Hoofdstuk 1 Massamedia

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 4e klas vwo | 4700 woorden
  • 3 februari 2002
  • 256 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.2
  • 256 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1: Massamedia
opdracht 1a: 1 internet
2 telefoon
3 krant
4 radio
5 televisie
6 computer
7 cd
8 video
opdracht 1b: Internet, telefoon, krant, radio en televisie.
opdracht 1c: Ze waren er allemaal al wel.
opdracht 1d: Internet, televisie, radio en krant.

opdracht 2a: bron 6
opdracht 2b: Die heb je nodig om te kunnen internetten.

opdracht 3: Dat we allerlei communicatiemiddelen gebruiken.

opdracht 4: Internet. Op internet is bijna alles te vinden wat je nodig hebt en iedereen gebruikt het tegenwoordig.


opdracht 5a: Internet, telefoon, krant, radio en televisie.
opdracht 5b: Internet, krant en televisie.
opdracht 5c: Ik heb de beschikking over alle communicatiemiddelen.

opdracht 6a: Uit de krant komt het meeste materiaal.
opdracht 6b: Het kijkgedrag onder leerlingen onderzoeken.

opdracht 7a: Internet, praten, luisteren, radio en chatten.
opdracht 7b: Internet, televisie, krant, radio en een grote groep mensen.
opdracht 7c: Internet, televisie, radio en de krant.
opdracht 7d: NOS, CNN en de Telegraaf.
opdracht 7e: 2, met satellieten wordt alles de wereld rondgezonden.
4, Veronica is een commerciële omroep.
5, massamedia heeft veel invloed, je krijgt altijd wel wat informatie mee.

paragraaf 1: communicatie


opdracht 9a: Gebaren, morse-code en bepaalde muziekjes uit de reclame (bijvoorbeeld die van ‘Echt Hema’ ook al was dit muziekje zonder tekst dan zou bijna iedereen weten dat het van de Hema is)
opdracht 9b: Feedback is een directe reactie.
opdracht 9c: Dat is een taal die je met je lichaam uitvoert, zoals: je middelvinger opsteken of wijzen naar je voorhoofd.
opdracht 9d: Nee, volgens mij zijn er geen verschillen in de lichaamstaal van mannen en vrouwen

opdracht 10a: Bijvoorbeeld als je telefoon afgaat in de klas.
opdracht 10b: Haar een sms-je sturen of een briefje schrijven.

opdracht 11a: Hij wordt lastiggevallen door een verkoper.
opdracht 11b: Ja, als ze je iets aan de deur willen verkopen.
opdracht 11c: Nee, er zijn eigenlijk geen andere vormen van communicatie voor mij irritant.

opdracht 12a: Zoals bij bron 11, dus moderne kunst, je weet niet goed wat er wordt afgebeeld, als je de ondertitel niet leest.
opdracht 12b: De kunstenaar ziet er iets in wat jij er niet in ziet.
opdracht 12c: De afbeeldingen zijn soms vaag. Je weet niet wat ze afbeelden. Een ondertitel.

opdracht 13a: Piloot, luchtverkeersleider, acteur, regisseur en stenogravist.
opdracht 13b: - Het zijn beroepen waarbij handelingen worden uitgevoerd die men normaal niet uitvoert, die dus voor ons een onbekende term of naam hebben;
- Dan kun je in korte tijd meer zeggen;
- Men weet dan meteen of je met iemand van je eigen sector te maken hebt.
opdracht 13c: Nee, ik gebruik geen woorden in mijn vriendenkring, waarvan de betekenis alleen in die groep wordt begrepen.

opdracht 14a: Telefoneren en communicatie met de computer
opdracht 14b: De telefoonkosten, ze gebruiken waarschijnlijk een betaald nummer.
opdracht 14c: Nee, ik bel zelf niet naar ‘de Box’.
opdracht 14d Nee, het kost teveel geld vindt ik.

opdracht 15a: Telecommunicatie.
opdracht 15b: Je hebt geen vaste aansluiting nodig, dus ben je bijna overal bereikbaar.
opdracht 15c: Het is erg duur, maar je bent wel bijna overal bereikbaar.
opdracht 15d: Ja, ik heb ook een mobiele telefoon.

opdracht 16: audio: geluid, gehoor;
heterogeen: ongelijksoortig;
visueel: het zien betreffende;
anoniem: naamloos, ongetekend.

opdracht 17a: Geluidsfilm, televisie en radio.
opdracht 17b: Televisie, je krijgt veel informatie en je ziet ook wat er gebeurd.

opdracht 18: - Nee, het is bedoelt voor een kleine groep mensen.
- Nee, de informatie is niet van onpersoonlijke aard.

opdracht 19: - De informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk.
- De informatie die wordt overgebracht is in principe bedoeld voor een groot, heterogeen en anoniem publiek.

opdracht 20: - Directe feedback is bijna onmogelijk. De ontvangen kan hoogstens indirect, achteraf reageren.
- De informatie is voor iedereen toegankelijk.

opdracht 21: De relatie tussen degene die de informatie verstuurt (de zender)
en de ontvanger is van onpersoonlijke aard.

opdracht 22: De geboden informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk.

opdracht 23: Ja, het voldoet volgens mij aan de kenmerken van een
massamedium.

opdracht 24a: Telefoonspel: - Voldoet aan de kenmerken: de geboden informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk; meestal verloopt de communicatie eenzijdig. Directe feedback is bijna onmogelijk. De ontvanger kan hoogstens indirect, achteraf reageren.
- Voldoet niet aan de kenmerken: de informatie die wordt overgebracht is in principe bedoeld voor een groot heterogeen en anoniem publiek; de relatie tussen degene die de informatie verstuurd (de zender) en de ontvanger is van onpersoonlijke aard.
opdracht 24b: Nee, het kost meestal veel geld en het lijkt mij niet noodzakelijk om deze vorm van informatie-overdracht te gebruiken.

opdracht 25: - De relatie tussen degene die de informatie verstuurt (de zender) en de ontvanger is van onpersoonlijke aard.
- Meestal verloopt de communicatie eenzijdig. Directe feedback is bijna onmogelijk. De ontvanger kan hoogstens indirect, achteraf reageren.

opdracht 26a: 1: directe communicatie 11: indirecte communicatie
2: non-verbale communicatie 12: indirecte communicatie
3: indirecte communicatie 13: indirecte communicatie
4: massacommunicatie 14: eenzijdige communicatie
5: eenzijdige communicatie 15: non-verbale communicatie
6: meerzijde communicatie 16: massacommunicatie
7: eenzijdige communicatie 17: non-verbale communicatie
8: indirecte communicatie
9: non-verbale communicatie
10: non-verbale communicatie
opdracht 26b: Het proces waarbij een zender, bedoeld of onbedoeld, een boodschap overbrengt aan een ontvanger. Communicatie is mogelijk met of zonder hulpmiddelen, met of zonder taal, met of zonder directe reactiemogelijkheid.

paragraaf 2: functies van de massamedia

opdracht 27: Een zo groot mogelijk publiek trekken, dus wordt er een hoeveelheid amusement ingebracht.

opdracht 28a: Amuseren en nieuws geven.
opdracht 28b: Dat RTL4 heel andere doelen en doelgroepen heeft als Nederland 1.
opdracht 28c: Nederland 1 is publieke omroep (met invloed van de regering), RTL4 is een commerciële omroep (dus zonder invloed van de regering).

opdracht 29a: CNN.
opdracht 29b: Verenigde Staten.
opdracht 29c: Nederland 2.
opdracht 29d: Skyradio.
opdracht 29e: Nederland
opdracht 29f: Ja, radio 10-gold.
opdracht 29g: Ja, dan kan iedereen kiezen wat hij of zij wil luisteren.

opdracht 30: Educatie en amusatie, Medisch Centrum West.

opdracht 31a: Aanval op Amerika.
opdracht 31b: Dit kan zo niet, dat een stel terroristen zo makkelijk een vliegtuig kan kapen en er zo een belangrijk gebouw mee in kan vliegen. Deze terroristen moeten aangepakt worden, en er moeten drastische maatregelen genomen worden op de vliegvelden, zodat dit geen 2e keer kan gebeuren.

opdracht 32a: 1: informatieve functie;
2: commentaarfunctie;
3: onderzoeksfunctie;
4: controlerende functie;
5: woordvoerders- of spreekbuisfunctie.
opdracht 32b: 1: Op school wordt vaak over het nieuws gepraat/gediscussieerd.
2: Dan kun je zien wat ze van een bepaald onderwerp vinden.
opdracht 32b: 3: Dan weet je zeker dat het juist is wat er in de politiek gebeurd.
4: Alles moet gecontroleerd worden zodat de fouten worden gevonden.
5: Dan weet je de mening van andere burgers.

opdracht 33a: Onderzoeksfunctie.
opdracht 33b: Dat men nalatig is geweest in de zorg voor nabestaanden van de slachtoffers.
opdracht 33c: Dat ze de verantwoordelijke autoriteiten niet hebben aangepakt.
opdracht 33d: Dat iedereen schuld heeft, zowel het ministerie van Defensie als de Tweede Kamer.
opdracht 33e: Dat het ministerie van Defensie zijn excuses aanbiedt.
opdracht 33f: Op feiten, de Nationale Ombudsman heeft onderzoek gedaan.

opdracht 34a: Informatieve functie.
opdracht 34b: Er wordt niet gecontroleerd of commentaar gegeven of onderzocht of dat dit uit een enquête is gebleken.
opdracht 34c: Informatieve functie.
opdracht 34d: Dat zij ook meer protesten van Dierenbeschermers zullen krijgen, nu het in Groot-Brittannië gelukt is de dierproeven voor cosmetica te stoppen.

opdracht 35a: Controlerende functie.
opdracht 35b: Alles wat ze doen wordt gecontroleerd, dus als ze een foutje maken komt men er wel achter, doordat men alles controleert.
opdracht 35c: Het is niet zo heel erg en maar één minister is er bij betrokken.
opdracht 35d: Onderzoeksfunctie en informatieve functie. Er wordt ook informatie gegeven en men heeft het onderzocht.

opdracht 36a: Onderzoeksfunctie.
opdracht 36b: Indirecte, er is al eerder een bericht over verschenen.

opdracht 37a: Woordvoerders- of spreekbuisfunctie, er is sprake van een enquête.
opdracht 37b: Ja, als je dan nog niet weet op welke partij je zou stemmen, zou je kunnen gaan stemmen op de hoogste partij uit de enquête.
opdracht 37c: Ja, het zou de mensen kunnen beïnvloeden op welke partij ze zouden stemmen.

opdracht 38a: De mensen kunnen dan alle dingen die de miniseries ‘fout’ doen bekijken en zo op de partij van hun keuze stemmen.
opdracht 38b: woord- of spreekbuisfunctie : Je kunt zien wat de andere mensen vinden van iets;
informatieve functie: Je wordt op de hoogte gehouden van de politieke ontwikkelingen;
commentaarfunctie: Je kunt de mening van een ander zien en die vergelijken met je eigen mening;
onderzoeksfunctie: Alles wordt voor je onderzocht, zodat jijzelf alle ‘foutjes’ in de politiek kunt bekijken;
controlerende functie: Er wordt voor je gekeken of alle beslissingen wel goed worden uitgevoerd, dat kan erg makkelijk zijn bij het maken van een keuze voor een politieke partij.

opdracht 39: Er zijn vier functies te onderscheiden voor de media: nieuws brengen, amuseren, educatie brengen, opinievorming oproepen.
De massamedia heeft nog een andere belangrijke functie in de maatschappij, namelijk om de communicatie tussen overheid en burgers te vervullen. Deze zijn ook weer te onderscheiden in functies, namelijk: woordvoerders- of spreekbuisfunctie, informatieve functie, commentaarfunctie, onderzoeksfunctie en een controlerende functie.
Voor deze functies van zowel de media als de massamedia, geldt dat ze in de praktijk vaak met elkaar vermengd zijn.

paragraaf 3: invloed van de massamedia

opdracht 40: Injectienaaldtheorie, men krijgt veel verschillende producten waar men vrijwel niets vanaf weet te zien. En uit nieuwsgierigheid koopt men deze producten.

opdracht 41: Propaganda is informatie die men geeft, zodat men de gehele samenleving beheerst en kan misleiden.
Een voorbeeld is de posters rond de verkiezingen.

opdracht 42a: ‘Nederland is niet in oorlog’ (minister-president Kok)
opdracht 42b: - de economie gaat achteruit
- …………………………………

opdracht 43a: In een moderne democratie wordt de massamedia gebruikt om onder andere mensen op de hoogte te houden van de politieke ontwikkelingen, zodat ze hun keuze kunnen maken uit de politieke partijen. In een moderne dictatuur wordt de massamedia gebruikt om propaganda te voeren, dus om mensen te manipuleren. Dus de massamedia is onmisbaar in zowel een moderne democratie als een moderne dictatuur.
opdracht 43b: Afghanistan/ Palestina, ja ze zetten het volk aan om zicht te verzetten of zelfmoordacties te plegen tegen Israël en de Verenigde Staten, dus tegen de democratie.
opdracht 43c: Als propagandamiddel.

opdracht 44: Als de massamedia niet uitzend of publiceert wat de aanhangers indoctrineert of manipuleert, dan kan de massamedia indoctrinatie voorkomen.

opdracht 45a: Selectieve-perceptietheorie: iedereen vat de informatie in zijn eigen referentiekader op.
opdracht 45b: Wij willen best wat leren, maar dan moet u de lessen wat gevarieerder maken.

opdracht 46a: Dat ze jonge speelsters psychisch kapot maakt, door middel van indoctrinatie.
opdracht 46b: Niet gebruikelijk, als je bent geïndoctrineerd dan weet je dat niet, maar denk je wat de ander denkt.

opdracht 47a: Nee, een vorm van propaganda, er worden geen meningen in gegeven.
opdracht 47b: Ja, voor de Betuwelijn moeten ook mensen verdwijnen en de Betuwelijn gaat ook dwars door dorpen heen.
opdracht 47c: China is geen echte democratie. En China heeft ook teveel inwoners om hierover te overleggen.
opdracht 47d: Ze brengen het als iets heel groots en ze zullen niet noemen dat er mensen weg moeten.

opdracht 48: De selectieve-perceptietheorie: een theorie dat ieder de informatie die die krijgt op zijn eigen manier interpreteert in zijn eigen referentiekader.
De agendatheorie: de massamedia selecteert de onderwerpen en bepaalt zo eigenlijk waarover in de samenleving wordt gedacht en gediscussieerd.
De injectienaaldtheorie: deze theorie ziet de mens als een weerloze en passieve spons die kritiekloos de door de massamedia aangeboden informatie aanvaard.
De aanhaaktheorie: mensen gaan hetzelfde denken als iemand die zij terzake kundig achten. Men haakt alwaar aan bij zijn mening.
Het verschil is dus dat in alle vier theorieën verschillend tegen de mensen wordt aangekeken, zodat men andere informatie verschaft.

opdracht 50: Degene met veel humor, daar kun je om lachen en lachen doen we graag.

opdracht 51: Reclameboodschappen van shampoos en andere vrouwenproducten, want daar interesseer ik me niet in en houdt ik me niet mee bezig en de producten worden meestal op een super-irritante manier aangeprezen.

opdracht 52a: Men laat hun reclame liever zien op de commerciële zenders.
opdracht 52b: Ja, het kost bijna niet meer geld en meestal is de reclame vervelend als je net een programma zit te kijken. Je kunt ook nee zeggen want het is goed voor de economie, want mensen gaan de producten kopen.

opdracht 53a: Men heeft een verlies van ƒ63 miljoen en andere commerciële zenders hebben problemen met de reclame.
opdracht 53b: CDA is het niet eens met het denkbeeld van SBS6
opdracht 53c: RTL4 en RTL5 hebben reclametijd van IP en die wil dat niet en STER zendt reclame uit op de publieke omroepen en die zijn van de overheid en die mag dus geen reclame voor politieke partijen maken.
opdracht 53d: Nee, niet elke politieke partij heeft het vermogen om een reclamespotje te kunnen betalen. Dus als ze het zouden doen dan moeten ze een soort subsidie geven, zouden ze geen subsidie geven dan zou het veel invloed hebben op de keuze van de stemmers.

opdracht 54a: De overheid via de Mediawet.
opdracht 54b: Het zou reclame voor ‘nevenactiviteiten’ zijn.
opdracht 54c: Het heeft een eigen blad.
opdracht 54d: SBS6 heeft geen eigen blad en heeft een verlies van ƒ63 miljoen dus kan het geld ook goed gebruiken
opdracht 54e: STER zendt uit op de publieke zenders en die zijn van de overheid, IP echter zendt uit op de commerciële zenders en hoeft zich dus alleen aan de Mediawet te houden en is verder onafhankelijk van de overheid.

opdracht 55: xylitol: cholesterol: vetachtige stof die onder andere voorkomt in gal, galstenen en bloed.
lipiden: opdracht 55: pro-logic-system: een logische systeem.

dry-wave toplaagje: een droog golvend laagje.

klinisch bewezen: volkomen bewezen.

blue-energy: blauwe energie

all-day-protection: een bescherming voor de hele dag.

extracten van zijdeproteïnen: en mengsel van zijdebouwstoffen

tri-clean-tandpasta: en tandpasta die drie keer schoonmaakt.
revalitude:
opdracht 57: Er wordt vaak geweld gebruikt in films en de Britse socioloog Halloran verkondigd dat dit geen invloed heeft op de kijkers. Een mening die filmproducers graag aanhangen, zodat zij geweld in hun films kunnen houden.

opdracht 58a: De overheid van de Verenigde Staten is enigszins christelijk dus wordt vloeken en bloot van de buis geweerd.
opdracht 58b: Volgens psychologen heeft het geen invloed op de bevolking, dus is het niet nodig er aandacht aan te besteden.

opdracht 59a: Volgens mij is het maar gedeeltelijk waar, want veel kinderen zonder ouders belanden in het criminele circuit.
opdracht 59b: Dat de mensen die het zien geen geweld gebruiken, want ze zien het op televisie en dan hebben ze geen behoefte meer aan geweld op straat.
Ja, als ik een geweldfilm zie dan heb ik ook geen zin meer in geweld.
Dat is een ander iets, ik denk dat het daar juist andersom werkt als bij geweld.

opdracht 60: Earth: Final conflict, Under Siege en Home Alone.

opdracht 61a: Ja, films worden niet uitgeleend onder de 16.
opdracht 61b: Nee, als men die wil zien moet men die maar kijken, als je ze ze verbied dan komen ze op een andere manier wel aan die films.

opdracht 62a: Jawel, als je iets ziet op televisie heeft het altijd invloed op je.
opdracht 62b: Voor, dat is een belangrijk preventiemiddel voor zinloos geweld.
opdracht 62c: gedeeltelijk, als je iets wilt zien kun je het zien, maar ik denk dar je er wel meer overna denkt.

opdracht 63a: Dat men het geweld op straat gaat gebruiken. Als het geweld minder wordt denk je er niet overna als je het ziet.
opdracht 63b: reductiethese, hij denkt dat als men geweld ziet, ze het juist niet in de praktijk brengen.

opdracht 64a: Ja, ze hebben zelf de verantwoordelijkheid of ze het uitzenden of niet en hoe laat, als men iets ‘fouts’ of op een ‘foute tijd’ uitzend krijgen ze toch commentaar.
opdracht 64b: Dat men geen geweldsfilms voor 21.00 moet uitzenden.
opdracht 64c: Dan kan het de foute kant op gaan, zodat het niet echt een democratie meer is.
opdracht 64d: Ja, de omroepen zijn zelf verantwoordelijk.

opdracht 65b: De maatschappij wordt door de massamedia sterk beïnvloed volgens mij, zoals bij reclame, dit denk ik omdat veel reclamemakers ervan uitgaan dat ze het bestede geld in de reclame ruimschoots terugverdienen. Ook in een dictatuur maakt men gebruik van de massamedia om de maatschappij te beïnvloeden, daar laten de machthebbers via de massamedia kritische politieke geluiden horen, dit wordt ook wel censuur genoemd.
Maar hoe groot de invloed is, weet niemand, want de meningen lopen heel ver uiteen, zodat er 4 verschillende theorieën te onderscheiden zijn: de selectieve-perceptietheorie, de agendatheorie, de injectienaaldtheorie en de aanhaaktheorie.
Ook over de vraag of televisiegeweld invloed heeft op de maatschappij lopen de meningen sterk uiteen. Hier zijn 3 theses te onderscheiden: de reductiethese, de geen-effectthese en de stimulatiethese.

paragraaf 4: welke media hebben de meeste invloed?

opdracht 66a: Courante uyt Italien en Tijddinghen uyt verscheyde Quartieren.
opdracht 66b: Gutenberg, rond 1450.
opdracht 66c: De uitvinding van de boekdrukkunst en de nieuwe druktechnieken.
opdracht 66d: Een groot onbekend publiek van allerlei ‘soorten’ mensen.

opdracht 67a: Maatschappelijke controle.
opdracht 67b: Controle door de conciërge.
opdracht 68a: Groninger Dagblad, de Volkskrant
opdracht 68b: Regionaal en landelijk.
opdracht 68c: Landelijke dagbladen zijn ‘beter’, geven meer informatie.
opdracht 68d: Nee, landelijke dagbladen geven betere informatie.
opdracht 68e: De Telegraaf, een leuke krant en goed.

opdracht 69a: Een goede lay-out, veel nieuws.
opdracht 69b: Ja, ik lees bijna dagelijks de krant.
opdracht 69c: Wereldnieuws.
opdracht 69d: Politiek nieuws, interesseert me niet.
opdracht 69e: Ben ik niet mee eens, volgens mij leest elke scholier wel eens de krant, want op school wordt vaak gesproken over het nieuws.

opdracht 70: Ja, de andere kranten hebben dan niet zoveel geld dus kunnen ze niet zo’n goede krant maken als degene die door de STER wordt geholpen.

opdracht 71: Nieuws is informatie over dingen die in de wereld gebeuren en die door ons niet op een andere manier bekend gemaakt kan worden dan door de media.

opdracht 72: Landelijke en regionale kranten: Brabants Dagblad, Leids Dagblad en Groninger Dagblad;
Ochtend- en avondbladen: de Volkskrant en Trouw;
opdracht 72: Algemene kranten en richtingskranten: Nederlands Dagblad, Het Parool en Algemeen Dagblad;
Populaire kranten en kwaliteitskranten: Telegraaf en Financieel Dagblad.

opdracht 73: Mensen houden van een beetje sensatie en kopen dan liever zo’n krant.

opdracht 74a: Men mag alles in de krant zetten, maar weer niet dingen die de privacy van iemand aantast. Wat soms wel gebeurd in roddelbladen.
opdracht 74b: Bescherming van de privacy.

opdracht 75a: Smaad: hoon, een bijzondere vorm van belediging.
opdracht 75b:Laster: tegen beter weten in aantasten van iemands eer en goede naam door smaad of smaadschrift.
opdracht 75c: Roddelbladen, ze geven allerlei informatie vrij en geven allerlei meningen.
opdracht 75d: Meneer Melkert.

opdracht 76a: NCRV: Nederlandse Christelijke Radio-Vereniging;
AVRO: Algemene Vereniging Radio-Omroep;
VARA: Vereniging van Arbeiders-Radio-Amateurs;
NOS: Nederlandse Omroep Stichting;
KRO: Katholieke Radio-Omroep;
EO: Evangelische Omroep;
VPRO: Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep;
TROS: Televisie- en Radio-Omroep Stichting
opdracht 76b: Zit een R bij in.

opdracht 77a: Veronica.
opdracht 77b: Ongeveer 15 jaar geleden, de zender was een studentenzender en had geen bestaansrechten, er is daarom een eind aangemaakt door de regering.

opdracht 78: De TV-zenders, de radio-zenders en ……………………………….

opdracht 79a: In 1967.
opdracht 79b: Christelijke mensen.
opdracht 79c: NCRV.
opdracht 79d: Dat er weer een christelijke zender bijkwam, want het ging achteruit met de christelijke zenders.
opdracht 79e: Veel mensen zijn christelijk opgegroeid en zijn nu nog lid van de EO.

opdracht 80a: Dat een zender elke dag op precies hetzelfde tijdstip hetzelfde uitzendt.
opdracht 80b: Ja, veel mensen kijken dan elke dag naar het programma en hoeven niet te kijken op welke dag en hoe laat het er weer voor is.
opdracht 80c: Zij moeten veel meer uitzenden, meer verschillende programma’s.
opdracht 80d: Het Journaal en Netwerk.
opdracht 80e: NOS, KRO en NCRV op Nederland 1.

opdracht 81a: Commerciële zenders verdienen er geld mee, ze moeten geld verdienen om de zender in stand te houden.
opdracht 81b: Dan kunnen ze zien welke programma’s de mensen het leukst vinden en die zenden ze uit.
opdracht 81c: EO, het is voor een aparte doelgroep dus is het logisch dat het niet goed bekeken wordt.

opdracht 82a: Je moet een bepaalde culturele maatschappelijke of geestelijke stroming in de samenleving vertegenwoordigen en niet gericht zijn op het maken van winst.
Je dient een gevarieerd programma-aanbod te hebben.
Je moet minstens 150.000 leden hebben.
opdracht 82b: Ja, anders krijg je maar één soort programma’s te zien waar je misschien niet van houdt.

opdracht 83a: NOS, geeft veel informatie.
opdracht 83b: 3FM/538, draaien ze leuke muziek.
opdracht 83c: 3 uur per dag.
opdracht 83d: Nee.

opdracht 84a: Ja, ze hebben gelijk en ik ondervindt soms dezelfde dingen.
opdracht 84b: Reclame, het is erg irritant als je net een programma zit te kijken en er dan ineens reclame komt.
opdracht 84c: Van mij mogen ze de reclame wel afschaffen, steeds als je een programma zit te kijken komt er naar een half uur al weer reclame. Die reclame ben ik zat dus ga protesteren.

opdracht 85a: De commerciële zenders, namelijk: 43,3%,
de publieke omroepen daarentegen: 38,5%.
opdracht 85b: RTL4, wordt het meest naar gekeken.
opdracht 85c: ZDF, TV België, NET5 en CNN.
opdracht 85d: IP, wordt meer naar gekeken.
opdracht 85e: Journaal, Netwerk, PSV - Galataseray (3-1), vallen me mee, maar ik had ook niet anders verwacht, want het zijn programma’s waar veel mensen naar kijken

opdracht 86b: De media die de meeste invloed op onze samenleving hebben, zijn: de radio en de televisie deze media worden het best beluisterd/bekeken, zodat er veel invloed is op de samenleving, maar hoeveel invloed is moeilijk te zeggen.

paragraaf 5: de nieuwste ontwikkelingen op mediagebied.

opdracht 87: 1- Met voice mail kunnen bellers een bericht achterlaten in je voice mail box als je in gesprek bent.
2- ……………………………………………………………………
3- Bellen zonder handen.
4- Prepaid-abonnement van KPN.
5- Het netwerk van mobiele telefoons, elke provider heeft zijn eigen gsm-netwerk.

opdracht 88a: Een provider is een aanbieder van zo’n abonnement, zoals KPN, Libertel, Ben.
opdracht 88b: - Dat je een goede provider neemt, met een goed bereik, zoals KPN en Libertel;
- Dat je een goede telefoon neemt;
- Dat je het abonnement neemt dat bij je belgedrag past.

opdracht 89a: Kampioen.
opdracht 89b: Kampioen.
opdracht 89c: - Kampioen van ANWB heeft de grootste oplage, dit komt doordat veel mensen lid zijn van de ANWB.
- Oudste publieksbladen verdwijnen langzamerhand, dit komt doordat mensen raken uitgekeken op de bladen.
- Hitkrant grootste stijger bij de jeugdbladen, dit komt omdat steeds meer jongeren zich interesseren in popmuziek.

opdracht 90a: Het heeft nog geen bekendheid onder het publiek.
opdracht 90b: Een muziekblad.
opdracht 90c: Ja, veel jongeren hebben er belangstelling voor.

opdracht 91a: Niet goed, want dan krijg je een soort monopoliepositie, van de overnemer.
opdracht 91b: Ja, dan houdt je verschillende kranten met elk hun eigen gezicht.
opdracht 91c: Ja, staat veel informatie over omgeving in.

opdracht 92a: Moet maar op de televisie blijven, want veel mensen kijken er naar, maar als ik zou mogen beslissen of ze van de TV mogen verdwijnen of niet dan zou ik ze laten verdwijnen.
opdracht 92b: Nee, ik houdt er niet van en op de tijdstippen dat het ervoor is, maak ik mijn huiswerk.
opdracht 92c: Ik trek mij dus niets aan van die series.
opdracht 92d: Ik heb geen idee want ik kijk niet naar soaps.

opdracht 93a: Daar zenden veel verschillende omroepen op uit dus veel verschillende programma’s
opdracht 93b: AVRO, NCRV, NOS, EO en KRO.
opdracht 93c: Nee, bijna alle zenders zenden er op uit, doordat alle programma’s onder de zenders zijn ingedeeld.
opdracht 93d: NPS, VARA, NOS en VPRO.
opdracht 93e: De programma’s uitzenden die bij de zenders passen.
opdracht 93f: Meer programma’s maken, wordt nu erg veel herhaald.

opdracht 94a: Dat het altijd wel zo zal blijven, want veel mensen hebben er belang bij.
opdracht 94b: 45: Ben ik het niet mee eens, volgens mij blijft het altijd wel.
46: Is al zo.
47: Goed, dit bewijst dat bedrijven nog winst zien.
48: Goede ontwikkeling, dan weet de rest van de wereld ook wat er in Nederland gebeurd.
49: Een goede ontwikkeling, want dan kunnen dove mensen het nieuws ook volgen.
50: Goede ontwikkeling, dan kun je kiezen welke programma’s je wilt zien, dus zet je nooit je TV aan en zijn er alleen saaie programma’s voor.
51: Slecht, er moeten zoveel mogelijk zenders komen, zodat je kunt kiezen welke zender je wilt kijken.
opdracht 94c: Met Carlos Correia,
- Waar zien de mensen dan het nieuws of hun favoriete programma?
- TV is bijna gratis, dus hoe wil je gratis informatie geven?
opdracht 95: Ja heel veel mensen bekijken het en het is openbaar, de relatie is onpersoonlijk tussen de zender en ontvanger, dus de kenmerken van een massamedia.
opdracht 96: Ja, ongeveer dezelfde regels als de Mediawet, want er is veel ‘slechts’ op internet te vinden.

opdracht 97: Is heel moeilijk te controleren, omdat er veel internetsites zijn die zijn beveiligd.

opdracht 99a: De te verwachte ontwikkelingen op mediagebied, zijn:
- De telefonie groeit;
- De krant loopt achteruit, doordat al het nieuws gratis op de website van de krant te halen is;
- De radio blijft ongeveer op hetzelfde niveau;
- De televisie gaat ook achteruit en dan vooral de publieke zenders, want de commerciële zenders hebben in zeer korte tijd een stevige plaats veroverd onder de kijkers;
De grootste ontwikkeling op mediagebied lijkt internet, waar veel informatie op is te vinden en bijna alles wat er op media gebied te doen is gedaan kan worden, zoals: radio-luisteren, televisie kijken en de krant lezen.

opdracht 102a: Sociaal-economische optiek:
- Welke belangen hebben de betrokken groeperingen en/of strijden zij na?
- Hoe hangen de nagestreefde belangen en ideologische oriëntaties samen met de sociaal-economische posities van de betrokken groeperingen?
- Heeft de massamedia veel invloed op de samenleving?
- Blijft de massamedia altijd bestaan


opdracht 102c: - De belangen die de betrokken groeperingen hebben, zijn: nieuws krijgen, geamuseerd worden, geeduceerd worden en een opinie kunnen vormen.
- Die zijn volgens mij voor elke groepering gelijk.
- zie opdracht 105.
- zie opdracht 99a

opdracht 104a: Nee, ik ben niet aan andere dingen gaan denken bij de vragen.
opdracht 104b: feedback: directe reactie;
communicatiestoornis: als men niet correct op de informatie reageert;
medium: het middel dat je gebruikt om te communiceren;
jargon: een vaktaal die aanleiding kan geven tot communicatiestoornissen;
gedrukte media: media die gedrukt is dus kranten en tijdschriften;
audiovisuele media: radio en televisie;
radio: draadloos ontvangtoestel;
televisie: het ontvangtoestel die via de radiotelegrafische weg levende beelden ontvang;
kijkcijfers: zijn de cijfers hoeveel mensen er naar een tv-programma hebben gekeken;
referentiekader: maatstaven die iemand aanlegt voor beoordeling of waardering;
indoctrineren: stelselmatig een bepaalde leer of bepaalde beginselen trachten in te prenten;
propagandamachine: het medium dat gebruikt wordt om aanhangers te werven voor een bepaalde richting of zaak;
manipuleren: kunstgrepen of (soms onbehoorlijke) werkwijzen toepassen;
reclame: openlijke aanprijzing;
socialisatie: het onder de macht van de gemeenschap brengen van productiemiddelen;
agressief: aanvallend, geneigd tot strijd of twist;
gedrag: manier waarop men zich gedraag;
televisiegeweld: het geweld dat op de televisie wordt gebruikt;
persvrijheid: vrijheid van drukpers;
grondwet: hoofdwet waarop alle andere wetten berusten;
democratie: regeringsvorm door gekozenen uit het gehele volk;
pluriformiteit: veelvormigheid;
doelgroepen: groepen mensen waarop bijvoorbeeld kranten zich richten;
kwaliteitskranten: kranten die van goede kwaliteit zijn, zoals: Trouw en NRC-Handelsblad;
populaire kranten: kranten die populair zijn onder het volk, zoals: de Telegraaf;
omroepbestel: inrichting, regeling van de omroep;
kabelmaatschappijen: maatschappijen die kabel-tv aanbieden;
themazenders: zenders met een bepaald onderwerp;
Reality-tv: televisie waarin de werkelijkheid naar voren wordt gebracht;
Emotie-tv: televisie waarin de emoties van mensen naar voren wordt gebracht.
opdracht 104c: Ja, het heeft veel te maken met de toekomst.
opdracht 104d: Ja, massamedia heeft veel met de maatschappij te maken.
opdracht 104e: Ja, je krijgt voortdurend informatie.

opdracht 105: Op de vraag wat is de invloed van de massamedia op de hedendaagse samenleving is heel moeilijk antwoord te geven, bijna niemand of eigenlijk niemand weet daar antwoord op. Er zijn wel veel verschillende theorieën, die het nog moeilijker maken te weten te komen wat de invloed is.
Maar naar mijn mening is de invloed van de massamedia heel groot, want mensen kopen spullen die ze eigenlijk niet nodig hebben, die worden aangeprezen in reclames, ook hebben mensen het altijd over onderwerpen uit het nieuws, die door de massamedia zijn genoemd, dus de invloed is wel groot denk ik.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

Hoi Cornelis,
Super dat je de antwoorden van maatschappijleer op internet hebt gezet!!! Kan niet beter...het scheelt mij heel veel werk!! Heb je nog meer antwoorden op internet ergens van???
Groetjes,
Petra

18 jaar geleden

N.

N.

Heeeeeeeeee, je antwoorden kloppen helemaal nie
Zou u misschien het respect kunnen opbrengen om ons overschrijvers de juiste antwoorden toe te eigenen?
bij voorbaat dank Ik

18 jaar geleden

L.

L.

whooo tnx dacht dat ik er nooit door zou komen (sommige vragen dan...) thank you!!!
groeten Linda!!!

17 jaar geleden

X.

X.

deze antwoorden kloppen totaal niet.. beetje jammer

8 jaar geleden