En avant door E.J. Arnold

Beoordeling 8.3
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 3e klas havo | 2053 woorden
  • 8 december 2006
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.3
  • 10 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1961
Oorspronkelijke taal
Frans

Boekcover En avant
Shadow
En avant door E.J. Arnold
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
De (kerst)boom van Kerstmis.
Blz. 2: Het is achttien december. Het is zeer koud. De bomen, de daken en de tuinen worden met sneeuw bedekt. Paul en Marie zijn in het huis met hun kameraad, Louis. Hij wil niet weggaan; hij vindt het te koud. Zij hebben in hun tijdschriften gekeken. Zij hebben gespeeld. Zij hebben getekend. Wat gaan we nu doen? vraagt Paul. Ik weet het niet, antwoordt Marie. Ik evenmin, zegt Louis. Mevrouw Léon gaat in de salon. Wat doen jullie nu kinderen? vraagt zij. Niets, zegt Marie. Ga in boeken zoeken, zegt MevrouwLéon. Oh nee, mama, zegt Paul, we willen niet lezen.

Blz. 3: - Eh goed, zegt Mevrouw Léon, ga een speelgoed zoeken.

- Wij hebben eveneens gespeeld, Mevrouw Léon, zegt Louis.
- Jullie willen niet in de tuin iets gaan doen? vraagt Mevrouw Léon.
- Oh, nee mama, zegt Marie. Kijkt de sneeuw, het is veel te koud.
Dan zegt Madame Léon:
- Ik heb een cadeau voor jullie.
- Een cadeau! Voor de drie kinderen. Wat is het dan?
- Ah, het is een verrassing, reageert Madame Léon.
- Wat is het dan? Wat is het dan? Schreeuwen de kinderen.
- Ga in de tuin kijken, reageert Madame Léon.
De kinderen trekken hun jas en laarzen aan. Ze zullen hun cadeau in de tuin gaan zoeken.

Blz. 4: Zij komen dichtbij de appelboom aan. Onder de appelboom, er is een kleine boom die van sneeuw bedekt is.
-Oh, uil! Zegt Paul. Het is een boom van Kerstmis.

Beide jongens nemen de boom en trouw dragen ze het naar het huis. Zij worden verrukt.
-Mama. Mama, schreeuwt Marie, kijkt een boom van Kerstmis. Het is prachtig.
-Jawel, hij is zeer mooi, zegt Mevrouw Léon. Maar kijk het tapijt, hij neemt sneeuw mee, en het ligt overal.
-Vergeef me, mama, zegt Marie, ik ga hem buiten uit schudden aan de deur. Marie schudt de boom, vervolgens zij draagt hem naar de salon.

Blz. 5: De kinderen planten het in een emmer. Het is zeker een prachtige boom van Kerstmis. Mevrouw Léon zegt tegen de kinderen:
-Nu, gaan wij het versieren. Paul, ga eens zoeken naar de doos van bollen van glas en de slingers. Zij zijn in de kast in de kamer van jouw zuster. Paul komt snel met terug de doos en de slingers.
-Hier leg het maar op de tafel, zegt Mevrouw Léon.

Blz.6: -Geeft mij het rode papier. Ik ga het zetten rond de emmer, zegt Paul.
-Houdt het goed vast zegt M L. Let op Louis, let op de band van de bollen glas. Breek ze niet.
Uiteindelijk M L zet ook nog bellen in de boom.
-Ze zijn mooi, deze bellen, zegt Louis.
Marie schudt zacht de kleine boom en de bellen luiden.
-Het wordt beëindigd, zegt Paul.
-Niet nog, zegt M L, kijk!
-Oh, elegant, een fee, zegt Marie.
-Ja, antwoordt M L, zet het aan de top van de kerstboom.
Marie klimt op een stoel en maakt de fee vast. Het wordt beëindigd. De versierde boom is zeer mooi. M L steekt de kaarsen en Paul doet het licht aan. De kinderen gaan zitten rond kerstboom.
-M L zegt: Als men nu eens met Kerstmis zong?
-Iedereen zegt: Van overeenkomst.
Blz. 7: Laten we dan zingen:'hij is het goddelijke kind ontstaan.' zegt M L. Een, twee, drie... en M L en de kinderen zingen samen: Hij is het goddelijke kind ontstaan, speelt hobo's, klinkt bewogen weer, hij is het goddelijke kind ontstaan, ze zingen zijn komst.

Verboden voor jongens.
Blz. 11: -‘Verboden voor jongens’, zegt Paul. Verboden voor jongens... wat een lok!
-Het zijn zeker de meisjes die dat hebben geschreven, zegt Louis.
-Welke lok, herhaalt Paul. Open de deur, Louis.
-Ik kan het niet openen, gezegd Louis. Zij is met de sleutel gesloten.
-Beluisteren, zegt Paul, de meisjes zijn daar, in de tuin. Zij lachen... immers Marie, Christine en hun vriendinnen doen pique-nique in de tuin.
-Verboden voor jongens, zegt Christine. Dat is een goed idee. Het is lekker rustig wanneer de jongens daar niet zijn.
-Ja, wij hebben altijd last van vele geluidshinder, deze arme jongens.
De jongens zijn altijd van de andere kant van de muur. Zij ergeren zich.
-Welke lok, zegt Paul nog eens, zij schrijven op de deur en vervolgens sluiten zij de deur met de sleutel. Maar, kijk, Louis, wij gaan eveneens iets voor de meisjes schrijven.
Blz. 12: Paul neemt een potlood en schrijft op de vlieger. Louis leest:
-Alle meisjes zijn idioot.
Hij lacht en z’n ogen glanzen.
-Dat, het is zeer waar, zegt hij, maar wat ga jij nu doen?
-Wacht, jij gaat het zien, antwoordt Paul.
Hij lanceert de vlieger in de lucht, en de vlieger vliegt boven de tuin en boven de meisjes.
In de tuin, Christine ziet de vlieger.
-Kijk, schreeuwt ze. De vlieger van de jongens. Zij hebben iets boven geschreven.
-Alle meisjes zijn idioot, ziet Marie.
-Oh, het is zeker Paul die dat heeft geschreven, zegt Christine.
-Aangezien hij het is, arme Paul, zegt Marie. Luister, hij is aan de andere kant van de muur. Hij lacht...
Nu het zijn de meisjes die zich ergeren.
Van de andere kant van de muur, Paul en Louis zijn zeer tevreden.
-Ik zou de meisjes wel willen zien, zegt Louis. Ah, ah! Alle meisjes zijn idioot. En hij lacht nog.
-Jij wil de meisjes zien? zegt Paul. Goed, klim op mijn rug. Hier, neem het touw.

Blz. 15: Louis neemt het touw van de vlieger en klimt op de rug van zijn vriend, maar, helaas hij valt.
-Fluit! schreeuwt Louis, ik heb de vlieger verloren.
De meisjes kijken naar de vlieger die in de tuin valt.
-Gefopt zeker, snel, schreeuwt Marie.
-Daar is het, zegt Christine. Wat ga jij doen?
Marie neemt het potlood en zij schrijft op de vlieger. De meisjes lachen en hebben een glans in hun ogen. Volgens lopen ze naar de muur, op een wit en kijken stijgen las jongens van de andere kant van de muur. Marie en haar vriendinnen laten de vlieger aan de jongens zien, en Marie schreeuwt:
-Hé, lees eens jongens, kijk. Wij hebben iets voor jullie geschreven. Lees!
-Alle jongens zijn idioot, leest Louis.
-Ah, dan is het goed, zegt Paul.
Goedzo Paul!

Blz. 18: De zuster van Paul en Marie heet Françoise. Zij is negentien jaar. Zij is gastvrouw van de lucht. Zij heeft bijna alle hoofdsteden van Europa bezocht: Londen, Rome, Madrid, Moskou... Aangezien zij geluk heeft!
Blz. 19: Françoise heeft vele vrienden die piloten zijn. Een van zijn vrienden heet Yves. Hij rijdt in een klein vliegtuig voor toerisme op de zondag. Op een dag, vraagt hij aan de kinderen:
- Willen jullie ook in een kleine omloop in het vliegtuig met mij, op zondag?
-Oh, leuk! schreeuwen de kinderen. Aangezien jullie aardig zijn, zegt Yves.

Uiteindelijk breekt de zondag aan. Françoise, Marie en Paul gaan naar de luchthaven. Daar is het kleine vliegtuig en de vriend van Françoise. Er zijn vier plaatsen. Het vliegtuig is weldra boven de stad. De kinderen worden verrukt. Yves toont aan de kinderen de straten, de gebouwen, de rivier en het station.
-Dat is interessant, zegt Marie.
-Daar is de groot-plaats aan de rechterkant, zegt de piloot. Zie je het?
-Ja, ik zie het, antwoordt Marie.
-En daar is de fabriek, dichtbij de wachter, zegt Françoise.
-Ah, ik zie het, zegt Paul. Maar, er is niemand in de straten. Waarom dat?
-Omdat het zondag is, antwoordt Françoise, iedereen is naar de kerk.
-Of iedereen ligt nog in het bed, zegt Yves.

Blz. 21: -Kijk dit huis, schreeuwt Marie. Het is ons huis.
-Waar dan? Vraag Paul.
- Daar, dichtbij de kerk, antwoordt Françoise.
-Oh, ja, ik zie het nu ook, zegt Paul. Ik zie eveneens de tuin.
Kijkt, mama staat voor het huis, schreeuwt Marie. Zij doet onder teken van de hand.
-Oh, ja, het is mama, zegt Françoise. De kinderen doen het teken aan hun moeder en Paul schreeuwt eveneens:
-Mama! mama!
De piloot en Françoise lachen.
-Jij bent een beest, zegt Marie. Zij hoort het toch niet.

Net op tijd…
Blz. 23: Plotseling schreeuwt Paul:
- Kijk, de kerk, aan de rechterkant. Hij staat in de rook, vele rook. Het is waar, zegt fransçoise. Maar ze gaat van de weg.
-Niet zegt Marie, zij gaat van een achter het gebouw de kerk weg.
-Zij gaat van dit bariment weg, dichtbij het hout, gezegd Yves.
-Dichtbij het hout? schreeuwt Paul. Maar dan is het de school!
-Oh, de school staat in vuur, schreeuwt Marie.
-En er is niemand die school heeft vandaag, zegt Françoise.
-Het is waar, zegt Paul. Er is geen klas en de conciërge is aan de visvangst op zondag.
-Wat moeten wij nu gaan doen? Vraag Marie.
-Wij moeten de brandweerlieden roepen, antwoordt Paul.
-Goed idee! zegt Françoise. Yves, jij kan de brandweerlieden roepen, is het niet ?
-Natuurlijk antwoordt Yves. Ik ga naar de luchthaven.
-Waarom gaat hij naar de luchthaven? vraag Marie.
-Omdat dan iemand van de luchthaven zal telefoneren naar de brandweer, antwoord Paul.
-Ah, ik zie het, gezegd Marie.
-Bravo, Paul, zegt Françoise, jij hebt jouw school gered.
-Ik! ik heb de school?... gered.
-Oh, niet...
Blz.27: Het is zondag ochtend. In de kleine stad is alles rustig. Er is niemand in de straten. Iedereen is in de kerk of in huis. Mevrouw Léon bereidt het ontbijt in de keuken voor. Mijnheer Léon is niet thuis. Hij is in de kerk. De kinderen zijn daar ook niet. Zij zijn bij de luchthaven een klein vliegtuigje aan het bekijken met Yves. Ik ben de vriend van de Françoise.

Plotseling Mevrouw Léon hoort een geluid. Zij gaat uit het huis weg en kijkt naar de hemel. Zij ziet een klein toerisme vliegtuig. Hij vliegt niet hoog en hij vliegt niet ver boven het huis. Het is het vliegtuig van Yves. Mevrouw Léon zwaait naar de kinderen. De kinderen zwaaien dan ook terug naar hun moeder.

Het vliegtuig vliegt hoger nu en Mevrouw Léon haar kinderen niet meer. Ze gaat weer naar de keuken. Na enkele minuten staan er mensen aan de deur. Het zijn Louis Robert en zijn zus Christine. Het zijn kameraden van Paul en Marie.
Blz. 29: - Goedendag, Mevrouw Léon: zegt Louis.
- Goedendag, Mevrouw Léon: zegt Christine.
- Goedendag, Louis, goedendag, Christine: antwoordt Mevrouw Léon. Jullie willen Paul en Marie zien?
- Ja, antwoordt Louis. Zijn zij daar?
- Nee, zij daar zijn niet, antwoordt Mevrouw Léon. Zij zijn bij de luchthaven een kijkje aan het nemen bij het vliegtuig. Kijk, daar is hun vliegtuig daar-hoog.
- Zij hebben geluk, zegt Christine. Ik zou ook wel willen vliegen, en plotseling schreeuwt Christine:
- Oh, kijkt, er is rook. Er is ergens een brand.
Op het zelfde ogenblik horen de kinderen: `Pin- pon, pin-pon, pin-pon'.
- Luister, zegt Mevrouw Léon.
- Het zijn de brandweerauto’s , zegt Christine. Kijkt, daar zijn ze.
Immers de auto van de brandweerlieden gaat dichtbij het huis Léon voorbij met een hoge snelheid.
- Er is zeker een brand achter de kerk, schreeuwt Christine. Kom we gaan kijken.
Blz. 31: Louis en Christine lopen naar de rook. Zij komen zo in de straat achter de kerk te staan. Er zijn veel mensen en de brandweerlieden zijn daar. Er staat een gebouw in brand.
- Het is de school, schreeuwt Louis. De school staat in brand.
- Oh, Louis, zegt Christine, kijkt het op het dak. Er is een kleine kat op het dak.
- Het is Napoléon, de kat van de conciërge, zegt Louis. En de conciërge is vandaag niet op school. Hij is aan het vissen. Hij gaat altijd vissen op zondag.
- Oh, de arme kleine kat, zeg Christine, hij kan niet naar beneden gaan. Hij is bang, arme Napoléon.
- Doe maar niets, Christine, zegt Louis. Kijk, een van de brandweerlieden klimt op de hoogwerker.
- Oef, hij heeft de kleine kat gered, zegt Christine. Nu ben ik tevreden.
- Kijk, Christine, zegt Louis, de school staat niet meer in brand.
- Wat een geluk, schreeuwt Christine, de brandweerlieden zijn op tijd gekomen!

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "En avant door E.J. Arnold"