De klucht van de meulenaer door G.A. Bredero

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 5e klas vwo | 1918 woorden
  • 4 oktober 2006
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 27 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1613
Pagina's
47
Geschikt voor
vwo
Punten
1 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover De klucht van de meulenaer
Shadow
-
-
-
De klucht van de meulenaer door G.A. Bredero
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Titel: De klucht van de meulenaer
Auteur: G.A. Bredero
Uitgeverij: Meulenhoff
Plaats van uitgave: Amsterdam
Jaar van uitgave: 1975
Jaar van eerste uitgave: 1619
Oplage: Eerste oplage
Aantal bladzijden: 40 bladzijden
Genre: Klucht

Keuzeverantwoording:
Ik heb dit boek gekozen, omdat het een makkelijk boek was. Ik dacht dat het een heel saai boek zou worden, dus hoe kleiner het was, hoe beter.

Inhoud:
Ik moest heel erg wennen en doorzetten in dit boek. Ik had er geen vertaling bij en de taal was toch wel moeilijk. Alleen als je het snel hard op las, snapte je er iets van. Na een paar bladzijdes ging dit al stukken beter en werd het verhaal ook steeds grappiger. Het was nogal flauwe humor en er zaten ook wijze lessen in. Dat was wel goed aan dit boek, dat er nog een beetje diepgang in zat. Maar als ik het toneelstuk zou hebben gezien in die tijd, denk ik dat het heel erg leuk en grappig was.

Samenvatting:
Trijn Jans, een vrouw uit de stad, loopt aan de zuidwestkant van Amsterdam, net buiten de muren bij de Heiligewegspoort. Ze is met de veerschuit uit de richting Leiden gekomen en heeft gerend om nog binnen te zijn voordat de stadspoort wordt gesloten, maar het is al te laat. Het moet dus tegen de avond lopen, want de poorten gingen in die tijd tegen de schemering dicht. Wat nu te doen? De herbergen in die buurt zijn van verdacht allooi, daarom wil ze onderdak vragen in een particulier huis.

Op dat ogenblik komt Piet, een molenaar, naar buiten, terwijl hij door de openstaande huisdeur praat tegen zijn vrouw. Trijn spreekt hem aan en vraagt, of ze in zijn huis mag overnachten, al is het maar op een stoel. Na een kort overleg met zijn vrouw-alles door de open deur-komt ook zij, Aaltje, naar buiten. Ze sputtert wat tegen, maar Piet ondersteunt het verzoek van Trijn, niet omdat hij zo menslievend is, maar omdat hij haar wel een lekker stuk vindt.
Trijn komt binnen en bewondert het keurige huis. Met z’n drieen hebben ze het over van alles en nog wat: over mannen en wat ze op hun kerfstok hebben, over vrouwenroddel, vooral op kraamvisites, over personeel dat brutaal is en steelt. Trijn prijst Aaltje gelukkig dat ze het zonder dienstbode klaarspeelt.
Als Aal even weggaat, praten Trijn en Piet samen door. Na een wat voorzichtige aanloop doet Piet aan Trijn een ‘oneerbaar’ voorstel: hij wil met haar een avontuurtje hebben. Trijn is eerst verontwaardigd en wijst hem af. Toch lukt het Piet haar te betasten (vs. 292) en dat brengt haar in verwarring; ze blijft in haar woorden steken (achter vs. 294 zouden we stippeltjes moeten zetten), Piet raakt haar nog eens aan en ze zegt: ‘Hou toch op’ en gooit het gesprek over een andere boeg.
Aaltje komt weer binnen en dient de vis op. Na het eten gaat Piet naar zijn molen, d.w.z. naar buiten, en de vrouwen praten samen door. Dan bekent Trijn dat ze een afspraak met Piet heeft gemaakt, volgens haar zeggen gedwongen, en ze stelt Aaltje voor ’s nachts met haar van plaats en van kleding te verwisselen.
Als de kaars is uitgeblazen en alles stil is, komt Piet weer op, zich verkneukelend over het pleziertje dat hem te wachten staat. Hij kucht, zoals afgesproken is, en de deur gaat open en hij stapt binnen. Dan is het toneel leeg, alles is stil, de spanning stijgt. Na een poosje komt Piet weer naar buiten, vol lof over het weerwerk dat Trijn heeft gegeven. Hij ziet zijn knecht Joost-die intussen op het toneel is gaan liggen-en vertelt hem welk stout stukje hij zo pas heeft uitgehaald. Joost wordt er opgewonden van en krijgt van Piet toestemming om, in zijn plaats, een tweede keer naar binnen te gaan. Deze doet dat en dan hoont Piet de stadslui, die hij nu eens lekker een kool heeft kunnen stoven; zij schelden molenaars immers altijd uit voor dieven. Dan gaat hij naar zijn molen.
Het toneel is leeg, maar uit het huis klinkt de luide stem van Aaltje, die Joost uitmaakt voor alles wat lelijk is; ze denkt immers dat hij haar man is. En terwijl die anders nauwelijks naar haar omkijkt, komt hij nu tweemaal in een nacht (denkt Aaltje), omdat hij in de veronderstelling verkeert Trijn te pakken te hebben. Aaltje gooit Joost de deur uit.

Joost bekent aan Piet, die weer op het toneel is gekomen, wat er gebeurd is. Die ontslaat Joost op staande voet, daar zijn vrouw nu het van Joost, een jonge kerel, te pakken heeft en omdat hij niet kan hebben dat een ander met zijn vrouw vrijt. Geen woord over het feit dat ook hij bedrogen is. Als hij zijn vrouw hoort, gaat hij van het toneel.
Aaltje en Trijn komen buiten en nemen afscheid. De klucht eindigt met een alleenspraak van Trijn tegen het publiek; nu heeft zij binnenpret: ze heeft de list van Piet met list betaald gezet en ze zal het verhaal in de stad vertellen. De vrouwen onder het publiek waarschuwt ze goed uit te kijken: ‘Want al sietmen de luy, men kentse niet.’ Doelt ze hiermee alleen op Piet, of misschien ook op zichzelf? De juiste bedoeling is uit de woorden niet op te maken; deze moet duidelijk worden uit de manier waarop ze worden gezegd en uit de mimiek en de gebaren, die ermee gepaard gaan.

Deze samenvatting komt uit het boekje zelf.

Schrijfstijl:
Het taalgebruik is niet moeilijk, het is alleen nogal plat. Het past dus heel goed bij de personages, omdat het de taal is die in het alledaagse leven wordt gebruikt. Het is een toneelstuk dus heel het verhaal bestaat uit dialogen, soms monologen. Dat is wel een beetje vervelend om te lezen, maar als je het hardop leest is het heel logisch. Ik vond de platte taal heel grappig en vooral wat ze allemaal zeiden. Zoals ik al zei, zit er veel droge/flauwe humor in.

Ruimte (plaats en tijd):
Het verhaal duurt een dag en is chronologisch verteld. De verteltijd is een uur. Het verhaal speelt zich af in aan de zuidwestkant van Amsterdam rond 1613, in het huis van de molenaar Piet.

Personages:
Trijn:
Ze is mooi, verzorgd en beschaafd. Ze is begripvol en intelligent. Zo bedacht ze ook een sluw plannetje om Piet terug te pakken. Ze is getrouwd. Ze wordt verleidt door Piet, die haar heel aantrekkelijk vindt. Met de gastvrouw kan ze goed opschieten.

Aaltje:
Ze is sociaal en gastvrij. Ze komt niet echt intelligent over. Ze kan ook goed opschieten met Trijn en probeert Trijn wat te leren over het leven.

Piet:
Hij is een echte boer. Hij leeft om te eten, zuipen en te vrijen. Hij is naief en denk dat Trijn zomaar ingaat op zijn plannetje. Hij is egoïstisch, hij denk helemaal niet aan de gevoelens van zijn vrouw.

Thema:
Het gaat hier vooral om bedrog.

Motieven:
Het gaat om sex, overspel, molenaarsleven en het huwelijk.

Titelverklaring:
De titel verwijst natuurlijk naar de molenaar Piet. En het verhaal is een klucht.

Plaats in de literatuurgeschiedenis:
In dit verhaal laat Bredero het verschil zien tussen gewenst gedrag en ongewenst gedrag. Hij wilde de mensen levenslessen vertellen. Wat moreel onjuist was, zoals vaak dronken zijn en veel seks buiten het huwelijk.
Omstreeks 1585 begint de renaissance in Amsterdam. Bredero was lid van de rederijkerskamer De Eglentier. Hij is dus literair geschoold. Leden van rederijkerskamers speelden een belangrijke rol in de steden, omdat ze ideeen uit de Renaissance in hun boeken verwerkten. De taak van de schrijver was om mensen te onderwijzen of te bekritiseren en om wijze lessen te geven. Het stuk is luchtig en amusant, maar ook nuttig, omdat het een aantal wijze lessen bevat, zoals: “Al ziet men de lui, men kent ze niet”, en “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Deze kenmerken van het boek passen bij de opvatting uit die tijd, dat literatuur het nuttige en het aangename in zich moest verenigen: het ‘utile dulce’-idee.

Informatie over de schrijver:
Over het leven van Gerbrand Adriaenszn Bredero is weinig bekend. Hij werd in 1585 geboren in Amsterdam en heeft waarschijnlijk zijn hele leven daar doorgebracht. Hij stierf in 1618, omdat hij tijdens het schaatsen in een wak was gereden. Erg oud is hij dus niet geworden. Desondanks heeft hij een redelijk groot oeuvre bij elkaar gedicht, waarvan vooral de komedie De Spaansche Brabander en het Groot Liedt-Boeck nog steeds met plezier gelezen kunnen worden en zijn uitspraken zijn nog steeds bekend; al siet men de luy, men kent se niet. Deze uitspraak komt in veel van zijn werken terug.
Bredero lijkt zich minder van allerlei conventies te hebben aangetrokken dan deftiger tijdgenoten als Vondel en Hooft. In veel opzichten maakt hem dat voor ons, mensen uit de twintigste eeuw leesbaarder: hij schreef niet in hoogdravende taal en met een latijnse syntaxis over mythische en Bijbelse thema's maar in het plat Amsterdams over het leven op straat. Anderzijds hebben zijn toneelstukken daardoor hetzelfde probleem als veel reality TV: ze zijn nogal ongestructureerde series scenes uit het dagelijks leven, zonder een duidelijke verhaallijn. Al met al blijft Bredero de meest moderne onder de zeventiende-eeuwse dichters.
Gerbrand Adriaenszn Bredero (1585-1618), zoon van een schoenmaker, zelf schilder en schrijver, was lid van In Liefd' Bloeyende; in zijn Spaansche Brabander prees hij de oudere en bekende rederijkers Casteleyn, de Roovere en Houwaert als "Bay loy goeye meesters", maar door het gebruik van de volkstaal in zijn werken is te zien, hoe hij in andere richting zocht en vond. Met name zijn lyriek verschilt hemelsbreed van de traditionele rederijkerspoezie.

Beoordeling:
Ik dacht dat ik toneelstukken lezen helemaal niet leuk vond. Ik dacht dus ook dat het helemaal niet grappig was, ook omdat het al zo’n oud boekje is. Dit viel heel erg mee. Ik vond het best grappig en vooral de flauwe humor. Niet echt dat ik helemaal dubbel lag, maar het was wel amuserend.
Wat ik wel lastig vond in het begin, was het taalgebruik. Het was plat Amsterdams geschreven en af en toe wist ik ook echt niet wat hij bedoelde. Maar als je daar snel overheen leest, snap je het meeste wel. Toch moet ik ook zeggen dat ik het af en toe wel saai vond. Er zaten veel lange dialogen in, die er helemaal niet toe deden. Maar aan het einde van het boek werd dat beter, en kwam er ook echt een moraal in het verhaal. Dat Trijn Piet te slim af is en dat Piet hierdoor geleerd heeft om geen overspel meer te plegen. Het was ook best spannend, omdat je je afvraagt of het plannetje van Trijn of van Piet gaat lukken.
Het was wel een beetje voorspelbaar, omdat ik al veel achtergrondinformatie had gelezen. Ik wist al dat het om een wijze levensles ging, voor de gewone bevolking. Over dagelijkse dingen, zoals seks, bedrog, overspel, drank, huwelijk etc. Het is misschien wel een oud boek, maar het was wel leuk om te lezen. Deze gebeurtenissen zouden nu ook nog voor kunnen komen. Dan kan je je toch iets beter inleven in het verhaal en daardoor is het ook grappiger. Ondankt een paar negatieve puntjes, vond ik het toch een leuk boek. Ik denk dat ik het heel grappig had gevonden als ik in die tijd zou leven. Ik zou het iemand wel aanraden, maar alleen als ze iets uit deze tijd moeten lezen. Anders ken ik wel leukere boeken.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "De klucht van de meulenaer door G.A. Bredero"