Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?



Volg ons nu op Instagram


Boek 4
Willem Frederik Hermans      De donkere kamer van Damokles
1. Titel: De donkere kamer van Damokles
Schrijver: Willem Frederik Hermans
Uitgever: G.A. van Oorschot
Druk: zevenenveertigste druk ter gelegenheid  van Nederland Leest 2012.
           Eerste druk 1958 © Erven Willem Frederik Hermans.


 


2. Het verhaal speelt zich af van 1932 tot aan 27 december 1945. Deze data worden letterlijk genoemd in het boek.
Het begint met de dag dat Osewoudts moeder zijn vader vermoordt en eindigt op de dag dat Osewoudt sterft. Het verhaal begint echter pas echt te leven op de dag dat Osewoudt Dorbeck ontmoet op de eerste dag van de tweede wereldoorlog, 10 mei 1940. Het verhaal speelt zich dus af over een periode van 13 jaar. Het hoofdgedeelte speelt zich echter af over een periode van 5 jaar. Het verhaal is chronologisch verteld.


 


3. Het verhaal speelt zich af in verschillende Nederlandse steden, waaronder Voorschoten, Amsterdam, Leiden, Den Haag, Breda en het kamp ‘Achtste Exloërmond’.
De ruimtes waar Osewoudt in verblijft of zich bevindt zijn bijna altijd kleine en vaak donkere ruimtes. Dit komt zowel terug in de Donkere Kamer voor foto-ontwikkeling, als in het huis van Labare en in het speciaal zijn kelder, het huis van Moorlag waar Ebernuss vermoordt wordt, alsook zijn cel in Duits, Engels en Nederlands gevangenschap en de ziekenzaal waar Osewoudt zijn laatste dagen doorbrengt.
In eigenlijk alle gevallen is er sprake van parallelwerking, want het is oorlog dus alles voelt donkerder en grimmiger. De moorden die Osewoudt pleegt in de Kleine Houtstraat 32, op Lagerdaal en op Ebernuss vinden allemaal plaats in kleine donkere ruimtes, dit is parallelwerking want een moord wordt spannender als die plaatsvindt in een kleine donkere ruimte. De slaapkamers waar Osewoudt slaapt en onderduikt zijn ook allemaal klein en donker, net als de cellen waarin hij verblijft in Duits en Engels gevangenschap. De Nederlandse cel daarentegen is klein en heeft geen ramen, slechts een lichtstreep bij de zoldering, en er is een lamp die fel wit licht uitstraalt.


 


4. Osewoudt heeft een traumatische en geïsoleerde jeugd. Hij is lelijk, laf en mislukt. Als de oorlog uitbreekt krijgt hij waanidee


 


5. A. Het boek heeft geen genummerde of benoemde hoofdstukken maar het is wel duidelijk wanneer de ene scène is afgelopen en een nieuwe begint. De donkere kamer van Damokles is als het ware verdeeld in vijf episodes, vijf bedrijven (zoals in een treurspel);
1. Hoofdstuk 1 t/m 5 Henri’s jeugd 1933-1940
2. Hoofdstuk 6 t/m 11 Henri in mei-augustus 1940
3. Hoofdstuk 12 t/m 20 Henri in juni-juli 1940
4. Hoofdstuk 21 t/m 30 Henri in de handen van de Duitse politie juni 1944-april 1945
5. Hoofdstuk 31 t/m 46 Henri in de handen van de Nederlandse politie april-december 1945
B. Het verhaal begint in letterlijke zin op het moment dat de moeder van Henri zijn vader vermoordt, maar het verhaal begint pas echt te lopen vanaf het moment dat Henri Dorbeck ontmoet. Het verhaal wordt opgebouwd doordat Henri door Dorbeck steeds meer in het verzetswerk getrokken wordt, hij moet steeds meer en steeds gevaarlijkere taken moet uitvoeren. De climax ligt op de laatste paar pagina’s als Osewoudt ontsnapt en wordt doodgeschoten door de Nederlandse politie. De afloop blijft tot het einde toe onbekend want ook al is Henri gevangengenomen en is het niet waarschijnlijk dat hij nog ooit vrijkomt, er bestaat altijd nog een klein sprankje hoop dat Dorbeck hem alsnog komt redden.


 


6. Fotografie: Ik vond dit niet echt een goed en duidelijk motief, het kwam wel vaker terug en het had wel een belangrijke functie voor het verhaal maar ik vond het niet echt een duidelijk naar voren komend motief. Daarbij vond ik het ook niet echt een gevarieerd motief, het kwam steeds sporadisch op dezelfde manier terug. Het kan zijn dat het misschien toch een belangrijk motief is maar dit het ik niet uit het verhaal kunnen halen.


Dubbelgangersmotief: Het gehele boek is er sprake van een dubbelgangersmotief tussen Henri Osewoudt en Dorbeck. Henri en Dorbeck lijken qua uiterlijk heel erg op elkaar maar qua karakter eigenlijk totaal niet. Henri is een niet-mannelijke en laffe man, terwijl Dorbeck, in Henri’s ogen, juist een erg stoere en heldhaftige man is. Dorbeck is eigenlijk de persoon die Osewoudt graag had willen zijn. Het blijft het gehele boek lang onduidelijk of Dorbeck echt bestaat of dat hij een waanidee van Osewoudt is. Omdat men alleen Osewoudt standpunt ziet, kan men geen duidelijk oordeel over Dorbeck vellen. Het is niet duidelijk of hij echt bestaat of niet en of hij een verzetsheld of een collaborateur is.


Fantasie en werkelijkheid: Osewoudt kan niet bewijzen dat Dorbeck echt bestaat omdat niemand hem lijkt te kennen. Het hele boek lang, maar vooral tegen het einde, speelt de vraag of Henri Dorbeck heeft verzonnen of dat hij echt bestaat. Dit speelt vooral een rol tegen het einde van het boek wanneer Osewoudt verhoord wordt over zijn oorlogsdaden die hij naar zijn idee gedaan heeft in opdracht van Dorbeck, maar niemand kan hem vinden ook al gelooft Henri heilig in zijn bestaan. Het hele boek lang speelt de vraag of Henri alles heeft verzonnen en dat Dorbeck een soort tweede persoonlijkheid is of dat Dorbeck een echt bestaande mysterieuze held is.


Spiegels: Spiegels spelen een redelijk belangrijke rol in het boek omdat iedere keer als Henri in de spiegel kijkt, ziet hij hoe mislukt hij (naar zijn  mening) eigenlijk is. Hij zit er vooral mee dat hij geen baard heeft, weinig en touwachtig blond haar en een hoge vrouwelijke stem.  Het hangt samen met het dubbelgangersmotief want iedere keer als Oswoudt in de spiegel kijkt, vergelijkt hij zichzelf met Dorbeck.
Citaten
Fotografie:
1. “Het kamertje achter dit gordijn afgeschut, was geheel zwartgeverfd: het plafond, de vloer, de planken langs de wanden, die volstonden met ronde doosjes en bruine flessen. Er was geen raam, zelfs niet een afgeschut raam, wel een fonteintje en een opklapbed.
- Hier, zei Labare, zul je het meeste werk moeten doen. Het is het beste als ik het je meteen maar uitleg. Je bent hier namelijk in de donkere kamer. Maar nergens ter wereld komt zoveel aan het licht als in een donkere kamer.” Blz. 81-82
(Een donkere kamer speelde een belangrijke rol in de ouderwetse foto-ontwikkeling)



2. “Hij stond op, nam de spoel uit de tank en trok de film uit de spoel. Op het eerste stuk dat tevoorschijn kwam, stond niets.
- Het was een film waar bijna niets opstond, zei Osewoudt.
Hij had nu al een meter uit de spoel getrokken, er stond nog steeds niets op. Eindelijk, op het laatste stuk dat zich uit de spoel losmaakte, stond een klein zwart plaatje. Selderhorst trok Osewoudt de film uit handen en hield hem tegen het licht.
- Maar, wel godverdomme! Wat zullen we nou hebben? Dat ben je zelf! Ben je dat zelf ja of nee? En die vent die daar naast je zit, wie is dat? Maar dat is Obersturmführer Ebernuss! Ebernuss, christus nog-an-toe! Osewoudt pakte nu zelf de natte film met twee handen beet en rukte eraan, maar Selderhorst liet niet los. Osewoudt begon te gillen:
- Dat is een andere foto!” Blz. 314-315



3. “Op zondagavond schoot hem eindelijk iets te binnen. Hij herinnerde zich de rolfilm die Dorbeck hem, bij hun eerste kennismaking, op de eerste oorlogsdag, in mei, gegeven had en die nog steeds onontwikkeld in de toonbankla lag. Hij ging naar de kerlder en haalde de ontwikkelaar en het fixeerzout die van de eerste proefneming nog overgebleven waren, tevoorschijn. Het was een film die bij rood licht ontwikkeld kon worden, dat stond erop, het lukte deze keer dan ook goed. Plotseling kwamen er plaatjes tevoorschijn op het natte celluloid. Hij zag: een grote sneeuwpop met een helm en een karabijn. Drie soldaten met gasmaskers voor, de armen om elkaars schouders, in pyjama. Een mislukt portret van iemand die bewogen had tijdens de opname. Een soldaat met bloot bovenlijf achter een luchtdoelmitrailleur. Nog een mislukte foto: een paar opnamen over elkaar. Tenslotte nog een kiekje van Dorbeck, voor een huis op straat staand, met zijn armen om twee meisjes heengeslagen. Het was zo duidelijk dat hij het huisnummer en adres kon lezen, want het was een hoekhuis.” Blz. 39
(De foto’s die Osewoudt hier ontwikkelt worden in de rest van het boek gebruikt als identificatiemiddel en spelen daarom een grote rol in het verhaal.)
Dubbelgangersmotief:
1. “ ‘Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
- Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
- Dan lijken onze namen op elkaar.
 De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen die hem aankeken of zijn iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
- U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
- Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.” Blz. 24
2. “Zij kamde, zijn schedeldak werd glanzend zwart. Ineens zag hij het: Dorbeck! Niet te onderscheiden van Dorbeck was hij! Hetzelfde zwarte haar, hetzelfde witte gezicht met rode konen. Had ik altijd zwart haar gehad, dan zou mijn hele leven ander s geweest zijn ook al heb ik geen baard, dacht hij. Een man die verschijnt en verdwijnt wanneer hij wil, aan niets anders gebonden dan zijn eigen wil, een man voor wie de wereld zich buigt.” Blz.76
3. “- Het is, omdat de man van wie de foto in werkelijkheid is, echt bestaat. Je zult niet geloven wat ik je nu ga zeggen, maar het is de waarheid. Ik heb die man een paar keer ontmoet. Hij heet Dorbeck. Hij is even groot als ik, hij lijkt precies op mij. Ja werkelijk als een tweelingbroer. Je begrijpt niet hoe ’t mogelijk is dat twee mensen die geen familie van elkaar zijn, zoveel op elkaar lijken, maar het is toch zo. Alleen: hij heeft zwart haar en een baard. Hij is trouwens voor wat de rest betreft, heel anders dan ik.” Blz. 168-169
Fantasie en werkelijkheid:
1. “Wat voor reden zou Jagtman hebben gehad zich als Dorbeck voor te stellen in de eerste beste sigarenwinkel in Voorschoten waar hij toevalligerwijs naar binnen stapte?
- Het was misschien een fantast.
- Nonsens. Jij bent een fantast. Want bij die schietpartij in Haarlem, was Dorbeck daarbij, ja of nee?” Blz. 291
2. “- Ik had het… Als ik Dorbeck nooit ontmoet had…
- Die Dorbeck-geschiedenis, geloof je daar nu zelf in?
- Wat bedoelt u?
- Geloof je werkelijk dat Dorbeck bestaan heeft, dat je hem herhaalde malen ontmoet hebt en dat hij je allerlei opdrachten heeft gegeven? Kijk eens hier, Henri, val mij nog niet in de rede! Ik bedoel niet dat je niet goed bij je hoofd bent, helemaal niet! Maar de oorlog is een tijd geweest van enorme spanningen, voor ons allemaal. Het kan zijn dat je toen, op ogenblikken van grote vermoeidheid, gedacht hebt dat Dorbeck bestond, dat hij je opbelde, dat hij je boodschappen stuurde achterop foto’s geschreven, enzovoorts, enzovoorts.”
Blz. 303
3. “- Godverdomme, Osewoudt, dit begint mij te vervelen! Ik ga af op jouw kletsverhalen en telkens vlieg ik er weer in. Wie denk je eigenlijk dat je voor hebt? Wat verbeeld jij je wel? Je zaak is allang rond, je bent een leugenaar, een oplichter en een landverrader, maar omdat we in een rechtsstaat leven, doe ik alle mogelijke moeite iets in je voordeel te ontdekken. Maar wat doe jij? Mij belazeren! Verhalen vertellen over een kromme straat, en een huis met een portiek. Ik wil wedden dat je nog nooit eerder in deze buurt geweest bent.” Blz. 268
Spiegels:
1. “Zij kwam naast hem staan en spoelde haar handen af.
- Vind je het goed? vroeg zij in de spiegel.
Hij legde de kam neer en pakte haar natte handen. Hij bleef lachen. Ik de rand van zijn gezichtsveld zag hij de spiegel en in de spiegel zichzelf met zijn eigen lach. Hij wist zeker dat die lach zou bewerken dat zij alles zou doen wat hij jaar mocht vragen!” Blz. 76
2. “Boven de schoorsteenmantel hing een enorme spiegel, enigszins schuin naar voren, zodat Osewoudt, midden in de kamer staande, zichzelf er van top tot teen in kon zien. De lichte kleur van zijn jas was paarsachtig geworden in het zwoele licht van de plafonniers, zijn gezicht leek groen te fosforesceren. Hij dacht: Het is waar, ik heb wel het smoel van een smeris die voor de Duitsers werkt. De spookachtig verlichte lompheid van het meubilair , grote fauteuils overtrokken met … Blz. 111
3. “- Jammer! Dit is een historisch moment. Het moest eigenlijk vereeuwigd worden.
Osewoudt richtte de Leica op de spiegel en stelde in.
- Is hier veel te donker, zei Dorbeck
- Nee, kan best. Zit stil!
Uit de spiegel staarde Dorbeck hem aan. Hun hoofden waren vlak naast elkaar. Osewoudts haar was weer helemaal blond, maar ondanks dat en ondanks de baard van Dorbeck, was de gelijkenis in hun gezichten nog altijd ontstellend groot. Het leek werkelijk of dezelfde man daar stond tweemaal, een keer in vermomming. En toch, als je raden moest welke kop vermomd was en welke echt, je zou eerder de baardeloze bleke kop voor de vermomming houden. Zo hielden zij zich een seconde doodstil, elkaar aanstarend in de spiegel. Osewoudt hield de sluiter ingedrukt met een gevoel van extase: hij dacht: nu ben ik eindelijk compleet, als is het maar op een foto.” Blz. 211
(Dit citaat is ook toepasbaar voor de motieven van dubbelganger en fotografie.)


 


7. Osewoudt heeft een moeilijke en heftige jeugd gehad. Hij was een lelijke buitenstaander zonder vriendjes, volgens zijn familie ‘hij is niet geboren, zijn moeder is hem verloren in de po tegelijk met haar ontlasting’. Daarna heeft zijn moeder zijn vader vermoord en verdwijnt naar een gesticht. Osewoudt gaat bij zijn oom en tante wonen die hem een nietsnut vinden en hij krijgt een incestueuze relatie met zijn 7 jaar oudere nicht. (Hij is 12, zij is 19). Later trouwt hij met haar uit gemak maar niet uit liefde. Als dan de tweede wereldoorlog uitbreekt ziet hij een kans om ook eens heldhaftig en succesvol te zijn. Hij denkt dat hij opdracht krijgt van een succesvolle dubbelganger, hij krijgt dus waanideeën en wordt langzaam aan gek. Daarom denk ik dat het thema van het boek is: een verpeste en geïsoleerde jeugd leidt tot waanideeën waardoor fantasie en werkelijkheid door elkaar gaan lopen.


 


8. Het boek heeft een personaal perspectief. Het verhaal wordt in de hij-vorm verteld maar wordt alleen gezien vanuit Osewoudts beleving. Het is ook niet zo dat de verteller meer weet over de andere personages, met deze redenen is het een personaal perspectief.
“Er stonden ook twee politieagenten bij. De drogist Teurlings kreeg Osewoudt in de gaten, maakte zich los uit de groep en kwam op hem af.
- Geef mij gauw een hand, Henri! Je moet met mij meekomen. Je kunt niet naar huis! Er is een ongeluk gebeurd, een afschuwelijk ongeluk!
Osewoudt zei niets, gaf hem een hand en liet zich meetronen.” Blz. 9


 


9. Personages
Henri Osewoudt (de hoofdpersoon):
Henri Osewoudt is de zoon van een sigarenwinkelier uit Voorschoten, als hij nog heel jong is, vermoordt zijn moeder zijn vader. Zijn moeder wordt in een inrichting geplaatst en Henri moet bij zijn oom Bart Nauta in Amsterdam gaan wonen. Dit heeft een ongelooflijke impact gehad op de jonge Henri. Misschien is dit, buiten de psychische erfenis van zijn moeder, de reden waarom hij zich Dorbeck misschien wel verbeeld heeft. Op de middelbare school heeft hij geen vrienden, het lijkt zelfs alsof hij in een isolement leeft. In deze periode van zijn leven ontdekt hij wat seks is en hij bedrijft dan ook regelmatig de liefde met zijn 7 jaar oudere nicht Ria, met wie hij later trouwt.
Hij is lelijk, smal en klein, heeft de stem van een vrouw en geen baardgroei. Als kind deed hij aan judo om te bewijzen dat hij toch wel stoer was, hierdoor zijn zijn voeten vergroeid.
Henri Osewoudt wordt afgekeurd voor de militaire dienst, zijn dubbelganger Dorbeck, die precies even lang is, is wel goedgekeurd voor de militaire dienst.


Osewoudt kijkt heel erg op tegen deze Dorbeck, hij ziet hem als het gelukte exemplaar van de twee. Hij heeft echter nooit geweten dat hij het mislukte exemplaar was totdat hij Dorbeck ontmoette, toen realiseerde hij zich dit pas.
Tijdens zijn rol als verzetsheld gebruikt hij 2 andere namen, Filip van Druten en Melgers.
In diezelfde periode krijgt hij een relatie met Marianne Sondaar, een ondergedoken Joodse studente die eigenlijk Mirjam Zettenbaum heet. Zij krijgt een kind van hem, dat overlijdt.
Op het einde van het boek gebruikt Osewoudt de schuilnaam Clara Boeken, dit omdat hij dan verkleed is als een verpleegster, een vrouw dus. Het blijkt later dat Osewoudt toen hij klein was heeft gezegd dat hij later verpleegster wou worden. Dit zorgt ervoor dat het erg moeilijk wordt om aan te nemen dat Osewoudt echt de opdracht van Dorbeck heeft gekregen om zich als verpleegster te vermommen of dat hij het zichzelf aangepraat heeft.
Op het einde van het boek overlijdt Henri Osewoudt doordat hij wordt doodgeschoten omdat hij uit zijn gevangenschap probeert te vluchten.
Dorbeck:
Dorbeck is een man die als twee druppels water op Osewoudt lijkt, alleen heeft Dorbeck zwart haar, een baard en is hij goedgekeurd voor de militaire dienst. Hij is de man die alles wist en Osewoudt zijn opdrachten gaf. Hij is onvindbaar aan het einde van de oorlog, het vinden van Dorbeck is echter heel belangrijk voor Osewoudt, omdat dit zijn leven zal redden. Osewoudt en Dorbeck worden constant voor elkaar aangezien, dit zorgt voor verassingen ten nadele van Osewoudt. Het hele boek lang bestaat de twijfel of Dorbeck echt bestaat of dat Osewoudt hem zelf verzonnen heeft, en misschien schizofreen is. Aan het einde van het boek probeert Osewoudt tevergeefs Dorbecks bestaan te bewijzen maar dit lukt niet en verder wordt dit ook niet meer bevestigd of ontkracht. 
Ria Osewoudt – Nauta:
Ria is de vrouw en tevens een volle nicht van Henri Osewoudt, ze is de dochter van Bart Nauta. Ze is 7 jaar ouder dan Osewoudt. Ze is lelijk en Osewoudt denkt dat ze met hem getrouwd is omdat ze niemand anders kon krijgen. Henri gaat later ook nog vreemd met Marianne Zettenbaum, er was echter geen sprake van echte liefde tussen Ria en Henri dus in hoeverre dit als vreemdgaan beschouwd kan worden is maar de vraag. Terwijl Osewoudt in gevangenschap leeft, heeft Ria een verhouding met een oud-NSB-er en voormalige vriend van Osewoudt en hebben zij de sigarenzaak overgenomen. Hierom vermoordt Osewoudt Ria later ook.
Bart Nauta:
Bart Nauta is de oom van Henri Osewoudt, hij neemt hem in huis als zijn vader dood is en zijn moeder in een inrichting zit. Hij is socialist en komt hier ook voor uit. Hij laat onder andere Elly Sprenkelbach-Meijer een nacht bij hem logeren. Als Osewoudt vast zit, probeert hij van Bart Nauta een verklaring te krijgen dat hij Elly Sprenkelbach-Meijer in huis heeft gehad, deze verklaring is echter zo vaag, dat de Nederlandse politie hem niet geloven.
Elly Sprenkelbach-Meijer:
Op een zekere dag krijg Osewoudt een telefoontje van ene Elly Sprenkelback-Meijer, hij moet haar ontmoeten bij het eindpunt van de gele tram in Voorburg. Ze identificeert zich met een van de foto’s die Osewoudt ontwikkeld heeft voor Dorbeck. Elly is overgekomen uit Engeland en heeft dringend onderdak nodig, Osewoudt brengt haar naar oom Bart, deze zet haar na een nacht uit huis omdat hij denkt dat dit het nieuwe liefje van Osewoudt is en dat kan hij niet maken tegenover zijn dochter. Als hij dan ook nog erachter komt dat ze geen geldig persoonsbewijs heeft, zet hij haar de deur uit. Vanaf dat moment verneemt Osewoudt niets meer van haar, later hoort hij dat ze is opgepakt door de Duitsers. Verder wordt er niets meer van haar vernomen.
Marianne Sondaar/Mirjam Zettenbaum:
Marianne is een Joodse studente die ondergedoken is. Ze gebruikt de schuilnaam Marianne Sondaar om te verbergen dat ze Joods is. Zij is degene door wie Osewoudts haren zwart worden geverfd. Later worden ze verliefd op elkaar, Marianne krijgt zelfs een kind van hem, dat dood geboren wordt. Ook zij kan Osewoudt niet helpen met het bewijzen van zijn onschuld, aangezien zij in een Kibboets in Israël zit. Osewoudt is bang dat Marianne Dorbeck heeft ontmoet, hem heeft aangezien voor Osewoudt en dat ze samen gelukkig in Israël wonen, en dat hij ze daarom niet kan bereiken om hem te bevrijden.
Hauptsturmführer Ebernuss:
Wanneer Osewoudt in handen van de Duitsers valt heeft, komt hij in aanraking met Ebernuss. Ebernuss heeft door dat de Duitsers de oorlog aan het verliezen zijn, daarom probeert hij vrienden te worden met Osewoudt, hij besluit zich aan te sluiten bij het verzet. Als ze bij de verzetsmensen aankomen is Dorbeck daar en hij vertrouwt Ebernuss niet. Hij geeft Osewoudt de opdracht om Dorbeck te vergiftigen en daarna vertrekken ze. Er bestaat het vermoeden onder recensenten dat Ebernuss homoseksuele gevoelens had voor Osewoudt maar dit wordt bevestigd.


10. A. Ik wou het boek in eerste instantie vooral lezen omdat het beschouwd wordt als een klassieker. Toen ik opzocht waar het boek over ging leek het me een leuk boek, vooral omdat ik graag boeken lees die zich afspelen in en over de tweede wereldoorlog gaan. Het is misschien niet een mooie periode maar wel een erg interessante en spannende periode. Nadat ik het boek uit had, had ik een redelijk voldaan gevoel. Het boek was grotendeels zoals ik had gehoopt en had verwacht, maar ik vond het einde wel iets minder. Toen ik het las voelde het eigenlijk een beetje als een spannende detective en het las verassend modern ook al is het geschreven in 1958. Aan het einde vond ik het jammer dat ik nu nog steeds niet weet of Dorbeck nou echt was of dat hij een illusie van Osewoudt was. Hoewel het in het begin voelde als een detective leerde ik tijdens het analyseren dat het boek nog veel meer lagen heeft en veel dieper gaat dan dat. Dit vond ik geen nadeel maar juist een verrijking aan het boek, ik begrijp nu ook de onderliggende verbanden in het boek en de redenen waarom Osewoudt sommige dingen wel en sommige dingen juist niet heeft gedaan, ook al heeft hij dit zelf niet helemaal door.


 


B. Het motto staat achterin het boek,
“Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is.
 Men zou kunnen willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’
 -Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat”
Ludwig Wittgenstein
Dit slaat op Osewoudts strijd om Dorbecks bestaan en daarmee zijn onschuld te bewijzen. Hoe vaak hij het ook probeert, Dorbeck lijkt alleen voor hem te bestaan en zich nooit te tonen aan een ander, hoe hard zij ook zoeken.


De titel, De donkere kamer van Damokles, is tweeledig. Het eerste deel, ‘De donkere kamer’, verwijst naar de fotografie. Osewoudt is foto-ontwikkelaar van beroep en door middel van een foto zou hij zijn onschuld kunnen bewijzen. Daarnaast is de donkere kamer een benodigheid voor het ontwikkelen van foto’s en daarmee indirect voor het bewijzen van zijn onschuld. Tevens verwijst de donkere kamer naar de cellen en donkere kleine ruimtes waar Osewoudt zich telkens bevindt.
Het tweede deel, ‘Damokles’, verwijst naar het mythische ‘zwaard van Damokles’, afgeleid van de mythologische figuur Damokles. Dit duidt op een altijddurende en altijd aanwezige dreiging. Dit gaat zowel over de dreiging van de oorlog als ook over de dreiging die Osewoudt ervaart door zijn acties die hij uitvoert voor Dorbeck.


 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast