan een jaar.

Het boek is in niet-chronologische volgorde geschreven. Het verhaal op zich is wel in chronologische volgorde, maar wordt vaak onderbroken door terug te kijken op het verleden.
Er komen dus veel flashbacks voor. Eigenlijk is het hele boek een flasback. De hoofdpersonen hebben in het verleden iets meegemaakt, waar ze nu erg mee zitten. Vaak komt het voor dat er een stukje verteld wordt over datgene wat vroeger is gebeurd in het leven van 1 van de personen. Dit gebeurt soms aan de hand van een foto (Ilze), maar ook wel in de gedachten van de persoon. De rechtspraak is 1 grote flashback. Alles wat in het verleden gebeurt is wordt uitgebreid besproken: voor, tijdens en na de moord op Saren.
Af en toe komt er een flash-forward voor. Een voorbeeld: blz. 217: “Reeds spoedig zouden de gebeurtenissen haar overrompelen, het eerst de dood van Ezen.” Dit gaat over Ilze, die kort daarvoor met Ezen gepraat had. Ezen vertelde haar dat hij wist dat hij binnenkort zou sterven.
Ook tijdversnellingen/vertragingen komen nogal eens voor in dit boek. Tijdversnellingen behoorlijk vaak. Bijv. een paar dagen later… enz. Tijdvertragingen komen minder voor. Een voorbeeld: blz. 237-240. Daar schiet Ilze het paard Kosja dood. Dit wordt tot in de details beschreven.

Ruimte:
Het verhaal speelt zich vooral in en om de hoeve af. Er komen ook nog veel andere ruimten voor: bijv. bij de notaris, in een café, op het dorpsplein, bij Saren binnen, in de rechtszaal, bij de ruïne. Deze ruimten komen echter maar heel weinig voor.

Het is nogal onduidelijk waar het verhaal precies speelt. Het dorp ligt in een heuvelachtig omgeving, het land kent de juryrechtspraak, de eed op de Bijbel en de doodstraf door ophanging. Ook leven er raven in het wild. Dit is dus waarschijnlijk niet in Nederland. In Nederland komen ook geen tornado’s voor. Misschien ligt het dorp in Frankrijk . De naam van Maulveau wijst in die richting, maar er zijn ook Engelse en Oost-Europese namen: Woolky, Kladak, Zarmut. Waarschijnlijk heeft Nijenhuis de plaats vaag willen laten om aan te geven dat de problemen die hij aansnijdt, overal voorkomen.

Het speelt dus vooral in en om de hoeve. Het was een erg grote hoeve, zwaar en hecht gebouwd. Bij de hoeve hoorden de nabijgelegen, uitgestrekte weilanden. Ook hoorden er nog enkele akkers bij. Daarnaast liggen de bossen, die ook nog zijn bezit zijn.
Later in het boek bouwt Vergy enkele bijgebouwen bij de hoeve. Deze zijn voor het personeel.
Met de hoeve wordt een belangenruimte gecreëerd. De hoeve is sterk en onbuigzaam, net als hij.

Citaat uit het boek, blz 19.: “Toen hij terugkwam aan de begrenzing van de akkers begon zijn hart plotseling wild te kloppen. Het liep reeds tegen de avond en de zon scheen hem gouden in de ogen, terwijl het panorama gekleurd was in een rose gloed: beneden hem en ver weg lag de hoeve, een warm en machtig bolwerk van rust. Het krachtige dak strekte zich bewaren over vertrekken en muren, een kloek boven haar kuikens. Aan de ene zijde was het warm geel gekleurd, aan de andere zijde zacht violet. Daarna begonnen de weilanden en tenslotte, steeds meer naar Vergy toe, de uitgestrekte naar boven glooiende akkers. Sommige leken als de warme ruggen van grote goede dieren.”
Blz. 20: “Hij keek nog een ogenblik naar links, zag in de verte de ruïne van het oude kasteel en daarachter een gouden en zilverwitte glinstering, krom als een elleboog: een gedeelte van de kronkelende rivier die de weilanden drenkte.”
Dit geeft wel een goed beeld van de omgeving waarin het verhaal zich speelt.

Verhaalfiguren:
Er spelen veel personen een belangrijke rol.

De hoofdpersonen zijn: Vergy Maulveau, Ilze Zarmut en Jakob Kladak.
Vergy Maulveau: Dit is een round character. Hij wordt uitgebreid besproken in het boek. Dit karakter verandert in de loop van het verhaal. Van een stugge, hardnekkige man verandert hij in een liefdevollere man, die oog krijgt voor zijn omgeving (en voor Ilze).
Uiterlijk: Vergy’s gezicht is grof en heeft een diepe bronskleur door de buitenlucht, en dikke handen door het gebruik van zijn spieren.
Hij is behoorlijk stug en heel hard voor zichzelf. Soms is hij barmhartig, soms genadeloos.
Achter zijn kalme en meestal stugge voorkomen schuilen scherp omlijnde en goed gerichte gedachten.
Mevr. Radek noemt Vergy een man ‘zonder gevoel en zonder hart’. Dit omdat hij het leed van een ander niet wil zien. En ook net doet of hij niet ziet dat Ilze hem heel graag mag. Maar zij weet niet dat Vergy door Ilze te veel aan zijn overleden vrouw Majade herinnert wordt. Zijn schuldgevoel wordt zo steeds groter. Hij vindt dat hij de moordenaar is van zijn vrouw, omdat hij haar niet heeft gered tijdens de tornado. Aan het einde van het boek merkt Vergy dat er een tornado komt. Niemand gelooft hem eerst, en Ilze wil gewoon door het bos naar huis gaan. Dat mag ze niet van Vergy en hij gaat haar achterna. Dan komt de tornado. Vergy beschermt Ilze. Na de tornado staat de hoeve nog steeds. Ilze scheldt Vergy de huid vol. Daarna bekennen ze elkaar hun liefde.
Tijdens de rechtzaak komt Vergy tot overtuiging dat God hem wil straffen. Hoewel hij Saren niet met opzet gedood heeft, verdedigt hij zich niet. Hij wil opgehangen worden, om te boeten voor Majades dood. Ilze voorkomt dit, door voor hem te pleiten.
Ilze Zarmut: Dit is ook een round character. Zij wordt behoorlijk uitgebreid beschreven. Je krijgt een goed beeld van hoe zij is.
Zij is de zus van de krankzinnige. Zij zoekt Vergy op om hem te vragen waarom er zulke gemene verhalen over haar broer in de krant staan. Op de terugweg krijgt zij een ongeluk. Dan verblijft zij een hele poos op de hoeve om beter te worden. Na haar verblijf in het ziekenhuis komt ze weer terug en uiteindelijk trouwt ze toch nog met Vergy. Al heeft dat heel wat voeten in de aarde. Want ook dominee Kladak wordt verliefd op haar. Vergy wil zijn liefde niet uiten (zie hierboven). Dit lijdt tot veel twijfel en woede bij Ilze. Maar na de tornado bekent Vergy toch zijn liefde en Ilze beantwoordt die.
Haar uiterlijk: Hoogblonde haren, scherp gezicht met grijze ogen, smal en lang, en met de leden daarvan knippert ze even voor ze spreekt. Korte brede tanden, niet wit, wel regelmatig. Ilze lijkt heel erg op de overleden vrouw van Vergy. Daarom haalt Vergy het paard Kosja ook naar de hoeve. Majade, zijn overleden vrouw, reed altijd op dat paard.
Toen Ilze voor het eerst bij Vergy komt, had ze iets onverschilligs over zich. Ze had zo’n sfeer van verdriet bij zich, dat Marties, de caféhouder, het zelfs voelde. Dit verdriet was om haar broer, de krankzinnige. Later leert zij hiermee te leven en leer je de echte Ilze kennen, die oog heeft voor de ander.
Jakob Kladak: Dit is een round character. Hij wordt goed omschreven. Zijn karakter verandert in de loop van het verhaal behoorlijk. Hij is een heel onzekere man, die zijn geloof in God totaal kwijt is. Later leert hij zelfstandiger, maar afhankelijk van God, te worden.
Hij is een dominee van ong. 30 jaar oud. Hij heeft een mager en sprekend gezicht met iets grilligs erin. Eens is terwijl hij preekte over ‘de liefde Gods’ de vleugel van de kerk ingestort, waarbij velen stierven en gewond raakten. Hij vlucht weg uit het dorp naar het dorp waar Vergy ook woont. Hij is bang van God te vervreemden. In zijn preken is te merken dat hij ergens mee zit. Hij is niet aardig tegen de boeren en heeft zijn gemeente niet lief. Ezen die aan alles merkt dat dominee Kladak zorgen heeft, verwoordt het zo: “Als hij preekt is hij helemaal hulpeloos. Hij moet het geloof met zijn nagels van de Bijbel afkrabben”.
Ook schiet hij tekort in zijn taken als dominee. Hij heeft de mensen van zijn gemeente niet lief. Als Ilze zwaargewond op bed ligt, kan hij haar niet verlossen van de haat die ze voelt. Hij roept Ezen en díe moet Ilze helpen.

De bijfiguren zijn: De krankzinnige, Saren, Ezen, Mevr. Radek, Vaderis.
De krankzinnnige: Dit is een flatcharacter. Hij komt niet veel voor in het boek, maar speelt in het 1e deel een behoorlijk belangrijke rol. De uiterlijke eigenschappen van hem komen duidelijk naar voren.
Hij heeft een wilde bos haar, die golvend over zijn schouders hangt. Zijn baard was erg lang, hij reikte tot ver over zijn borst. Toen Vergy hem zag droeg hij een karabijn met opgestoken bajonet en zijn grote ogen gloeiden van haat en angst. Hij mist duim en vingers van de rechterhand. Waarschijnlijk is dit in de WOII gebeurt. In de oorlog heeft hij iets meegemaakt waardoor hij krankzinnig is geworden. De krankzinnige stonk erg en heeft zich waarschijnlijk gevoed met datgene wat hij vond. Hij heeft geleefd als een dier.
Saren: Dit een flatcharacter. Enkele eigenschappen van hem komen maar naar voren. Hij speelt ook niet zo’n hele grote rol in het boek.
Hij is de 1e werknemer van Vergy. Hij is stroper en iedereen is bang voor hem. Maar Vergy dwingt hem bij hem te komen werken, door hem zijn geweer af te nemen. Dit geweer zou hij pas weer terug krijgen als hij een jaar bij Vergy gewerkt had. Saren in een heel erg sterke en driftige man. Maar Vergy slaat hem neer en Saren wordt bang voor Vergy. Het was nog nooit gebeurt dat iemand hém neersloeg. Na een paar maanden wordt Saren weggestuurd naar een andere plaats heel ver bij de hoeve vandaan, omdat ze bang zijn dat hij uit wraak (dat Vergy hem neergeslagen heeft) de hoeve in brand zal steken. Daar wordt hij aangesteld als brandwacht. Later komt hij terug en vecht met Vergy. Maar Vergy vermoordt hem. Daar wordt Vergy later om opgepakt, maar hij wint het proces bij de rechtbank.
Ezen: Al is hij geen hoofdpersoon, hij is wel een round charachter. Zijn karakter etc. worden uitgebreid behandeld. Hij speelt best een belangrijke rol in het boek. Bij hem kunnen de andere personen komen als ze met problemen zitten.
Hij is 1 van de werknemers van Vergy. Hij is niet meer 1 van de jongsten. Aan alles is te zien dat hij een buitenman is, al is hij tenger gebouwd en behoorlijk klein. Hij heeft een zwak lichaam en kan dus niet zo hard werken. Toch krijgt hij meer loon dan Saren, de dronkaard. Hij is weduwnaar, zijn kinderen zijn getrouwd, de boeren moeten hem niet meer, en hij is nog maar 56 jaar. Maar Vergy wil hem graag hebben, want Ezen lijkt hem een betrouwbare man. Ezen heeft een zacht gezicht en een zachte stem. Ook is hij licht doof.
Ezen is een vriendelijke, broodeerlijke man, die soms plotseling spontane dingen kon zeggen.
Ezen is heel trouwhartig en godvrezend. Hij ziet uit naar de dag dat hij God zal ontmoeten. “Op de nieuwe aarde,” zegt hij zacht, “zal ik God vragen zo’n akker voor Hem te mogen spitten, helemaal alleen. Ik zal spitten en niet moe worden.” Hij herhaalde: “Spitten en niet moe worden”. (blz. 46)
Ook zegt hij een keer tegen Mevr. Radek dat hij binnenkort zal sterven. Vlak daarna verongelukt hij. Hij zat op een tractor en reed boven een duiker, toen die instortte. Daarop kantelde de tractor en Ezen kwam onder de tractor terecht. Toen Vergy en Ilze bij hem gekomen waren, fluisterde hij: ‘ “Nu al”. “Nu al,”herhaalde hij fluisterend, “mijn eigen akker, juffrouw.” “Spitten en niet moe worden?” vraagt Ilze. Ezen knikt.’ (blz. 219) Zijn laatste woorden zijn dat Ilze het paard Kosja moet doden. Hij vertrouwt het paard niet. Ilze doet het, al heeft ze het paard heel erg lief.
Mevr. Radek: Dit is een flat character. Al komt in het boek voren dat haar karakter in de loop van het verhaal verandert. Van een bazige vrouw verandert zij langzamerhand in een vrouw die liefde voor de mede mens kent.
Zij is de huishoudster van Vergy. Zij was eerst de huishoudster van dominee Kladak. Hij wilde haar graag kwijt, omdat ze te netjes was. “Ze kookt uitstekend, ze is schoon als de brand en ze is altijd aan ‘t werk, compleet altijd aan het werk. Bovendien heeft ze een goed hart en naaien kan ze uitstekend.” (blz 40) Ze maakt van welke kant je haar ook bekijkt een ijzeren indruk, tot haar zware boezem toe. Het is een bazige vrouw. Maar als Ilze Zarmut zwaar gewond binnengebracht wordt, breekt haar hart van medelijden.
Vaderis: Flat character. Over hem wordt maar weinig bekend gemaakt, al komt hij best vaak naar voren in het verhaal. Sterke kerel met een betrouwbaar gezicht. Hij is ook een werknemer van Vergy. Later woont hij in 1 van de bijgebouwen bij de hoeve van Vergy. Hij is getrouwd en in het 2e deel krijgt zijn vrouw een baby.

Enkele personen die af en toe genoemd worden:
Woolky: Karikatuur: heel duidelijk wordt telkens aangegeven hóé nieuwsgierig hij wel niet is.
De nieuwsgierige kruidenier, die van Ilze een klap in zijn gezicht krijgt, omdat hij een grof liedje had gemaakt over haar broer, de krankzinnige: “Voor een appel en een ei, levert hij het spook erbij.”
De burgemeester: Karikatuur: hij komt maar weinig voor in het boek. En áls hij voorkomt, is dat als het toppunt van domheid. Ook houdt hij erg van sensatie.
Hij draagt meestal een slobberbroek met een manchester jasje waaronder een groezelige bakkerskiel schermde, maar zijn hoed staat zorgvuldig recht op zijn ronde hoofd. Verder heeft hij een dopneusje en bezorgde hangwangen.Dominee Kladak zegt over hem: “Een mengsel van domheid en slimheid. Ik zou hem eigenlijk moeten bekeren maar ik zie er geen gat in. Vergeet niet dat hij nog drinkt ook. Wat hij zich overdag voorneemt, weet hij ’s avonds niet meer, en wat hij zich ’s avonds voorneemt, is hij overdag vergeten. Ik laat hem over aan God.” (blz. 27)
Ook de notaris en Marties worden aan het begin van het boek een paar keer genoemd. Aan het einde komt de rechter ook nog voor.

Taalgebruik:
Meestal is het wel netjes taalgebruik. Soms komen er een paar vloeken voor. Nijenhuis gebruikt wel moeilijk taalgebruik. Niet echt om te lezen, maar om te bedenken. Hij gebruikt soms vergelijkingen en omschrijvingen die heel opvallend zijn. Dan denk ik echt: “hoe komt hij erop?”. Als ze het bijv. over de krankzinnige hebben, vraagt de dokter of de dominee de krankzinnige wil gebruiken voor theologische vivisectie. “Hoezo?” “Och ik dacht het zomaar. Hij heeft een baard als Abraham en hij stinkt als Job. Bovendien…” (blz 69)
Nijenhuis is sterk in dialogen. De gesprekken zijn levendig en humoristisch. De dialoog tussen de aanklager en de baron is een voorbeeld van Nijenhuis’ geestigheid. Hij houdt ervan iets plechtigs te vergelijken met iets boers: ‘Op het groene laken van het biljart dreef zijn hoge hoed als een pan in een eendensloot.’ (blz. 20)

Bronvermelding van deze bespreking.
Ik heb alles zelf besproken en beantwoord. Ik wist niet dat het van Internet mocht. Alleen de samenvatting is een door mij zelf verbeterde samenvatting van Internet.
Ik heb nu de motieven die ik behoorlijk moeilijk vond, uit een knipselkrant van de bieb gehaald. Er staat echter geen naam van een auteur, blad o.i.d. bij.

Biografische gegevens van de schrijver.
Berend Nijenhuis is geboren op 16 november 1914 te Herenveen. Hij was geen echte studiebol. Hij heeft de Mulo en de Handelsschool gevolgd. Daarna was hij in Herenveen werkzaam als vertegenwoordiger. Later verhuisde hij naar Den Bosch, waar hij aan de slag ging als verzekeringsinspecteur. In 1937 verhuisde hij naar Arnhem om daar als klerk in de gevangenis te gaan werken, door dit werk kon hij gedurende de WO II veel verzetsmensen helpen. Op een dag werd hij echter opgepakt en opgesloten in een concentratiekamp. Na de oorlog werkte hij bij de Politieke Opsporingsdienst. Later werd hij redacteur bij Trouw. Hij heeft nog wat reportages en vertalingen verzorgd voor de Spiegel en voor de NCRV. Toen is hij auteur geworden.
Op 1 januari 1972 is hij gestorven aan een slepende longziekte. Nijenhuis op 50-jarige leeftijd. Hij was nog maar 57 jaar oud.

Berend Nijenhuis studeerde de laatste tien jaren van zijn leven in de bibliotheek te Arnhem om daarmee zijn gebrek aan scholing te vergoeden. Hij was vrijgezel. Hij voelde zich een fundamenteel eenzame, die zich niet thuis voelde in deze maatschappij. Op zijn grafsteen staat Psalm 23 ‘De Heere is mijn Herder’ gebeiteld. Hij heeft veel romans geschreven al stierf hij op 57-jarige leeftijd en is hij pas laat tot schrijven gekomen. In 1952 verscheen zijn eerste roman: ‘Dossier 333’.

Daarna verschenen nog:

1952: 'Dossier 333' 1958: 'De hordenloop van J. Kobald'
1954: 'Laatste wagon' 1965: 'Tok tok tok, alweer geen ei'
1955: 'De familie Heesters' 1971: 'Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante'
1956: 'De tornado'

Nijenhuis schreef twee soorten genres:
Probleemromans, bijv. De tornado
Ongecompliceerde romans, bijv. De familie Heesters

Nijenhuis is niet van christelijk huize, maar heeft in zijn boeken wel een christelijke overtuiging. Hij vocht met de vraag of hij wel met God verzoend kon worden. Dit komt in zijn boeken naar voren. In deze roman kom je dit tegen in de persoon van Kladak. Ook Vergy vocht daar mee.
Waarheid en werkelijkheid moeten verteld worden.
Met zijn motief ‘de verzoening’ staat Nijenhuis naast en tegenover het denkbeeld van zijn tijd. De tornado verscheen voor het eerst in 1956. In romans werd toen geschreven over en vanuit uitzichtloosheid en eenzaamheid. Nijenhuis geeft vooral in de wanhoop van Kladak een beeld van zijn tijd.

Beantwoord de volgende vragen:

Het vertelstandpunt is: auctoriaal.
Tussen het begin en het einde van het verhaal verloopt ongeveer 8 maanden. Ik heb dit beschreven bij punt 7: tijd.

Recensie’s:
De zenuwpezen zijn het zout der aarde. Ik weet niet meer van wie deze uitdrukking is, maar hij gaat zeker op voor de schrijver Bé Nijenhuis. Hij was een tobber, een zwaartillend mens die vragen stelde bij overgeleverde dogma's. Als scheppend kunstenaar gaf hij aan zijn religieuze strijd literair vorm. Nog nooit van Bé Nijenhuis gehoord? Dan behoort u zeker niet tot wat we 'de gereformeerde gezindte' noemen. Nijenhuis (1914-1972) is de schrijver van een zevental gepubliceerde romans, die nog steeds geliefde kost zijn voor duizenden. Een kleine ronde langs de plaatselijke boekleveranciers bevestigde dat Nijenhuis nog steeds gelezen wordt en niet vergeten is: in de openbare bibliotheek waren alle vier titels van hem uitgeleend, bij de evangelische boekhandel annex antiquariaat waren zijn boeken niet voorradig: 'Meneer, als het hier staat is het zo weer weg'. Tenslotte vond ik bij een gereformeerd-vrijgemaakte boekhandel nog één exemplaar van de in 1993 herdrukte misdaadroman Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante, die in november 1971, vijf weken voor Nijenhuis' dood, op de markt verscheen. Mijn aandacht voor het werk van Bé Nijenhuis is gewekt door een boekje dat de vrijgemaakt-gereformeerde publicist Hans Werkman over hem schreef: Spitten en (niet) moe worden. Leven en werk van Bé Nijenhuis 1914-1972. Het boekje verscheen als nummer 50 van het christelijke literaire tijdschrift Woordwerk, waarvan Werkman redacteur is. Werkman schrijft literaire recensies in Het Nederlands Dagblad en schreef onder meer een biografie over de dichter Willem de Mérode. Het boek over Nijenhuis is gebaseerd op persoonlijke documenten, gesprekken met vrienden, familieleden en bekenden en natuurlijk op het werk van Nijenhuis zelf, en is een uitnodiging tot het lezen van zijn werk. Werkman schetst in de eerste hoofdstukken het verbrokkelde leven van de vrijgezelle schrijver, die vrijwel zijn gehele leven thuis bleef wonen bij pa en moe. Voor de oorlog was hij een man van de bekende twaalf ambachten. Hij hield niet van leren en hielp zijn vader in de kruidenierswinkel, ging de boer op met sigaren, werd vertegenwoordiger in touw en werkte verder onder meer als vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij. Hij hield het nergens lang uit. Nijenhuis was geen rijtjesmens, een twijfelaar aan zichzelf, een gekke humoristische vent, maar ook een tobber. Hij worstelde met God en diens bestuur over het bestaan. Opgegroeid in een gereformeerd middenstandsgezin, vertrouwd met kerkgang en jongelingsvereniging, voelde hij zich steeds minder thuis in het vaste stramien dat een gereformeerde jongere voor de oorlog werd voorgehouden. Hij rookte als een ketter en werd door velen als erg nerveus bestempeld. In vertrouwde kring gaf hij zich gemakkelijk en was hij geliefd, maar onder vreemden kon hij bijna geen woord uitbrengen. Nijenhuis was zeer scrupuleus als het vrouwen betrof. Geen enkele vrouw was goed genoeg voor hem, er zat altijd wel een vlekje aan. Werkman speculeert in zijn boek over de kwestie of Nijenhuis homoseksueel was. Daar kan hij echter geen aanwijzingen voor vinden. In de oorlog zat Nijenhuis in het verzet. Hij werd opgepakt en in het kamp Amersfoort gevangen gezet. Door bemiddeling van zijn broer Henk kwam hij vrij en zwierf vervolgens Nederland rond tot de bevrijding. Tijdens de oorlog begon hij gedichten te schrijven. Na de oorlog werkte hij eerst bij Trouw en later bij het ministerie van wederopbouw. Ook daar knapte hij af op het 'maatschappelijk corset'. Vervolgens werkte hij bij de Politieke Opsporings Dienst. Daarna heeft hij geen echte werkkring meer gehad, hij schnabbelde wat, onder meer bij de NCRV en voor het christelijke familieblad De Spiegel. Vanaf 1950 werkte hij als fulltime schrijver en dat zou hij tot aan zijn dood blijven, ook al was dat geen vetpot. Vooral in de jaren vijftig was Nijenhuis een produktieve en succesvolle christelijke auteur, wat hij ook wilde zijn. Werkman geeft na de inleidende biografie een overzicht van de romans die Nijenhuis geschreven heeft. Hij volgt daarbij een vast patroon. Eerst geeft hij een samenvatting en waardering van de inhoud. vervolgens zegt hij iets over de ontstaansgeschiedenis en de contacten met W. Steunenberg van uitgeverij Kok in Kampen, de uitgever die een soort geestelijke vaderfiguur voor Nijenhuis was. Tenslotte geeft hij een overzicht van de recensies. De eerste drie boeken van Bé verschenen in de welbekende VCL-serie, die volgens Werkman gelezen werd door degelijke dames in steunschoenen op christelijke basis'. Volgens Werkman gooide Nijenhuis een steen in de kalme vijver van de protestantse lectuur. Zijn eerste boek. Dossier 333, was een misdaadroman met een thriller-element. Het verscheen maar liefst in een totale oplage van 85.000 exemplaren en werd vertaald in het Duits. Vervolgens verschenen Laatste wagon (1954 75.000 ex.), en De familie Heesters (1955, 75.000 ex.). Daarna verscheen De tornado dat Werkman Nijenhuis' beste boek vindt (1956, 15.000 ex.) Opvallend is dat de waardering voor dit boek in de gereformeerde gezindte eerst niet hoog was, later wel. In de rooms-katholieke pers werd Nijenhuis- roman gewaardeerd en zelfs in de niet-christelijke pers werd zijn roman tot de 'literatuur' gerekend. De tornado werd ook in het Duits vertaald. In 1958 verscheen De hordenloop van J. Kobald, opnieuw in de VCL-serie en in een oplage van 85.000. Daarna stokte zijn produktie. Werkman heeft voor dit writer's block een heldere verklaring: in 1959 stierf de moeder van de schrijver. Volgens Werkman had hij een sterke moederbinding: 'Haar dood scheurde een deel van Bé's eigen wortels los. Hij moet de existentiële vragen van Jakob Kladak (een van zijn romanfiguren MvD) weer in zich hebben voelen rommelen, de vragen naar de zin van het lijden en naar de rechtvaardigheid van God. Ze remden zijn pen. Het was voor hem onmogelijk een roman op te tuigen met christelijkheid zonder dat hij erachter stond'. In de jaren zestig ging Nijenhuis langs de rand van het agnosticisme en de kerk gaf hem nauwelijks antwoorden meer. Pas in 1965 verscheen zijn volgende boek, een modern sprookje à la Godfried Bomans getiteld Tok tok tok, alweer geen ei, dat in veel recensies grote lof kreeg toegezwaaid. Vlak voor zijn dood verscheen het reeds genoemde Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante. Werkman noemt dit geen christelijke roman meer, omdat de hoofdmotieven niet christelijk zijn al is de hoofdpersoon wel een christen. Het boek bewijst dat Nijenhuis kon schrijven. Achterin het boek heeft Werkman wat brieven, interviews en ander ongepubliceerd werk (gedichten, verhalen) opgenomen. Werkmans boek over Nijenhuis wil niet veel meer zijn dan een schets, een korte samenvatting van leven en werk. Het graaft niet diep en het leest gemakkelijk. Het nodigt uit het werk van Nijenhuis te gaan lezen, en dat is toch het beste wat je kunt bereiken met zo'n soort boek. Toch zou ik graag eens de ontwikkeling van Nijenhuis in een algemener kader geplaatst willen zien, namelijk die van de worsteling die veel nadenkende gereformeerden hebben gehad met het geloof. In het verlengde van het boekje De kogel door de kerk dat in 1965 verscheen, een serie gesprekken met ex-gereformeerden. Veel gereformeerden hebben de kerk verlaten, de meesten zonder pijn en moeite, maar velen ook na heftige strijd. Werkman geeft een hint voor de verandering bij Nijenhuis, door te wijzen op diens moederbinding, maar hij werkt dit jammer genoeg niet verder uit.
Bronvermelding: Michiel van Diggelen, “Een gekke, humoristische vent’. In: HN Magazine, 02-12-1995.

Zeven spannende boeken schreef hij, waarvan de meeste twee-, drie- en soms zelfs vijfmaal zijn herdrukt. Vorig jaar nog werd zijn laatste thriller, 'Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante', ruim twintig jaar na zijn dood heruitgegeven en eind dit jaar verschijnt de vijfde druk van 'De tornado' uit 1956. Vele tienduizenden moeten zijn werk verslonden hebben. En toch is de schrijver B. Nijenhuis nog altijd onbekend bij het grote publiek. Leraar/schrijver /dichter Hans Werkman wil dat veranderen. Was hij niet begin 1972 overleden, dan zou s. Nijenhuis - Bé voor intimi - op 16 november dit jaar tachtig geworden zijn. Hij was al achter in de dertig toen in 1952 zijn eerste boek, Dossier 333, verscheen. De eerste jaren schreef hij in een redelijk hoog tempo: achtereenvolgens kwamen Laatste wagon (1954), De familie Heesters (1955), De tornado (1956) en De hordenloop van J. Kobald (1958) uit Daarna bleef het stil tot 1965, toen Tok tok tok, alweer geen ei verscheen, en zijn laatste boek, Inspecteur Raynaldi en zijn arrestante, liet ook weer zes jaar op zich wachten. Ongeveer een half jaar is Werkman nu bezig alles over Nijenhuis te verzamelen. Uiteindelijk moet het karwei uitmonden in een themanummer van het christelijk literair tijdschrift Woordwerk, waarvan hij redacteur is. Woordwerk zal voor die gelegenheid de omvang krijgen van een boek van 160 pagina's. "Dertig pagina's wijd ik aan zijn leven en werk, zijn ongepubliceerde werk komt erin, korte, flitsachtige stukjes, en verder iets over elk van zijn zeven romans." Het boek zal midden volgend jaar verschijnen. Werkman heeft nog een paar maanden de tijd om alle ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, en dat is nog heel wat. "Nijenhuis was een christelijke schrijver. Vier van zijn boeken zijn verschenen in de VCL-serie van Kok in Kampen - vereniging tot bevordering van christelijke lectuur, betekent dat - die al honderdvijftig jaar bestaat en een grote kring van lezers heeft. Hoewel hij veel publiciteit heeft gekregen, kent geen hond hem buiten de christelijke kring." Werkman is een echte Nijenhuisfan: "Er zijn maar twee auteurs die ik met plezier herlees, Willem Elsschot (over hem verzamel ik ook alles) en Bé Nijenhuis. Ik denk dat mijn vader en moeder op de VCL-reeks geabonneerd waren, want Nijenhuis lees ik al vanaf mijn vijftiende. Ik heb nu voor de zesde keer Dossier 333 gelezen, toch ontdek je er steeds weer iets anders in. De NCRV heeft het in de jaren vijftig als hoorspel uitgezonden."

'De tornado' Hij weet zeker dat er veel meer 'Nijenhuis-gekken' zijn. Bewijzen te over: een mede-fan schreef hem van zijn kinderen met Sinterklaas een zelfgemaakte 'Nijenhuis-encyclopedie' gekregen te hebben, zijn eigen zoon blijkt Dossier te lezen, en ook op school - hij is leraar Nederlands merkt hij dat leerlingen van achttien, negentien jaar Dossier 333, maar vooral De tornado leuk vinden. Dat laatste bevreemdt hem ietwat, "want het is een dik boek, en aan dikke boeken beginnen ze liever niet, maar De tornado zeggen ze spannend en geinig te vinden." Dossier 333 is, voor wie voor het eerst een boek van Nijenhuis ter hand neemt en het met moderne ogen leest, een mengeling van streekroman en thriller. Fout, zegt Werkman. "Je moet zijn boeken in de context van de jaren vijftig zien. Ze betekenden een doorbraak binnen de brave christelijke streekromans van die tijd. Nijenhuis stak daar duidelijk bovenuit. De VCL kreeg er aardig wat lezers bij, doordat ineens ook mannen gingen lezen. Dat eerste boek schommelt tussen een misdaadroman en een bekeringsverhaal, maar wel van een heel ander soort dan de protestants - christelijke lezer gewend was. Nijenhuis was de eerste die zijn voelhorens in zijn eigen tijd uitstak, hij kende Anna Blaman, Hermans en Sartre. Een voorbeeld daarvan is Laatste wagon niet alleen een politieroman maar ook een existentialistisch verhaal." Spanning in het VCL-boek was ongebruikelijk, behalve als het om liefdesaangelegenheden ging. "Op het christelijk erf werd de speurdersroman niet gewaardeerd. Het nieuwe van Nijenhuis was dat hij voor het eerst zo'n detective schreef. Hij vond dat de kern van het christendom, de genade, altijd in zijn boeken tot uiting moest komen, maar tegelijk moesten ze spannend zijn." Een gedreven schrijver dus, die volgens Werkman toch niet de eerste christelijke thriller-schrijver genoemd mag worden. "Dat wilde hij zelf per se niet. Een christelijke detective bestond in zijn ogen niet." Nijenhuis beschouwde zichzelf evenmin als een geroepene. "ik ben noch dominee noch heilssoldaat noch evangelist", zei hij van zichzelf. Buiten wat hij uit Nijenhuis' boeken heeft kunnen halen, is Werkman intussen al veel over hem op het spoor gekomen, met name uit gesprekken de ongeveer twintig mensen die de schrijver gekend hebben en uit talloze ("ik denk wel een paar honderd") brieven. Werkman: "Hij had geen telefoon en alles moest dus per brief of in haastgevallen per telegram. Toen de drukproeven voor de sprookjesroman Tok tok tok, alweer geen ei bijna klaar waren, telegrafeerde de uitgever bijvoorbeeld: Tok tok tok, hoeveel puntjes erachter? - Kok, waarop Nijenhuis terug telegrafeerde: Geen puntjes - Bé. Zijn enige mislukte roman, vind ik, maar Nijenhuis vond 'm zelf iets bijzonders: hij had bedacht dat er een boekenlegger in moest met een veer van de haan Kuitschuiver uit het verhaal. De binder heeft daar natuurlijk een reuze werk aan gehad." Nijenhuis, weet Werkman, was "iemand die gruwde van zijn saaie kantoor- en verzekeringsbaantjes, toch ook iemand met wie je altijd kon lachen", maar aan de andere kant "een heel diep denkende persoonlijkheid, een man vol twijfel over de rechtvaardigheid Gods, die zich het lijden van mensen erg aantrok." Bioscoop Hij twijfelde ook sterk aan zijn eigen capaciteiten, was zo onzeker dat hij zijn bovenburen avonden achter elkaar hun mening vroeg over steeds hetzelfde hoofdstuk. Hij was zo gefascineerd door de film "dat hij meer in de bios dan in de kerk zat." Er zitten in het verhaal nog veel hiaten. Over Nijenhuis' periode in het concentratiekamp Amersfoort ("er zit veel oorlog in zijn boeken, hij moet zijn hele leven een oorlogsprobleem meegedragen hebben"), waarom hij kennelijk wel veel van vrouwen hield maar nooit getrouwd is, waar het manuscript van de nooit verschenen roman 'Dieven in de sneeuw' is gebleven. Tot zijn vader naar een bejaardenhuis verhuisde, heeft Nijenhuis altijd bij zijn ouders gewoond. Hij woonde in zoveel plaatsen - onder andere Heerenveen, Vught, Den Bosch, Arnhem, Overveen- dat er nog heel wat mensen in leven moeten zijn die hem gekend hebben. "ik ben ook benieuwd of er nog brieven en foto's in het land rondzwerven", zegt Werkman. Alle informatie is welkom op zijn adres: Willem van Mechelenstraat 5, 3817 BB Amersfoort, of telefoon 033-620929.
Bronvermelding: Loes Smit, ‘De onbekendheid van een groot schrijver’. In: Trouw, 26-08-1994.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

5.

5.

vet boekverslag, alles wat ik moest hebben staat erin. toppie :p

15 jaar geleden

4.

4.

goed gedaan!

7 jaar geleden

Andere verslagen van "De Tornado door Bé Nijenhuis"