Woordenschat + Spelling en interpuntie

Beoordeling 4.4
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 5e klas havo | 5903 woorden
  • 18 november 2014
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.4
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

1 Woordenschat





Opdracht 1



-1-



1, abstract denkend      -              kunnen denken zonder naar de werkelijkheid te kijken



2, accuraat                        -              nauwkeurig



3, ambiteus                       -              eerzuchtig



4, assertief                         -              zelfverzekerd



5, communicatief          -              makkelijk met anderen pratend



6, coorperatief                -              op samenwerking gericht



7, creatief                          -              in staat zelf iets te maken of bedenken



8, emotioneel stabiel    -              evenwichtig in het omgaan met gevoelens



9, energiek                        -              vol energie



10, gediciplineert           -              volgens een strak schema werkend



11, initiatiefrijk                              -              iets nieuws willen ondernemen



12, inovatief                     -              vernieuwend



13, puntueel                     -              stipt, zeer nauwkeurig



14, representatief          -              geschikt om te vertegenwoordigen



15, responable -              veratnwoordelijk



16, sociaal voelend        -              begrip en gevoel hebben voor medenmensen





-2-   Bijvoorbeeld:



         a       journalist: initiatiefrijk, communicatief



         b       medewerker ambulance: sociaalvoelend, punctueel



         c       vakkenvuller: accuraat, energiek



         d       schooldirecteur: communicatief, responsabel



         e       receptionist: representatief, communicatief





Opdracht 2






  1. Acountant                                 -              Iemand die boekhouding en administraties van beddrijven en instelingen inricht, bijhoud

  2. Acquisiteur                               -              iemand die klanten, adverteerders of abonnees werft.

  3. Amanuensis                              -              assistant op natuur- en scheikunig terein in laboratoria en scholen.

  4. Anesthesist                               - specialist die patienten voor een operatie onder narcose brengt.      

  5. Artdirector                                               -              Grafisch vormgever bij een reclamenbedrijf

  6. Consulent                                  -              deskundige op een bepaald gevied die raad geeft, bijvoorbeeld op het gebeid van organistie of financie.

  7. Decorateur                               -              iemand die versiering voor toneel, etalages enz. ontwerpt.

  8. Ergotherapeut                         -              geneeskundige die door spel, arbeid en oegeningen bepaalde spierfuncties activeert.   

  9. Expediteur                                                -              iemand die zorgt voor het verzenden van goederen.

  10. Floormanager                         -              iemand die zorgt voor de geode gang van zaken bij een theateropvoering of televisie opnamen

  11. Griffier                                        -              secretaries bij bepaaldecolleges, zoals de Tweede Kamer.

  12. Illusionist                                  -              goochelaar       

  13. Intercedent                               -              beminddelaar bij een uitzendbureau, verzekeringsmaatschapij enz.

  14. interim-manager                   -              iemand die tijdelijk de functie van de directuer vervult.

  15. laborant                                     -              iemand die in en labaoratorium werkt.

  16. marketeer                                 -              iemadn die zich binne een bedrijf bezighoudt met marketing.

  17. publicist                                     -              iemand die stukken schijft over  actule, vooral politiek onderwerpen.        

  18. redacteur                                   -              iemand die berichten verzamelt en verwerkt voor publicatie.

  19. scenarioschrijver                   -              schrijver van een draaiboek.

  20. staticus                                       -              iemand die inzicht probeert te verkrijgen in maatschapijlijke of economiche verschijnselen door gebruik te maken van cijfermateriaal.

  21. systeembeheerder                -              iemand die zorgt voor het beheer van een computersysteem tijdens de dagelijkse werkzaamheden.

  22. taxateur                                     -              iemand die klanten, adverteerders of abonees werft.







Opdracht 3






  1. euvel te duiden       -              kwalijk nemen

  2. uit hoofde van         -              Op basis van (of: Op grond van)

  3. blijkens                       -              Zoals blijkt uit

  4. onverwijld                                -              onmiddellijk

  5. teneinde                     -              om

  6. desalniettemin        -              toch

  7. daar                              -              omdat

  8. restitutie                    -              teruggave

  9. bijgevolg                    -              dus

  10. genoegzaam             -              genoeg

  11. offreren                      -              aanbieden

  12. krachtens                  -              op grond van

  13. anderszins                 -              op een andere manier

  14. abusievelijk              -              bij vergissing







2 Spelling





Opdracht 5 – Tussenletter(s)



1     krantenbericht



2     zonnecollector



3     kattenkwaad



4     bolleboos



5     schattebout



6     apetrots



7     stadsschouwburg



8     bakkebaard



9     groenteveiling



10   paardenbloem



11   Koninginnedag



12   apenstaartje



13   secondelang



14   dorpsstraat



15   dronkenlap



16   huilebalk



17   gedachtesprong



18       spinnenweb







2 Taalbeschouwing





Opdracht 41



1     a     instrueren – instructeur – instructrice



       b     redigeren – redacteur – redactrice



       c      coördineren – coördinator – coördinatrice



       d     adviseren – adviseur – adviseuse



       e     dansen – danser – danseres



       f      dirigeren – dirigent – dirigente



       g     etaleren – etaleur – etaleuse



       h     musiceren – musicus – musica



       i      historie bestuderen – historicus – historica



       j      administratie bijhouden – administrateur – administratrice







Opdracht 42



1



informeren



informatie/informant/informatrice/ informateur



informatierijk/informatieloos/informatief/ informerend(e)



2



slapen



slaper/slaapster



slaperig, slapend(e)



3



roken



roker/rookster



rokerig, rokend(e)



4



verkopen



verkoop/verkoper/verkoopster



verkoopbaar, verkocht(e)



5



studeren



studie/student/studente



studeerbaar, studerend(e)



6



schilderen



schilderij/schilder/schilderes



schilderachtig, schilderende



7



fotograferen



fotograaf/fotografe/fotografie



fotografisch/fotografeerbaar, gefotografeerd(e)



8



analyseren



analyse/analist/analiste



analytisch, geanalyseerd(e)



9



kwalificeren



kwalificatie



kwalificeerbaar, gekwalificeerd(e)



10



interpreteren



interpretatie



interpreteerbaar, geïnterpreteerd(e)



11



filosoferen



filosoof, filosofe, filosofie



filosofisch, filosoferend(e)



12



opereren



operatie



operabel, geopereerd(e)







Opdracht 43    






  1. de vorst                      -              de vrieskou/de koning

  2. het slot                        -              het einde/een burcht

  3. het kussen                 -              het hoofdkussen/het zoenen

  4. de (het) bal               -              een rond voorwerp/het feest (het bal)

  5. de (het) blik             -              de oogopslag/een dun metaal (het blik)

  6. het tuig                       -              de zeilen en het touwwerk van een boot/slecht volk/het riemenstelsel van een paard






  1. de klinker                  -              de baksteen/de spraakklank

  2. de nagel                      -              de vingernagel/de spijker  

  3. de (het) stof             -              het materiaal van draden om kleren van te maken/de informatie die je tot je neemt/neergevallen fijn los vuil (het stof)

  4. de boer                       -              het borrelend geluid uit je keel/een persoon die als beroep een bedrijf met dieren en land heeft

















Opdracht 44






  1. vitaal                    -           energiek, fit

  2. vitale                    -           wezenlijke

  3. vermoeden          -           verwachting

  4. bezwaar               -           nadeel

  5. motieven             -           beweegredenen, redenen

  6. motieven             -           patronen

  7. declameren         -           voordragen

  8. sporadisch          -           zelden, af en toe, incidenteel

  9. kwaliteiten           -           eigenschappen

  10. leidraad               -           richtlijn, hulpmiddel









Opdracht 47



1     ideële



       betekenis: gericht op een betere wereld (ideaal)



2     netto



       betekenis: netto = na aftrek van loonbelasting, enz.



3     concrete



       betekenis: duidelijk



4     superieure



       betekenis: voortreffelijk



5     homogene



       betekenis: van gelijke samenstelling



6     leek



       betekenis: niet-deskundige



7     archaïsme



       betekenis: verouderd woord



8     globaal



       betekenis: vaag



9     rationeel



       betekenis: wat het verstand betreft



10   expliciet



       betekenis: uitdrukkelijk, met zoveel woorden



11   segregatie



       betekenis: apartheid



12   offensief



       betekenis: aanvallend







3 woordenschat





Opdracht 1





Cartoon. = spotprent.



Column = Een geregeld verschijnende bijdrage waarin de schrijver op een heel persoonlijke manier over allerlei onderwerpen schrijft.



Deadline = Tijdstip waarop een artikel, een pagina of een krant persklaar moet zijn.



dossier = Verzameling van artikelen over een bepaald onderwerp.



editie = drukgang



hoor en wederhoor = Als een journalist of een bron kritiek levert op iemand, moet de persoon over wie het gaat ook gehoord worden..



Infographic = Informatieve illustratie.



infotainment = Journalistieke formule waarbij min of meer serieuze informatie toegankelijk wordt gemaakt door die te brengen als vermaak.



Intranet = Een netwerk voor besloten gebruik binnen een organisatie.



Katern = Wekelijkse bijlage in het weekend of op andere dagen van de week.



lead = De samenvattende eerste alinea, soms in een iets grotere, vettere letter gedrukt.



mediageniek = Bij uitstek goed overkomend op televisie of op andere media.



paparazzi =Persfotografen die uit zijn op grofgeld voor foto's van beroemdheden in intieme of compromitterende situaties.



persbureau =Bureau dat de nationale en internationale nieuwsvoorziening verzorgt.



reportage = Een langer krantenartikel waarin de nadruk ligt op de beschrijving van wat er te zien is en wat er gebeurt.



Rubriek =Afdeling van een krant gewijd aan een bepaald onderwerp.



Tabloid =Formaat van een krant dat de helft is van dat van een traditioneel dagblad.



Weblog = online logboek





Opdracht 3



Acclimatiseren = aan het klimaat wennen



arceren = markeren door van evenwijdige lijnen te voorzien



Asterisk = stervormig



bonafide = betrouwbaar



Chauvinisme = sterk overdreven vaderlandsliefde



clement = mild, niet streng



Documentaire = een op documenten, feiten berustende film



Homogeen = van ongeveer gelijke samenstelling



Intuïtief = bij ingeving, zonder nadenken



Precair = zeer onzeker, lastig



Precedent= eerder voorval waarop men zich kan beroepen



prematuur= te vroeg, voorbarig



prozaïsch= alledaags, nuchter



Querulant= iemand die altijd klaagt



Receptief= passief



remedie= geneesmiddel, ook: oplossing



retoucheren= bijwerken



retrospectief=terugblik



stringent= bindend



traceren = op het spoor komen







4 Woordenschat





Opdracht 1




  1. zeggen waar het op staat=nemen niet langer een blad voor hun mond

  2. beschikbare= potentiële

  3. vertegenwoordigend parlement=parlementaire

  4. aan de zijde= aan de flanken

  5. ideéen over een ideaal leefwijze= idealogie

  6. ordening zoals die bestaat= bestel

  7. bespottend= honend

  8. meteen= ter stond

  9. niet graag veranderend= conservatieve

  10. onbeschaafd gezegd= onparlementair

  11. verslag van een vergadering=notulen

  12. tekstgedeelte die moeten worden afgekeurd= te wraken passages

  13. in het openbaar= publiekelijk

  14. wild en ruw= baldadig

  15. misdadiger= crimineel

  16. verzachtend uitrdrukken= eufenisme

  17. iets erger aandikken=dysfenisme

  18. niet officieel= informeel

  19. officieel= formeel

  20. een boodschap sterker formuleren= taalintensivering

  21. een vervormd beeld geven= vertekenen

  22. verzonnen= gefingeerde

  23. inzijdige=neutrale

  24. verkiezen boven=prefereren

  25. ongeschikt= incompenent







Opdracht 2




  1. uit gegevens concluderen= afleiden

  2. steunen op = baseren

  3. alles over een kant scheren= generaliseren

  4. verstandelijk verklaren= beredeneren

  5. zeggen dat iets zo is= beweren

  6. overeenstemmen= corresponderen

  7. als uitkomst hebben= resulteren

  8. bewering afzwakken=nuanceren

  9. overwegen van alternatieve=afwegen

  10. mooier maken dan iets is= verbloemen

  11. opzettelijk vekeerd laten denken=misleiden





5 Spelling en interpunctie





Opdracht 1



1     Los Angeles



2     VVD-voorstel



3     president Obama



4     Kamerlid



5     Tour de France



6     het Genootschap Onze Taal



7     België



8     de renaissance



9     Bijbelverhaal



10   de vakken Duits en Frans



11   havo



12   een moslim



13   Kerst



14   montessorionderwijs



15   het Oude Testament



16   westerse regeringen







Opdracht 3



1     laptops



2     foto’s



3     cadeaus



4     taxi’s



5     rally’s



6     kometen



7     schatten



8     kieviten



9     hockeysticks



10   eieren



11   groentes; groenten



12   snelwegen



13   padden; paden



14   multomappen



15   sloten



16   galeien



17   handvatten



18   vaten



19   graven



20   graven



21   haviken



22   lemmeten



23   cursussen



24   schepen



25   dreumesen



26   lepels



27   spelen; spellen



28   aardappelen; aardappels



29   laarzen



30   kaarsen



31   commissarissen



32   bacteriën



33   serviezen



34   kopieën



35   zeeën







Opdracht 37



1     analfabetisme: (het) niet kunnen lezen en schrijven



2     anesthesist: arts die ervoor zorgt dat de geopereerde geen pijn voelt



3     anonieme: zonder naam



4     asymmetrisch: niet gelijkvormig



5     antisemitisme: het uiten van minachting en haat tegen de joden en hun invloed op de maat­schappij



6     automatisme: iets dat vanzelf gebeurt



7     bio-industrie: het op grote schaal voortbrengen (fokken) van levende ‘producten’ (dieren)



8     collectief: gezamenlijk



9     converteren: overbrengen van het ene formaat of programma in het andere



10   condoleren: zijn medeleven betuigen



11   devaluatie: (geld)ontwaarding



12   detacheren: tijdelijk elders laten werken







Opdracht 38



1     bureaucratie: organisatievorm waarbij alles door ambtenaren volgens de regels en met papieren en formulieren geregeld wordt



2     democratie: staatsvorm waarbij het volk invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de regering en de te nemen besluiten



3     megafoon: geluidsversterker voor de menselijke stem



4     portofoon: draagbaar toestel om geluid (gesproken tekst) uit te zenden en te ontvan­gen



5     choreograaf: schrijver (ontwerper) van balletten



6     seismograaf: toestel dat lijnen registreert die de richting, duur en kracht van een aardbeving aangeven



7     cardiogram: geschreven (grafische) voorstelling van de hartslag



8     pictogrammen: voorbeelden van beeldtaal (ook: iconen)



9     geologisch: door kenners van de aardvorming



10   socioloog: iemand die de menselijke samenleving bestudeert



11   apathische: lusteloos, ongevoelig voor emoties



12       kleptomaan: iemand met een ziekelijke aandrang tot stelen











6 Woordenschat





Opdracht 1



1     nominaties: voordracht van personen



2     beklemmende: een bedrukt (benauwd) gevoel gevend



3     speech: toespraak



4     onbarmhartig: meedogenloos, zonder medelijden



5     frustratie: emotionele toestand van iemand die wordt belemmerd in zijn streven iets te doen of te bereiken



6     meewarig: medelijdend, medelevend



7     surreële: als in een droom, bovennatuurlijk



8     publieke: openbare



9     onorthodoxe: op ongebruikelijk wijze werkend



10   de zaak raakt in een stroomversnelling: de zaak ontwikkelt zich plotseling heel snel



11   met verve: enthousiast, met overtuiging



12   unaniem: eensgezind



13   autist: iemand die moeilijk contact maakt met zijn omgeving (door een ontwikkelingstoornis)



14   zwakbegaafd: weinig verstandelijke vermogens hebbend



15   naadloos: precies





Opdracht 3







1     a     het katheder: spreekgestoelte



       b     katheter: buisje om lichaamsvochten af te tappen of voeding toe te dienen



2     a     dokter: arts



       b     doctor: iemand met de hoogste academische graad



3     a     amper: nauwelijks



       b     ampel: breedvoerig



4     a     mond-op-mond(beademing): eerstehulpverlening waarbij een bewusteloze via de mond lucht wordt ingeblazen



       b     mond-tot-mondreclame: mondeling doorgegeven reclame



5     a     debiteren: vertellen



       b     debuteren: voor de eerste keer een boek publiceren



6     a     egocentrische: zichzelf tot middelpunt makende



       b     egoïstische: die uitsluitend aan hun eigenbelang denken



7     a     antiquair: handelaar in antiek



       b     antiquaar: handelaar in oude boeken, handschriften en prenten



8     a     doseren: doorvoeren in gedeelten



       b     doceren: geven les



9     a     evolueren: zich geleidelijk ontwikkelen



       b     evalueren: nog eens bekijken



10   a     psycholoog: kenner van het innerlijk van mensen



       b     psychiater: arts voor geesteszieken



11   a     functioneren: hun werk verrichten



       b     fungeren: dienst doen









7 Woordenschat





Opdracht 1



1     appelleren: een beroep doen op



2     alert: attent, waakzaam



3     ongefundeerd: ongegrond



4     essentie: de kern, het wezenlijke



5     polarisatie: het versterken van een tegenstelling



6     rivaliteit: wedijver, jaloezie



7     valide: geldig, krachtig



8     irreëel: onwerkelijk



9     plausibel: geldig, krachtig



10   suggestief: waarin een aanwijzing voor een antwoord zit



11   generaliseren: een algemene conclusie trekken uit een bijzonder geval



12   manipuleren: beïnvloeden met oneerlijke middelen



13   ridiculiseren: belachelijk maken



14   confronteren: in aanraking brengen met



15   principieel: berustend op eigen overtuiging of beginselen



16   retorisch: waarin je gebruik maakt van de middelen van de redekunst



17   conformeren: zich schikken naar, zich aanpassen aan



18   mentaal: geestelijk



19   authentiek: echt, origineel



20   claimen: opeisen



21   opponent: tegenstander



22   theatraal: overdreven, onnatuurlijk





Opdracht 2



1     a     confessionele: waarvan de leden een bepaalde godsdienst aanhangen



       b     conventioneel: volgens de gewoonte



2     a     astrologie: leer die uit de stand van de sterren iemands toekomst voorspelt



       b     astronomie: sterrenkunde



3     a     kwaliteit: geschiktheid, goede of slechte eigenschappen



       b     kwantiteit: hoeveelheid



4     a     flora: plantenwereld



       b     fauna: dierenwereld



5     a     esthetisch: vanuit het schoonheidsgevoel



       b     ethisch: met goede en kwade kanten



6     a     Het materiaal: bouwstof, grondstof



       b     materieel: al wat nodig is om optimaal te kunnen werken, bijv. ladderwagens



7     a     fascistoïde: min of meer fascistische



       b     fascistische: nationalistische, autoritaire en onverdraagzame



8     a     De moraal: lering



       b     Het moreel: gevoel van zelfvertrouwen



9     a     unaniem: eenstemmig



       b     anoniem: ongenoemd



10   a     officieuze: nog niet echt bevestigd



       b     Officieel: erkend door het bevoegd gezag







9 Woordenschat

























































































Begrippen



Synoniemen



1



(een) aannemelijke (verklaring)





-      aanvaardbaar



-      geloofwaardig



2



(een) bewering (onderbouwen)





-      stelling



-      mening



3



(een) conclusie (trekken)





-      gevolgtrekking



-      eindoordeel



4



(een) definitie (geven)





-      woordverklaring



-      begripsomschrijving



5



(een) fundamenteel (verschil)





-      wezenlijk



-      essentieel



6



(een) impliciete (vraag)





-      onuitgesproken



-      inbegrepen



7



(een) omslag (in het denken)





-      verandering



-      ommekeer



8



(een) verklaring (geven)





-      uitleg



-      opheldering



9



(een) veronderstelling (tegenspreken)





-      hypothese



-      aanname



10



(het) motief (voor zijn handelswijze)





-      beweegreden



-      drijfveer



11



(naar) analogie (van)





-      vergelijking



-      overeenkomst



12



(twee) componenten (onderscheiden)





-      onderdelen



-      elementen



13



bezwaar (maken tegen)





-      tegenwerping



-      bedenking



14



consistent (argumenteren)





-      samenhangend



-      logisch



15



expliciet (beweren)



-      nadrukkelijk



-      duidelijk






Opdracht 2




  1. Adept = volgeling

  2. Antropomorf = op de mens lijkend

  3. Appelleren = aanspreken

  4. Attitude = instelling, houding

  5. Causaal = de oorzaak aangevend

  6. Commotie = opschudding

  7. Consensus = overeenstemming van gevoelens en opvatting

  8. Destructief = afbrekend

  9. Ecologisch = betrekking hebbend op het milieu

  10. Egalitair = gelijkheid nastrevend

  11. Elan = enthousiasme waarmee men te werk gaat

  12. Fixatie = het overdreven gericht zijn op een bepaald onderwerp

  13. Gestaag = voortdurend en in een gelijkblijvend tempo

  14. Integratie = het maken tot een geheel, het opnemen in een geheel

  15. Intrinsiek = wezenlijk, innerlijk

  16. Nostalgie = verlangen naar dat wat geweest is

  17. Ontheemd = verlaten, doordat men iets wat vertrouwd is verliest

  18. Opportunisme = handelswijze waarbij men zich niet laat leiden door principes, maar de omstandigheden in zijn eigen voordeel aanwendt

  19. Paradox = schijnbare tegenstrijdigheid

  20. Verzanden = uitstellen en daardoor mislukken






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.