Hoofdstuk 1: Wereldbeeld

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas havo | 597 woorden
  • 19 oktober 2015
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

1.2 Een grens tussen rijk en arm.



Koopkracht:  Hoeveel je voor een dollar kan kopen in een land.



Beroepsbevolking: Het aantal mensen in een bepaald gebied dat wil, kan en mag werken



Informele sector: Het onofficiële deel van de economie.



Bevolkingsdichtheidcijfer: Gemiddelde aantal inwoners per vierkante kilometer.



Bevolkingsspreiding: Wijze waarop een bevolking zich over een gebied heeft verspreid.



Geboortecijfer: Gemiddeld aantal kinderen dat in een land geboren wordt.



Sterftecijfer: Gemiddeld aantal mensen die sterven in een land.



Cultuurelementen: De dingen waaraan je een cultuur kunt herkennen.



Grensregio: Gebied rond grens.





1.3 Relaties: handel en investeringen.



Handelsbalans: Laat het verschil zien tussen de waarde van de geïmporteerde en geëxporteerde goederen.



Assemblagebedrijven: Maquiladora’s, vestigingen die vooral eindproducten maken bedoeld voor de export naar de VS of andere westerse landen.





1.4 ‘Go north, young Mexican’.



Afstandsverval: Wanneer een ruimtelijk verschijnsel afneemt naarmate de afstand toeneemt.





1.6  Arm en rijk.



BNP per inwoner: Gebruikt om welvaartsverschillen tussen landen te meten. Je berekent het door de waarde van alle goederen en diensten die in een land in een jaar worden geproduceerd op te tellen. Daar voeg je de inkomsten uit het buitenland bij en vervolgens deel je dat bedrag door het aantal inwoners.



VN-welzijnindex: Gebruikt om welvaartsverschillen tussen landen te meten. Hierbij let je naast de koopkracht ook op de alfabetiseringsgraad en de levensverwachting.



Levensverwachting: Gemiddelde aantal jaren dat een pasgeboren baby kan verwachten te leven.



Formele sector: Het geld dat in een land verdiend wordt, en dat opgegeven wordt aan de belasting.



Informele sector: Het onofficiële deel van de economie.



Sociale ongelijkheid: Ongewenste en grote verschillen in inkomen en ontwikkelingskansen tussen groepen mensen.



Regionale ongelijkheid: Dergelijke onrechtvaardige verschillen in welvaart en ontwikkeling tussen gebieden.





1.7 Centrum-periferie.



Centrum: De rijke, vooral westerse, landen.



Semiperiferie: De landen die de laatste 20 jaar een flinke groei hebben doorgemaakt.



Periferie: Armste landen.



Internationale arbeidsdeling: Specialisatie van werkgelegenheid in de verschillende delen van de wereld.





1.9 Bevolkingsspreiding en migratie.



Bevolkingsdichtheid: Gemiddelde aantal inwoners per vierkante kilometer.



Bevolkingsspreiding: Wijze waarop een bevolking zich over een gebied heeft verspreid.



Pushfactoren: Omstandigheden in een gebied die als onprettig worden ervaren en waardoor mensen worden aangezet om te gaan migreren.



Pullfactoren: Omstandigheden in een gebied die als prettig worden ervaren en waardoor migranten worden aangetrokken.





1.10 Bevolkingsgroei.



Bevolkingsgroei: De toe- of afname van de bevolking.



Geboorte- en sterftecijfer: Gemiddeld aantal kinderen dat in een land geboren wordt / gemiddeld aantal mensen dat sterft in een land. 



Natuurlijke bevolkingsgroei: Wanneer het geboortecijfer hoger is dan het sterftecijfer.



Demografisch transitiemodel: Hierin kan je de overgang (transitie) volgen van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag niveau.



Groene druk: Verhouding tussen het aantal 0- tot 20-jarigen en het aantal 20-65-jarigen. In arme landen is deze vaak hoog.



Grijze druk: Verhouding tussen het aantal 20-65-jarigen en het aantal mensen boven de 65 jaar. In rijke landen is deze vaak hoog.





1.12 Cultuurgebieden.



Cultuurgebieden: Gebieden waar 1 cultuur of waar er een aantal culturen, die sterk op elkaar lijken, voorkomen.



Kolonialisme: Wanneer een land haar macht uitbreidt over een ander land met de bedoeling het gebied te exploiteren (=bezetten en beheren zodat ze er geld mee verdienen).





1.13 Cultuurgebieden in verandering.



Diffusie: De verspreiding vanuit een kerngebied van een ruimtelijk verschijnsel, bijvoorbeeld een cultuurelement. (Andere voorbeelden; aids, migratie).



Cultuurvermenging: Wanneer een nieuw cultuurelement wordt ingepast in de bestaande cultuur.



Transnationale identiteit: Mensen die 2 culturen in zich verenigen.



Fundamentalisme: Wanneer mensen terugkeren naar de kern van hun cultuur en geloof en strikt willen leven via de regels van bijv. de Koran.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.