Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Zelfbeschikkingsrecht

Beoordeling 8.5
Foto van een scholier
  • Betoog door een scholier
  • 5e klas vwo | 1479 woorden
  • 27 juni 2012
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.5
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Zelfdoding: iets wat je zelf mag beslissen of niet?
Zelfdoding is altijd een belangrijk thema geweest in de filosofie. Veel westerse denkers, bijvoorbeeld Plato en Kant, keurden het ontnemen van je eigen leven af. Ook het christendom deed het van het begin af aan af als slecht: wie zelfmoord pleegde, ontnam niet zichzelf maar de schepper het leven (het leven dat god ons in bruikleen had gegeven). Aan die gedachte kwam pas definitief een einde bij het existentialisme. Filosofen als Sartre en Camus beschouwden het leven namelijk niet als 'intrinsiek waardevol'. De mens bepaalde er de waarde van. Zo ontstond een vraag naar zelfbeschikking, die nu met het verzoek van het burgerinitiatief Uit Vrije Wil om ieder mens vanaf zijn 70ste het recht op euthanasie te geven een hoogtepunt bereikt.
Mogen we eigenlijk wel over ons leven beschikken?
Heeft een mens recht op een zelfgekozen dood? Het burgerinitiatief Uit Vrije Wil vindt van wel. Maar hoe bepaal je of een leven ‘voltooid’ is of niet?
Sinds 2002 mag een arts in Nederland op grond van de euthanasiewet hulp bij zelfdoding verlenen. Verondersteld wordt vaak dat ons land daarmee een wereldprimeur had, maar dat is niet het geval. In een deel van Australië werd euthanasie al in 1995 gelegaliseerd. Twee jaar later werd die beslissing echter weer teruggedraaid. En in Japan wordt hulp bij zelfdoding al enige decennia toegestaan, hoewel het land geen officiële euthanasiewetgeving kent. Nederland is wel het eerste Europese land geweest dat euthanasie niet langer strafbaar stelt.
Dat betekent overigens niet dat euthanasie plegen zomaar kan. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, zijn relatief streng. Zo moet sprake zijn van „uitzichtloos en ondraaglijk” lijden en van een „vrijwillig en weloverwogen” verzoek om te sterven. Ook moeten alle alternatieve oplossingen, na een second opinion van een tweede arts, ontoereikend zijn bevonden. Bovendien heeft de behandelende arts het laatste woord: een patiënt kan de wens om zijn leven te beëindigen wel kenbaar maken, maar hij heeft geen ‘recht’ om te sterven.
Daar wil het burgerinitiatief Uit Vrije Wil nu verandering in brengen. Deze groep, waartoe onder anderen Frits Bolkestein, Jan Terlouw en Paul van Vliet behoren, vindt dat alle Nederlanders ouder dan 70 jaar die hun leven „voltooid achten” het recht moeten hebben om onder professionele begeleiding een einde te maken aan hun leven – ook als er géén sprake is van ondraaglijk of uitzichtloos lijden.
Naar schatting plegen jaarlijks vijfhonderd ouderen zelfmoord, door zichzelf geweld aan te doen, een overdosis medicijnen te slikken of door familie of vrienden in te schakelen. Om ouderen niet aan hun lot over te laten, zou de euthanasiewet moeten worden verruimd, zodat ook hulp bij zelfdoding op niet-medische gronden mag worden gegeven. Dat is nu nog verboden.
Het burgerinitiatief beroept zich daarbij expliciet op het in de grondwet vastgelegde zelfbeschikkingsrecht, waarin staat dat ieder mens de vrijheid heeft binnen de grenzen van de wet zijn leven naar eigen inzicht in te richten. Daaronder valt volgens de groep ook de vrijheid om te beslissen over de eigen dood.
Dit uitgangspunt past goed bij de huidige op individuele rechten georiënteerde tijdgeest. Uit Vrije Wil kreeg dan ook binnen enkele dagen meer dan 40.000 steunbetuigingen, genoeg om het verzoek op de agenda van de Tweede Kamer te zetten. Vanuit de medische wereld klinkt bovendien al langer het geluid dat de Euthanasiewet moet worden aangepast. Is er alleen sprake van ondraaglijk lijden als iemand een terminale aandoening heeft? Of telt levensmoeheid ook? Dat onderscheid is vaak moeilijk te maken, blijkt in de praktijk. Daarom adviseerde de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) al in 2004 om de grond voor euthanasie te verruimen tot een algemener „lijden aan het leven”.
Historisch gezien is deze kijk op zelfdoding echter behoorlijk uitzonderlijk. In de westerse filosofie is jezelf van het leven beroven door de eeuwen heen bijna altijd bestempeld als immoreel – en iemand daarbij helpen als een misdaad. Niet voor niets wordt vaak gesproken van zelfmoord: in die term zit besloten dat jezelf doden nooit vrijwillig of gerechtvaardigd kan zijn.
Het idee dat je het ‘recht’ zou hebben je eigen leven te beëindigen is vanaf de Oude Grieken tot aan de Verlichting dan ook nooit gemeengoed geweest, om uiteenlopende filosofische redenen.
De Griekse wijsgeer Plato bijvoorbeeld beschouwde zelfdoding als een teken van zwakte en lafheid, die erop duidde dat een persoon niet opgewassen was tegen de ontberingen van het leven. Alleen uit schaamte of als straf voor begane fouten (zoals bij zijn leermeester Socrates, die de gifbeker moest drinken vanwege het vertellen van verkeerde dingen aan de jeugd) achtte Plato zelfdoding moreel gerechtvaardigd.
Persoonlijke zelfbeschikking of welzijn speelde daarin dus nauwelijks een rol. Zijn leerling Aristoteles zag zelfdoding zelfs als een wandaad ten opzichte van de staat, waarmee iemand zijn verantwoordelijkheid als burger laakte.
Een uitzondering op deze visie was destijds de Stoïcijnse filosofie, waarin juist wel een grote nadruk werd gelegd op het persoonlijke welzijn. De Stoïcijnen vonden zelfdoding gelegitimeerd als iemand niet langer over de mogelijkheden beschikte om een gezond of zinvol leven te leiden, bijvoorbeeld door fysieke pijn of financiële rampspoed.
Daarmee waren zij de belangrijkste voorlopers van de moderne opvatting over euthanasie. Niet voor niets citeert voormalig VVD-leider Frits Bolkestein in het manifest van Uit Vrije Wil de Stoïcijnse dichter Seneca die ooit stelde: „Goed sterven, dat is vrijwillig sterven.”
Door de opkomst van het christendom delfde deze opvatting echter al snel het onderspit. De kerk verwierp zelfdoding van meet af aan, maar het was de christelijk filosoof St. Augustinus die het definitief in de ban deed door het onder het gebod ‘Gij zult niet doden’ te scharen. Dat verbod werd later nog eens bekrachtigd door de invloedrijke theoloog Thomas van Aquino, die zelfdoding zag als een misdaad jegens God en de gemeenschap waarvan een mens deel uitmaakte.
Twee filosofische aannames speelden daarbij een rol. Ten eerste werden het lichaam en het leven gezien als eigendommen van God: een mens had ze slechts ‘in bruikleen’. Wie zelfmoord pleegde, ontnam niet zichzelf het leven, maar de Schepper ervan, een vorm van diefstal dus. Ten tweede werd het leven een absolute status toegedicht. Deze denkwijze, beter bekend als de sanctity of life-theorie, schrijft voor dat het leven nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan andere waarden, zoals gezondheid of geluk. Beide aannames zijn in de meeste christelijke stromingen nog altijd gemeengoed.
Deze visie heeft het westerse denken over zelfdoding zeker negentien eeuwen gedomineerd. Zelfs Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant verwierp zelfdoding op grond van een seculiere variant van de sanctity of life-theorie. Ook Kant dichtte het leven namelijk een absolute status toe: niet omdat God er de schepper van was, maar omdat het leven een voorwaarde was voor het bestaan van een moraal. Geen enkele waarde kon dus belangrijker zijn dan het leven zelf, aldus Kant. Zelfdoding stond volgens hem dan ook gelijk aan ‘de ontworteling van de moraal’.
Pas in de twintigste eeuw veranderde deze visie, toen de existentialisten dit argument als het ware omdraaiden. Volgens filosofen als Jean-Paul Sartre en Albert Camus had het leven namelijk géén inherente waarde: het is op zichzelf juist doelloos en betekenisloos, stelden zij. Iedere betekenis ontleende het leven aan de mens, die schepper van alle waarden was, zo dachten zij. Daarmee werd de mens als het ware ‘eigenaar’ van het leven: hij bepaalde zelf wat de bedoeling ervan was.
Deze existentialistische wending is de filosofische opmaat geweest voor het idee van een onvervreemdbaar recht op zelfbeschikking, dat een centrale rol kreeg in het liberalisme. Zo werd een bevrijdingsproces in gang gezet waarin het individu steeds meer autonomie kreeg toebedeeld, een proces dat het politieke hoogtepunt kende in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de vrouw ‘baas in eigen buik’ werd en het recht op abortus verwierf.
Staatsrechtgeleerde Jit Peters, een van de initiatiefnemers van Uit Vrije Wil, ziet het recht om vanaf je zeventigste euthanasie te plegen dan ook als een logisch vervolg daarop: ‘Het zelfgekozen levenseinde is een nieuwe fase in het emancipatoire proces van autonomie’, aldus Peters.
Mocht het recht op een zelfgekozen levenseinde in de grondwet worden verankerd, zoals het burgerinitiatief bepleit, dan zou Nederland daarmee wél een wereldprimeur beleven. Nergens strekt het zelfbeschikkingsrecht zo ver.
Vreemd is dat niet, want de grote vraag blijft natuurlijk wanneer een leven nu precies als ‘voltooid’ kan worden beschouwd. Volgens Albert Camus is daar geen antwoord op te geven. Want, zo stelde hij: ‘Beoordelen of een leven de moeite waard is om te leven of niet, is hetzelfde als proberen om de meest fundamentele vraag uit de filosofie te beantwoorden.’
Dat kan eigenlijk niemand.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.