Titel
De Kleine Johannes

Auteur
Frederik van Eeden

Uitgever
Manteau, Den Haag

1e Druk
1887

Gelezen druk
8e uit 1977

Genre
Sprookje. De verteller noemt het verhaal in het begin een sprookje dat echt gebeurd is. Er komen typische sprookjesfiguren in voor: elven en kabouters. Ook is het verhaal gebouwd op de typische tegenstelling tussen goed en kwaad.

Titelverklaring
De titel heeft betrekking op de voornaamste persoon uit het boek Johannes. Ook kan de titel slaan op het Johannes evangelie, omdat beide hetzelfde doel hebben, namelijk een betere wereld proberen te zoeken.

Opbouw
Het boek bevat 151 bladzijden en is ingedeeld in 14 genummerde hoofdstukken.

Tijd
Het verhaal is chronologisch verteld. Soms zijn er flash-backs waarin Johannes terugdenkt aan eerdere ervaringen. De vertelde tijd is twee jaar, met sprongen in de tijd en tijdsverdichting. De verteller vertelt het verhaal achteraf. Het speelt af in de negentiende eeuw, omdat er over industrialisatie gesproken wordt, maar nergens wordt er een duidelijke tijdsaanduiding gegeven. Het verhaal is in de verleden tijd geschreven.

Vertelsituatie
De schrijver gebruikt de situatie van de auctoriale verteller. Hij richt zich rechtstreeks tot de lezer en weet meer dan Johannes. De verteller beschrijft nauwkeurig de gevoelens van de hoofdpersoon en beschrijft andere personen door de ogen van Johannes.

Ruimte
In het boek is er een duidelijke tegenstelling van ruimten: de natuur tegenover de stad. Het huis waar Johannes woont -met z'n familie en z'n huisdieren: Presto de hond en de kat Simon- ligt dicht bij zee in een duin- en bosrijke omgeving. Voor Johannes is dit zijn wereld en daar voelt hij zich gelukkig. De tochten met Windekind vinden daar ook plaats. In de grote stad voelt Johannes zich ongelukkig, het stinkt er, is groot, armoedig, druk, ellendig en vol ziekte. Johannes ervaart het als een plaats waar geen mens gelukkig kan worden.

Personages
  • Johannes. Hij is de hoofdpersoon. Hij is een kleine jongen met een grote fantasie en een grote liefde voor planten en dieren. Hij vraagt en zoekt (naar waarheid). In het verhaal groeit hij op van kind tot jong volwassene, hij ontmoet daarbij achtereenvolgens Windekind, Wistik, Robinetta, Pluizer, de Dood, dokter cijfer en een menselijk gestalte zonder naam. Zij oefenen allemaal een tijdelijke of blijvende invloed op hem uit. Het zijn allemaal allegorische bijfiguren.
  • Windekind. Hij is een elf en zoon van de zon. Hij leert Johannes alles van de natuur, leert hem de planten/dierentaal te verstaan, maar vervreemdt hem van de mensen. Windekind, en bijna alle dieren en planten, haat mensen, hij vindt hen lomp, dom en heerszuchtig. Hoewel Johannes een mens is laat Windekind hem toch alles zien omdat hij zijn vriend is.
  • Wistik. Hij is de meest wijze van de kabouters, maar praat te veel. Wistik spoort de naar waarheid zoekende Johannes aan om het 'ware boekje te zoeken, wat gedoemd is te mislukken. Windekind wil niet dat Johannes naar Wistik luistert, maar doet dit toch en Windekind verlaat hem.
  • Pluizer. Hij symboliseert samen met zijn leerling dokter Cijfer de materialistische wetenschap. Hij ontkent het bestaan van alles wat bovenmenselijk is, heeft minachting voor gevoelens en vindt het leven zinloos. Pluizer leert Johannes alles van de zin van het bestaan en de dood.
  • Hein, de Dood. Pluizer brengt Johannes met hem in contact. Eerst is hij bang voor hem, maar later wil Johannes zelfs dat hij hem meeneemt opdat hij Windekind terugvindt.

    Het verhaal


    1.
    Johannes woont in een oud huis met een grote tuin. Tijdens zijn wandelingen met zijn vader stelt hij vaak domme vragen ('waarom is de wereld zoals zij is?'). Hij bidt vaak om een wonder, waarvan hij weet dat het er ooit aan zal gaan komen.

    2.
    Als Johannes met zijn hond Presto op de vijver drijft komt er een blauwe waterjuffer aan die verandert in een elf. Hij heet Windekind en wil Johannes z'n vriend worden, op voorwaarde dat Johannes nooit zijn naam aan een mens vertelt. Door een kus van Windekind wordt Johannes kleiner en verstaat plotseling de taal van planten en dieren. Windekind zal hem de wonderen der natuur laten zien, beter dan de schoolmeesters doen. In een krekelschool leert Johannes dat krekels bovenaan alle dieren staat omdat ze kunnen vliegen, springen en kruipen. En de mens staat zeer laag omdat het dat niet kan. Hierna voert Windekind hem naar een feest in een konijnehol, ten bate van dieren die het slachtoffer zijn geworden van mensen. Johannes krijgt van de elvenkoning Oberon een gouden sleuteltje, dat op een kistje past waarin schatten zitten. Ze verlaten het feest als Johannes begint te lachen om de manier waarop de dieren dansen. Ze vallen buiten in slaap.

    3.
    De volgende dag begint Presto Johannes te zoeken, hij vindt hem in de duinen. Johannes denkt dat hij gedroomd heeft maar vindt het sleuteltje in zijn hand. Thuis moet Johannes zijn vader beloven niet meer weg te lopen, maar Johannes wil niks beloven. Op school heeft Johannes zijn hoofd er niet bij. Na een paar dagen ontmoet hij Windekind weer en samen gaan ze het sleuteltje veilig opbergen omdat Johannes zijn wasdag eraan kwam en dan zijn sleuteltje zichtbaar zou zijn en zijn vader hem dan thuis zou houden.

    4.
    Na drie weken wil Johannes Windekind zien en een duif geeft hem een veertje waardoor hij kan vliegen. Duiven leiden hem naar Windekind en samen bezoeken zij de mieren. De mieren bereiden zich voor te strijden tegen de Strijdmieren (zij noemen zichzelf Vredemieren, maar alle mieren zijn even oorlogszuchtig en noemen zichzelf zo). In het bos ziet Johannes hoe een groep mensen de rust verstoort. Daardoor wordt Johannes bedroefd en besluit bij Windekind te blijven.

    5.
    Windekind vertelt Johannes over de kabouters en Johannes wil ze zien. Hij ontmoet Wistik die een kruisspin uit een boekje voorleest over Kribbelgauw, de held van de kruisspinnen. Kribbelgauw is in de boekjes voor andere dieren juist een monster. Johannes wil weten in welk boekje de waarheid staat. Wistik weet van een 'waar boekje, hij zoekt er al zijn hele leven naar. Wistik verdwijnt en Windekind zegt dat dat boekje niet bestaat en dat hij niet naar Wistik moet luisteren, maar Johannes blijft over dat boekje denken.

    6.
    Windekind zegt dat Wistik al veel mensen naar dat boekje heeft laten zoeken en hen zo ongelukkig gemaakt. Maar Johannes wil antwoorden op zijn vragen en gaat terug naar Wistik. Wistik zegt dan 'Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elvenvijand vindt het niet, mensenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet de weg.' Johannes denkt dat hij de aangewezen persoon is het kistje te vinden, gaat terug naar Windekind maar vindt hem niet.

    7.
    Johannes dwaalt verdrietig door het bos. Hij komt aan bij een tuinman, waar hij mag blijven gedurende de winter. Daar lezen ze uit een boek waarin over God gesproken wordt, maar dit is volgens Johannes niet het 'ware boekje.

    8.
    In de lente ontmoet hij een blond meisje, Robinetta met haar roodborstje. Hij brengt een leuke tijd met haar door. Wistik herinnert Johannes eraan het boekje te vinden. Robinetta zegt te weten waar het is.

    9.
    Robinetta's vader laat Johannes de bijbel zien in de veronderstelling dat dat het boek is waar Johannes naar zoekt. Maar Johannes zegt dat dat niet het ware boek is want anders zou er vrede zijn en dat is er niet. Hij zegt dat hij geen eerbied heeft voor God. De vader wordt kwaad en stuurt Johannes weg. Johannes gaat dan het boekje zoeken maar vindt het niet. Hij vindt wel het mannetje Pluizer. Hij zegt dat hij een vriend van Wistik is en meer weet dan Wistik. Hij zegt dat Windekind nog veel dommer is dan de kabouter. Johannes zou alle gedroomd hebben. Alleen hij, Pluizer, bestaat echt en zal Johannes helpen het 'ware boekje te vinden.

    10.
    Als Johannes wakker wordt is hij in een kamertje van Pluizer in de stad. Hij ontmoet Pluizer's vriend Hein. Daarna brengt Pluizer hem naar zijn leerling dokter Cijfer, die bezig een konijn te onderzoeken. Pluizer vertelt dokter Cijfer over het boekje dat Johannes zoekt. Dokter Cijfer wil Johannes wel helpen als hij sterk is en niet klein en teerhartig.

    11.
    Pluizer toont Johannes de armoede en ellende van het mensenbestaan in de stad. Ze gaan naar een dansfeest en Pluizer laat de ijdelheid en verveling achter de lachende mensen zien. De rondleiding eindigt op het kerkhof. Ze worden voorgegaan door een worm en bekijken het graf van een vrouw die op het feest was van binnen. Het is nu een halve eeuw later want voor Pluizer bestaat geen tijd. Ze bezoeken een paar andere graven en op het laatst het graf van Johannes, waarop hij flauwvalt.

    12.
    De volgende ochtend zijn ze terug bij dokter Cijfer en begint Johannes met leren. Hij doet dat maanden lang maar hoe meer hij leert hoe duisterder het wordt. Cijfer laat niet toe dat Johannes iets bewondert, als een bloem. Cijfer leert hem dat dat ondoelmatig is. Zijn verlangen naar Windekind en Robinetta nemen ook langzamerhand af. Ondertussen laat Pluizer hem de zinloosheid zien van alles. Johannes voelt zich hulpeloos, als een verminkt insekt die aan een touwtje zit waaraan Pluizer trekt. Pluizer zegt dat Johannes het sleuteltje met het boekje vergeten moet., hij moet net zo worden als dokter Cijfer.

    13.
    In het voorjaar verlangt Johannes naar de duinen. Hij gaat naar de duinen als zijn vader op sterven ligt. Nadat zijn vader overleden is wil Pluizer hem opensnijden om te zien wat er mis was. Dan komt Johannes voor het eerst in verzet tegen Pluizer en Pluizer verdwijnt. Bij het sterfbed zit Hein en hij prijst Johannes en zegt dat Pluizer niet meer terug zal komen. Johannes wil met Hein mee maar Hein weigert: Johannes hield van mensen hoewel hij dat zelf niet wist.

    14.
    Buiten ziet Johannes Windekind met het sleuteltje en rent hem achterna. Op het strand aangekomen ziet hij Windekind met Hein in een boot zitten, van de andere kant komt een mens aangelopen. Die stelt Johannes voor de keuze naar het Grote licht (in de boot) te gaan of naar de mensheid (met de gestalte). Johannes kiest voor het laatste.

    Motieven
    De tegenstellingen tussen de stad en de natuur, fantasie en wetenschap spelen een belangrijke rol. Ook het begrip dat elke figuur voorstelt: Windekind stelt de ongerepte kinderfantasie, liefde voor de natuur en het verlangen naar schoonheid voor. Wistik symboliseert de drang naar het kennen en begrijpen van alle aspecten van het leven en de dwaalweg van het zoeken naar kant-en-klare antwoorden op alle vragen ('het ware boekje). Robinetta stelt de jeugderotiek voor. Pluizer en dokter Cijfer stellen het rationalistisch denken voor.

    Thema
    Hoe de geestelijke ontwikkeling van een kind naar volwassenheid op symbolische wijze getekend wordt. Het kind wordt voortdurend beziggehouden door vragen (over zin van het leven, geluk/verdriet, leven/dood, en het waarom van alles). Het antwoord hierop leidt tot de essentie van het leven maar ook de dood. Uiteindelijk wil hij niet meer zoeken maar gaat een leven leiden in dienst van de mensheid.

    Mening
    Ik vond het verhaal goed, duidelijk geschreven, hoewel het oud was. De beschrijvingen waren zeer goed en nauwkeurig. Het thema vond ik een beetje vergezocht maar te begrijpen.

    Schrijver
    Frederik Willem van Eeden (1860-1932) Nederlands letterkundige, behoorde tot de Tachtigers, onder wie hij het religieus symbolisme vertegenwoordigde. Was werkzaam als arts, daarna als psychiater (tot 1894). Als Cornelis Paradijs maakte hij met de dichtbundel 'Grassprietjes' (1885) de Nederlandse domineespoëzie belachelijk en in hetzelfde jaar was hij een der oprichters van 'De Nieuwe Gids', waarvan het eerste nummer opende met het begin van zijn beroemde roman 'De kleine Johannes' (in 1887 in boekvorm verschenen). In 1893 leidde een polemiek met Kloos tot een breuk met 'De Nieuwe Gids' en in 1898 stichtte Van Eeden te Bussum de idealistische kolonie 'Walden', die door wanbeleid in 1907 failliet ging. In deze tijd schreef hij zijn grote psychologische roman 'Van de koele meren des doods' (1900) en twee vervolgen op 'De kleine Johannes' (1905, 1906). Nieuwe sociaal-idealistische plannen werden door WO I verstoord en nadien was zijn literaire rol vrijwel voorbij. In 1922 werd hij rooms-katholiek; een geestesziekte verduisterde zijn laatste jaren. Andere werken onder andere het versdrama 'De broeders' (1894), 'Het lied van schijn en wezen' (2 delen, 1897, 1910), 'Studies' (4 reeksen, 1890-1904) en 'Mijn dagboek' (8 delen, 1931-34).

  • Zie ook de kenmerken van De Tachtigers in De Kleine Johannes. Meer informatie over de schrijver vind je bij het Coster huis.
  • REACTIES

    Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

    H.

    H.

    Dit 'zogenaamde boekverslag' is hetzelfde als een andere op scholieren.com

    3 jaar geleden

    Antwoorden

    gast

    gast

    D.

    D.

    Sorry, ik moet de titelverklaring verbeteren. Dit heeft NIKS met het Johannes evangelie te maken. Johannes profeteerde, maar probeerde geen 'betere Wereld' te zoeken. De rest is wel allemaal goed hoor. :)

    4 jaar geleden

    Antwoorden

    gast

    gast

    D.

    D.

    "Stelt hij vaak domme vragen ('waarom is de wereld zoals zij is?')". Dit is één van de grootste vragen van het leven...

    7 jaar geleden

    Antwoorden

    gast

    gast