Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 2 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Titel
De kleine blonde dood

Over het boek
Druk: 1e druk
Uitgever: Wolters-Noordhoff, Groningen, 1995
Eerste druk: 1985
Pagina's: 133

Indeling
De kleine blonde dood bestaat uit achttien korte, enkel genummerde hoofdstukken. Er lopen twee verhalen door elkaar.

Motto
Er staan in het begin van het boek meerdere motto's. Ik heb er een uitgekozen van Mick Jagger: 'You're out of touch, my baby. My poor discarded baby. Dit slaat natuurlijk op zijn zoontje Micky.

Samenvatting
Het boek gaat over Boudewijn Büch en zijn relatie met zijn vader en zijn zoontje. Dit boek bestaat uit twee verhalen. In het ene verhaal gaat het over zijn vader en over zijn jeugd in Wassenaar. In het andere verhaal over de herinneringen aan zijn zoontje. Deze twee verhalen lopen door elkaar. Het verhaal begint als Boudewijn op schoolreisje gaat naar Nijmegen. Ze zullen ook even naar Duitsland gaan, maar mag dat van zijn vader absoluut niet. Hij heeft een trauma aan de oorlog overgehouden en is daardoor anti-Duits. Als ze eenmaal bij de Duitse grens zijn moet Boudewijn bij zijn leraar op Nederlands grondgebied blijven. Als Boudewijn opeens een zeldzame vlinder (een landkaartje) ziet vliegen gaat hij er achteraan om hem voor zijn vader te vangen. Als hij hem te pakken heeft blijkt hij verdwaald en in Duitsland te zijn. Twee Duitse douanebeambten houden hem aan en brengen hem terug naar de rest van de klas. Als zijn vader, die eerst dolblij is met de vlinder, hoort van het verhaal trapt hij de vlinder dood ('Ik wil geen Duitse vlinders'). Het duurt een week voordat hij weer met Boudewijn praat. In het derde hoofdstuk gaat Boudewijn met zijn vader op Prinsjesdag naar de gouden koets kijken. De vader van Boudewijn vereerde het koningshuis enorm. In het verhaal staat ook: 'Als er een fanclub was geweest van koningin Juliana, was mijn vader er lid van geworden.' Als ze gaan kijken zingt en schreeuwt de vader van Boudewijn uit volle borst mee, maar op het andere moment valt hij de gouden koets aan. Iedereen scheldt hem uit en verklaart hem voor gek. Hij wordt op het politiebureau een tijdje vastgehouden. In het vijfde hoofdstuk wordt er meer verteld over het vreemde gedrag thuis en dan vooral van zijn vader. Als hij een keer zomaar vertrekt zonder iets te zeggen, is een broertje van Boudewijn in de kamer van zijn vader geweest. Hij heeft daar in een kast gekeken die voor iedereen verboden was. Hij zag daar foto's van concentratiekampen en gemartelde mensen. Als zijn vader terugkeert van zijn reis, merkt hij dat er iemand in de kast is geweest. Zijn vader wordt woedend en Boudewijn's broertje wordt geslagen en geschopt. In hetzelfde verhaal wordt ook verteld dat op een decem berdag voor kerst zijn vader naar beneden komt. Hij vertelt dat hij geen kerst wil vieren, later zegt hij dat hij überhaupt geen feestdagen meer wil vieren. De reden hiervoor wordt niet gegeven. Als later op eerste kerstdag de vader van Boudewijn een toefje slagroom op het toetje ziet wordt hij laaiend ('Ik heb gezegd geen feest, dus geen slagroom !'). In hoofdstuk acht krijgt Boudewijn problemen met zijn ouders en moet hij een lange tijd naar een inrichting in Brabant. Hij beleeft daar een vreselijke tijd en mag daar praktisch niets. Het ergste vindt hij nog dat hij daar niet mag lezen. Na bijna een jaar mag hij weer naar huis. Daar krijgt hij erge last van zijn buik. De doktoren denken dat het niets ernstig is, maar later raakt hij in een coma. Hij had last van een blindedarmontsteking, maar die is nu geknapt en het is een buikvliesontste king geworden. Hij krijgt van zijn vader de mooiste dingen. Als de familie in hoofdtuk negen naar een natuurgebied gaat, blaast een van de zonen een kikker op. Zijn vader wordt hier verschrikkelijk kwaad over en leest de zonen voor uit een boek waarin de verschrikkelijkste dingen worden vertelt over de martelingen van Joden. In het volgende hoofdstuk wordt verteld over Onkel Jakob, die in de Tweed Wereldoorlog is mishandeld en daardoor 'gek in zijn hoofd' is geworden. Hij gaat met zijn oom naar zee en ze kopen daar patat, wat voor Boudewijn heel vreemd is, omdat hij ze nog nooit gezien of gegeten heeft. Onkel Jakob betaalt de meneer van de friettent met waardeloos Duits geld. De meneer merkt dat en achtervolgt ze. Omdat ze laat thuiskomen, moet Boudewijn voor straf zonder eten naar bed. Vele jaren later, zijn ouders zijn intussen gescheiden, ontvangt Boudewijn een brief van zijn moeder. Die stuurt hem een kopie van een rouwkaart waarin staat dat zijn vader gestorven is. Hij rouwt erg om de dood van zijn vader. Twee weken na zijn dood ontvangt hij een brief van zijn vader. Twintig vellen vol. De brief grijpt hem erg aan. Enkele zinnen neemt hij over, de brief verbrandt hij. Hij hoort van een dokter dat zijn vader zelfmoord heeft gepleegd. Voordat zijn vader stierf is hij nog een keer naar hem toe geweest. Het wordt een emotioneel gesprek. Boudewijn vertelt dat hij homosek sueel is en een vrouw van hem in verwachting is. Zijn vader en diens (vijfde) vrouw worden woedend. Het tweede verhaal gaat over Micky. Hij woont bij Boudewijn en de eerste hoofd stukken over Micky gaan over de belevenissen met hem. In Artis, naar de oma van Boudewijn, op vakantie naar Itali‰.In Artis vraagt Micky Boudewijn de oren van zijn kop. Ze beleven een gezellige tijd samen en later wil hij hem terug brengen naar Mieke. Als Mieke daar bezopen op de bank ligt (zoals wel vaker) besluit Boudewijn dat Micky voorlopig maar bij hem moet wonen. Onderweg en thuis is Micky misselijk en kotst alles onder. In hoofdstuk elf gaat Boudewijn voor een paar dagen, naar Parijs met vrienden. Micky blijft ondertussen logeren bij Gerda, een vriendin van Mieke. Ondanks dat Boudewijn tegen Gerda heeft gezegd dat ze Micky absoluut niet aan Mieke mee mag geven, doet ze dat toch. Als Micky bij Mieke is kanpt er iets in zijn hersenen en valt daarna van de trap. Hij ligt in coma. Als Boudewijn uit Parijs terugkomt hoort hij het verhaal en gaat naar Mieke en scheldt haar de huid vol. Daarna gaat hij naar het ziekenhuis. De dokter legt hem uit dat het gezwel in zijn hoofd is geknapt. Hij vertelt ook dat zijn zoon eigenlijk dood is en dat het geen zin meer heeft om hem in leven te houden. Boudewijn besluit na veel nadenken en verdriet om de behandeling te stoppen. Hij heeft veel moeite met het verwerken van het verdriet. Hij besluit om Micky te laten cremeren. Hij kwelt zichzelf hier nog meer mee, hij wil dat er geen spoor meer van Micky op aarde blijft bestaan. Boudewijn wil in zijn eentje op de crematie zijn. Omdat Boudewijn gek is op de Rolling Stones, net als Micky was, werd op de begrafenis het lievelingsnummer van Micky 'Out of time' gedraaid. Of 'oudovtaim' zoals Micky het zelf uitsprak. Later, zes jaar na de dood van Micky, bezoekt hij het crematorium nog een keer om een artikel te schrijven. Hij beseft dan dat hij de dood van Micky nog steeds niet verwerkt heeft. Hij besluit om Micky's micrografie te schrijven.

Thema
Het boek gaat over de gevoelens tussen een vader en zijn zoon: Tussen Boudewijn en zijn vader, maar ook tussen Boudewijn en zijn zoontje Micky. In het laatste hoofdstuk waar herinneringen staan over de banden tussen Micky en zijn vader, staan daarover parallelen.Een leuke: In de ene herinnering loopt Boudewijn over het strand met zijn vader die een rubber dingetje vindt: 'Wat is dat ?' 'Dat is een kapotje. Daarmee vrijen matrozen, dan krijgen ze geen kinderen.' In een andere herinnering loopt hijzelf met Micky over het strand als Micky ineens iets oppakt en vraagt: 'Wat is dat ?' 'Een kapotje.' 'Hij is helemaal niet kapot.'

Titelverklaring
De titel 'De kleine blonde dood' slaat natuurlijk op de kleine blonde zoon van Boudewijn die later in het boek overlijdt. In hoofdstuk zestien van het boek staat een verklaring van de titel: Na een ruzie met Mieke over dat ze zoveel drinkt, zegt Boudewijn: ' Soms schrik ik 's nachts wakker van het idee dat je een auto-ongeluk krijgt. En dan is die kleine blonde dood', waarop Mieke zegt: 'De kleine blonde dood, dat is een mooie boektitel; ik ga naar bed !'

Personages
De hoofdpersoon van het boek is Boudewijn Büch. Je mag niet aannemen dat de hoofd per soon van het boek dezelfde is als de auteur, want voorin in het boek staat vermeld: Iedere gelijkenis van figuren in dit boek met bestaande personen moet worden beschouwd als een gelukkig of ongelukkig toeval. Hij is zeker een round-character, omdat naarmate het boek vordert meer over zijn jeugd, gevoelens en zijn verhouding tot Micky te weten komen. In het eerste verhaal speelt ook zijn vader een belangrijke rol. Hij heeft een trauma overgehouden aan de Tweede Wereldoorlog en zijn karakter is erg vreemd. Hij is van joodse afkomst en heeft in de oorlog veel gedaan voor Nederland. Hij is aan de ene kant erg tegen Duitsers en laat dat ook goed blijken, maar aan de andere kant treedt hij wel hard en miltaristisch op. Hij is een flat-character, omdat zijn persoon niet verder wordt uitgewerkt. In het tweede verhaal hebben zijn zoontje Micky en Mieke een belangrijke rol in het verhaal. Micky overlijdt later in het boek. Mieke is de vroegere lerares van Boudewijn en ze moeder van Micky. Zij zijn allebei ook flat-characters.

Perspectief
Het boek is geschreven in een ik-perspectief. De auteur is niet dezelfde als de persoon in het boek. De ik-figuur vertelt het verhaal en is dus een vertellend ik.

Tijd
Er lopen twee verhalen door elkaar, maar elk van de verhalen op zich is wel chronologisch. Er is wel vaak sprake van tijdsverdichting. Sommige perioden zijn uitgebreid verteld en soms slaat hij jaren over. De vertelde tijd is onegeveer 20 jaar.

Ruimte
De belangrijkste ruimte waar het verhaal zich afspeelt zijn: de omgeving van Wassenaar rond zijn ouderlijk huis, zijn woonplaats in Amsterdam, vakantie in Italie. De ruimte heeft vooral een beeldvormende functie.

Beoordeling
Ik vond het een goed, maar vooral aangrijpend verhaal. Wat me vooral aansprak was de jeugd die Boudewijn in Wassenaar had. En dat hem het overlijden van zijn vader aangreep, ondanks de verschrikkelijke jeugd die hij gehad heeft. Ik vond de manier waarop het boek geschreven is (twee verhalen door elkaar) niet verwarrend. Dit komt vooral doordat de schrijver in sommige stukken terugblikt op vroeger. Wat ik alleen wel een beetje vreemd vind is de titel, omdat het verhaal veel meer over zijn jeugd in Wassenaar ging en zijn herinneringen aan zijn vader. Al met al vond ik het een erg goed verhaal.

Schrijver
Boudewijn Büch werd in 1948 geboren in Den Haag en groeide met zijn vijf broers - van wie vier ouder - op in Wassenaar. Op elfjarige leeftijd werd hij naar een jeugdpsychiatrische inrichting in Brabant gestuurd. Na een studie Nederlands, Duits en filosofie debuteerde Büch in 1976 met de poëziebundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs. In 1981verscheen zijn eerste proza in boekvorm, De blauwe salon. In 1982 kwam een volgend poëziealbum Dood Kind, die erg goed ontvangen werd. Zijn bekendheid steeg verder door zijn werk door de VPRO-radio en de VARA-televisie, waar hij vanaf 1984 een eigen televsieprogramma. In 1985 verscheen De kleine blonde dood, een aangrijpende roman die ook erg goed ontvangen. In de zomer van 1992 werd deze verfilmd door Jean van de Velde, met in de hoofdrol Antonie Kamerling.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

ik heb er veel aan gehad, bedankt man

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast