Informatie over de auteur:

Kees van Beijnum is geboren en opgegroeid in Amsterdam. Als telg van een horecageslacht bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door in cafés van zijn familie, in de omgeving van de Zeedijk. Na het gymnasium volgde een niet kinderachtig aantal baantjes, tot hij in 1991 besloot zich fulltime aan het schrijven te wijden. Dit heeft inmiddels diverse romans en filmscripts opgeleverd.

In 1991 verscheen zijn eerste boek, Over het IJ, de reconstructie van een moord, dat in brede kring bewondering oogstte. 'Eindelijk een eigen equivalent van Truman Capotes In Cold Blood,' schreef René Zwaap in De Groene Amsterdammer.
Na Over het IJ verscheen begin 1994 Hier zijn leeuwen, waarmee de auteur als romancier debuteerde. Dit boek werd genomineerd voor de Debutantenprijs en geselecteerd voor de longlist van de Libris Literatuur Prijs.
Begin 1995 verscheen Dichter op de Zeedijk, een semi-autobiografische roman die door de lezers en critici in de armen werd gesloten. Dichter op de Zeedijk werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. 'Een groot en groots boek,'aldus het jury rapport.
In De ordening (1998) bespeelt Van Beijnum weer een ander register dan in zijn voorgaande boeken. Het is een prikkelend en onderhoudend boek met een subtiele intrige, een roman waarin de auteur de vraagstukken van zijn tijd geenszins uit de weg gaat.
En begin 2000 heeft Van Beijnum de problemen van de grote stad tot onderwerp gemaakt in zijn nieuwe roman. De oesters van Nam Kee is een geestige, met grote vaart en scherpte geschreven roman over hunkering. Hunkering naar waarheid, naar liefde en vooral naar 'echtheid'. De oesters van Nam Kee is bekroond met de Bordewijk-prijs 2001. De filmeditie is verschenen in mei 2002 .
Behalve romancier is van Beijnum ook actief als scenario schrijver. Hij schreef onder andere De langste reis, een door Pieter Verhoeff geregisseerde en door de VPRO uitgezonden televisiefilm, gebaseerd op de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn. Deze film werd genomineerd voor het Gouden Kalf voor het beste tv-drama van 1996. Verder is Van Beijnum scenarist van Maten alsook van de speelfilm De zwarte Meteoor. De verfilming van , waarvoor Van Beijnum zelf het scenario schreef, werd bekroond met het Gouden Kalf voor het beste tv-drama van 1999.

Samenvatting:

Stella is een meisje dat net is afgestudeerd, maar al een tijdje werkeloos is. Haar broer spoort haar aan te reageren op een advertentie in de krant waarin een weduwe vraagt of er iemand haar hele archief van dagboeken, brieven en andere documenten wil ordenen. Na een tijdje besluit Stella de weduwe te bellen. De weduwe vraagt dan ook of ze van het archief een biografie wil schrijven, omdat de weduwe hier niet meer toe in staat is. Ze kan meteen beginnen. In het begin twijfelt ze of ze dit wel moet doen. De vrouw blijkt ook een fascist uit de Tweede Wereldoorlog te zijn. Maar ze heeft geld nodig en gaat ervoor.
Het archief ordent ze in dozen en ze begint er steeds meer plezier in te krijgen. Ze krijgt steeds meer contact met de weduwe. Dit wordt mede versterkt door de wandelingen die ze samen maakt met de weduwe en haar hond Hector. De weduwe vertelt dan ook weer verhalen, die ook overeenkomen met wat dat ze in het archief heeft gevonden. Na een tijdje duikt een zekere Andreas Bambach uit Duitsland op. Met hem krijgt ze na een tijdje een soort van relatie. Intussen schiet het archief al aardig op en Stella komt steeds meer te weten over het duistere verleden van de weduwe en haar man. Als het archief helemaal af is en de weduwe het bekijkt schrikt de weduwe en roept dat het niet klopt. Het hele archief wordt verbrand, op een enkele brief na die de man van de weduwe vlak voor zijn dood heeft geschreven. Daaruit blijkt wat voor rol de man van de weduwe in de oorlog heeft gespeeld. Vooral dat de man alles deed omdat zijn vrouw dat wilde. Ook leidt Stella daaruit dat de “zelfmoord” van de man, waar de weduwe van zei dat het moord was, toch zelfmoord is en dat de weduwe dit altijd heeft geweten.

Er volgt een uitstapje van Stella, de weduwe en Andreas naar Zwitserland. Hier ging de weduwe normaal altijd met de grootvader van Andreas naartoe, maar omdat deze overleden is en het waarschijnlijk het laatste jaar van de weduwe is, vraagt ze Stella en Andreas mee. In een kluis in Zurich bewaart ze een schilderij, dat in de oorlog spoorloos was verdwenen en de weduwe en de grootvader van Andreas daar hadden verstopt. De weduwe wil dit schilderij overdragen aan Stella en Andreas, met de hoop dat zij het ook elk jaar zullen bekijken, net als zij en haar minnaar )de grootvader van Andreas’. Stella en Andreas voelen hier weinig voor.
Als ze weer naar huis rijden overlijdt de weduwe in de auto, daarna komen ze in een sneeuwstorm terecht. Stella gaat in een hotel vragen of ze er nog kamers vrij hebben, als ze naar buiten kwam zijn Andreas, het schilderij, het geld en de weduwe weg. Stella zoekt nog tijden naar Andreas. Als ze het eindelijk heeft afgesloten verschijnt hij op een uitvoering van haar kerkkoor. Als hij weggaat, gaat zij hem achterna…



Analyse

De personages:
Stella: zij weet niet echt goed wat ze wil met haar leven. Het interesseert haar ook niet echt veel. Vandaar dat ze ook afstandelijk kan zijn bij het werk voor de weduwe. Het maakt geen indruk op haar dat ze voor de grootste fascist van de oorlog werkt. De relatie tussen Andreas en Stella wordt erg close maar een echte relatie hebben ze niet. Stella vindt het een mysterieuze maar leuke jongen maar ze kan geen hoogte van hem krijgen. De relatie tussen Stella en de weduwe is eerst erg oppervlakkig maar later, nadat Stella brieven en dagboeken uit het archief leest en tijdens het wandelen met de weduwe praat, wordt de relatie beter. Stella is een jonge vrouw van begin 20. Het karakter van Stella verandert niet echt, wel veranderd haar houding. Ze doet eerst heel afstandelijk en oppervlakkig maar in de loop van het boek wordt ze steeds meer betrokken bij het verleden van de weduwe en stelt ze zich opener op.

Andreas Bambach: doet zich anders voor dan hij is. Hij heeft mooie praatjes tegen Stella, maar hij uit zich niet. Daardoor weet Stella ook niet precies wat ze aan hem heeft. Andreas en Stella krijgen een soort verhouding. De relatie tussen Andreas en de weduwe is redelijk goed, de weduwe is de minnares van zijn overleden grootvader. Andreas is volgens Stella een knappe jongeman. Andreas zijn karakter veranderd niet. Je krijgt, net als Stella, geen duidelijke beeld van Andreas.

De weduwe: Lotte de Heus Verholmen. Zij heeft in haar herinneringen een beter beeld van haar positie in de oorlog dan wat uit het archief blijkt. Omdat ze dit niet kan verdragen laat ze het archief maar verbranden. De relatie tussen haar en Stella is eerst oppervlakkig, maar in het verloop van het boek wordt het wat beter. De relatie tussen de weduwe en Andreas is wel goed. Het karakter van de weduwe verandert niet. Maar net als bij Stella wel haar houding. Eerst lijkt het een sterke, botte vrouw. In de loop van het boek kom je er achter dat het eigenlijk een zielige oude vrouw is met een klein hartje.

De Tijd:
Het verhaal is niet chronologisch verteld. Stella blikt terug op haar tijd bij de weduwe. Dit is ongeveer een half jaar geleden. De vertelde tijd is ongeveer anderhalf jaar. Het verhaal speelt zich af in Amsterdam, waar Stella woont. Maar het speelt zich vooral af in het landhuis van Lotte de Heus Verholmen. Het laatste deel speelt zich af in Zwitserland. Het speelt zich eind vorige eeuw af. De seizoenen spelen niet echt een rol in dit verhaal. Alleen wordt er wel genoemd dat het steeds zonniger wordt in het kamertje van Stella in het landhuis van de weduwe.

Compositie:
Het boek bestaat uit drie delen. Deze verschillende delen bestaan uit 4, 13 en 4 hoofdstukken.



Point of View:
Het verhaal wordt verteld vanuit Stella, dus een ik-vertel standpunt.

Uitleg van de titel:
De ordening, dit kan op twee manieren opgevat worden. De ordening van het archief van de weduwe, of de ordening van het leven van Stella zelf.

Thema en motieven:
Motieven hebben te maken met het archief en aan het begin van sommige hoofdstukken staan aantekening voor de biografie die Stella gaat schrijven over de weduwe. Dit is de rode draad van het verhaal, het helpt je steeds de hoofdzaak van het boek te herinneren. Dit is een steeds terugkerend element. Het thema is oorlog, maar ook de liefde tussen Andreas en Stella.

Stijlkenmerken:
En sterk kenmerk uit dit boek is dat er aan het begin van sommige hoofdstukken aantekening van Stella staan, die ze gaat gebruiken voor het schrijven van de biografie over de weduwe.

Citaten:

Bladzijde 67-68
Trefwoord: Batavia (november 1938)

Avond. Haar neef stuurt zijn nieuwe wagen door de modderige straten van Batavia. Arend, haar jongste broer, zit voorin. Zij leunt achterover in het zachte leer van de bank en kijkt naar buiten. Ze zijn onderweg naar hotel Des Indes om de opening van een expositie van Indië-schilders bij te wonen. Maat het begint nu zo vreselijk te hozen dat de motor van de auto een paar honderd meter voor hun bestemming er de brui aan geeft. De moesson roffelt op de linnen kap van de wagen. Ze wachten af. Een kwartier, twintig minuten. Het dak begint te lekken. De neef en Arend stappen uit en proberen de auto aan te slingeren. Zonder succes. Drijfnat staan ze voor haar portier. Ze overleggen wat ze moeten doen. Het water sijpelt al op haar schouder, in haar nek.
Ze kijkt naar de verlichte geval van Des Indes en neemt een besluit. “We lopen.”
Ze stapt uit en baant zich een weg door de stromende regen. Tussen de twee mannen in richt ze haar blik op het verre licht. Het water heeft de straat in een rivier veranderd. Ze lopen langs de kant van de weg, het hoge deel. Ze stapt over plassen die blinken in het licht van een lantaarn. Haar schoenen zakken weg in de eilandjes van warme modder. Regenwater spoelt door een geul in het wegdek, donker, als de wolken die boven haar hoofd openbarsten. De natte onderjurk op haar buik en benen, de smurrie aan haar hakken, na een minuut of wat van ergernis bezorgen ze haar een onstuimig gevoel.
Een jongeman, een Europeaan, lang en wat aan de magere kant, staat in het midden van de straat, alleen en roerloos. Naast een vastgelopen fietstaxi staart hij kalm voor zich uit, dwars door het waas van dikke druppels heen. Hij draagt een wit kostuum met te korte broekspijpen en een bijpassende hoed van stro, waarboven hij een groot bananenblad als paraplu houdt. Als ze hem passeert kijkt ze naar opzij en herkent zijn gezicht.
Zijn donkere haar loopt uit in bakkebaarden die zich in de holten van zijn wangen krommen. “Een intellectueel zonder charisma” heeft ze hem in haar dagboek genoemd. Maar nu kijkt hij haar aan, zo ernstig en opvallend rustig in het kabaal van de regen, het blad als een donker, zwevend schild boven zijn hoofd. En terwijl ze verder loopt, laat ze lang haar blik op hem rusten.
Ze is al een meter of vijf verder wanneer hij in beweging komt, met zijn ogen haar ogen om aandacht vragend. Ze is tweeëntwintig jaar en twee maanden oud als ze daar in de regen loopt, met half gedraaid bovenlijf terwijl hij nadert en voorzichtig het blad in haar richting beweegt. Ze neemt het aan, knikt met haar hoofd. Hij blijft achter, staand in de geul, het donkere water kabbelt langs zijn schoenen.
De volgende dag, op een receptie in de ommuurde tuin van zijn oom de gouverneur, spreekt hij haar met een intens verlegen blik in zijn ogen aan.”

Bladzijde: 243-244
“Trefwoord: Oudjaar (december 1944)

Om twaalf uur begeeft het voltallige gezelschap zich naar buiten. Revolvers en jachtgeweren worden op een laaghangend wolkendek gericht en leeggeschoten. Iedereen kust iedereen, schuimende champagneglazen worden doorgegeven, kinderen ontsteken hun sterretjes in de duisternis. Ze schreeuwen:”Een ree, daar, een ree!” Achtervolgd door de kinderen verdwijnt een van de mannen met een revolver in de ene en een halfvolle fles in de andere in de duisternis. Het begint te sneeuwen. Dan klinkt er een opgewonden stem vanuit het huis. Een voor een gaan ze naar binnen. Alleen zij en Wener staan nu nog bij het huis. Binnen wordt de radio harder gezet. Iemand sist, maant de andere tot stilte. Dan klinkt er het holle, krakende geluid van een bekende stem. Zij herkent die stem en wil ook naar binnen, maar Werner houdt haar tegen.
Ze staan naast het raam. Zij met haar rug tegen de houten muur, hij met zijn gezicht naar haar toe. Het licht van de lamp valt op de voetsporen op het pad, de sneeuw op de sparretjes heeft een gelige glans.
Er staat geen wind. Op die stem na is er niets te horen. Witte vlokken dalen n de vreedzame, lichte stilte omlaag op Werners haar en schouders. De bovenste knoopjes van zijn uniformjasje staan open. Hij heeft een leeg glas in zijn hand.
“De sneeuw,” zegt hij.
“Ja” zegt ze.
“zo stil, vallende sneeuw:
Ze knikt en likt de witte kristallen van haar onderlip.
Uit de radio klinkt de stem van de Führer: “Het staat vast, landgenoten, dat Duitsland de oorlog zal winnen. Het is voorbeschikt. 1945 zal een zwaar jaar worden, het zwaarste uit de Duitse geschiedenis…”
Ze kijken door de ijsbloemen op de ruit heen naar de gespannen uitdrukking op de gezichten. Ewald staat naast de radio, met een vlakke hand op de kast en een diepe frons boven zijn wenkbrauwen.
Werners vingers schuiven een lok haar van haar voorhoofd. “Lotte,” zegt hij “O Lotte.” Hij legt zijn wang op haar schouder, zijn mond beweegt zachtjes in haar hals. Hij fluistert iets maar ze kan hem niet verstaan. Het glas valt met een plof in de sneeuw. Dan voelt ze zijn tranen.
“maar 1945 zal honderd procent zeer een militaire ommekeer brengen, “ zegt de stem “En in 1946 zal Duitsland de oorlog hebben gewonnen.”
’46, denkt ze en ziet dat getal voor zich. Ze rilt even en slaat haar armen om hem heen.
“wat gebeurt er toch allemaal?” zegt ze
“Hoe mooi het stuk ook is, het komt aan op het laatste bedrijf.:
“Alles, je zult zien… alles…”
“Ja, ja, alles, Lotte”
Ze neemt zijn kin in haar hand en brengt zijn gezicht omhoog. Ze wil de toekomst in de diepte van zijn ogen. Ze wil de toekomst in de diepte van zijn ogen lezen, maar zijn ogen zijn twee donkere gaten. In de verte klinkt een schot.
En terwijl zij daar zo staan op die maanloze winteravond, met grote, donzige sneeuwvlokken rond hun gezichten, glijden haar vingers over de zachte huid van zijn gezicht omlaag. Ze slaat haar armen om zijn middel en begint hem zachtjes te wiegen alsof hij een kind is het doet haar denken aan iets van vroeger, aan tets wat boorbij is. Een verwarrend gevoel van hopeloosheid en onbeschrijfelijke schoonheid begint zich van haar meester te maken. Ze zou net als hij willen huilen.

De volgende ochtend, de eerste dag van het nieuwe jaar, staat zij op de drempel van het jachthuis, dralend, haar ogen gesloten, alsof ze slaapt. Voor haar, aan een hoge spar, hangt een reebok, de kop met het machtige gewei omlaag. Zijn lange, smalle tong hangt uit zijn bek, twintig centimeter boven de grond, als een lekkende goot. De bloeddruppels zwelen op, rekken uit als traansporen duiken loodrecht omlaag naar het rode eilandje met zijn roze oevers in een egale, fijnkorrelige zee van wit licht.”

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

F.

F.

In dit verslag mist een heel stuk van het boek, namelijk het laatste stuk in de huidige tijd.

Wat in dit verslag wel uitgewerkt is, is de flashback uit het hele middenstuk. Maar van het einde (dus in de huidige tijd) zie je helemaal niets terug.

10 jaar geleden