Magie

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 3e klas havo/vwo | 4559 woorden
  • 21 oktober 2008
  • 47 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 47 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Antwoorden "Magie" paragrafen 10 tot en met 17
§10 Nog meer acties 1
In §9 hebben jullie acties met stoffen verdeeld in twee groepen
I: verwacht , niet-magisch
II: onverwacht - magisch
Jan heeft vorig jaar deze opdrachten ook al eens uitgevoerd en die zegt: "Ik wist al van tevoren dat je zwartbruin spul krijgt als je magide en vitrioolblauw samenwrijft, voor mij is het niet onverwacht en dus reken ik dat bij groep I."
De woorden verwacht/onverwacht zijn inderdaad niet zo geschikt. Want als je een actie eenmaal een keer hebt uitgevoerd, is het resultaat de tweede keer natuurlijk niet meer onverwacht.

Jan en Sofie gebruiken voortaan de woorden logisch en onlogisch om de groepen I en II aan te duiden.
10.1 Hoort logisch bij I of bij II?
Logisch hoort bij I en niet-logisch bij II
In deze paragraaf gaan jullie nog meer acties bestuderen en indelen in groep I of II.
Neem de tabel over en geef bij iedere proef aan of deze hoort bij groep I of bij groep II.
Het is belangrijk om bij de proefjes goed te kijken wat er gebeurt. Later, bij de bespreking komen we hier op terug.
Proefjes par. 10
Actie I II
1. suiker en water
2. vitrioolblauw en water
3. soda en water
4. meel en water
5. koper en water
6. koper en salpeterzuuroplossing
7. zink en water
8. zink en zoutzuur
9. soda en zoutzuur

10. calcium en water
Proefje: Doe een beetje kristalsuiker in een buisje. Doe er een beetje gedestilleerd water bij en schud even.
10.2 Rekenen jullie "suiker en water" bij groep I of groep II? Bij I
Proefje: Doe een spatelpuntje vitrioolblauw in een buisje. Doe er een beetje gedestilleerd water bij en schud even.
10.3 Rekenen jullie "vitrioolblauw en water" bij groep I of groep II? Bij I
Proefje: Haal een buis, een buisrekje, een spatel, soda en een spuitfles met water. Doe een spatelpunt soda in de buis, spuit er wat water bij en schud een tijdje.
10.4 Waar kennen jullie soda van? Het wordt thuis wel eens gebruikt om aangekoekte pannen schoon te krijgen of ook wel om (ontstekings)wondjes te ontsmetten.
10.5 Rekenen jullie "soda en water" bij groep I of groep II? Bij I
Proefje: Haal nog een buis en ook meel. Doe een spatelpunt meel in de buis, spuit er wat water bij en schud even.
10.6 Rekenen jullie "meel en water" bij groep I of groep II? Groep II, want je had misschien verwacht dat het zou oplossen.
Proefje: Haal nog een buis, een flesje met koperpoeder. Doe een spatelpuntje koper poeder in de buis spuit er wat water bij en schud even.
10.7 Denken jullie dat koperpoeder in water oplost? Licht jullie antwoord toe. Nee, want het is een metaal.
10.8 Rekenen jullie "koper en water" bij groep I of groep II? Groep I, want je had verwacht dat het niet zou oplossen.
Proefje demonstratie: Doe in de zuurkast bij een beetje koperkrullen wat salpeterzuuroplossing. (Salpeterzuuroplossing is een mengsel van salpeterzuur en water.)
10.9 Wat neem je waar? Schrijf zo precies mogelijk op wat je ziet gebeuren.
– Koperkrullen zijn bruin en het is een metaal.
– Salpeterzuur is een heldere kleurloze vloeistof
– Er komt een bruine damp bij vrij (tijdens de reactie)
– De oplossing wordt helder blauw
10.10 Rekenen jullie "koper en salpeterzuuroplossing" bij groep I of bij groep II? Groep II
Boven(in) de buis zagen jullie wat bruingele stof in gasvorm.
10.11 Leg m.b.v. de kookpuntentabel achterin dit boekje uit dat die bruingele stof geen koper in gasvorm kan zijn. Het kan geen koper in gasvorm zijn omdat het kookpunt van koper heel erg hoog ligt. Bij de proef is de temperatuur niet veranderd.
Proefje: Haal twee buizen, een buizenrekje, twee stukjes zink en een flesje met 4 M zoutzuur.
Doe in elke buis een stukje zink. Spuit in de ene buis wat water erbij.
Spuit in de andere buis wat zoutzuur erbij.
10.12 Weten jullie nog welke twee stoffen je bij elkaar moet doen om zoutzuur te krijgen?
Welke stoffen zijn dat dan ? Zoutzuurgas en water
10.13 Rekenen jullie "zink en water" bij groep I of groep II? Bij I, want het is logisch dat het niet oplost, omdat het een metaal is.
10.14 Rekenen jullie "zink en zoutzuur" bij groep I of groep II? Bij II
Proefje: Doe in een lege buis wat soda. Doe er wat zoutzuur bij.
10.15 Wat zien jullie gebeuren ?
Er ontstaan allemaal bubbeltjes
10.16 Rekenen jullie "soda en zoutzuur" bij groep I of bij groep II? Bij II
Proefje: Doe in een buisje een beetje calcium. Spuit hier wat water bij.
10.17 Kun je zien dat calcium een metaal is? Ja, het heeft een glimmend oppervlak
10.18 Rekenen jullie "calcium en water" bij groep I of groep II? Groep II
Ook in deze paragraaf hebben jullie (het resultaat van) acties ingedeeld in twee groepen.
Jan en Sofie hebben de acties uit dit practicum ook uitgevoerd en zeggen: altijd als er met water gemengd wordt hoort het bij groep I.
10.19 Aan welke actie(s) hebben jullie gemerkt dat de bewering van Jan en Sofie niet klopt? De laatste, calcium met water.
Samenvatting
10 proefjes van stoffen samenvoegen, waarnemingen kennen
Indelen in groep I - mengen - verwacht - niet-magisch
groep II - chemische reactie - onverwacht - magisch

§11 Nog meer acties 2
Ook in deze paragraaf gaan jullie (het resultaat van) acties indelen in groep I of groep II. Ook bij de proefjes van deze paragraaf is het belangrijk om goed te kijken wat er gebeurt. Later bij de bespreking komen we hier op terug.
Als je een ijsblokje in een buis verwarmt, zie je na een tijdje geen ijs meer.
11.1 Wat zit er dan wel in de buis? Vloeibaar water
Jan zegt: "Ik vind dat er vóór het verwarmen ook water in de buis zit."
11.2 Leg uit waarom Jan gelijk heeft. IJs is ook een vorm van water
In deze paragraaf gaan we weer een aantal acties met stoffen uitvoeren en deze acties weer indelen in de groepen I en II.
In deze paragraaf gaan we niet stoffen samenvoegen, zoals we tot nu toe hebben gedaan, maar gaan we een stof verwarmen en kijken of er iets wat je verwacht gebeurt of dat er iets magisch gebeurt.
Neem de tabel over en geef bij iedere proef aan of deze hoort bij groep I of bij groep II.
Proefjes par. 11
Actie I II
1. verwarmen van suiker
2. verwarmen van kaarsvet
3. afkoelen van kaarsvet
4. verwarmen van vitrioolblauw
5. verwarmen van dichromaat

11.3 Rekenen jullie "verwarmen van ijs" bij groep I of groep II? Groep I
Proefje: Vraag een buis met daarin een (stukje van een) suikerklontje, een rekje, een
knijper en ook een brander. Klem de buis in de knijper. Verwarm de suiker in de buis door de buis rustig door een gewone vlam te bewegen. Zet de buis in het rekje en laat hem daar
afkoelen.
11.4 Wat hebben jullie allemaal zien gebeuren ? Probeer dit zo precies mogelijk op
te schrijven.
– Er komen druppeltjes (condens) aan de binnenkant van het buisje (reageerbuis)
– Er is een lekkere geur (karamel) waarneembaar
– Er komt een brandbaar gas vrij
– Je houdt een zwarte vaste massa in het reageerbuisje over
11.5 Rekenen jullie "verwarmen van suiker" bij groep I of groep II? Groep II
Proefje: Houd een buisje met wat kaarsvet in een bekerglas met bijna kokend water. Zet het buisje in het rekje en laat het buisje afkoelen.
11.6 Wat zien jullie gebeuren bij verwarmen en bij het afkoelen? Schrijf dit zo precies
mogelijk op.
– Tijdens het verwarmen smelt het kaarsvet
– Tijdens het afkoelen stolt het weer
11.7 Rekenen jullie "verwarmen van kaarsvet" bij groep I of bij groep II? Groep I
11.8 Rekenen jullie "afkoelen van kaarsvet" bij groep I of bij groep II? Groep I
Proefje: Haal een buis met wat vitrioolblauw. Klem de buis in de knijper. Verwarm de onderkant van de buis zachtjes. Dat kan door de buis telkens in en daarna weer even uit de vlam te houden.
11.9 Rekenen jullie "verwarmen van vitrioolblauw" bij groep I of groep II? Groep II
Na het verwarmen zitten er onderin de buis witte korreltjes.
11.10 Denken jullie dat dat suikerkorreltjes zijn? Licht jullie antwoord toe. Nee, want je hebt er geen suiker in gedaan.
Proefje: In de zuurkast !! Vraag een buis met wat dichromaat. Verwarm de onderkant van de buis.
11.11 Wat hebben jullie allemaal zien gebeuren ? Probeer dit zo precies mogelijk te
beschrijven. Dit is belangrijk omdat je dit later nodig hebt.
– Het oranje dichromaat wordt verwarmd
– Als het eenmaal brandt, en je haalt het uit de vlam, gaat het vanzelf verder branden
– De oranje stof verandert in een groen-grijze stof
– Het volume neemt sterk toe.
– Het stopt pas met branden tot alles veranderd is.
11.12 Rekenen jullie "verwarmen van dichromaat" bij groep I of groep II? Groep II
In de vorige paragraaf hebben jullie de actie samenvoegen/mengen op een aantal stoffen uitgevoerd en daarna ingedeeld bij I of II.
In deze paragraaf hebben jullie de actie verwarmen/verhitten op een aantal stoffen uitgevoerd en daarna ook weer ingedeeld bij I of bij II.

Samenvatting
5 proefjes van stoffen verwarmen, waarnemingen kennen
Indelen in groep I - mengen - verwacht - niet-magisch
groep II - chemische reactie - onverwacht - magisch



§12 Een kwestie van gezichtspunt
In de voorgaande paragrafen hebben jullie acties uitgevoerd met stoffen en mengsels van stoffen. Een van die acties is mengen.
Een andere actie die chemici met stoffen uitvoeren is: verwarmen.
Chemici noemen het resultaat van zo’n actie soms wel en soms niet chemisch.
In deze paragraaf leer je het gezichtspunt kennen dat chemici hanteren bij het indelen naar wel of niet chemische reactie. Dat scheikundige gezichtspunt willen we duidelijk maken met het proefje 11.1 uit paragraaf 11 namelijk het verwarmen van suiker. Bij deze proef heb je gezien dat de witte stof veranderde en dat er uiteindelijk een zwarte stof overbleef. Tijdens de proef ontstond er walm, rook en ook waren er vochtdruppeltjes aan de binnenkant van de reageerbuis te zien.
Als het goed is hebben jullie deze proef bij groep II ingedeeld. Omdat de stof suiker veranderd is in een zwarte vaste stof, een walm en een vloeistof is dit een chemische reactie. Bij het verwarmen van suiker ontstaan andere stoffen. De stof suiker is hierbij verdwenen, weg, foetsie.
Als je hier wat verder over nadenkt is dit best raar. Blijkbaar kunnen stoffen veranderen in andere stoffen.
12.1 Wat denk je, zou suiker ook kunnen verdwijnen zonder dat er iets overblijft? Nee
Of denk je dat als een stof verdwijnt er altijd een andere stof voor in de plaats moet
komen?
– Als een stof verdwenen is, is er een andere stof voor in de plaats gekomen.
– Een stof kan nooit helemaal verdwijnen. Als een stof helemaal verdwijnt, moeten het allemaal gassen zijn geworden. Deze gassen zijn in werkelijkheid niet verdwenen, alleen zie je ze niet meer.
Een ander voorbeeld is de proef van "soda en zoutzuur" uit paragraaf 10 (schema 10.9) .
Chemici rekenen deze proef tot de chemische reacties. Dus deze proef hoort ook bij groep II. Want bij deze proef ontstond uit een vaste stof en een vloeistof een gas. Dit zagen we aan het borrelen en bruisen. Chemici spreken dan wel deftig van gasontwikkeling.
Dit gas was koolzuurgas.
Ook bij deze proef ontstond een andere stof en is dus sprake van een chemische reactie.
Om te weten te komen of je te maken hebt met een chemische reactie moet je dus goed waarnemen en kijken of er bij de proefjes andere stoffen ontstaan.
Soms is dit lastig. Want als je water een tijdje verwarmt, begint het te borrelen en te bruisen, net als bij de proef van soda met zoutzuur. In de belletjes zit nu geen koolzuurgas maar waterdamp.
12.2 Leg uit waarom het verwarmen van water geen chemische reactie is. Het is een faseovergang (van vast naar vloeibaar)
Van de proeven uit paragraaf 10 is er naast 10.9 ook bij de proeven 10.6 (koper + salpeterzuur), 10.8 (zink + zoutzuur) en 10.10 (calcium + water) sprake van een chemische reactie.
Van de proeven uit paragraaf 11 is er naast 11.1 (suiker verwarmen) ook bij de proeven 11.4 (vitrioolblauw verwarmen) en 11.5 (dichromaat verwarmen) sprake van een chemische reactie.
12.3 Ga na of je het hier mee eens bent. Ja
12.4 Leg uit waarom scheikundigen "vitrioolblauw en magide" wel bij de chemische reacties rekenen en "vitrioolblauw en zwavel" niet. Bij vitrioolblauw en magide verandert er iets, er ontstaat een nieuwe stof. Bij vitrioolblauw en zwavel verandert er niets. Het is gewoon een mengsel, dat je zou kunnen ontmengen als je dat zou willen. Dat kan bij vitrioolblauw en magide niet.
Wat is er aan de hand bij de proeven 10.1 t/m 10.5 ? Bij ieder van deze proeven wordt een vaste stof in de vloeistof water gebracht.
12.5 Leg uit waarom we deze 5 proeven weer in twee groepen kunnen verdelen, namelijk 10.1, 10.2 en 10.3 aan de ene kant en 10.4 + 10.5 aan de andere kant.
Bij 10.1 t/m 10.3 ontstaat een oplossing. De vaste stof is niet meer zichtbaar maar is nog wel aanwezig in de vloeistof. Als je suiker in water doet en je proeft het water dan smaakt het zoet. De suiker is nog wel aanwezig, alleen niet meer zichtbaar. De suiker is opgelost in het water.
Bij de proeven met meel en water (schema 10.4) en koper en water (schema 10.5) lost de vaste stof niet op. Er ontstaat een suspensie. Een suspensie is een mengsel van een vaste stof en een vloeistof.
In kraanwater is kalk opgelost en in gedestilleerd water zit geen kalk.
12.6 Is kraanwater chemische gezien één stof, we spreken ook wel van een zuivere stof, of een mengsel ? Licht je antwoord toe. Het is een mengsel, omdat er andere stoffen (zoals kalk) in zit.
Om een oplossing van een suspensie te onderscheiden helpt het volgende. Een oplossing is helder en een suspensie is troebel. Let op een oplossing kan gekleurd zijn.
12.7 Geef een voorbeeld van een gekleurde oplossing. Een oplossing van kopersulfaat
12.8 Geef bij de volgende stoffen aan of dit een mengsel of een zuivere stof is.
a. Lucht mengsel
b. Zoutzuur mengsel
c. Ammonia mengsel
d. Zuurstof uit de gascilinder zuivere stof
e. Poedersuiker (voor over de pannenkoeken) mengsel
f. Kristalsuiker zuivere stof
12.9 Is de volgende bewering goed of fout : Een oplossing is altijd een mengsel? goed
Nog een laatste iets over de proeven 11.2 en 11.3 namelijk het verwarmen en afkoelen van kaarsvet.
Hier verandert de fase. Een ander woord voor fase is aggregatietoestand .
12.10 Leg uit waarom een faseverandering geen chemische reactie is. De stof die je gekregen hebt kan weer terug veranderen in de oorspronkelijke stof.
Denk aan ijs veranderen in water en daarna weer afkoelen tot ijs.
Samenvatting
Bij een chemische reactie veranderen stoffen in andere stoffen.
Waar is een chemische reactie aan te herkennen
Oplossing helder
Suspensie troebel
Zuivere stof = 1 stof Mengsel = 2 of meer stoffen door elkaar.
Een faseverandering is geen chemische reactie



§13 Scheikundig indelen
We gaan even kijken of jullie de scheikundige indeling begrijpen.
Even testen: als je een suikerklontje met een stamper in een mortier fijnwrijft, voer je een actie uit met een stof. Het resultaat is suikerpoeder. Scheikundigen rekenen deze gebeurtenis niét bij de chemische reacties. Ook spreekt men niet over mengen.
13.1 Rekenen jullie "ammoniakgas en zoutzuurgas" wel bij de chemische reacties? (Weet je nog die proef van §8 !) Ja, er ontstond een heel andere stof. (twee giftige stoffen bij elkaar, daar kreeg je een eetbare stof uit; salmiak)
In paragraaf 10 heb je zoutzuur en zink samengevoegd. Kijk nog maar eens naar je aantekeningen van deze proef.
Als je zoutzuur en zink samenvoegt zie je in de vloeistof belletjes. Als je het gas in die belletjes met indicatoren zou onderzoeken, merk je dat het géén koolzuurgas, géén ammoniakgas en óók geen zoutzuurgas is.
13.2 Weet je nog met welke indicatoren je deze gassen kunt aantonen ? Controleer met elkaar of je dit nog weet. Zo niet, dan mag het opzoeken in je indicatorenlijst.
Het ontsnappende gas noemen we voorlopig X.
13.3 Is “zink + zoutzuur” wel of niet een chemische reactie? Ja
Ook als water kookt ontsnapt er een stof in gasvorm uit de vloeistof. Ook dit rekenen we niet tot de chemische reacties.
Als je indeelt volgens het scheikundige gezichtspunt "krijg je niet of wel een andere stof", dan moet je weten welke stof(fen) je voor en na de actie hebt.
Je kunt snel zien of dat zo is als je de namen van de stoffen vóór en ná de actie in twee kolommen onder elkaar schrijft en de kolommen met elkaar vergelijkt.
Als je dat doet met de proef van het fijnmaken van een suikerklontje in een mortier krijg je het volgende schema.
fijnwrijven van een suikerklontje
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Suiker als suikerklontje Suiker als poeder
Als het goed is, zijn jullie het er over eens dat dit geen chemische reactie is.
Kijk nog eens naar de aantekeningen van de proef met dichromaat. Hebben jullie ook de druppeltjes aan de binnenkant van de buis gezien ? We gaan deze proef ook even bekijken volgens het schema stoffen voor en na de reactie.
13.4 Bedenk samen een naam voor de stof onderin de buis en vul de namen van de stoffen op de juiste plaats in de kolommen in.
verwarmen van dichromaat
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Dichromaat

Proefje: Haal een buis met wat vitrioolblauw en de indicator voor water..
Verwarm de buis met vitrioolblauw; stop even met verwarmen als je boven in de buis condens ziet. Onderzoek of het condens water is m.b.v. de indicator voor water.
Verwarm nog een tijdje totdat je onderin de buis geen vitrioolblauw meer ziet. Het water boven in de buis zal dan ook wel verdampt zijn.
13.5 Volgt uit jullie onderzoek dat het condens uit water bestaat? Ja. Overleg met je begeleider als dat niet het geval is.
13.6 Bedenk samen een naam voor de stof onderin de buis en vul onderstaand schema in.
verwarmen van vitroolblauw
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Vitrioolblauw Vitrioolwit

13.7 Vinden jullie dat er nu (nog) vitrioolblauw in de buis zit? Nee
Toen jullie de buis verder verwarmden, zagen jullie minder of geen condens meer bovenin de buis.
Het condens is verdampt.
verwarmen van condens
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Water (vloeistof) Waterdamp

Laat jullie schema’s controleren voor je verder gaat.
Aan jullie schema’s moet je kunnen zien dat scheikundigen het verwarmen van dichromaat en het verwarmen van vitrioolblauw wel bij de chemische reacties rekenen en het verwarmen van watercondens niet.
Samenvatting:
Bij een chemische reactie veranderen stoffen in andere stoffen.
Chemische reactie: ammoniakgas + zoutzuurgas
verwarmen van dichromaat
verwarmen van vitrioolblauw
Geen chemische reactie: fijnwrijven van suikerklontje
koken van water
verwarmen van condens

§14 Magie of chemie?
In de paragrafen 12 en 13 hebben jullie geleerd dat er sprake is van een chemische reactie als er na de actie één of meer nieuwe stoffen zijn. In deze paragraaf gaan we hier verder op in.
Als je in een buis wat dichromaatkorrels verwarmt, komt er ammoniakgas bovenuit de buis. Onderin zit een groene stof in vaste vorm.
In het schema ziet deze gebeurtenis er als volgt uit. Op de puntjes hoort de naam van de groene stof te staan die jullie zelf mogen bedenken of al bedacht hebben.
verwarmen van dichromaat
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
dichromaat
ammoniak
… (naam v/d groene stof)
Scheikundigen zeggen dat stof dichromaat is verdwenen.
14.1 Vinden jullie ook dat dichromaat verdwenen is? Ja
In §8 is ontstond uit ammoniakgas en zoutzuurgas een witte vaste stof. Deze witte stof heet salmiak. Salmiak komt in bepaalde dropjes voor.

14.2 Vul het onderstaande schema in voor deze chemische reactie.
bij elkaar spuiten van zoutzuurgas en ammoniak
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Ammoniakgas + zoutzuurgas
… (naam v/d witte stof)
14.3 Vinden jullie dat ammoniakgas en zoutzuurgas verdwenen zijn? Ja

Ammoniakgas en ook zoutzuurgas zijn giftig, dus geen gezonde stoffen. Je moet er mee oppassen.
14.4 Zouden jullie het witte poeder dat uit deze stoffen ontstaat durven proeven? Ja
Piet zegt : Salmiak is een mengsel van ammoniak en zoutzuurgas.
14.5 Ben je dit met Piet eens ? Leg uit waarom wel of waarom niet. Nee, want dan zou je ook weer ammoniakgas en zoutzuurgas terug kunnen krijgen, en dat is niet mogelijk.
Scheikundigen noemen iets een mengsel als er sprake is van twee of meer stoffen. In dit geval heb je te maken met één stof, namelijk de stof salmiak. Chemisch gezien is salmiak dus geen mengsel.
Let dus goed op ! Er is een groot verschil tussen een mengsel van ammoniak en zoutzuurgas aan de ene kant en de zuivere stof salmiak aan de andere kant.
Dat er zomaar ineens salmiak ontstaat als zoutzuurgas en ammoniakgas verdwijnen kan niemand begrijpen, ook scheikundigen niet. Je moet wel weten dàt er ten gevolge van een actie soms stoffen verdwijnen en ontstaan.
14.6 Noem nog eens een paar stoffen die jullie bij proefjes uit de vorige paragrafen hebben zien verdwijnen. (En dan niet de proefjes nemen die we net besproken hebben !)
– Verdwijnen van suiker bij verbranding
– Verdwijnen van vitrioolblauw en magide
§15 Reactieschema
Jullie weten nu dat er ten gevolge van acties met stoffen soms wel en soms niet een chemische reactie plaatsvindt.
In deze paragraaf gaan we bekijken hoe we chemische reacties snel en overzichtelijk kunnen weergeven.
We gaan het samenvoegen van vitrioolblauw en magide nog eens bekijken. Je weet wel, die proef uit paragraaf 8
15.1 Neem het onderstaande schema over en vul de naam van stof(fen) vóór en ná de actie op de juiste plaats in de kolommen in.
samenwrijven van vitrioolblauw en magide
stof(fen) vóór de actie stof(fen) ná de actie
Vitrioolblauw + magide Bruine-zwarte vettige stof

Omdat scheikundigen bij een chemische reactie vooral letten op de stoffen die verdwijnen en ontstaan, kunnen ze die schematisch kort weergeven: ze zetten de namen van de stof(fen) die verdwijnen vóór een pijl en de namen van de stof(fen) die ontstaan erachter. Zo’n korte schematische weergave wordt een reactieschema genoemd.
Iemand schrijft als reactieschema van deze proef het volgende op:
Vitrioolblauw + bruine blubber → magide
15.2 Is dit goed ? Zo nee, hoe moet het reactieschema dan zijn ?
Nee, het moet zijn: vitrioolblauw + magide ® bruine blubber
15.3 Schrijf het reactieschema op voor de chemische reactie die plaatsvindt als zoutzuurgas en ammoniakgas bij elkaar worden gespoten.
Zoutzuurgas + ammoniakgas ® salmiak
15.4 Schrijf het reactieschema op voor de chemische reactie die plaatsvindt als dichromaat wordt verwarmd.
Dichromaat + zuurstof ® groen-grijze stof (bij een verbranding is altijd zuurstof nodig)
Chemici proberen verschijnselen die ze waarnemen te ordenen. Zo worden de chemische reacties die op een bepaalde manier overeenkomen tot één groep gerekend. De proefjes 11.1 , 11.4 en 11.5 uit het schema van paragraaf 11 komen op een bepaalde manier overeen. Bij alle drie trad een chemische reactie op en was er eerst één stof en ontstonden hieruit twee of meer andere stoffen.
Het reactieschema is algemeen: A → B + C + ….. + …… , waarbij A, B en C de namen van stoffen zijn.
We noemen dit ontledingsreacties. En omdat dit gebeurde door warmte is hier sprake van thermolyse.
Dus een thermolyse is een ontledingsreactie door warmte.
15.5 Treedt er bij het aanbranden van aardappels als je thuis aan het koken bent een thermolyse op ? Leg uit waarom wel of waarom niet. Ja, want er komt warmte aan te pas.
Soms noemen we een ontledingsreactie een elektrolyse . Er bestaat ook zoiets als fotolyse.
15.6 Geef de definitie van een elektrolyse en de definitie van een fotolyse.
Een elektrolyse is een ontleding waar elektriciteit aan te pas komt en bij een fotolyse komt licht aan te pas.
§16 Chemie!
In deze slotparagraaf kijken we terug op de vorige paragrafen uit deze module “Magie of chemie?”. Daarin heb je acties uitgevoerd met stoffen, bijvoorbeeld de stoffen uit de mengsels zoutzuur en ammonia.
16.1 Met welke twee stoffen heb je te maken bij zoutzuur? Zoutzuurgas en water
16.2 Met welke twee stoffen heb je te maken bij ammonia? Ammoniakgas en water
Als je wat zoutzuur en ammonia bij elkaar giet is het resultaat een kleurloze vloeistof. Als je die vloeistof vervolgens aan de kook brengt, verdampt het water en komt een witte stof in vaste vorm tevoorschijn.
16.3 Hoe heet deze witte vaste stof ? salmiak
Er zijn mensen die dit een “chemische stof” noemen. Misschien omdat deze stof ontstaat bij een chemische reactie. Maar omdat alle stoffen bij een (of andere) chemische reactie kunnen ontstaan is de toevoeging “chemisch” bij stof niet zinvol. Het is eigenlijk dubbelop.
We hopen dat je met deze module kennisgemaakt hebt met een aantal stoffen en dat je door hebt gekregen waar scheikunde of chemie zich mee bezig houdt.
Niet alleen ín de scheikundeles maar ook daarbúiten heb je te maken met chemie. Soms is dat bij zaken die van levensbelang zijn, denk maar eens aan de chemie achter een chemokuur.
Maar ook bij heel triviale dingen in de keuken ben je chemisch bezig. Zo voer je tijdens het maken van pannenkoekbeslag de actie mengen uit en bij het bakken van de pannenkoek de actie verwarmen.
16.4 Laat je bij het maken van beslag een chemische reactie plaatsvinden? Nee
16.5 Waaraan zie je dat er bij het bákken van een pannenkoek in ieder geval wel een chemische reactie plaatsvindt? Het beslag verandert in een pannenkoek en je kunt het beslag niet meer terug krijgen.
Als je een profiel met daarin het vak scheikunde kiest, dan moet je in ieder geval chemische dingen doen, dus proefjes en erover (na)denken..
Door een profiel met het vak scheikunde te kiezen leer je in ieder geval de formuletaal die scheikundigen gebruiken om chemische reacties te beschrijven. Dat is altijd handig, ook als je later niet in een echt chemisch beroep terecht komt.
§17 Formuletaal
Stoffen hebben namen. Bijv. zoutzuur, water soda. Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven.
In de scheikunde geven we stoffen vaak weer met een formule. Dat vinden we handig omdat je dan snel en overzichtelijk kan weergeven met welke stof je te maken hebt. Je kunt het ook zien als een chemisch geheimschrift. In ieder geval is het best leuk.
Een voorbeeld dat je vast wel kent, is water. De formule van water is H2O .
En daarmee bedoelen chemici dan de stof die in vloeibare vorm kleurloos is, een smeltpunt heeft van
0 °C, een kookpunt van 100 °C en een dichtheid van 1 gram per milliliter.
Een ander voorbeeld is koolzuurgas.
17.1 Wat is de andere naam voor koolzuurgas ? Als je het niet meer weet moet je
maar even terugkijken naar paragraaf 5. koolstofdioxide
Koolzuurgas levert een belangrijke bijdrage aan het broeikaseffect. Vaak wordt het aangegeven met de formule namelijk CO2
Hieronder staan nog meer formules.
CuSO4.5H2O
C12H22O11
NaCl
CH4
S
Zn
Na2CO3.10H2O
C
NaOH
Met de formule NaCl bedoelen chemici natriumchloride, dat is de chemische naam voor keukenzout.
17.2 Wat zou je beter kunnen gebruiken, het zoutvaatje uit de keuken of de stof uit de pot waar natriumchloride op staat? Beide zijn gelijk
17.3 Hebben jullie een idee van wat de letters H, O, N, a, C en l in de formules H2O en NaCl betekenen? En weten jullie wat het cijfer 2 in de formule H2O betekent? Besteed aan deze
vraag maximaal drie minuten. (Als je er niet veel over weet is dat nu nog niet erg.)
H = waterstof, O = zuurstof, Na = natrium, Cl = chloor
2 betekent dat je bij 1 deeltje zuurstof, 2 deeltjes waterstof nodig hebt.
Als je in de bovenbouw een profiel met het vak scheikunde kiest leer je meer over chemische formules van stoffen.
Wil je nu thuis al de blits maken? De formule van suiker is C12H22O11 en de formule van kristalsoda is Na2CO3.10H2O.
17.4 Weten jullie van nog meer van de bovenstaande stoffen de naam ? En misschien weten jullie ook de namen en formules van nog meer stoffen. We zijn benieuwd .
Als je weet hoe chemici aan die formules komen verliezen ze misschien wel wat van hun magie maar je leert wel de precieze chemische betekenis ervan kennen. Maar dat komt later in de derde klas.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.