Over de schrijver: Jan Wolkers (1925 – 2007)

Jan Wolkers werd op 26 oktober 1925 geboren in Oegstgeest. Hij was de derde van elf kinderen van een strenggereformeerd gezin. Wolkers maakte zijn opleiding niet af, maar moest als kind gaan werken om extra geld te verdienen, onder andere als verzorger van proefdieren in een laboratorium. Later dook hij onder om tijdens de oorlog aan de verplichte werkdienst in Duitsland te ontkomen. Wolkers, die van jongs af aan veel met kunst bezig was, studeerde aan een kunstacademie in Leiden. Zelfs nadat hij als schrijver veel succes had gekregen, zei hij altijd zichzelf meer als beeldhouwer dan als schrijver te beschouwen.

Wolkers debuteerde in 1961 met Serpentina’s petticoat, een verhalenbundel waarmee hij nog geen bekendheid en succes verwierf. Dat veranderde toen een jaar later de ‘roman noir’ Kort Amerikaans verscheen, die een bestseller werd. Andere werken van Wolkers zijn Een roos van vlees (1963), Turks fruit (1969) en De walgvogel (1974).

In veel van Wolkers werk is een sterk autobiografisch element te ontdekken. Zo ontleent hij materiaal aan zijn drie huwelijken en twee echtscheidingen (Turks fruit) of aan de dood van zijn babydochter in de jaren ’50 (Een roos van vlees). Later werd zijn werk steeds minder autobiografisch en steeds meer politiek, vooral wat betreft de politionele acties in Indonesië. Wolkers kreeg grote bekendheid en wordt zelfs tot de Grote Vier van naoorlogse Nederlandse schrijvers gerekend (naast de Grote Drie, namelijk Mulisch, Reve en Hermans), maar zijn latere werk had veel minder succes.

Op 19 oktober 2007 overleed Wolkers in Den Haag aan een levercirrose.

Samenvatting

In de jaren ’60 is Jan Wolkers een jonge, succesvolle schrijver. Hij ontleent vaak materiaal voor zijn boeken aan zijn jeugd in het dorp Oegstgeest, maar besluit nu een puur autobiografisch boek te schrijven. Hij keert terug naar Oegstgeest, waar zijn ouders nog altijd wonen, en herinnert zich zijn kindertijd en jeugd. Het verhaal is waargebeurd.

Jan wordt in 1925 geboren als derde kind van zijn gezin. Zijn ouders voeden hun in totaal elf kinderen streng gereformeerd op. Als Jan nog kind is, besluit zijn vader een kruidenierswinkel op te richten. Hoewel het goed begint, volgt al snel de financiële crisis van de jaren ’30. De winkel loopt steeds slechter.

Intussen blijkt Jan een moeilijk kind. Hij speelt het liefst buiten met insecten, die hij vaak mishandelt, en let op school slecht op – behalve bij schrijven, waar hij al begonnen is gruwelijke griezelverhalen te verzinnen. Ook slaat hij een klasgenoot in elkaar als die een vogelnest vol eieren vernielt. Als de klasgenoot even later aan een hersenvliesontsteking sterft, voelt Jan zich schuldig, maar durft niets te zeggen over de rol die hij denkt te hebben gespeeld in de dood van de jongen.

Na de lagere school gaat Jan naar de mulo, maar moet daar van zijn ouders al snel mee stoppen nadat hij een vreselijk tussenrapport haalt. Hij werkt een tijdje in de winkel van het gezin, maar nadat deze moet sluiten, gaat hij aan het werk als verzorger van proefdieren bij een medisch laboratorium. Jan begrijpt al snel dat de ratten die hij verzorgt een vreselijk lot te wachten staat: na gebruikt te worden in experimenten sterven ze vaak een pijnlijke dood. Daarom begint hij de ratten waaraan hij het meest gehecht is, stiekem te doden en te begraven.

Als het Duitse leger Nederland binnenvalt, vecht Jans oudere broer gedurende vier dagen met het leger. Na de capitulatie blijft het gezin erg anti-Duits. Zo woont er tijdens de oorlog een joodse vrouw bij hen.

Na zijn ontslag uit het laboratorium, waarvoor geen reden wordt gegeven, maar waarvan Jan vermoedt dat het komt doordat zijn baas door heeft gekregen wat hij met de proefratten doet, krijgt hij verschillende baantjes op het land. Daarnaast begint hij ’s avonds naar een tekenschool in Leiden te gaan. Binnen enkele jaren weet Jan aan een beter betaalde baan te komen op een distributiekantoor, maar aan dit relatief rustige bestaan komt een eind als hij moet onderduiken om aan gedwongen arbeid in Duitsland te ontkomen. Hij gaat in Leiden wonen, waar hij schilderlessen blijft volgen.

Jan gaat soms op strooptocht met zijn oudere broer, die ook ondergedoken is. Als ze samen op pad zijn, zien ze onder het ijs van een bevroren sloot een gigantische paling. Jans broer sterft enkele weken later aan een plotselinge ziekte en Jan concludeert dat de paling een voorteken hiervan was. Hij brengt de dood van zijn broer ook in verband met onder andere een tekening die hij heeft gemaakt en de dood van Nederlandse soldaten aan het begin van de Duitse inval enkele jaren eerder. Ook voelt hij zich schuldig omdat hij een maand eerder tijdens een ruzie alle bestaande foto’s van zijn broer heeft verbrand. Hij raakt het laatste dat hij van zijn broer heeft, een jas die gemaakt is van een parachute, kwijt als het stukgemaakt wordt door een vogel en Jan de flarden op de bosgrond laat liggen.

Jan ziet verbanden tussen al deze gebeurtenissen, maar geeft toe: ‘Misschien is het allemaal niet waar. Misschien had niets een betekenis, had alles net zo goed anders kunnen gaan. Zijn het maar lijnen die ik trek van de ene gebeurtenis naar de andere om de zin ervan te begrijpen.’

Thema

Het is moeilijk om een thema aan Terug naar Oegstgeest toe te schrijven, omdat het een autobiografisch werk is waarin (bijna) alle gebeurtenissen waargebeurd zijn. Toch geeft Wolkers zijn boek verschillende thema’s door bepaalde levensgebeurtenissen te benadrukken. Zo loopt de dood van zijn broer als een rode draad door het boek, waardoor dood en verlies een thema wordt. Niet alleen de dood van Wolkers’ broer, maar ook andere sterfgevallen spelen een rol: hij doodt proefratten om ze voor een ergere dood te behoeden; in zijn vroege verhalen – in het boek en in de werkelijkheid – komt de dood regelmatig voor; zelfs de verhalen die zijn oom hem vertelt gaan vaak over (gruwelijke) sterfgevallen.

Een andere thema is het geloof. Het gezin van Wolkers was zeer streng gereformeerd, hoewel hij zelf als jongere de kerk verliet. Het geloof is voor zijn ouders doorslaggevend. Zo hebben ze veel kinderen omdat ze geloven dat dit van de Bijbel moet. Op zondag mogen de kinderen zeer weinig doen; fietsen en veel spelletjes zijn bijvoorbeeld verboden. Als Jan als jongere niet meer naar de kerk wil, vragen zijn ouders de dominee hem te overhalen terug te keren naar het geloof, maar dit lukt niet.

Vertelwijze

Terug naar Oegstgeest is grotendeels als herinnering aan vroeger geschreven, met de uitzondering van enkele stukjes waarin Wolkers zijn bezoek aan Oegstgeest als volwassene beschrijft. Omdat het verhaal een herinnering is en omdat Wolkers veel reflecteert over wat hij schrijft, zijn er bijzonder weinig dialogen. Het boek bevat veel lange stukken tekst waarin Wolkers nadenkt over bepaalde gebeurtenissen of personen.

Titel, ondertitel en motto

De titel Terug naar Oegstgeest slaat op twee aspecten van het boek. Ten eerste gaat Wolkers in werkelijkheid terug naar zijn geboortedorp, waar hij zijn ouders bezoekt en aan zijn jeugd denkt. In de even genummerde hoofdstukken gaat hij echter niet in lichaam, maar in gedachten terug naar Oegstgeest: hij herinnert zich zijn kindertijd in de jaren ’30 en ’40, zonder dat hij werkelijk naar het dorp gaat.

Het boek heeft geen ondertitel.

De motto van Terug naar Oegstgeest is een couplet uit het gedicht “The Walrus and the Carpenter” van Lewis Carroll. Het verscheen in zijn boek Through the Looking-glass.

‘If seven maids with seven mops

Swept it for half a year,

Do you suppose,’ the Walrus said,

‘That they could get it clear?’

‘I doubt it,’ said the Carpenter,

And shed a bitter tear.

In deze couplet betreuren de twee hoofdpersonen van het gedicht, een walrus en een timmerman, het feit dat het strand helemaal bedekt is met zand en dat het niet schoon te krijgen is, zelfs al werd het een halfjaar lang gebezemd door zeven dienstmeisjes. Dit heeft op het eerste gezicht weinig met Terug naar Oegstgeest te maken, maar Wolkers doelt op zijn eigen niet te veranderen karakter. Zijn wanhopige moeder vraagt de dominee om hulp als ze de jonge Jan niet kan overtuigen om naar de kerk te blijven gaan; dit heeft geen effect. Als hij wat extra geld wil om in Leiden naar de bioscoop te gaan, steelt hij het gewoon. Zijn karakter lijkt een strand dat met zand is bedekt: hoezeer men ook tracht verbetering aan te brengen, het is niet mogelijk.

Opbouw

Terug naar Oegstgeest is op een aparte manier opgebouwd. In de oneven genummerde hoofdstukken schrijft Wolkers over zijn jeugd in Oegstgeest: hij gaat als het ware in zijn hoofd terug naar het dorp waar en de tijd waarin hij is opgegroeid. Deze hoofdstukken hebben vaak vreemde, symbolisch bedoelde titels, zoals ‘Een houten roos’ en ‘Ezau’s handen’. In de even genummerde hoofdstukken gaat Wolkers als volwassene in werkelijkheid terug naar Oegstgeest. Hij beschrijft aan de hand van bezoeken aan het hedendaagse dorp en aan zijn bejaarde ouders zijn jeugd. Deze hoofdstukken hebben allemaal dezelfde titel: Terug naar Oegstgeest.

Het boek is niet een duidelijk opgebouwde roman met een begin, middenstuk en slot, maar is eerder een aaneenschakeling van korte verhalen, samengebonden door het commentaar van Wolkers. Na een gebeurtenis te hebben beschreven, springt hij vaak naar een andere met een verbinding als ‘Dat veranderde toen...’ of ‘Even later...’.

Personages

De belangrijkste personages in Terug naar Oegstgeest zijn Jan Wolkers, zijn ouders en zijn broer, wiens naam nooit genoemd wordt.

Jan, die op twee kinderen na de oudste is in het grote gezin, geeft veel problemen voor zijn ouders. Op school let hij niet altijd even goed op (‘Jan is lui en ongehoorzaam’, schrijft één van zijn docenten op zijn rapport), als hij wat meer zakgeld wil om naar de bioscoop te kunnen, steelt hij het er gewoon bij, en als jongere weigert hij langer naar de kerk te gaan. Toch is hij niet zonder goede kwaliteiten. Als Jan in een laboratorium gaat werken als proefdierenverzorger, doodt hij regelmatig ratten en kleine dieren, niet omdat hij dat wil, maar om ze te behoeden voor een pijnlijke dood als onderwerp van een experiment. Hij is erg creatief, niet alleen als schrijver maar ook als kunstenaar, en regisseert vaak toneelstukken met zijn jongere broers en zussen – totdat zijn vader het hem verbiedt, omdat dit hen zal ‘bederven’. Jan is ook ambitieus en schaamt zich als hij na de lagere school aan het werk moet in plaats van door te leren.

Jans ouders begrijpen niet veel van hun zoon. Als volwassene verbaast hij zich over hun dorpsmentaliteit: ‘[De leden van de gereformeerde kerk] zagen er nog uitgedroogder uit dan vroeger. Ik kon me eigenlijk niet goed voorstellen dat mijn vader met zijn zuidelijk temperament en zijn pathetische gebaren het zijn hele leven tussen die dorre mensen had uitgehouden. Hoe hij zich zo had kunnen laten verminken dat hij ons het fietsen, het met een bal gooien en het over elkaar heen springen op zondag verbood.’. Zijn ouders hebben goede bedoelingen, maar zijn, zoals hij zelf zegt, ouderwets: ‘ “We leven in een andere tijd. [...] Ik leef nu eenmaal anders” ’.

Jans broer begint pas later in het verhaal een belangrijke rol te spelen. Jan kijkt op naar zijn oudere broer, die tijdens de oorlog tegen de Duitsers vecht en met hem op strooptocht gaat. Ongeveer een maand nadat de broers een grote ruzie hebben gehad, waarbij Jan alle foto’s van zijn broer verbrandt, sterft hij aan difterie. De dood van Jans broer wordt al aan het begin van het boek terloops genoemd; de lezer krijgt er in de loop van het verhaal steeds meer informatie over.

Historische tijd

De handeling van Terug naar Oegstgeest vindt voornamelijk plaats tussen 1925 en 1944. Daarnaast zijn er korte stukjes over de terugkeer van Wolkers naar Oegstgeest in de vroege jaren ’60. Dit bezoek vormt de aanleiding voor dit boek.

De historische tijd is van groot belang voor de handeling. Dat Jan in een groot, strenggelovig gezin in een kleine dorp opgroeit, na de lagere school niet verder leert en als kind al moet werken, wijst op de vooroorlogse periode. Het verhaal houdt ook verband met de Tweede Wereldoorlog: Jans broer vecht na in 1940 mei tegen de Duitse invasie en Jan moet later onderduiken om te ontsnappen aan gedwongen arbeid in Duitsland.

Plaats en ruimte

De handeling vindt voornamelijk in Oegstgeest plaats. Als Jan ouder wordt, gaat hij echter steeds verder van het dorpje waar hij is opgegroeid, om het uiteindelijk voorgoed te verlaten. Als kind gaat hij vaak naar Leiden om naar de bioscoop of het museum te gaan. Later gaat hij daar naar de kunstacademie. Uiteindelijk duikt hij er onder. Hij beseft op dat moment dat hij Oegstgeest voor altijd achter zich laat: ‘Vanuit de tram zag de vlekkerige bekraste witgekalkte winkelruit eruit als een muur waar jarenlang langsgelopen is en tegenaan geschuurd. En ik dacht: “Dit is voor het laatst dat ik het zie, ik kom nooit meer terug”.’ Hij verlaat op dit moment zowel het dorp als de mentaliteit en de gewoonten waarmee hij is opgegroeid. Zo hangt de plaats en ruimte samen met de handeling.

Tijdsduur en tijdsvolgorde

Het verhaal begint als Jan geboren wordt en eindigt als hij ongeveer 19 à 20 is, tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog. De stukken die zijn bezoek aan Oegstgeest in de jaren ’60 beschrijven, omvatten slechts een hele korte periode. Er zitten geen opvallende hiaten in het verhaal: aan de hand van korte verhalen over gebeurtenissen beschrijft Wolkers zijn hele kindertijd en jeugd.

Het is soms verwarrend om te achterhalen op welke volgorde de gebeurtenissen in het boek plaatsvinden, omdat Wolkers van de ene naar de andere anekdote springt. Vaak beschrijft hij één gebeurtenis, om daarna te zeggen: ‘Iets vergelijkbaars gebeurde toen...’ of ‘Niet veel later bleek...’, en aan een ander verhaal te beginnen. Omdat hij steeds verwijst naar bepaalde verhalen (‘Kort nadat ik was ontslagen bij het laboratorium’), is het toch mogelijk een goed beeld te krijgen van de tijdsvolgorde. Over het algemeen is het verhaal in min of meer chronologische volgorde verteld.

Perspectief

Omdat Terug naar Oegstgeest een in de eerste persoon geschreven autobiografie is, wordt het geheel vanuit het personale perspectief van Jan Wolkers verteld. Er is echter een onderscheid tussen de jonge Jan en de volwassen Jan. De jonge Jan heeft kinderachtige, soms onlogische gedachten. Zo bedenkt hij dat zijn gezin geld zou kunnen besparen door gebruikt koffiedik op zolder uit te drogen en daarna opnieuw te gebruiken. De volwassen Jan geeft dan commentaar op zijn eigen jongere zelf: ‘Maar daar is [mijn vader] gelukkig niet op ingegaan’. Het kan dus worden gezegd dat er in Terug naar Oegstgeest één vaste verteller is, maar dat die twee verschillende perspectieven heeft. Eigenlijk wordt het verhaal verteld vanuit het standpunt van een kind, maar met de ontwikkeling en reflectie van een volwassene.

Genre

Terug naar Oegstgeest is een autobiografische roman. Voor Wolkers is het verwerken van autobiografische elementen in zijn boeken kenmerkend, met name in zijn vroege werken, maar deze invloed van zijn leven op zijn werk is in Terug naar Oegstgeest het grootst. Het verhaal is een fictionele visie op waargebeurde gebeurtenissen.

Verder is Terug naar Oegstgeest een psychologische roman: Wolkers schrijft lange overpeinzingen over allerlei zaken en probeert gebeurtennissen te analyseren. Zo schrijft hij uitgebreid over de dood van zijn broer en legt een verband tussen diens dood, een tekening van een hert die Jan eerder gemaakt heeft, het verbranden – door Jan – van alle foto’s van de broer, en de ontmoeting van de twee broers met een gigantische paling een paar weken eerder.

Symboliek en motieven

In Terug naar Oegstgeest is er vaak sprake van symboliek uit de bijbel. Zo heet het laatste hoofdstuk, dat vrijwel geheel over Jans broer en diens dood gaat, Ezau’s handen. Wolkers beschrijft een prent van Izaäk die zijn jongere zoon Jakob zegent in plaats van zijn oudere zoon Ezau. De moeder van de jongemannen, Rebekka, houdt meer van Jakob en heeft hem daarom geholpen hun stervende vader te bedriegen, zodat hij de zegen ontvangt die eigenlijk voor Ezau bestemd was, terwijl Ezau aan het jagen is (Genesis 27). Wolkers beschouwt zichzelf als een Jakob en zijn broer als een Ezau: zijn broer is degene die ‘met zijn windbuks muizen achter in de bakken in de winkel vandaan [schiet]’ terwijl hij in samenspanning met zijn moeder zijn vader bedriegt, namelijk door haar voeten voor haar te krabben terwijl zijn vader dit ongepast vindt. In het boek zijn ook tal van andere verwijzingen naar en symbolen uit de bijbel.

Het boek heeft als intern motief dierenmishandeling. Dit motief komt steeds terug. Als Jan klein is, bouwt hij geïnspireerd door het Oude Testament offerbranden, waarop hij insecten verbrandt. Later mishandelt Jan zelf ratten in het laboratorium waar hij werkzaam is, maar maakt hij zich later zorgen over dierenleed als hij ziet dat iemand vallen aanlegt om tijdens de oorlog katten te vangen voor voedsel. Hij slaat zelfs een jongen in elkaar als die een nest met vogeleieren vernielt. Opvallend is dat Wolkers later lijstduwer werd voor de Partij van de Dieren.

Persoonlijke leeservaring

Toen ik Terug naar Oegstgeest voor het eerst las, vond ik het geen mooi boek. De gedetailleerde omschrijvingen van sterfgevallen vond ik storend en ik ergerde me aan de hoofdpersoon, die geen geweten lijkt te hebben: hij steelt extra zakgeld, hoewel hij weet dat zijn ouders moeilijk rondkomen, en hij mishandelt dieren. Toch ging ik het boek steeds leuker vinden. De korte, bondige schrijfstijl sprak me aan en ook de bijzondere opbouw vond ik interessant. Ook bleek de hoofdpersoon niet zo slecht te zijn als ik wel had gedacht; na verloop van tijd werd hij juist diervriendelijk en het was duidelijk dat hij altijd goede bedoelingen had, hoewel hij deze niet altijd goed tot uitvoering bracht. Daarom vond ik Terug naar Oegstgeest een mooi en interessant boek en zou ik graag meer van Wolkers’ werk lezen.

Toen ik Terug naar Oegstgeest voor het eerst las, vond ik het geen mooi boek. De gedetailleerde omschrijvingen van sterfgevallen vond ik storend en ik ergerde me aan de hoofdpersoon, die geen geweten lijkt te hebben: hij steelt extra zakgeld, hoewel hij weet dat zijn ouders moeilijk rondkomen, en hij mishandelt dieren. Toch ging ik het boek steeds leuker vinden. De korte, bondige schrijfstijl sprak me aan en ook de bijzondere opbouw vond ik interessant. Ook bleek de hoofdpersoon niet zo slecht te zijn als ik wel had gedacht; na verloop van tijd werd hij juist diervriendelijk en het was duidelijk dat hij altijd goede bedoelingen had, hoewel hij deze niet altijd goed tot uitvoering bracht. Daarom vond ik Terug naar Oegstgeest een mooi en interessant boek en zou ik graag meer van Wolkers’ werk lezen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.