Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?


De donkere kamers van damokles

Titel: de donkere kamer van Damokles
Schrijver: Willem Frederik Hermans
Samenvatting

Henri Osewoudt is de zoon van een sigarenwinkelier te Voorschoten. Als hij nog op de lagere school is, vermoordt zijn moeder zijn vader in een vlaag van waanzin. Henri wordt opgevoed door oom Bart Nauta in Amsterdam. Hij krijgt een middelbare-schoolopleiding, maar gaat niet om met zijn klasgenoten. Hij leeft in een isolement en heeft alleen contact met zijn nicht Ria, die zeven jaar ouder is. Hij beoefent de judosport, waardoor zijn voeten vergroeien. Hij ziet eruit als een monster, een rechtopstaande pad met bolle wangen en wit zijdeachtig haar dat hij zo kort mogelijk laat knippen. Hij krijgt geen baard. Ook Ria is lelijk; haar haar heeft de kleur van pakpapier, ze heeft een lange spitse onderkaak en haar tanden zijn te lang.
Als Henri achttien jaar is, trouwt hij met Ria; hij zet de zaak van zijn vader voort, zijn moeder woont bij hen in. Moorlag, die staatsexamen wil doen, woont bij hen op een kamer. Henri is afgekeurd voor de militaire dienst, omdat hij een halve centimeter te kort is. Wel is hij bij de Burgerwacht. Als de oorlog uitbreekt, moet hij op wacht staan bij het postkantoor.
Luitenant Dorbeck geeft Henri een filmrolletje, dat ontwikkeld moet worden. Dorbeck en Henri lijken als twee druppels water op elkaar. Na de capitulatie krijgt D. een kostuum van Henri, die D.'s uniform in de tuin begraaft. D. brengt het kostuum terug met films die moeten worden ontwikkeld en opgestuurd aan E. Jagtman, Legmeerplein 25III, A'dam-W. Als de films ontwikkeld zijn, ziet Henri niets dan zwarte vlekken. Hij durft de foto's niet op te sturen, koopt een Leica en maakt zelf foto's van militaire objecten.
Enige tijd later komt D. tijdens een hevig onweer; Henri krijgt opdracht in Haarlem te komen. Daar ontmoet hij D. en Zéwuster. Met deze laatste gaat Henri naar de Kleine Houtstraat, waar ze in een huis twee mannen neerschieten. De zoon van de drogist uit Voorschoten heeft Henri achtervolgd.
Henri ontwikkelt het filmpje dat hij in de meidagen van '40 van D. heeft gekregen. Op een van de foto's staat D. met twee vriendinnen voor het huis in de Kleine Houtstraat.
Er valt een brandend vliegtuig op het huis van Jagtman, waardoor de gehele familie Jagtman om het leven komt.
In 1944 (drie jaar heeft D. niets van zich laten horen) krijgt Henri een brief van D. met het verzoek de foto's te zenden naar Postbus 234 in Den Haag. Hij gaat kijken wie de brief uit de bus haalt; het blijkt een heilsoldate te zijn. Een paar dagen later wordt hij opgebeld door Elly Sprenkelbach Meijer, een meisje dat zegt dat ze uit Engeland is overgekomen. Ze toont hem een van de foto's die hij aan D. heeft gestuurd. Hij brengt haar naar Oom Bart.
Als hij in Den Haag terugkomt, hoort hij van Moorlag dat de Duitsers hem in zijn huis opwachten en dat Ria en zijn moeder gevangen genomen zijn. Hij gaat met Moorlag naar Leiden, waar een student persoonsbewijzen maakt voor hem en Elly. Henri's haar wordt zwart geverfd door Marianne Sondaar; dit is de joodse studente Mirjam Zettenbaum, die ondergedoken is in een kapsalon. Henri duikt onder aan de Zoeterwoudsesingel en gaat foto's ontwikkelen voor Labare. Hij beseft nu hoe hij is veranderd: 'Dorbeck heeft een ander mens van mij gemaakt.'
Marianne gaat voor hem naar Oom Bart met het persoonsbewijs voor Elly. Deze is echter al verdwenen. Henri gaat naar Amsterdam en vertelt aan Oom Bart dat Ria en zijn moeder gevangen zitten. Oom Bart maakt Henri verwijten. Henri krijgt van D. opdracht naar de stationswachtkamer in Amersfoort te gaan. Hij zal daar een vrouw ontmoeten in leidstersuniform van de Nationale Jeugdstorm. Samen gaan ze naar Lunteren, waar Lagendaal, die voor de Gestapo werkt, uit de weg moet worden geruimd. De aanslag lukt, maar op de terugweg wordt de vrouw in de trein aangehouden. In Amsterdam ontmoet Henri Marianne; ze gaan samen naar de bioscoop. Op het doek verschijnt een oproep tot aanhouding van Henri. Hij loopt de zaal uit, maar wordt gepakt. Hij is er zelf van overtuigd dat ze hem voor iemand anders houden. In Den Haag wordt hij verhoord en zo erg gemarteld dat hij in een ziekenhuis moet worden opgenomen. Hoewel er een Duitse schildwacht voor de deur staat, wordt hij toch bevrijd door enige gemaskerde mannen, die hem naar Leiden brengen.
Bij Labare ontmoet hij Marianne weer. Tegenover haar spreekt hij zich uit over zijn verhouding tot Dorbeck: 'Ik heb nooit geweten dat ik het mislukte exemplaar was, totdat ik Dorbeck ontmoette. Toen wist ik dat hij het geslaagde exemplaar was, dat ik in vergelijking met die man geen reden van bestaan had, dat ik mijzelf alleen aanvaardbaar maken kon, door precies te doen wat hij zei.'
's Nachts worden ze door de Duitsers overvallen. Henri weet te ontkomen, zwemt een singel over en rent druipnat een huis binnen. Even later wordt hij gearresteerd. In de cel zoekt de Duitser Ebernuss, die beweert dat hij hem goedgezind is, hem op. Hij heeft ervoor gezorgd dat Marianne, die naar Westerbork was gebracht, weer vrij is. Ze verwacht een kind.
Ebernuss houdt zich bezig met het probleem of er een zekere Dorbeck bestaat, de dubbelganger van Henri. Daarom moet deze laatste naar Amsterdam gaan, waar een clandestiene sociëteit is voor ondergrondse helden. Als Dorbeck bestaat, zal Henri hem daar ontmoeten.
Ebernuss geeft Henri zijn Leica en samen gaan ze naar Amsterdam. Er is in de sociëteit een man van wie Henri gelooft dat het Dorbeck is. Henri krijgt van hem giftige kristallen, die hij in de borrel van Ebernuss doet.
Dorbeck en Henri gaan er met de auto van Ebernuss vandoor. Ze komen in een leegstaand huis, waar Henri zichzelf en D. in de spiegel fotografeert. D. vertelt hem dat Ria samenwoont met de zoon van de drogist, die hem verraden heeft, toen hij de aanslag in Haarlem heeft gepleegd. Henri krijgt een verpleegstersuniform. D. bericht hem dat Marianne in een kraamkliniek ligt. Als hij er aankomt, wordt hij naar een kelder gebracht waar hij het lijkje van zijn kind ziet. Huilend loopt hij weg. Een Duitse soldaat neemt hem mee in zijn auto. In Voorschoten steekt hij Ria dood en in Dordrecht vermoordt hij de Duitser; daarna vraagt hij hulp aan een pastoor.
Met hulp van de illegaliteit en een arts komt hij in Breda aan. Hij meldt zich bij het hoofdkwartier van de Nederlandse Strijdkrachten, waar men hem onmiddellijk arresteert, omdat men met een landverrader meent te doen te hebben. Hij wordt naar Engeland gebracht en later naar het Kamp Achtste Exloërmond. Daar behandelt Selderhorst zijn zaak. Henri wordt van vele dingen beschuldigd en Dorbeck, die zal kunnen aantonen dat hij een verzetsheld is, is onvindbaar. Jagtman en Moorlag zijn dood en Mirjam Zettenbaum is in een kibboets in Israël. Oom Bart leeft nog wel, maar zijn verklaring is zeer vaag. Eindelijk wordt de Leica van Henri gevonden. Het filmpje met de foto van D. zit er nog in en Henri mag het ontwikkelen. Er blijkt alleen een foto van Henri en Ebermiss op te staan; de foto met D. is mislukt. Henri rent naar buiten en wordt neergeschoten.
Heeft D. werkelijk bestaan? In het tijdschrift Merlyn jrg. 4 (juli 1966) heeft D. Betlem.aan dit probleem een artikel gewijd, getiteld: 'De geboorte van een dubbelganger'. Hij merkt op dat er behalve Dorbeck nog een dubbelganger van Henri in het boek voorkomt, ni. Jagtman.'Egbert Jagtman lijkt niet alleen op Dorbeck, hij is ook net als hij officier in het Nederlandse leger als de oorlog uitbreekt. Hij woont op het Legmeerplein 25III in Amsterdam, hetzelfde adres waarnaar Osewoudt zijn foto laat sturen.'
'Op 20 juli 1940 meldt Jagtman zich bij de Duitsers en verdwijnt hij voorgoed in gevangen-schap, maar n die datum heeft Osewoudt nog verschillende ontmoetingen met Dorbeck. Hoe zouden dan Dorbeck en Jagtman nog dezelfde kunnen zijn? Ik geloof dat er maar één verklaring mogelijk is: tijdens zijn eerste twee bezoeken aan Osewoudt bestaat "Dorbeck" wel degelijk,alleen is zijn naam dan Egbert Jagtman. Daarna komt hij niet meer terug, omdat hij gevangen zit en neemt "Dorbeck" (de geheel psychologische dubbelganger) zijn plaats in.'

Personages

In het wereld- en mensbeeld dat Hermans heeft, zijn de handelingen belangrijker dan de psychologische ontwikkeling van de personages. Dit aspect offert Hermans als het ware op voor wat hij werkelijk te zeggen heeft, namelijk dat mensen zich laten leiden door waanideeën. Ze bedriegen daardoor niet alleen zichzelf, maar worden ook door anderen misleid. Zo ontmoeten we in de hoofdpersoon Osewoudt niet alleen een waarheidszoeker, maar ook een jongen die op zoek is naar zijn eigen identiteit.
Tot aan de ontmoeting met Dorbeck leidt Osewoudt een passief leven, dat beheerst wordt door gevoelens van minderwaardigheid. Hij is geen 'echte' man en trouwt bij gebrek aan beter met zijn zeven jaar oudere nicht, die hem bedriegt. Omdat zijn vader niet meer leeft, heeft Osewoudt geen mannelijk voorbeeld waarmee hij zich kan identificeren of tegen af kan zetten. De komst van Dorbeck is dan ook een welkome verandering in het leven van Osewoudt: in hem vindt hij iemand met wie hij zich kan identificeren; hij voert Dorbecks opdrachten zonder nadenken uit. Niet het feit dat hij bij het verzet betrokken raakt, geeft Osewoudt het gevoel een echte, belangrijke man te zijn, maar hij hangt dit idee helemaal op aan de figuur van Dorbeck. In de vier jaren van Dorbecks afwezigheid, zakt Osewoudt dan ook weer in. Dat Dorbeck zelf Osewoudt niet als zijn evenknie beschouwt, blijkt wel uit het feit dat hij Osewoudt een verpleegstersuniform laat aantrekken.
Naast de identiteitsproblemen die Osewoudt heeft, lijdt hij ook aan een Oedipuscomplex. Het feit dat zijn moeder zijn vader vermoord heeft, verbaast hem niet (p. 6) en eigenlijk had hij het zelf wel gedaan willen hebben (p. 44). Zijn moeder is ook belangrijker dan zijn vrouw Ria. Ebernuss begrijpt deze oedipale gevoelens blijkbaar wel: 'Je moet veel van haar gehouden hebben. Een moeder die je vader heeft vermoord, dat is pas een ware moeder! Waartoe heeft een vrouw nog een man nodig als zij een zoon heeft!' (p. 207).
Marianne is, naast Dorbeck, de enige die Osewoudt het gevoel van mannelijkheid geeft. Maar ook die illusie wordt hem ontnomen als het kind dood geboren wordt. En Marianne niks meer van zich laar horen als ze in de Kibboets zit. Selderhorst zegt dan: Ze zal wel samen met Dorbeck zijn.
Van de overige personages is ook oom Bart een typisch voorbeeld van iemand met waanideeën. Door zich te onthouden van sterke drank, roken en seks denkt hij verdraagzaam te worden, terwijl hij vol vooroordelen zit.
Ook Ebernuss, die het type van de 'goede' Duitser lijkt te zijn, doet dit alleen uit eigenbelang: hij wil zijn eigen huid redden. Hij doet heel aardig maar dat is hij niet. Als Osewoudt en hij naar Dorbeck gaan zegt hij dat ze elkaar nog nodig gaan hebben.
De persoon van Dorbeck is moeilijk te definiëren. Hij blijft het type van de verzetsstrijder die meer af- dan aanwezig is en als het erop aankomt onvindbaar is. Hij voorspelt dat zelf al aan het begin van het verhaal: 'Ze kunnen zoeken zoveel als ze willen, als ik niet gevonden wil worden, word ik niet gevonden' (p. 26). Hij is goed in het vertouwen winnen van mensen. Hij imponeert ze met zijn houding en manier van praten. Zo krijgt hij alles van mensen gedaan.
Structuur en techniek
De roman bestaat uit 46 ongetitelde hoofdstukken, die zeer verschillend van lengte zijn. Het verhaal begint in 1932 en eindigt eind 1945. Hoewel deze periode de hele Tweede Wereldoorlog omvat, wordt daarvan relatief weinig verteld: tussen de eerste ontmoeting met Dorbeck in 1940 en de tweede ontmoeting liggen vier jaren. In het verhaal zijn deze vier jaren slechts een tijdsverdichting tussen de pagina's 40 en 41, waarna Osewoudt weer in actie komt. Ook dit gegeven is een goed argument om De donkere kamer van Damokles eerder een verzetsroman te noemen dan een oorlogsroman. Er is wel een duidelijke wending in het verhaal zichtbaar. Hermans heeft daarvoor handig gebruikgemaakt van het vertelperspectief. Dit ligt namelijk alleen bij Osewoudt, waardoor de lezer een subjectief verhaal voorgeschoteld krijgt. Als lezer leef je met Osewoudt mee en ben je geneigd hem te geloven. Maar na zijn arrestatie in Breda wordt Osewoudts visie op de gebeurtenissen echter van alle kanten tegengesproken en is er geen bewijsstuk te vinden dat zijn versie bewijzen kan. Dit keerpunt zet het hele verhaal van Osewoudt op losse schroeven. Is Osewoudt een verzetsheld of een landverrader? Heeft Dorbeck nu wel of niet bestaan? De vraag wordt aan het eind van het verhaal niet beantwoord, waarmee de roman beantwoordt aan de opzet van de schrijver en de lezer blijft zitten met de vraag: wat is nu de waarheid?!
De tijd waarin het verhaal zich afspeelt, is door Hermans ook bewust gekozen. Juist in een tijd waarin regels en wetten met voeten getreden worden (zowel door de vijand als het verzet!), komt de chaos van het bestaan naar voren en laten mensen hun ware aard zien. Deze visie, waarin de moraal ver te zoeken is, is duidelijk die van Hermans zelf en wordt vertolkt door de medegevangene van Osewoudt (p. 292-294). Ook de poging van pater Beer om Osewoudt tot berouw te brengen, wordt door Osewoudt als onzin van de hand gewezen
De plaatsen van handeling zijn heel bekend: Voorschoten, Amsterdam, Den Haag, Haarlem, Leiden, Lunteren en Breda. Voor één plaats gaat dit echter niet op: Achtste Exloërmond. Van Exloërmond bestaan er in Drenthe wel een Eerste en een Tweede, maar geen Achtste. Met deze 'onwaarheid' lijkt Hermans de oplettende lezer te willen waarschuwen: ook in een roman wordt met de waarheid 'geknoeid'. De roman vertoont overigens wel een hechte structuur. Juist de nauwkeurige beschrijvingen wekken bij de lezer de indruk dat de werkelijkheid grijpbaar is. Deze techniek, die eigenlijk strijdig is met het idee van Hermans dat de wereld een chaos is, maakt zijn boeken zo goed leesbaar.
Thematiek
W.F. Hermans schrijft ideeënromans, waarin telkens dezelfde denkbeelden terugkomen. Het verhalend proza bestaat uit variaties op één thema, namelijk de levensopvatting van Hermans zelf. Zijn visie daarover steekt Hermans vaak in een jasje van spannende, meeslepende verhalen, waardoor de romans en novellen heel goed te lezen zijn zonder kennis van de onderliggende laag. Zo kan De donkere kamer van Damokles gelezen worden als een spannend oorlogsverhaal of, misschien wel beter: als een roman over het verzet. Voor een juist begrip van Hermans' werk is het echter wel nodig diens denkbeelden over de mens en de wereld waarin hij leeft, te kennen.
In Hermans' mens- en wereldbeeld is het onmogelijk dat de mens vat heeft op de werkelijkheid die hem omringt en waar hij deel vanuit maakt. De realiteit is te complex, te dubbelzinnig en in essentie chaotisch. Niets is zeker en 'de' waarheid bestaat niet. Om toch greep te krijgen op deze chaotische wereld, maakt de mens zijn eigen beeld van de werkelijkheid en ontleent daaraan zijn zekerheden. Dit zelfgeschapen wereldbeeld is, volgens Hermans, een mythe - al zullen weinigen dit uit zelfbehoud toegeven - want het schept orde en legt verbanden waar die in feite niet zijn. Voorbeelden van zulke zekerheden zijn bijvoorbeeld godsdiensten en ideologieën. Hermans ziet het ook als zijn functie als schrijver om deze zekerheden te ontmaskeren. Uit het mensbeeld dat hij beschrijft blijkt telkens weer dat het onderlinge contact tussen mensen vrijwel altijd aanleiding geeft tot misverstand, onbegrip, meningsverschillen, wantrouwen, wel of niet moedwillige misleiding en bedrog. Iedereen zit als het ware opgesloten in zijn eigen 'donkere kamer'. De mens is in wezen alleen, omdat hij noch zichzelf, noch de ander kan doorgronden. Genegenheid en liefde, die deze fundamentele eenzaamheid zouden kunnen opheffen, komen in het werk van Hermans dan ook nauwelijks voor. Dat het in het maatschappelijke verkeer tussen mensen nog redelijk goed gaat, is te danken aan wetten en gezamenlijke afspraken. Maar morele overtuigingen bestaan, volgens Hermans, slechts zolang men daar zelf voordeel bij heeft.
Het thema in De donkere kamer van Damokles vinden we vooral in het idee dat 'de' waarheid niet te achterhalen valt, omdat iedereen in de veronderstelling leeft dat zijn beeld van de werkelijkheid waar is. Dit idee wordt verwoord door de medegevangene: 'De waarheid is met autosuggestie niet tegen te houden. De mens zal er aan moeten wennen te leven in een wereld zonder vrijheid, goedheid en waarheid' (p. 294). Het zijn vooral de omstandigheden waarin Osewoudt terechtgekomen is, die deze woorden bevestigen. In het verzet is het aannemen van schuilnamen heel gebruikelijk, maar tegelijk ook verwarrend. Dat ontlokt Osewoudt de gedachte: 'Wie weet nog wel zoals hij heet? Wie is te vertrouwen en wie niet? (...) Wie is nog te vertrouwen? Iedereen bedriegt iedereen (p. 155). Wanneer Osewoudt niet bewijzen kan dat Dorbeck bestaan heeft, roept hij wanhopig uit: 'Hoe is dit nu mogelijk? De hele wereld bedriegt mij, zelfs het licht heeft mij in de steek gelaten' (p. 331).
Vooral Osewoudt wordt een waarheidszoeker, omdat hij bewijzen moet dat Dorbeck heeft bestaan. Tegelijkertijd is hij daarmee op zoek naar zichzelf.
De motieven die het thema moeten ondersteunen, hebben te maken met de onmogelijkheid om jezelf te kennen, laat staan de ander. Door de verschijning van Dorbeck lijkt Osewoudt een dubbelganger te ontmoeten. Osewoudt, die zichzelf eerst: 'Een klein monster, een rechtopstaande pad' noemt (p. 16), wijzigt dit zelfbeeld wanneer hij zijn haar laat verven: 'Ik word een ander mens dacht hij, een heel nieuw leven begint! (...) Ik word herboren' (p. 75). Osewoudt verbindt daaraan het waanidee dat hij alleen leeft bij de gratie van het bestaan van Dorbeck. Het wel of niet positief denken over zichzelf, wordt daarna alleen nog maar bepaald door het dubbelgangermotief: 'Ineens zag hij het: Dorbeck! Niet te onderscheiden van Dorbeck was hij! Hetzelfde zwarte haar, hetzelfde lijkwitte gezicht! Als ik altijd zwart haar zou hebben gehad, dan zou mijn hele leven anders geweest zijn, ook al heb ik geen baard, dacht hij' (p. 76). Osewoudt maakt van Dorbeck zijn alter ego, zonder wie hij zelf eigenlijk geen bestaansrecht heeft: 'Ik heb nooit geweten dat ik het mislukte exemplaar was, totdat ik Dorbeck ontmoette. Toen wist ik dat hij het geslaagde exemplaar was, dat ik in vergelijking met die man geen reden van bestaan had, dat ik mijzelf alleen aanvaardbaar maken kon, door precies te doen wat hij zei' (p. 176). Als Marianne dit waanidee tegenspreekt, zegt Osewoudt nogmaals: 'Begrijp toch wat ik bedoel: voor ik hem kende heb ik feitelijk helemaal niet geleefd' (p. 178). Het idee dat na de oorlog alles weer zijn gangetje zal gaan, is voor Osewoudt haast onverdraaglijk: 'Wat zou hij wezen? Een slappe jongen die de hele dag over de toonbank van een sigarenwinkel hangt, een jongen zonder baard, onder de hoede van een verlepte vrouw die geld uit de toonbankla neemt zonder te vragen' (p. 204).
Het idee van Osewoudt dat hij een verzetsheld is, wordt onderuitgehaald omdat iedereen weer een ander beeld van hem heeft. Oom Bart noemt hem een dégénéré en een lafaard (p. 99), Selderhorst denkt dat hij een landverrader is (p. 279) en de psychiater vermoedt dat Osewoudt aan inbeelding lijdt (p. 318/319).
Als leidmotieven fungeren benodigdheden die met de fotografie te maken hebben: een fototoestel, donkere kamers en foto's. Juist deze middelen, die (als enige?) 'de waarheid' vast kunnen leggen, falen als het op bewijsstukken aankomt.
Titel en motto's

De donkere kamer speelt op twee momenten een cruciale rol. De eerste keer dat Osewoudt een foto van Dorbeck ontwikkelt, mislukt deze omdat zijn moeder binnenkomt en het licht aandraait. Ook het laatste bewijsstuk van Dorbecks bestaan mislukt in een donkere kamer. Het tweede gedeelte van de titel verwijst naar de mythe van Damokles, die op zijn verzoek de koning voor een dag mocht vervangen. Om te laten zien hoe zwaar die taak was, liet de koning een zwaard aan een paardenhaar boven het hoofd van Damokles hangen. Bij Osewoudt gebeurt iets dergelijks. Hij vervangt Dorbeck door diens opdrachten uit te voeren. Als Osewoudt later niet kan bewijzen dat hij in opdracht van Dorbeck gehandeld heeft, wordt hij gedegradeerd van verzetsheld tot landverrader. Hij heeft daarmee niet kunnen voldoen aan zijn vervangende taak en dus valt het zwaard voor Osewoudt.
De donkere kamer kan ook symbolisch worden opgevat: Osewoudt zit helemaal 'opgesloten' in zijn eigen waanideeën waarin Dorbeck slechts een hersenspinsel is.
De roman heeft geen motto. Wel heeft Hermans in 1971 een naschrift toegevoegd, dat een citaat van de filosoof Ludwig Wittgenstein bevat. Het betreft een woordenspel over het wel of niet kunnen vinden van iemand en toont aan dat zelfs de taal niet bij machte is het bestaan van iemand te bewijzen.

Taal en stijl

De taal in De donkere kamer van Damokles is eenvoudig en haast zakelijk. De beschrijvingen van de omgeving waar Osewoudt zich bevindt, zijn heel nauwkeurig. Door deze manier van schrijven wordt de indruk gewekt dat er een waar gebeurd en objectief verhaal verteld wordt, terwijl Osewoudts visie juist heel subjectief is. Om de suggestie van de werkelijkheid nog eens te versterken, zet Hermans in het verhaal dingen apart op een manier zoals wij die dagelijks tegenkomen: de tekst van een etalagebord, de tekst in gotische letters op een mededeling van de Duitsers, de tekst van een opsporingsbericht, brieven en een krantenbericht.
De subjectiviteit van Osewoudt begint te wankelen, wanneer er na de al eerder genoemde wending veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de dialoogvorm. Deze dialogen zijn terugblikken op en herhalingen van gebeurtenissen die door Osewoudt zijn verteld. De oplettende lezer heeft echter al eerder in de gaten, dat het met Osewoudt niet goed zal aflopen. De eerste vooruitwijzing is al het verhaaltje van de schipbreukeling, waarmee de roman begint. Het voorgevoel van Osewoudts moeder dat ze boodschappen van Dorbeck moet tegenhouden, blijkt terecht te zijn (p. 28). Ook Ebernuss voorspelt dat er voor hemzelf en Osewoudt na de oorlog geen enkele reden van bestaan meer is (p. 208).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast