Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Hoofdstuk 1

4. De kandidaten kunnen met een voorbeeld uitleggen dat het toeschrijven van verantwoordelijkheid aan een persoon een filosofische (metafysische) opvatting over persoonlijke identiteit vooronderstelt.

 

Metafysica: wijsgerige leer die het wezen van de stoffelijke werkelijkheid onderzoekt, maar niet uit de zintuiglijke waarneming ervan. Studie van het bovennatuurlijke. ( Filosofische stroming. )

Persoonlijke identiteit: Persoonlijke identiteit is het antwoord op de vraag: Wie is iemand? Wat is zijn bewustzijn van zichzelf? En wat maakt het dat een persoon door de tijd heen hetzelfde blijft?

 

Het toeschrijven van verantwoordelijkheid aan een persoon vooronderstelt een filosofische opvatting over persoonlijk identiteit, omdat bijvoorbeeld, een persoon die slaapwandelt niet verantwoordelijk kan zijn.

Het bewuste persoon kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor daden als hij slaapwandelt, omdat die gene er dan zich niet bewust van is. Een slaapwandelend persoon is in zekere zin een ander persoon dan een bewust persoon. Dit is een opvatting op persoonlijke identiteit omdat men zich kan afvragen waar de persoonlijke identiteit van zo'n persoon nou ligt. Bovendien de vraag is, wat maakt het dat een persoon door de tijd heen hetzelfde blijft?

 

Robert Ledru is een politieagent die erachter komt dat hij iemand vermoord heeft. Dit heeft hij echter gedaan terwijl hij aan het slaapwandelen was. Is Ledru nu verantwoordelijk voor deze moord? Wanneer we stellen dat Ledru niet verantwoordelijk is voor de moord, dan hebben we de metafysische opvatting dat de wakkere Ledru een andere persoon is dan de slaapwandelende Ledru. Hier wordt dus al een verschil gemaakt tussen persoon en lichaam zoals we dat later bij Locke zullen zien.

 

5. De kandidaten kunnen met het gedachte-experiment ‘Het schip van Theseus uitleggen wat de metafysische vraag naar (persoonlijke) identiteit inhoudt. Daarbij kunnen zij de volgende onderscheidingen uitleggen en toepassen:

- de continuïteit van een persoon en de continuïteit van een ding

- kwalitatieve identiteit en numerieke identiteit.

 

Metafysisch: Nadenken over iets bovennatuurlijks, iets niet waarneembaar met onze zintuigen.

 

Het schip van Theseus is een gedachte-experiment dat als volgt gaat: Theseus heeft een schip in een haven en elke keer als dit schip de haven binnenvaart, vervang Theseus één van de planken. Dit doet hij net zo lang tot dat er van het originele schip geen plank meer over is. De metafysische vragen die oproepen naar de persoonlijke identiteit zijn:

- Is het nog steeds hetzelfde schip?

- Wanneer is de identiteit van het schip verandert? Bij de eerste of de laatste plank?

Stel nu dat Theseus van de oude planken het zelfde schip namaakt. Nu heeft hij twee schepen die mogelijk hetzelfde zijn als het originele schip.

Het verschil tussen de continuïteit van een persoon en van een ding is natuurlijk dat een ding geen 'geest' of 'ziel' heeft. Een persoon vervangt zijn cellen en van een ding kan je iets vervangen. Een persoon is interessanter dan een ding omdat een persoon verantwoordelijk kan worden gehouden.

 

Kwalitatieve identiteit: Identiteit die gaat over wat een ding of persoon hoort voor te stellen, bijvoorbeeld twee dezelfde mobieltjes. En bijvoorbeeld een tweeling genaamd Peter en Jan. Wanneer Peter een misdaad begaat willen hem verantwoordelijk stellen en niet Jan.

Numerieke identiteit: Identiteit die gaat over hoeveel er van een ding of persoon is, bijvoorbeeld het aantal van de dezelfde mobieltjes twee is. Maar dit hoeft nog niet te betekenen dat het kwalitatief dezelfde mobieltjes zijn, aangezien er een mobieltje op de grond kan vallen wat de kwaliteit vermindert.

 

Theseus is de eigenaar van een schip. Elke keer als hij een haven binnen zeilt laat hij één plank van zijn schip vervangen voor een nieuwe plank. Na 10 jaar ligt er een ‘nieuw’ schip omdat inmiddels alle planken vervangen zijn. Is dit nu echt een ander schip of is het (deels) het oude schip?
Ditzelfde gedachte-experiment zou je kunnen toepassen op personen. Elke dag verdwijnen er cellen en komen er nieuwe bij. Elke dag verdwijnen gedachten (herinneringen) en komen er nieuwe bij. Ben je dan nog dezelfde persoon als 10 jaar geleden als eigenlijk geen van de ‘onderdelen’ hetzelfde zijn?

Kwalitatieve identiteit: dezelfde eigenschappen maken dat dingen hetzelfde zijn. Tweelingen hebben kwalitatief gezien dezelfde identiteit vanwege hun DNA, maar zijn toch twee verschillende mensen.

Numerieke identiteit: Alle eigenschappen van iets of iemand kunnen veranderd zijn, terwijl we dan nog steeds over dezelfde persoon spreken. Tweelingen zijn numeriek verschillend. Het zijn namelijk twee verschillende personen.

We kunnen nu van het schip van Theseus zeggen dat het kwalitatief verandert, maar numeriek hetzelfde blijft (het is namelijk dát ene schip van Theseus waar de planken van vervangen worden).

 

6. De kandidaten kunnen het psychologische criterium voor persoonlijke identiteit van John Locke weergeven, uitleggen en toepassen en er voorbeelden bij geven. Daarbij kunnen zij aangeven welke rol het bewustzijn /geheugen speelt in Lockes onderscheid tussen persoon en mens.

 

 

Aristoteles:  - Mens: Levend organisme met functionele organisatie.

                  - Persoon: Intelligent wezen met rede en reflectie.

Locke: - Persoon: + bewustzijn.

 

Volgens John Locke komt er een hiernamaals met een laatste oordeel, maar de ziel van een mens zit niet vast aan zijn lichaam. Dit betekent dat deze ziel van iedereen kan zijn en het lichaam kan over de wereld worden verspreid, dat is problematisch. De oplossing van Locke is zijn psychologische criterium. Ten eerste vindt Locke net als Aristoteles dat een mens een levend organisme is met rede en reflectie. Daarnaast vindt Locke een functionele organisatie belangrijk. Maar het onderscheid wat Locke maakt tussen een persoon en een mens is het geheugen. Het geheugen is naast voldoende ook noodzakelijk voor de persoonlijke identiteit.

Lockes psychologisch criterium: een persoon is een mens met functionele organisatie en een geheugen met herinneringen.

Als ik me iets kan herinneren, dan maakt mijn materiële toestand niet uit. Iemand die zich iets herinnert was dezelfde persoon in die situatie en is eventueel ook verantwoordelijk.

Bijvoorbeeld: Een persoon die vorige week zijn been gebroken heeft is hetzelfde persoon naarmate tijd die nu in het gips ligt. Dit komt omdat dit persoon de herinnering heeft dat hij zijn been gebroken heeft, dan moet die gene wel hetzelfde persoon zijn als in het heden.

 

Locke maakt een onderscheid tussen persoon en mens:
- Een mens is een levend lichaam; een dier in een bepaalde (menselijke) vorm.
- Een persoon is juridisch aansprakelijk en zorgt volgens Locke voor een persoonlijke identiteit.
Een persoon heeft een persoonlijke identiteit dankzij het psychologische criterium van Locke. Namelijk dat de mens een denkend, intelligent wezen met rede en reflectie is. Daarbij heeft de mens bewustzijn. Dat wil zeggen dat de mens zichzelf kan beschouwen als een ‘denkend ding op verschillende tijden en plekken’. Dankzij dit psychologische criterium is het geheugen belangrijk voor Locke’s onderscheid tussen persoon en mens. Een levend lichaam (mens) kan van alles doen, maar als hij of zij het zich niet meer herinnert dan is diegene er niet verantwoordelijk voor.

 

7. De kandidaten kunnen uitleggen dat herinneringen volgens Locke zowel voldoende als noodzakelijke voorwaarden zijn voor persoonlijke identiteit en dit toepassen op vragen naar verantwoordelijkheid.

 

Volgens Locke zijn herinneringen zowel voldoende als noodzakelijk omdat herinneringen belangrijk zijn voor de persoonlijke identiteit van een persoon. Het is voldoende omdat elke persoon een geheugen heeft, maar het is ook noodzakelijk omdat als je iets kan herinneren ben je daar ook verantwoordelijk voor. Wanneer je bijvoorbeeld slaapwandelt en je dit niet kan herinneren, ben je dus ook niet verantwoordelijk voor de daden die je verricht hebt.

 

Ten eerste het verschil tussen noodzakelijke en voldoende voorwaarden:
- noodzakelijke voorwaarden: voorwaarden waaraan voldaan móét worden om iets te laten gebeuren. Een noodzakelijke voorwaarde zorgt er echter niet voor dat het effect ook echt optreedt. Er moet bijvoorbeeld ook nog aan een andere noodzakelijke voorwaarde worden voldaan. Het rechter voorwiel van een auto is noodzakelijk, maar nog niet voldoende.

- voldoende voorwaarden: een voldoende voorwaarde zorgt er ook voor dat bepaald effect optreedt, maar het effect kan ook door iets anders komen. Vier autowielen is voldoende. Vijf wielen is ook nog steeds voldoende, maar niet noodzakelijk.


Herinneringen zijn voor Locke zowel noodzakelijke als voldoende voorwaarden voor persoonlijke identiteit. Omdat ik mij herinner dat ik de kaarsjes uitblies van de taart toen ik 8 jaar werd, ben ik ook dezelfde persoon als toen.
Herinneringen zijn dus een noodzakelijke voorwaarde voor persoonlijke identiteit, omdat ik mijzelf volgens Locke iets móét herinneren om het tot mijn identiteit te rekenen. Zo kunnen we bijvoorbeeld zeggen dat ‘de slaapwandelmoordenaar’ niet verantwoordelijk is voor zijn onbewuste daden.
Herinneringen zijn ook een voldoende voorwaarde voor persoonlijke identiteit omdat er volgens Locke niets anders voor nodig is.

 

8. De kandidaten kunnen de kritiek van Thomas Reid op Lockes psychologische criterium voor persoonlijke identiteit weergeven en uitleggen met een voorbeeld.

 

Thomas Reid ontkracht de theorie van Locke door middel van het volgende voorbeeld: stel, een jongen steelt in zijn jeugd appels, deze jongen groeit op als soldaat en uiteindelijk als generaal. Toen hij soldaat was kon hij zich nog herinneren dat hij appels stal in zijn jeugd, maar niet meer wanneer hij generaal is. Volgens Lockes psychologische criterium maken herinneringen wat je bent door de tijd heen. Volgens Locke is de jongen en de generaal niet hetzelfde persoon, maar de jongen en de soldaat en de soldaat en de generaal wel. Door middel van logisch deductief nadenken is de jongen hetzelfde persoon als de generaal, maar Lockes theorie is dus tegenstrijdig en onduidelijk.

 

Thomas Reid gebruikt het volgende voorbeeld. Er is een kleine jongen die voor straf wordt geslagen omdat hij appels gestolen heeft. Deze kleine jongen groeit op en wordt officier in het leger, waar hij op een dag de vlag van de vijand verovert. Deze officier herinnert zich nog dat hij als kleine jongen geslagen werd. De officier wordt nog ouder en wordt op een gegeven moment benoemd tot generaal. Hij herinnert zich nog dat hij een lange tijd geleden de vlag van de vijand veroverde, maar hij is inmiddels vergeten dat hij als kind geslagen werd.

Volgens Locke’s psychologische criterium is de oude generaal niet dezelfde persoon als het jonge kind. Reid zegt dat dat niet kan kloppen, omdat we wel degelijk zeggen dat dat kleine jongetje uiteindelijk generaal is geworden.

(Oftewel ‘transitieve logica’: A=B en B=C, dan A=C. Maar met Locke’s criterium: A=B en B=C, maar niet A=C)

 

9. De kandidaten kunnen overeenkomsten en verschillen tussen het psychologische criterium voor persoonlijke identiteit van Derek Parfit en Locke weergeven, uitleggen en toepassen. Daarbij kunnen zij aangeven welke problemen bij Lockes criterium worden opgelost door het criterium van Parfit.

 

Parfit is het eens met Locke over dat een psychologisch criterium nodig is. Parfit vindt geheugen voldoende, maar niet noodzakelijk, omdat dit anders tegensprekend is. Het verschil tussen de twee theorieën is dat bij Parfit je nog steeds hetzelfde persoon kan zijn ook al ben je vorige week vergeten wat je at.

 

Parfits psychologische criterium houdt in dat mensen van een psychologische toestand beschikken. Personen hebben overlappende herinneringen, dit verklaart waarom het kind in het voorbeeld hetzelfde is als de generaal. Je bent ook nog steeds dezelfde baby op de foto vroeger, ook al kun jij je dat niet meer herinneren. Dit komt door psychologische continuïteit, de voortgang van herinneringen. De psychologische toestand zijn deugden, verlangens of intenties die ook belangrijk zijn voor de persoonlijke identiteit. Dit is volgens Parfit allemaal belangrijk voor de oplossing voor het criterium over persoonlijke identiteit en dit geeft een breed antwoord op vele situaties. Als je bijvoorbeeld aan geheugenverlies lijdt kun je nog steeds hetzelfde persoon als vorige week zijn omdat er sprake is van psychologische verbanden tussen een persoon, met name de psychologische continuïteit en toestand van een persoon.

 

Parfit is het in twee dingen eens met Locke:
- Er moet een psychologisch criterium zijn voor persoonlijke identiteit.
- Herinnering is een voldoende voorwaarde.

Parfit is het oneens met Locke:
- Herinnering is geen noodzakelijke voorwaarde voor persoonlijke identiteit.


Volgens Parfit hoeft de psychologische verbinding geen directe verbinding te zijn. Doordat de officier zichzelf als klein jongetje herinnert en de generaal zich als officier, is er een psychologische overlap die we zouden kunnen zien als een indirecte verbinding tussen de kleine jongen en de generaal.

 

Citaat: “Verder stelt Parfit dat niet alleen herinneringen, maar ook andere psychologische toestanden belangrijk zijn voor persoonlijke identiteit, zoals karaktereigenschappen, overtuigingen, verlangens en intenties. Dus ook als je lijdt aan tijdelijk geheugenverlies en je je niets meer kunt herinneren van een gesprek dat je vorige week had met een vriend, dan ben je toch dezelfde persoon omdat er nog allerlei andere psychologische verbanden bestaan tussen de persoon van nu en die van een week geleden.”

 

10. De kandidaten kunnen met een gedachte-experiment uitleggen dat je in meer of mindere mate dezelfde persoon kunt zijn en uitleggen dat vragen naar persoonlijke identiteit daarom volgens Parfit soms leeg zijn.

 

Het volgende gedachte-experiment behandelt de kwaadaardige hersenchirurg en zijn plan om jou in Napoleon te veranderen. Hij doet dit door je hersenen vast te zetten aan schakelaars die met de omzetting hiervoor jou herinneringen geven van Napoleon. Zet hij een paar schakelaars om, dan heb je herinneringen van Napoleon. Zet hij alle schakelaars om, dan ben je definitief veranderd in Napoleon. Volgens Parfit ben je meer of meer hetzelfde persoon wanneer je herinneringen hebt van Napoleon, wanneer alle schakelaars zijn omgezet ben je inderdaad Napoleon, maar waar ligt de grens? Bij de eerste of de laatste schakelaar? Volgens Parfit zijn deze vragen naar de persoonlijke identiteit leeg, omdat ten eerste dit nooit of nu nog niet tan toepassing is, en omdat een persoon niets meer is dan een verzameling karaktereigenschappen. Volgens Parfit kun je deze vraag niet op een logische manier stellen, omdat er niet veel te weten valt ,we weten wat een persoon is en dat deze soms niet zichzelf is, maar we kunnen niet definitief vragen of zelfs antwoorden wat dit inhoudt en wat je hiermee kan, omdat het volgens Parfit niet uitmaakt. Het gaat hem niet om de numerieke identiteit van personen, maar om de psychologische continuïteit van een individu, en als daar herinneringen van Napoleon bij horen, zo zal het zijn.

 

Met de psychologische continuïteit van Parfit zijn ervaringen belangrijker dan wie je ooit was, verder is de toekomst een ander wellicht belangrijker dan onze eigen en dit betekent dat andere mensen jou zullen herinneren nadat je sterft, zodat je psychologische toestand en dus ook jouw identiteit op een manier voortleeft.

 

Stel je voor: er is een kwaadaardige hersenchirurg die jou gevangen heeft genomen en er voor wil zorgen dat je karakter en je herinneringen vervangen worden door het karakter en de herinneringen van Napoleon. Hij heeft een flink aantal schakelaars klaargezet om dit mogelijk te maken. Elke schakelaar die omgezet wordt zorgt ervoor dat één gedachte of karaktereigenschap van jou wordt vervangen door een gedachte of karaktereigenschap van Napoleon.
Als alle schakelaars in één keer omgezet zouden worden, zou je dus in één keer in Napoleon veranderen.

 

Welnu:
- Als je maar een klein aantal schakelaars om zou zetten zouden we zeggen: Je bent jezelf met een aantal herinneringen van Napoleon.

 

- Als je alle schakelaars om zou zetten zouden we zeggen: Je bent in Napoleon veranderd en er is niets meer van jezelf over.

Van alle gevallen daar tussenin valt moeilijk te zeggen wat de persoonlijke identiteit nu precies inhoudt. Je kunt blijkbaar in meer of mindere mate jezelf zijn.

Parfit trekt uit dit alles de conclusie dat een persoon niets meer dan een verzameling van karaktereigenschappen, overtuigingen, verlangens en intenties. Er bestaat geen onderliggende identiteit waarvan we kunnen vragen: ‘Is het wel dezelfde persoon?’.

Parfit noemt zijn theorie daarom ook wel een ‘onpersoonlijke theorie’; het gaat voor Parfit niet om numerieke identiteit van personen, maar om het bestaan van psychologische continuïteit.
Voor Parfit is de vraag naar numerieke identiteit een lege vraag waarop het antwoord helemaal niet bestaat.

 

11. De kandidaten kunnen de kritiek van Paul Ricoeur op Parfits theorie over persoonlijke identiteit weergeven en uitleggen. Daarbij kunnen zij de onderscheidingen tussen Ipse-identiteit en Idem-identiteit, tussen een huidig en toekomstig perspectief en tussen een eerste- en derde persoonsperspectief toepassen.

 

1.5 Ricoeur over het zelf en hetzelfde

Idem-identiteit: 'Wat' er door de tijd heen hetzelfde blijft, bijvoorbeeld derdepersoonsperspectief.

Ipse-identiteit: Het 'wie' dat door de tijd heen zich verhoudt met de toekomst en het verleden, eerstepersoonsperspectief.

 

Ricoeur zegt dat Parfit niet zomaar kan stellen dat de vraag naar persoonlijke identiteit een lege vraag is. We weten namelijk niet 'wat' (Idem-identiteit) of 'wie' (Ipse-identiteit) er door de tijd heen hetzelfde blijft. Parfit zegt dat een persoon een soort van 'container' is, met herinneringen, overtuigingen, verlangens en intenties, maar dat al deze eigenschappen onpersoonlijk zijn. Ricoeur vindt echter dat al deze factoren wel persoonlijk zijn, omdat iemand niet zomaar wordt gedreven om iets te doen, er moet een 'wat' of 'wie' ergens in deze 'container' (persoon) zijn.

 

Bijvoorbeeld iemand die op 50-jarige leeftijd dementie krijgt en over tien jaar helemaal niks meer van zijn leven zal weten. Dit persoon is volgens Locke over tien jaar niet hetzelfde persoon als daarvoor. Volgens Parfit is het ook niet hetzelfde persoon, omdat er geen overlapping is van herinneringen en dus geen psychologische continuïteit. Daarnaast voegt Parfit eraan toe dat de vraag of dit persoon hetzelfde zal zijn naarmate tijd een lege vraag is.

 

De kritiek van Ricoeur hierop is dat Parfit vanuit het derdepersoonsperspectief naar de situatie kijkt, oftewel het idem-identiteit. Volgens Ricoeur moeten we naar het individu kijken vanaf zijn ogen, oftewel het eerstepersoonsperspectief     (ipse-identiteit). Vanuit dit perspectief kan je toch stellen dat als je dementie hebt je sterk zult veranderen in iemand anders, maar die verandering is toch jouw identiteit.

 

Paul Ricoeur maakt een onderscheid tussen ‘idem-identiteit’ en ‘ipse-identiteit’.
- De idem-identiteit gaat over de vraag naar het wat dat door de tijd heen hetzelfde blijft.
- De ipse-identiteit gaat over het wie, waarmee Ricoeur het zelf bedoelt dat zich door de tijd heen tot zichzelf verhoudt.

 

12. De kandidaten kunnen met een voorbeeld uitleggen welke verschillende praktische gevolgen voor persoonlijke verantwoordelijkheid er zijn vanuit Parfits en Ricoeurs opvatting over persoonlijke identiteit.

 

Volgens Parfit ligt de persoonlijke verantwoordelijkheid ingewikkeld, bijvoorbeeld iemand die tijdens het slaapwandelen iemand vermoordt, is die persoon dan schuldig? Parfit vindt niet alleen net als Locke herinneringen belangrijk, maar ook andere psychologische toestanden. Psychologische continuïteit speelt ook een rol, aangezien je meer of minder verantwoordelijk kan zijn voor de handelingen in het verleden. De mate waarin een slaapwandelende moordenaar verantwoordelijk kan worden gehouden hangt volgens Parfit af van de hoeveelheid psychologische continuïteit. Een slaapwandelend persoon lijkt in de bewuste status niet echt op het slaapwandelende persoon, ook is het persoon normaal niet echt moordlustig. Daarom is volgens Parfit dit persoon niet schuldig.

 

Ricoeur stelt echter dat als dit persoon weet dat hij slaapwandelt, kan die gene dit voorkomen. Omdat wij controle hebben over onszelf en ons ipse-identiteit, oftewel het 'wie' dat door de tijd heen hetzelfde blijft. Wij zijn verantwoordelijk voor handelingen van ons verleden zelf en ons toekomstige zelf. Volgens Ricoeur is in dit geval de slaapwandelaar wel schuldig.


We gaan terug naar het voorbeeld van Ledru de ‘slaapwandelmoordenaar’. Volgens Parfit zouden we hem deels verantwoordelijk kunnen houden voor wat hij deed. Het ligt er in dit geval aan hoe sterk de psychologische continuïteit is tussen de ‘wakkere Ledru’ en de ‘slapende Ledru’. In hoeverre komen hun gedachten, gevoelens, en herinneringen overeen?
Ook volgens Ricoeur kunnen we Ledru verantwoordelijk houden voor de slaapmoord. Ledru verhoudt zich namelijk tot zichzelf en hij kan daardoor misschien van zichzelf weten dat hij slaapwandelt en moordneigingen heeft. Hij had daarom voorzorgsmaatregelen kunnen treffen. Het voorbeeld dat hier ook bij gebruikt wordt is het verhaal van Odysseus. Odysseus vaart op een schip langs een rots met sirenen (halfgodinnen die zeelui betoveren met hun zang waardoor ze hun schepen kapot laten slaan op de rotsen). Odysseus wist dat hij langs deze sirenen zou varen en stopten daarom bij zijn bemanning hun oren dicht zodat ze niets zouden horen en hij liet zichzelf vastbinden aan de mast. Oftewel, Odysseus verhoudt zich tot zichzelf en neemt voorzorgsmaatregelen
à hij neemt verantwoordelijkheid.

 

 

Primaire tekst (1): Thomas Reid - Of Mr. Locke’s account of our personal identity.

13. De kandidaten kunnen vier bezwaren van Thomas Reid tegen Lockes opvatting van persoonlijke identiteit weergeven, uitleggen en toepassen.

 

Thomas Reid is het niet eens met Locke's criterium over de persoonlijke identiteit.

 

Verwarring geheugen met bewustzijn

1. Volgens Locke moet je elk moment van je leven even goed herinneren als dat je op dat moment bewust was. Dit betekent volgens Reid dat je twintig jaar geleden precies moet weten wat je deed, voelde en waarom, oftewel geheel bewust zijn. Dit kan onmogelijk iets van de persoonlijke identiteit zijn, anders houdt niemand meer zijn persoonlijke identiteit over. Locke verward geheugen met bewustzijn.     

 

Verwarring persoonlijke identiteit met herinneringen

2. De persoonlijke identiteit wordt verward met de bewijzen van onze persoonlijke identiteit. Een herinnering maakt een persoon, maar we hoeven ons niet bewust te zijn van elke herinnering, dat is absurd. Bijvoorbeeld, de identiteit van een gestolen paard ligt bij de gelijkenis, oftewel of het hetzelfde paard is dat er was. Het is raar als het enige waardoor iemand een gestolen paard kan herkennen door middel van gelijkenis gevonden kan worden, omdat een paard ook eigenschappen heeft, voorkeuren, enzovoort. Voor een persoon bestaat zijn identiteit ook niet alleen maar uit herinneringen, maar eigenschappen, verlangens en ideeën.

 

Wij hebben geen ondoorbroken bewustzijn

3. Volgen Locke is de identiteit van een persoon alleen mogelijk als iemand een ondoorbroken bewustzijn heeft. Het bewustzijn is iets van het moment en heeft geen ondoorbroken bestaan. Een ding heeft wel een ondoorbroken bestaan. Iemand heeft daarom volgens Locke geen verantwoordelijkheid bij elke daad die hij heeft gedaan omdat die gene daarvoor absoluut bewust moet zijn. Reid vindt dit een absurd gevolg en zegt dat dit niet klopt.

 

Herinneringen zijn niet onveranderlijk

4. Het bewustzijn die herinneringen maakt, kunnen veranderen. Bewustzijn is niet hetzelfde als het geheugen omdat dus herinneringen niet hetzelfde kunnen zijn als gisteren. De pijn die ik mij herinner, is niet de pijn waarvan ik bewust was op dat moment. Wanneer we niet denken of wanneer we slapen gaat onze identiteit helemaal niet verloren, dat zou raar zijn.

 

 

Primaire tekst (2): Derek Parfit (1984) – Reasons and Persons, ch.10.

14. De kandidaten kunnen met de gedachten-experimenten ‘Simple Teletransportation’ en ‘Branch-Line Case’ de opvatting van Parfit over persoonlijke identiteit uitleggen. Daarbij kunnen zij het psychologisch criterium en het verschil tussen numerieke en kwalitatieve identiteit toepassen.

 

Het gedachte-experiment van Parfit genaamd ''Simple Teletransportation'' gaat over een teletransportatie naar Mars. Volgens Parfit is teleportatie in de toekomst zo, dat het lichaam wordt vernietigd en het oude lichaam wordt opnieuw gemaakt op de plek waar het moet zijn. De nog nieuwere teleportatie houdt in dat er een nieuw lichaam wordt gemaakt op de gewenste plaats en dat deze na het gebruik wordt vernietigd zodat het originele persoon de herinneringen heeft van het bestaan van de ''kloon''. Parfit vraagt bij deze situatie: Wat is ervoor nodig om door de tijd heen hetzelfde mens te blijven? Opvattingen die ontstaan zijn ook: Als ik vernietigd wordt en weer opnieuw gemaakt, ben ik dat dan nog steeds? Hoe kunnen we ooit weten dat jij dat nog bent? En maakt het uit? Voor mij zou het uitmaken, maar voor anderen ben ik nog precies hetzelfde. En dit is onmogelijk te checken. Een goeie vraag is ook wat is teleporteren dan eigenlijk?

 

Parfit breidt het nog verder uit met het idee van ''Branch Line Case'' dat in de situatie van de nieuwe manier van teleportatie jouw oude lichaam komt te overlijden, waardoor jouw replica jouw leven verder leeft. Maakt dit dan uit? Zou je dit aan die gene zijn familie vertellen? Het maakt voor de nabestaanden geen enkel verschil. De replica vervult het leven van de originele exact zoals hij dat gedaan zou hebben, alle verlangens, ideeën en eigenschappen zijn precies hetzelfde. Maar toch, ben jij die replica niet. Hij is wel jouw, maar jouw bestaan eindigt wanneer je wordt vernietigd door de teleporter. Je blijft in feite bestaan, maar toch ook weer niet.

 

Kwalitatieve identiteit: wat iets hoort voor te stellen, het aantal eigenschappen.

Numerieke identiteit: hoeveel er van iets is, het aantal.

 

Parfit en zijn replica zijn kwalitatief identiek, maar niet numeriek identiek. Twee witte biljartballen zijn kwalitatief identiek aan elkaar maar ook identiek, tenzij je een bal rood verft, dan zijn ze niet meer kwalitatief hetzelfde. Een persoon is nooit numeriek gelijk aan een ander persoon, tenzij je spreekt van een tweeling. De vraag naar of we hetzelfde blijven naarmate tijd gaat eigenlijk over de numerieke identiteit van een persoon. Iemand die zich zorgen maakt over zijn numerieke identiteit maakt zich namelijk zorgen over als hem iets overkomt dat hij niet alleen een ander persoon wordt, maar dat zijn identiteit verdwijnt en dat hij een geheel ander persoon is.

 

In het psychologisch criterium bespreekt Parfit het probleem over iemand met geheugenverlies en of die gene zijn identiteit verliest door steeds herinneringen te verliezen. Parfit ontkracht ook nog eens Lockes theorie over persoonlijke identiteit met het tegenargument dat iemand niet alles hoeft te herinneren om hetzelfde persoon te blijven. Parfit herinnert zich niet dat hij vanochtend zijn overhemd aantrok, toch is hij wel het persoon die dat kledingstuk aan heeft. Parfit noemt deze overlappende herinneringen de continuïteit van het geheugen, oftewel de psychologische continuïteit.

 

Psychologische verbondenheid: Het handhaven van bepaalde psychologische verbanden.

Psychologische continuïteit: Het handhaven van overlappende ketens van sterke verbondenheid, herinneringen.

 

Terug naar het gedachte-experiment, de replica is niet alleen kwalitatief identiek, maar het heeft ook nog eens alle psychologische verbanden die Parfit ook heeft. Volgens het psychologisch criterium is Parfit wel de replica, maar volgens andere criteria niet. Parfit legt dit probleem uit met kunstmatige ogen. Wanneer iemand blind is en daarom kunstmatige ogen krijgt die de lichtgolven van elk object weerkaatsen en met elektrische patronen seintjes geven aan de hersenen, is het hetzelfde als echt zien. Maar is dit wel hetzelfde als echt zien? Als we dit toepassen op de persoonlijke identiteit, kunnen we zeggen dat het uitmaakt als de psychologische continuïteit een normale oorzaak heeft. Een replica maken van iemand heeft niet dezelfde identiteit als de originele, omdat de oorzaak niet normaal is, wat ook nodig is voor de psychologische continuïteit. Parfit zegt wel dat de replica iets is dat net zo goed is als de persoonlijke identiteit van het originele persoon.

 

Filosofen

Thomas Reid (1710-1796) Schotland

- Grondlegger common sense filosofie

- Traditioneel theïstisch (gelovig) en empirisch.

- Leefde in dezelfde tijd als Hume

- Kritiek op Descartes, Locke, Hume

- Tegen het idealisme van Hume en Berkeley

 

Derek Parfit (1942-2017) China, Verenigd Koninkrijk

- Ethicus, metafysicus, reductionist

- Kritiek op onpersoonlijke theorie van Ricoeur en Nagel

 

John Locke (1632 - 1704) Engeland

Rationalist, maar ook ervaring en gevoelens zijn nodig voor kennis.

Staatsfilosofie, sociaal contract, veel invloed op Engeland.

 

Geboren in een rustig dorpje. Hij wou dokter worden en genas een leveraandoening voor zijn vriend. Hij werd in een wetenschappelijke omgeving gebracht en dacht dagelijks na over verschillende maatschappelijke en filosofische debatten. Hij heeft antwoord gevonden op:

- Wat moeten we met mensen die anders religieus denken?

- Wie moet over ons regeren?

- Hoe moeten we onze kinderen onderwijzen?

 

Ten eerste: Wat moeten we met mensen die anders religieus denken? Hij schreef een betoog genaamd: ''Toleration'' en overtuigde men met drie punten: 1. We kunnen niets wetenschappelijks zeggen over religieuze standpunten, ook al zou dit wel kunnen, 2. Dan krijg je één ware religie dat alleen kan bestaan door geweld en 3. Het dwingen van religieus zijn leidt alleen maar tot sociale wanorde dan diversiteit. Religie is een persoonlijke keuze. Je mag nooit worden opgesloten, belemmerd van je status of bevooroordeeld worden vanwege je geloofsovertuiging of overtuigingen in het algemeen.

 

Ten tweede: Wie moet over ons regeren? Locke geeft bij deze vraag kritiek in zijn tweede boek: ''Two treatises of Government'' op Hobbes, die zei dat wij mensen voor de samenleving slecht waren en wel moeten geregeerd worden door een koning die zorgt voor orde. Locke zei daarentegen dat de mens goed of onverschillig was in de natuurtoestand en dat een samenleving niet erg is voor de mens. De vrijheden en rechten worden niet opgeheven, anders is de samenleving niet zinvol. Een samenleving volgens Locke is een plek waarin vrijheden en rechten worden beschermd.

 

Ten derde: Hoe moeten we onze kinderen onderwijzen? In zijn boek: ''Some thoughts concerning education'' schreef hij over hoe je het best kinderen kan onderwijzen, ook al had hij zelf geen kinderen. Elk geboren mens start als een leeg papiertje, een ''tabula rasa''. Alles wat we weten komt uit ervaring. Daarom is educatie absoluut belangrijk bij het opvoeden van een kind. Kwaadaardige mensen zijn alleen ontstaan door slechte educatie en kinderen moeten goed dingen geleerd worden, want dit vormt de basis voor de rest van hun hele leven. Locke wist ook wat we kinderen moeten leren. Hij haatte de 'zinloze' vakken Grieks, Latijn, muziek en poëzie. In plaats daarvan moeten we ze vakken geven die dingen leren die het hele leven nog kan worden gebruikt, zoals wetenschap, ethiek, handel en psychologie. Locke zei, alleen niet direct, dat we moeten leren in de school van het leven. Een educatiesysteem die je voorbereid en leert over het leven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2

15. De kandidaten kunnen de opvattingen over het bestaan van het ‘zelf’ van René Descartes, David Hume, Immanuel Kant, Maurice Merleau-Ponty, Daniel Dennett en de breinreductionisten weergeven, vergelijken en bekritiseren.

Dennett: Het zelf is als een zwaartepunt. Dit is vergelijkbaar met een voorwerp zoals een stoel, die ook een zwaartepunt heeft. Dit zwaartepunt zie je niet, maar je kunt het wel beïnvloeden. Maar het zwaartepunt van Dennett is een narratief zwaartepunt, omdat het niet zoals een voorwerp, een verhaal heeft. Kritiek: Een kind heeft geen 'narratief' zwaartepunt, omdat een kind nog niet goed genoeg een verhalend vermogen heeft. Het zou een probleem zijn om te zeggen dat kinderen geen zelf hebben, laat staan dat ze geen persoon zijn.                                                                     

Breinreductionisten: Het zelf als geest bestaat niet, het is een illusie en het is ergens te vinden in het brein als object. Men is namelijk zelf verantwoordelijk voor zijn handelingen, maar hierin is geen zelf te vinden. Je kan echter zeggen dat dit niet klopt aangezien al onze ervaring bestaan uit zingtuigen, en dit zijn slechts onbetrouwbare percepties die voortdurend veranderen.

Hume: Het zelf bestaat niet als iets dat door de tijd heen hetzelfde blijft. In ervaring komen we het zelf niet tegen. Dit komt omdat we ervaring krijgen door zintuigen en de meesten hiervan zijn illusies. Kritiek: Maar toch waarnemen wij het zelf, dus het kan niet kloppen dat het zelf niet bestaat.  

Kant: Zelf is niet te vinden in ervaring, maar het zelf bestaat wel. Dit 'iets' dat een voorwerp kan waarnemen is het zelf. Het zelf is geen object van ervaring, maar de mogelijkheid ervan, zonder een zelf hadden we namelijk geen ervaringen. Kritiek: Het zelf moet met deze logica eerst ontstaat en dan pas ervaringen, hoe ontstaat het zelf dan? Het zou raar zijn om te zeggen dat we zelf zomaar verschijnt en dat hiermee ervaringen worden bezichtigd.

Descartes: René Descartes probeert het zelf te begrijpen als 'iets' dat de geest is. Het lichaam en de geest zijn beiden een ding van dezelfde categorie. Dit heet in de filosofie het dualisme. Maar men kan kritiek leveren op Descartes, hij probeert de geest probeert te begrijpen als hetzelfde ding als een lichaam. Dit is een categoriefout.

Merleau-Ponty: Het narratief zelf bestaat, het zelf is ergens in het lichaam. Volgens Merleau-Ponty is het zelf ergens in het geleefde lichaam. Wij zijn een lichaam en zonder dit is er geen ervaring mogelijk. Het lichaam heeft dus de mogelijkheidswaarde voor ervaring, maar het is ook het object van ervaring. Het lichaam is een ankerpunt van het narratief zelf. Dit geeft echter nog geen antwoord op de vraag waar het zelf precies is.

16. De kandidaten kunnen het breinreductionisme van Thomas Metzinger, Dick Swaab en Victor Lamme weergeven, toepassen en bekritiseren.

Metzinger: Zelf bestaat niet en alle ervaringen komen uit de hersenen.                                                                        Swaab: Zelf is een verzameling hersenprocessen, wij zijn enkel hersenactiviteiten.                                                 Lamme: Vrije wil bestaat niet, de brein is de baas over het lichaam.                                                                                       Deze filosofen en hun gedachtes vormen samen aanhangers van het breinreductionisme.

Breinreductionisme: Het zelf bestaat niet, het is enkel het gevolg van de hersenen. Breinreductionisten zoeken het zelf in de hersenen. Het zelf komen we wel tegen in ervaring. Wanneer iemand een handeling verricht, is dit een oorzaak van de hersenen, hierdoor ontstaat ervaring, maar hierin vinden breinreductionisten geen zelf.

Het probleem hiermee is echter dat de hersenen kunnen worden misleidt, net als zintuigen. Daarom zeggen tegenstanders over de breinreductionisten dat het zelf niet kan worden gevonden in ervaring.

17. De kandidaten kunnen de sceptische argumentatie van Hume ten aanzien van persoonlijke identiteit weergeven en uitleggen welke rol losse percepties, de geest als theater, introspectie en verbeelding daarin spelen.

David Hume is een voorstander van het empirisme, oftewel kennis komt voort uit ervaring en waarneming.

Hume vindt dat het zelf wel bestaat, namelijk als een soort theater, waarin de toeschouwer alle ervaring waarneemt. Maar dit theater bestaat niet echt als object. Hume zegt dat alle zintuigen zoals ruiken, voelen en zien kunnen worden misleidt, daarom is er niet een 'ik' die deze losse percepties waarneemt. Ook is er geen sprake van numerieke identiteit. Hume concludeert dat het zelf niet bestaat als iets dat door de tijd heen hetzelfde blijft.

Sceptische argumentatie Hume:                                                                                                                                       - Alle ideeën komen uiteindelijk voort uit ervaring. Dit komt overeen met de stroming van het empirisme.                               - Zelf is daarom ook af te leiden uit ervaring, het zelf bestaat immers uit ideeën. Als het zelf bestaat, is dit een object van ervaring.                                                                                                                                                                                          - Maar zintuigen zijn niet stabiel of voortdurend. Je herinnert je de geur van een aardbei anders dan wanneer je het echt rook. - Daarom concludeert Hume dat er geen stabiel en voortdurend zelf kan bestaan, omdat het zelf voort komt uit ideeën en deze komen voort uit ervaring, die je weer krijgt door middel van zintuigen en deze zintuigen zijn misleidend.

Hume wijst daarnaast op de menselijke verbeeldingskracht, we verbeelden ons dat objecten hetzelfde blijven, daarentegen is eigenlijk niks stabiel of voortdurend. Een plantje die groeit tot een eik is duidelijk langzaam verandert maar nog steeds dezelfde plant. Iets dat snel verandert denkt men dat het inderdaad snel verandert, maar Hume zegt dat bij beide gevallen het object veranderd, de snelheid maakt niet uit.

Hume zoekt het zelf in ervaring door middel van waarneming, deze waarneming moet innerlijk gebeuren, wat Hume ook wel introspectie noemt.

18. De kandidaten kunnen Kants kritiek op Humes opvatting over het bestaan van het zelf weergeven en vergelijkbare kritiek formuleren op het breinreductionisme.

 

Kant vindt dat Hume de verkeerde conclusie maakt. Hij is het eens met dat we het zelf niet tegenkomen in ervaring, maar dan mag je nog niet concluderen dat het zelf niet bestaat. Kant zegt dat Hume op de verkeerde plek zoekt. Bijvoorbeeld de waarneming van een wit paard. Hume zegt dat er verschillende waarnemingen zullen plaatsvinden die zullen leiden tot ervaring, tussen geen van deze waarnemingen is het zelf te vinden. Toch vind Kant dat er 'iets' is dat deze losse ervaringen waarneemt. Kant zegt dat dit 'iets' geen object van ervaring is, maar een mogelijkheid ervan. Kant noemt het zelf transcendentaal. Zonder een zelf zouden we überhaupt geen ervaring hebben.

 

Kant's kritiek kan ook worden toegepast op het breinreductionisme. Kant zou zeggen dat we ook op de verkeerde plek zoeken in de hersenen, omdat we daar al helemaal geen zelf tegen komen, zelfs niet met een hersenscan. Dit is voor de breinreductionisten een argument dat het zelf niet bestaat, Kant zou zeggen dat dit wederom een verkeerde conclusie is. Er is namelijk alweer 'iets' dat de activiteiten in de hersenen samenhoudt. Dat 'iets' is het zelf en moet bestaan, anders is er volgens Kant geen ervaring mogelijk.

 

 

 

19. De kandidaten kunnen uitleggen dat het substantiedualisme van Descartes volgens Gilbert Ryle berust op een categoriefout en het begrip ‘categoriefout’ gebruiken in kritiek op opvattingen over het bestaan van het zelf.

Volgens Descartes bestaat het de mens uit twee dingen, de lichaam en de geest. Dit is zijn substantiedualisme. Descartes probeert deze geest te begrijpen als een ding. Ryle zegt daarentegen dat Descartes een categoriefout maakt, een fout die inhoudt dat je denkt dat iets in dezelfde categorie behoort. Een voorbeeld hiervoor is bijvoorbeeld wanneer je naar een universiteit gaat, je komt lang alle gebouwen van de universiteit maar je vraagt je uiteindelijk af. Waar is de universiteit? Volgens Ryle maak je dan een categorie fout, de universiteit bestaat niet op dezelfde manier als alle gebouwen die samen de universiteit vormen.

Het kritiek van Ryle op Descartes is hierdoor dat het lichaam een ander 'ding' is dan de geest. De oorzaak-gevolgrelaties van de geest is ook anders dan die van het lichaam. De twee dingen behoren simpelweg niet tot dezelfde categorie. Ryle beschrijft dit als een ''spookachtige machine''. Omdat de geest hiermee hetzelfde vage is als het lichaam kan het van alles zijn. Breinreductionisten blijken te veronderstellen dat het 'ik' in de hersenen hetzelfde object kan zijn in dezelfde categorie als tafels of paarden. Het zelf zal volgens Ryle nooit waarneembaar zijn, omdat we via hersenonderzoek nooit kunnen zeggen dat een bepaald groepje cellen het zelf vormt, dat is onwaarschijnlijk.

20. De kandidaten kunnen de opvatting van Dennett over het bestaan van het zelf weergeven en toepassen. Daarbij kunnen zij met een voorbeeld uitleggen dat het zelf volgens Dennett bestaat als een narratief zwaartepunt.

Volgens Dennett bestaat het zelf als een zwaartepunt als in een object. Bijvoorbeeld het zwaartepunt van een stoel, we zien deze abstractie niet, maar het zwaartepunt is wel manipuleerbaar. Echter, heeft het zelf geen gewoon zwaartepunt, maar een narratief zwaartepunt. Het narratief zwaartepunt houdt in dat het verhalend is, oftewel het zelf is het centrum waarop we alle verhalen van onszelf op betrekken en hoe we die begrijpen. Bijvoorbeeld het verhaal van onze jeugd, onze eerste kus, onze eerste minnaar. Of bijvoorbeeld dat het zelf lijkt op een romanpersonage. Iemand die schrijft: 'Noem mij Dennett.' Daarvan kunnen we zeggen dat dit fictieve persoon ook een zelf heeft. Omdat het dezelfde eigenschappen, verlangens en ideeën heeft als een echt iemand die dat zou opschrijven. Is een fictioneel zelf alleen te creëren door een echt zelf? Dennett stelt al dat er een romanmachine kan worden uitgevonden, die personages opschrijft alsof ze echt zijn. Echt als in dat ze een zelf hebben en dat zelf lijkt gemaakt te zijn door een 'echt' zelf. Want wat maakt ons anders dan de computer?

21. De kandidaten kunnen aan de hand van Dennett's gedachte-experiment, waarin hij wordt losgekoppeld van zijn brein, zijn functionalistische opvatting over de menselijke geest uitleggen en beoordelen in hoeverre Dennett bewijst dat onze geest niet afhankelijk is van ons lichaam.

 

Het gedachte-experiment van Dennett gaat als volgt: Dennett wordt losgekoppeld van zijn lichaam en zijn brein wordt in een vat gezet. Zijn lichaam gaat op een missie naar het midden van de aarde. Maar door omstandigheden overlijdt Dennett's lichaam en blijft zijn brein in het vat over. Het brein wordt via een supercomputer aan een nieuw lichaam gekoppeld, vervolgens blijft de data van het brein op de computer. Dennett heeft een nieuw lichaam en op de computer staat nog steeds zijn identiteit. Deze dubbele identiteit die is ontstaan brengt een functionalistische opvatting met zich mee. Waar is namelijk de echte Dennett nu gebleven? Is die al gestorven, is het het nieuwe lichaam of is Dennett nog steeds op de computer?

 

Het gedachte-experiment vertelt ons dat we prima zonder ons lichaam kunnen leven en dat het uiteindelijk allemaal om onze geest draait. Het brein is het enige dat nodig is voor het zelf. Maar zelfs het brein is niet nodig voor zijn voortbestaan, het kan op een supercomputer worden gezet en zelfs functioneren op een kunstmatig brein. De geest is volgens Dennett het enige nuttige om te blijven leven. Dit bewijst ook dat we in theorie niet afhankelijk zijn van ons lichaam, omdat we prima zonder kunnen voortleven. Dit kunstmatige zal wel sterk moeten lijken op een echt menselijk schedel. Ook blijft het een deel van het zelf dat het handelt rond zijn lichaam, het zelf zal zich anders gedragen zonder lichaam. Kortom, de lichamelijke vermogens zijn een deel geworden van het zelf, het kan worden losgekoppeld, maar is het dan nog wel een mens? Niettemin, blijft dit een gedachte-experiment en moet nog allemaal in de toekomst aangetoond worden.

 

22. De kandidaten kunnen uitleggen dat we volgens Merleau-Ponty niet alleen een lichaam hebben maar ook een lichaam zijn. Daarbij kunnen zij uitleggen dat het lichaam kan worden opgevat als mogelijkheidsvoorwaarde voor ervaring en als ankerpunt van het narratieve zelf.

Volgens Merleau-Ponty zijn en hebben wij een ''geleefde lichaam'', omdat ons lichaam een geschiedenis heeft en niet dat het alleen een levenloos voorwerp is die alleen dient voor het zelf. Zonder een lichaam is ervaring niet mogelijk, daarom hebben wij een lichaam. We hebben bijvoorbeeld ons lichaam wanneer het in de weg ligt, als we willen dansen maar ons lichaam is stijf, of wanneer we een presentatie geven en je loopt rood aan. Dit lichaam is net als Kant zei een mogelijkheidswaarde voor ervaring. Met deze mogelijkheid is het lichaam ook een object van de ervaring zelf, oftewel je voelt wanneer je wordt aangeraakt van binnen en van buiten. Ook kunnen we met gesloten ogen onze neus aanraken. Dit is allemaal bewijs waarom we een lichaam hebben en dat maakt dat we een zelf hebben.

Het lichaam kan volgens Merleau-Ponty ook als ankerpunt gezien worden van het narratieve zelf. Verhalen die we onszelf vertellen centeren rondom het zelf en zit geankerd in het lichaam. Ons zelf zweeft niet ergens ver van ons lichaam, maar zit in ons lichaam. Deze verhalen van het narratieve zelf zorgen ervoor dat het zelf en lichaam in tijd en ruimte bij elkaar worden gebracht. Wanneer iemand bijvoorbeeld zegt: ''Ik ga weg, want ik ben moe.'' Hierover kun je zeggen dat een computer een ander zelf zou hebben in dit geval. Een computer gaat nooit ergens heen en is ook nooit moe. In velen anderen voorbeelden zoals iemand in een rolstoel, een topsporter of een transseksueel spelen allemaal het lichaam een rol en is noodzakelijk voor het zelf. Andersom wordt ons lichaam ook beïnvloed door ons zelf. Bijvoorbeeld lichaamsstaal.

In conclusie: Wanneer we vragen: ''Waar is het zelf en wie is dat dan?'' Is een mogelijk antwoord: Het zelf is een narratief zwaartepunt, oftewel een fictieve abstractie met een lichaam als ankerpunt, dus het zelf is geankerd in het lichaam en beiden, zowel lichaam als het zelf hebben invloed op elkaar. Het zelf is sowieso ergens in het lichaam.

23. De kandidaten kunnen aan de hand van het verschil tussen een wetenschappelijk en een manifest wereldbeeld beargumenteren wat het betekent dat een zelf al dan niet –echt- bestaat.

Filosoof Sellars onderscheid het wereldbeeld onder twee begrippen: Wetenschappelijke wereldbeeld: Wereld die bestaat uit alles van de wetenschap, met name neuronen, atomen en natuurwetten. Manifeste wereldbeeld: Wereld die bestaat uit de alledaagse praktijk, de gedachten, de verlangens en de ervaring van ons zelf.

Sellars stelt dat het manifeste wereldbeeld niet minder 'echt' is dan het wetenschappelijke wereldbeeld, het is anders. Voor Sellars is de vraag ''Hoe hangen deze twee werelden samen?'' belangrijk.

 

Het zelf bestaat dus niet echt omdat het behoort tot het manifeste wereldbeeld en het zelf kan worden aangetoond door waarnemingen. Bijvoorbeeld in een hersenscan volgens breinreductionisten, in ervaring volgens Hume, volgens Kant juist als mogelijkheidswaarde van ervaring, volgens Dennett als narratief zwaartepunt en volgens Merleau-Ponty als geleefde lichaam. Maar sowieso moet er een zelf waargenomen worden door een ander zelf, en dit is qua zintuigen niet mogelijk.

 

Primaire tekst (3): David Hume , A Treatise of Human Nature, Book I, Part 4, Section 6: ‘Of Personal Identity’.

24. De kandidaten kunnen beargumenteren dat volgens Hume persoonlijke identiteit een taalprobleem (en dus geen filosofische probleem) is. Daarbij kunnen zij uitleggen tot welk misverstand de voorstelling van de geest als theater kan leiden.

 

Perceptie: zintuiglijke waarneming, meestal subjectief.

David Hume is een empirist en haalt dus kennis uit ervaring.

Andere filosofen stellen dat het zelf bestaat. Hume stelt dat het zelf niet bestaan omdat het alleen kan worden afgeleid uit ervaring en deze ervaring hebben we niet of onze zintuigen zijn misleidend. Onze percepties komen langs in ons hoofd als een soort theater. Maar dit metafoor moet je volgens Hume niet letterlijk nemen, ook dit theater is een illusie. Noch het theater noch het materiaal van de scènes bestaat niet of mogen we niet benoemen. De geest is dus een theater, maar het bestaat niet zoals wij het in de materiële wereld kennen, laat staan het zelf.

 

Een misleiding van dit metafoor kan leiden tot het denken dat wij hetzelfde blijven naarmate tijd. Hume vindt dat wij geen numeriek identiteit hebben. In plaats daarvan veranderen wij voortdurend en is ons zelf niet stabiel. Wij hebben nou eenmaal de neiging om te zeggen dat iets hetzelfde moet blijven naarmate tijd. Bijvoorbeeld een plantje die groeit tot een grote eik, dit is duidelijk dezelfde plant. Maar een chemische reactie die met een hoge reactiesnelheid verloopt zullen we stellen dat het duidelijk verandert is in iets ander. Maar bij beide gevallen veranderen de objecten constant.

 

Daarnaast schrijven wij een identiteit toe aan deze objecten, maar Hume vindt dat de identiteit van planten, dieren en mensen allemaal onder dezelfde categorie van dit soort vallen. Het zelf zal nooit beantwoord worden, dit komt omdat wij mensen slechts een begrip aan onze percepties hebben gegeven. Het probleem van de identiteit is een taalprobleem en geen probleem voor de filosofie. Alle disputen (discussies) gaan over de woorden en niet over de feiten van het zelf.

 

Primaire tekst (4): Shaun Gallagher & Dan Zahavi (2008), The Phenomenological Mind: An Introduction to Philosophy of Mind and Cognitive Science, chapter 7 &

Primaire tekst (5): Maurice Merleau-Ponty (1945), Fenomenologie van de waarneming, deel III.

25. De kandidaten kunnen Dennetts gedachte-experiment (zie eindterm 21) beoordelen aan de hand van het fenomenologische onderscheid tussen het objectieve lichaam (lichaam-als-object) en het geleefde lichaam (lichaam-als-subject).

 

Fenomenologie: Stroming die verschijnselen wil leren zoals zich ze voordoen, zogenaamde fenomenen.

Het lichaam is iets dat fenomenologisch onderzocht kan worden, omdat het een transcendentaal iets is dat een relatie heeft met onze geest en anderen. Het cartesiaans dualisme van de lichaam en de geest wordt door Gallagher en Zahavi verworpen, omdat er zoiets is als de ''belichaamde geest''. Dit is het idee dat een geest in een lichaam zit of dat een lichaam begeesterd is. Afgeleid van Merleau-Ponty die stelt dat het lichaam de geest als het ware omhult. De samenhang van het lichaam zorgt ervoor dat de geest de oriëntatie van zijn eigen lichaam en geest begrijpt. Je lichaam aanwijzen met een ander voorwerp, bijvoorbeeld een liniaal, is bijzonder moeilijk. Ons lichaam staat dus niet los van onze geest. Merleau-Ponty stelt dat wij ons lichaam als een soort verlenging moeten begrijpen van onze geest.

 

Het geleefde lichaam valt onder een derde categorie, want het is geen natuur, lichaam, subject of object. Het lichaam is niet alleen een object dat zintuigen kan ervaren, zoals ruiken, horen, proeven. Het is ook in staat om te ruiken, te horen en te proeven, oftewel een principe van ervaring. En het lichaam kan zichzelf onderzoeken, zoals fenomenologen doen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het objectieve lichaam en het geleefde lichaam. Het objectieve lichaam behoort tot de tweede categorie van het dualisme van Descartes met als eerste categorie de geest. De derde categorie is daarom het geleefde lichaam en kan vanuit het eerste of derde persoonsperspectief naar zijn lichaam kijken. De kijk op het geleefde lichaam is eigenlijk via een fenomenologisch perspectief. Het lichaam is een handelend subject in plaats van een object omdat de geest niet kan denken zonder het lichaam.

 

Ons lichaam maakt hoe we denken en hoe we denken maakt hoe ons lichaam zich voelt.

Iemand heeft onbewust besef van de houding en plaats van zijn lichaam. Dit noemen fenomenologen een belichaamd besef.

Voorbeelden van dit besef kan je zien uit wanneer je zwaar gegeten hebt en je geest en lichaam zich traag voelt. Je kan je energiek voelen na het sporten. Je kan depressief raken na het horen van slecht nieuws, wat je ook voelt aan je lichaam. Het geleefde lichaam is ook bepalend voor hoe je de wereld om je heen ziet. Al deze aspecten laten zien hoe je leeft, hoe je voelt en de mogelijkheid en grenzen van je lichaam. 

 

Dennett's gedachte-experiment

Even snel een terugblik op het gedachte-experiment van Dennett: Dennett wordt losgekoppeld van zijn lichaam, overlijdt en zijn brein overleefd het. Het brein wordt op een supercomputer gezet en Dennett krijgt een nieuw lichaam. Maar het geheugen op de supercomputer zorgt voor een dubbele identiteit.

 

Wanneer we dit gedachte-experiment bekijken op een cartesiaanse manier van Descartes hemzelf, ofwel het zien van een lichaam als object, zien we dat het brein, oftewel de geest inderdaad losgekoppeld kan worden van het lichaam. Er is immers sprake van een dualisme die stelt dat deze twee objecten zonder elkaar kunnen leven. Dennett kan ook makkelijk voortleven in zijn nieuwe lichaam. De dubbele identiteit zorgt wel voor een probleem. Maar ik denk dat Descartes zou zeggen dat de echte Dennett in het nieuwe lichaam zit en niet in de computer, want je hebt een geest en een lichaam nodig om een persoon te zijn.

 

Vanuit het fenomenologische perspectief van Gallagher en Zahavi zou je kunnen stellen dat het geleefde lichaam, een lichaam als subject, niet zonder de geest kan leven. Je lichaam maakt wat je bent en staat in relatie met je geest. Ook als zou je iemands brein loskoppelen, dan is de vraag maar hoe goed de geest zou functioneren. Dennett's brein zou anders handelen zonder lichaam en minder humaan zijn. Verder is dan de rest van het gedachte-experiment irrelevant omdat het brein depressief of hersendood zou zijn zonder lichaam en we hier niet meer kunnen spreken van een persoon in een geleefd lichaam. Het brein in de supercomputer mag dan wel exact Dennett's persoonlijkheid hebben in het geheugen, maar je zou het niet naar een nieuw lichaam kunnen uploaden aangezien je het in de eerste instantie al niet kan loskoppelen. Ook al zou het kunnen, dan is Dennett in dit nieuwe lichaam totaal niet afgesteld op zijn nieuwe omhulling en dit belemmert zijn geest en persoonlijkheid. Dennett krijgt een andere persoonlijkheid.

 

Primaire tekst (6): Marya Schechtman (1996)– The constitution of selves &

Primaire tekst (7): Lynne Rudder Baker – 'Making sense of ourselves: self-narratives and personal identity', Phenomenology and the Cognitive Sciences

26. De kandidaten kunnen uitleggen wat Schechtmans onderscheid tussen de karakterisatievraag en de vraag naar numerieke identiteit inhoudt en Bakers kritiek hierop weergeven en uitleggen.

 

karakteriseringsvraagstuk: de vraag naar de set kenmerken die ene persoon maakt wie die gene is.

Deze kenmerken omvatten alle handelingen, ervaringen, overtuigingen, waarden en verlangens die een mens heeft. Het vraagstuk gaat niet over numerieke identiteit maar over kenmerken. Schechtman onderscheid daarom de vraag naar karakter van numerieke identiteit. De vraag naar numerieke identiteit is heridentificatie. Dit gaat om wat het maakt dat jij door de tijd heen hetzelfde blijft en dat twee personen niet hetzelfde zijn. Identiteit betekent voor Schechtman de set kenmerken die een bepaald persoon tot die persoon maken. Bij een onzekerheid van deze kenmerken spreek je van een identiteitscrisis. Het karakteriseringsvraagstuk moet een antwoord geven op welke kenmerken daadwerkelijk van een bepaald persoon zijn en hoe je daarachter komt.

 

Haar karakterisering wordt bepaald met een zelfbeeld dat narratief van vorm is. Een zogeheten narratief zelfbeeld is een verhaal van jouw belevenissen, plot en ervaring. Dit zelfbeeld is zelfscheppend door het persoon. Een persoonlijkheid wordt gemaakt door narratief je zelfbeeld te vormen. Een persoon is dus iemand die een narratief zelfbeeld heeft gevormd. Dit geeft een antwoord op het karakteriseringsvraagstuk.

 

Lynne Rudder Baker heeft hier echter kritiek op. Baker stelt eerst dat het bestaan van een persoon belangrijk is. Baker vindt het onderscheid tussen numeriek identiteit en de kenmerken van een persoon niet echt nodig omdat het dicht bij elkaar ligt. Als eerste kritiek punt is het zelfbeeld zelfscheppend, maar wie schept het dan? Alleen een persoon kan een narratief scheppen, maar hiervoor moet je eerst een persoon zijn, wat problematisch is. Ten tweede kan een kind of mentaal gehandicapte geen persoon zijn, omdat die geen narratief zelfbeeld hebben, toch rekenen wij die mensen toch tot personen. Of wanneer iemand geen narratief verband heeft in zijn leven omdat die gene op een andere manier denkt. Tot slot is er nog het duplicatieprobleem wat inhoudt dat mensen die exact dezelfde narratieven hebben volgens Schechtman dan dezelfde persoon zijn, terwijl wij dit immers willen voorkomen. Baker stelt dus dat het antwoord op de identiteit van een mens en zijn kenmerken niet te beantwoorden zijn met narratieven.

 

Filosofen

David Hume (1711-1776)

Tijdgenoot van Thomas Reid.

Empirist, veel invloed op Kant. Hij kwam uit een arme familie. Zijn eerste boek ''Traktaat over de menselijke natuur'' verkocht slecht. Gevoelens hebben een grotere invloed dan logica. Wij denken dat we zo rationeel mogelijk moeten zijn, maar in plaats van daarvan zijn we gemotiveerd door onze gevoelens en moeten we ze juist krijgen voor onze passie. Men moet leren in passies. Je moet communiceren met empathie, aanmoediging en goede voorbeelden. Hume stelt dat je bijna nooit moet redenen met logica en feiten. Hume was agnost, hij vond dat er geen rationele argumenten voor god waren en eigenlijk maakte het bestaan van god hem niet veel uit. Daarom moeten we religieuze mensen niet aanvallen met allerlei feitelijke argumenten, maar in plaats daarvan hun geloof respecteren, omdat logica niet de 'kern' is van religie. Ook zei Hume dat het zelf niet bestaat. Hij had ook kritiek op Descartes, die zei dat we niks moeten geloven wat niet zeker weten of rationeel is. Hume zegt dat je niet verder komt als je overal aan twijfelt en dat je de nuttigheid van je overtuigingen moet gebruiken. Hume sprak veel over het gezond verstand. Hume schreef ook over ethiek en hoe mensen moraal kunnen zijn. Mensen zijn aardig door gevoelens te hebben en niet door logica. Hume wou antwoorden vinden over iemands persoonlijke leven. Hume was geliefd onder het volk en was een aardige man om mee te praten. Hume zei: ''Wees een filosoof, maar te midden van de filosofie, wees nog steeds een persoon.'' Hume heeft de filosofie geleerd dat het nog veel te leren heeft over gezond verstand. 

 

Marya Schechtman (1960-heden)

- karakteriseringvraagstuk

Lynne Rudder Baker (1944-2017)

- Kritiek op Schechtman

 

Shaun Gallagher (heden) Ierse Filosoof, houdt zich bezig met kennis, identiteit en mentale stoornissen.

Eerste boek: 1992, tot het heden. Hij is ongeveer 60 jaar oud.

Dan Zahavi (1967-heden) Hij is 50 jaar. Deense filosoof. Professor in Kopenhagen.

Houdt zich bezig met fenomenologie en sociale cognitie.

 

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) Franse fenomenologisch filosoof. Kritiek op Descartes.

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3

27. De kandidaten kunnen de verschillende theorieën over zelfkennis, te weten de introspectietheorie, de interpretatietheorie en de deliberatietheorie weergeven, vergelijken en bekritiseren.

 

Introspectietheorie: De theorie van Descartes die inhoudt dat zelfkennis wordt verkregen door introspectie, naar binnen kijken. Met introspectie kijk je als het ware naar binnen hoe jij je voelt, wat je denkt en wat je overtuigingen zijn. Naar binnen kijken doe je dan om de twee begrippen onfeilbaarheid en alwetendheid te leren kennen en vergroten. Hiermee krijg je kennis tot al jouw mentale toestanden en welke mentale toestand je op elk moment begeeft. Deze kennis is direct, omdat je altijd meteen weet hoe jij je voelt. Kennis door waarnemen is indirect omdat zintuigen misleidend kunnen zijn. Er bestaat wel een verschil tussen kennis en kennis van anderen.

 

Kritiek: Echter, kan je meestal pas later weten hoe je je voelde of hoe je dacht. Deze manier van zelfkennis is veel te hoog gegrepen voor een normaal mens. De neocartesiaanse versie van deze theorie is hetzelfde alleen zonder deze twee begrippen. Maar introspectie kan volgens Wittgenstein tot solipsisme leiden. Alleen jij weet hoe jij je voelt en dit kan je onmogelijk aan iemand anders doorgeven, jij hebt immers alleen zelfkennis over jouw eigen bewustzijn en jij kan ook niet in andermans zijn bewustzijn kijken. De pijn voor de een verschilt van de pijn voor een ander.

 

Interpretatietheorie: De theorie van Ryle houdt in dat zelfkennis wordt verkregen door middel van interpretatie. Je interpreteert een situatie op jouw manier. Deze situatie is meestal pas achteraf. Er bestaat dus geen verschil tussen zelfkennis en kennis van anderen. Een kritiek hierop kan zijn dat mensen zich hierin snel kunnen vergissen, omdat je niet altijd iets op dezelfde manier goed interpreteert.

 

Deliberatietheorie: Moran's theorie over zelfkennis houdt in dat de wereld en jijzelf wordt begrepen door middel van deliberatie. Zelfkennis wordt verkregen door redenen. Moran bedoelt met zijn eerstepersoonsautoriteit dat een persoon rationeel denkt en handelt. Moran stelt dat er wel een verschil tussen zelfkennis en kennis van anderen bestaat. Maar soms handelt een persoon uit gevoel en niet uit redenen, wat een gebrek is in de theorie.

 

28. De kandidaten kunnen aan de hand van de begrippen ‘onfeilbaarheid’ en ‘alwetendheid’ een onderscheid maken tussen de introspectietheorie van Descartes en die van Neocartesianen.

Onfeilbaarheid: De eigenschap dat jij je niet kunt vergissen als het gaat om welke mentale toestand je nu hebt.

Alwetendheid: De eigenschap dat jij de kennis hebt over al je mentale toestanden.

Introspectietheorie van Descartes: Zelfkennis wordt gezien als introspectie, een soort innerlijke waarneming.

Introspectietheorie van Neocartesianen: Zelfkennis via introspectie, alleen zonder onfeilbaarheid en alwetendheid.

 

De introspectietheorie van Descartes geeft een mogelijk antwoord op de vraag: Wat is het verschil tussen de kennis van onszelf en van anderen? Descartes benadert zelfkennis met introspectie, naar binnen kijken. De dingen om je heen, de buitenwereld, behoren niet tot jou, wanneer je naar jouw gevoelens, verlangens en ideeën kijkt, ben je bezig met innerlijke waarneming, oftewel introspectie. Twee begrippen die Descartes hierbij gebruikt zijn onfeilbaarheid en alwetendheid.

 

Maar zogenaamde neocartesianen vinden deze begrippen te hoog gegrepen voor de zelfkennis van de normale mens. Neocartesianen houden wel vast aan het idee van introspectie omdat naar de buitenwereld kijken voor zelfkennis niet altijd een betrouwbare bron is, je zintuigen kunnen misleidend zijn en soms kan je ergens sceptisch over zijn. Verder is zelfkennis via introspectie direct, je weet direct zonder na te denken hoe jij je op dit moment voelt. Iemand weet zelf het beste wat hij nu voelt, denkt of van overtuigd is. Dit valt onder de eerstepersoonsautoriteit, datgene wat jij voelt of denkt, wat in de filosofie niet snel in twijfel wordt getrokken.

 

29. De kandidaten kunnen aan de hand van het voorbeeld van de kever in het doosje de kritiek van Ludwig Wittgenstein op de introspectietheorie weergeven. Zij kunnen daarbij uitleggen dat volgens Wittgenstein de introspectietheorie tot solipsisme leidt en dat zelfkennis een sociale aangelegenheid is.

 

Ludwig Wittgenstein: Filosoof die veel bezighield met communicatie en taal.

Wittgenstein heeft kritiek op de introspectietheorie. Hij stelt: ''Ik heb pijn.'' Is dit dezelfde pijn die iemand anders voelt? Niemand heeft kennis over mijn mentale toestand, hoe moet ik ooit mijn interne wereld overbrengen naar die van iemand anders? Een voorbeeld die hij gebruikt is ''de kever in het doosje''. De kever is jouw ervaring van pijn en het doosje is jouw bewustzijn. Jij kan in jouw doosje kijken, jouw bewustzijn, maar niemand kan in het doosje van iemand anders kijken, dus introspectie plegen op iemand anders zijn bewustzijn. En de kever, oftewel de ervaring van iemand veranderd constant. Woorden worden nutteloos en hierdoor leidt de introspectietheorie tot solipsisme: een toestand waarin jij de wereld om je heen niet begrijpt en je bent helemaal alleen, omdat je alleen jezelf begrijpt.

 

Wittgenstein stelt dat communicatie ten eerste moet verlopen in plaatjes, maar dat taal niet het belangrijkste is, het is namelijk een hulpmiddel. Zelfkennis is een sociale aangelegenheid die in een context gebruikt moet worden. Om woorden betekenis te geven, moet je weten in welke context je ze zegt. Wittgenstein noemt dit het taalspel. In dit spel weet je de regels van elke woorden en in welke context je ze moet gebruiken. Om iemand te begrijpen, moet je weten vanuit welk doel die gene spreekt, oftewel welk spel. De introspectie theorie handelt dus van binnen naar buiten, eerst proberen we de kennis van al onze mentale toestanden te krijgen en op basis daarvan proberen we anderen te begrijpen. Wittgenstein daarentegen draait het om, eerst probeer je de wereld om je heen en de woorden te begrijpen, en vanuit dat punt probeer je jezelf te begrijpen.

 

30. De kandidaten kunnen uitleggen wat confabulatie is en welke gevolgen het bestaan ervan heeft voor eerste-persoons-autoriteit.

 

Confabulatie: Het verzinnen van een verhaal om je handeling goed te praten.

Eerstepersoonsautoriteit: Wat jij denkt of voelt, vanuit jouw gedachtegang.

 

Confabuleren is het verzinnen van verhalen om je handelingen te rechtvaardigen. Zoals breinreductionisten zouden zeggen, we zijn een kwebbeldoos. Dit trekt de eerstepersoonsautoriteit van iemand in twijfel omdat blijkbaar niet alles wat een persoon direct zegt is waar. Ook wat een persoon denkt dat hij denkt kan in twijfel worden getrokken omdat het niet overeenkomt met dit persoon zijn ware gedachten. De eerstepersoonsautoriteit wordt in de filosofie niet vaak in twijfel getrokken, maar met bepaalde experimenten die confabulatie aantonen wel.

 

Een kritiek hierop van voorstanders van de introspectietheorie kunnen zeggen dat dit soort experimenten niks zeggen over het dagelijkse leven. Ook kunnen deze mensen inderdaad dingen goed praten tegenover een ander, maar dit veranderd niks aan hun eerstepersoonsautoriteit, omdat je kan zeggen dat het verantwoorden van je handelingen niet noodzakelijk voor iemands zijn zelfkennis is.

 

31. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld aangeven welke overeenkomsten en verschillen er volgens de interpretatietheorie zijn tussen zelfkennis en kennis van anderen.

 

Interpretatietheorie: Er bestaat geen verschil tussen zelfkennis en kennis van anderen.

Gilbert Ryle stelt dat zelfkennis een kwestie van interpretatie is en niet van introspectie. We hebben juist geen toegang tot onze directe mentale toestanden, in plaats daarvan weten we pas wie we zijn of wat we willen na een gebeurtenis. Vaak achteraf weten we pas wat we willen, introspectie is te hoog gegrepen. Ryle maakt geen onderscheid tussen zelfkennis en kennis van anderen, maar hiermee is er wel de mogelijkheid tot meer of andere informatie van anderen. Er bestaat ook geen verschil tussen directe en indirecte zelfkennis. Al onze zelfkennis is indirect en gebaseerd op hoe wij een situatie of gebeurtenis interpreteren. Maar je kan ook jezelf verkeerd interpreteren, fouten zijn immers menselijk en je bent je niet van elke handeling of gedachte bewust.

 

32. De kandidaten kunnen uitleggen wat Richard Moran met ‘eerstepersoonsautoriteit’ bedoelt, en vanuit de deliberatietheorie van Moran zowel de introspectietheorie als de interpretatietheorie bekritiseren.

Delibereren: overleggen, afwegen met jezelf. Of gezamenlijk met de wereld om je heen.

Deliberatie: overleg, afweging in jezelf. Of met anderen.

 

De theorie van Richard Moran is gebaseerd op de gedachte dat er een direct verband bestaat tussen het eerstepersoonsautoriteit en wat je ergens van vindt. Bijvoorbeeld wanneer je jezelf deze vraag stelt: ''Komt er een derde wereldoorlog?'' Volgens de introspectietheorie kijk je dan naar binnen naar jouw gevoelens en overtuigingen wat jij denkt van deze vraag. Hiermee kom je niet ver. Maar volgens Moran kijk je juist naar buiten, naar de wereld om je heen. Je beantwoordt de vraag met jouw zelfkennis en jouw kennis van de wereld. Zelfkennis wordt dus verkregen uit redenen. Bijvoorbeeld jouw overtuiging is dat je alle mensen gelijk vindt en jijzelf vindt dat ook. Moran bedoelt met zijn eerstepersoonsautoriteit dat een persoon rationeel denkt en handelt. Moran stelt dat er wel een verschil tussen zelfkennis en kennis van anderen bestaat. De interpretatietheorie werkt ook niet bij deze vraag omdat je ook naar binnen kijkt en niet naar de wereld om je heen. Kritiek op de deliberatietheorie van Moran kan zijn dat gevoelens of emoties soms lastig zijn te beredeneren en men kan impliciete vooroordelen hebben.

 

33. De kandidaten kunnen uitleggen wat impliciete oordelen zijn en dat ze een probleem kunnen vormen voor de deliberatietheorie van Moran.

Impliciete vooroordelen: Vooroordelen die onbewust zijn.

 

Impliciete vooroordelen ondermijnen het eerstepersoonsautoriteit, omdat deze vooroordelen onbewust zijn. Impliciete vooroordelen zijn stereotypen die moeilijk te corrigeren zijn, ze zijn impliciet oftewel onbewust. Ze gaan in strijd met jouw overtuigingen. Deze vooroordelen denk je misschien onbewust, ze beïnvloeden je gedrag wel. Zelfs het bewust worden van deze vooroordelen maken het nog steeds moeilijk om bijvoorbeeld positieve woorden te koppelen aan buitenlanders, ook al ben je ervan overtuigd dat er niks mis is met buitenlanders. Maar je kan ook suggereren dat wat mensen vaak zeggen, dat ze dat niet denken. Wanneer iemand spreekt of onder druk wordt gezet met een test zal die gene vaker iets goed proberen te praten (confabulatie), dan wanneer iemand stil in zijn eentje zit te denken.

 

Dit is een probleem voor Moran's deliberatietheorie omdat men niet altijd denkt uit redenen. Iemand die handelt uit gevoel, kan dan niet meer deze handeling beredeneren. Dit vormt een probleem voor velen voorbeelden zoals: Iemand die zich schaamt, ook al weet die gene dat hij zich niet hoeft te schamen. Iemand die handelt ervan overtuigt is dat die gene handelt uit logica, maar toch speelt gevoel bij dit persoon een rol. Of iemand die bij twee sollicitatiegesprekken kiest voor een autochtoon in plaats van een allochtoon, ook al presteren beide personen even goed.

 

34. De kandidaten kunnen uitleggen wat zelfregulatie inhoudt en hoe dit samenhangt met het vermogen om onszelf vanuit een derdepersoonsperspectief te observeren.

 

Zelfregulatie: Vermogen om ons gedrag af te stemmen op wat we vinden.

Victoria McGeer: Eerstepersoonsautoriteit is gegrond in zelfregulatie, om jouw manier van handelen goed tot stand te laten komen moet je goed jouw zelfkennis reguleren. Neem het voorbeeld van de twee sollicitatiegesprekken, om niet door impliciete vooroordelen jouw handelingen onrechtvaardig te maken, moet je jezelf reguleren. Door gebruik te maken van zelfregulatie wordt je bewust van vooroordelen en moet je kijken hoe je deze kan voorkomen, bijvoorbeeld door een blind sollicitatiegesprek. Zo'n persoon neemt dan verantwoordelijkheid voor zijn impliciete vooroordelen. Met zelfregulatie kijk je als het ware vanuit een derdepersoonsperspectief, omdat je naar jezelf op een afstand kijkt, zodat je niet door impliciete vooroordelen kan worden misleidt. Ledru had bijvoorbeeld door middel van zelfregulatie zijn daad kunnen voorkomen. Maar is zelfregulatie ook niet te hoog gegrepen? Je moet hiervoor immers in de toekomst kunnen kijken om te zien hoe je gaat handelen en dit voorkomen.

 

Primaire tekst (8): Ludwig Wittgenstein - Filosofische onderzoekingen.

35. De kandidaten kunnen uitleggen dat weten dat je pijn hebt volgens Wittgensteins geen privéaangelegenheid kan zijn.

 

Ludwig Wittgenstein: Heeft veel bijgedragen aan taalfilosofie.

conceptueel scepticisme: Het idee dat er veel twijfel kan bestaan over communicatie.

gewaarwordingen: Moment wanneer je iets ervaart, jouw gevoel of emotionele status. (Subjectief.)

taalspel: Denkbeeldig spel van taal waarin je woorden betekenis geeft door ze in de context te gebruiken. Hierdoor weet jouw gesprekspartner met welk doel je praat en wanneer beide partijen de zogenaamde regels weten van het taalspel leidt dit tot een sociale aangelegenheid van goede communicatie.

 

Introspectionisten stellen dat je kennis vergaart door in jezelf te kijken. Iemand anders kan onmogelijk iets over jouw pijn zeggen, want jij weet dat het best. Ook voel je niks van iemand anders zijn pijn. Iemands pijn is als het ware niet echt en alleen jouw pijn geldt, ofwel alleen jij 'bestaat'. Dit leidt tot solipsisme, waarin je alleen jezelf begrijpt waardoor de wereld om je heen alleen maar echt voor jou kan zijn. Wittgenstein heeft hier zijn eigen blik op. Je probeert juist eerst de wereld en zijn woorden om je heen te begrijpen, die zo invloed hebben op jouw zelf, zodat je dan pas jezelf kan begrijpen. Ja, anderen kunnen twijfelen over jouw pijn, maar jijzelf niet, dat klopt. Het probleem is alleen dat wanneer iemand spreekt over dat jij deze pijn niet kan hebben en zich vervolgens pijn doet, dat je inderdaad niet die pijn kan hebben. Maar het gaat ook niet om deze pijn die voor een individu wordt gevoeld, natuurlijk kan jij dat niet voelen. Kunnen we spreken van een algemene term voor pijn? Wellicht, maar dit is niet verifieerbaar. Het antwoord op dit probleem moet niet een antwoord zijn op of iemands pijn numeriek gelijk is aan een algemeen criterium voor pijn, in plaats daarvan moet het een sociale aangelegenheid zijn. Het is namelijk niet zinvol om je bezig te houden met de pijn van een individu.

 

Een gewaarwording zoals pijn kan je uiten met pijngedrag en met het woord voor pijn. Bestaat pijn wel? Ja, bij levende lichamen altijd. Is het lichaam de gene die pijn heeft? Ja, maar toch troosten wij de ziel, we kijken in het lichaam zijn ogen, wij troosten als het ware de ziel van het gepijnigde lichaam. Als je zomaar een woord verzint voor jouw gewaarwording moet dit woord eerst zinvol worden, anders kun je er niet over spreken. Je kan nooit de 'qualia' van jouw gewaarwording uitleggen. Hierdoor ontstaat een paradox, bestaat pijn zonder pijngedrag? Als één iemand op de wereld een soort gewaarwording heeft die niemand kan beleven, hoe komen we daar ooit achter? Wittgenstein verduidelijkt dit met het voorbeeld ''De kever in het doosje''. Iedereen heeft een doosje met wat we gezamenlijk een kever noemen, iedereen kijkt in zijn eigen doosje en weet voor zichzelf wat een kever is, maar niemand kan iemand anders zijn doosje kijken. Het zou dus onmogelijk zijn om te weten wat een kever is, al helemaal wanneer we het woord weghalen. Maar dit leidt niet tot solipsisme, het is namelijk helemaal niet privé, zolang iedereen maar hetzelfde taalspel speelt, namelijk het spel ''Welk insect beschrijf ik'' of ''Wat zit er in mijn doosje''. Wanneer er geen woord voor is, valt het voorwerp niet weg, maar is het simpelweg irrelevant geworden. De paradox kan opgelost worden door je af te vragen met welk taalspel je bezig bent en of het relevant is. Het doel van taal is gedachten overdragen, niet twijfelen of iets wel of niet bestaan. Maar hoe zit het pijn als je alleen bent? Wat is de privévertoning van pijn? Is het echt pijn of gewoon pijngedrag? Wittgenstein stelt dat dit een illusie is, je twijfelt zelf nooit over je pijn, ongeacht of je pijngedrag vertoont.

 

Aanhangers van de introspectietheorie stellen dat woorden een privétaal is. Wittgenstein stelt dat taal een sociale aangelegenheid is, omdat ook al weet alleen jij zeker dat je pijn hebt en dat dit misschien dezelfde pijn is als anderen. En kan niemand in jouw doosje kijken naar jouw kever. Toch is pijn geen privéaangelegenheid, omdat je erover communiceert met anderen. Wanneer het woord nietszeggend is, betekent het niets. Wanneer het van alles kan beteken, heeft het voor de anderen om je heen geen betekenis. En wanneer het woord wel betekenis heeft, dan is het wel een zinvol woord en is het niet meer privé. Dit komt omdat zinvolle woorden door andere worden begrepen door de mensen om je heen, anders heeft het geen betekenis. Wittgenstein sprak daarom van: ''Waarover je niet kan spreken, daarover moet je zwijgen.'' Oftewel als je de betekenis van een woord niet kan uitleggen, gebruik het woord dan niet! Wanneer iedereen hetzelfde taalspel gebruikt, ofwel hetzelfde woord of doel in de context gebruiken om erachter te komen wat deze bepaalde gewaarwording is, dan ben je al bezig met sociaal contact met anderen, daarom kan bijvoorbeeld het woord pijn, nooit een privéaangelegenheid zijn.

 

Primaire tekst (9): Krista Lawlor (2009), ‘Knowing What One Wants’, Philosophy and Phenomenological Research 79 (1):47-75.

36. De kandidaten kunnen met behulp van een voorbeeld uitleggen wat je volgens Lawlor moet doen om jezelf te kennen en om te weten wat je wilt.

 

Zelftoeschrijving: Beschrijving die je mentaal aan jezelf voorlegt. Je stelt bewust of onbewust in gedachten een bepaalde mentale toestand aan jezelf. Bijvoorbeeld: ''Ik geloof dat ik koffie wil.'' Of ''Ik hoop dat ik niet te laat kom.'' En ''Ik vrees dat hij het niet gaat halen.''

Constitutief: Wat ervoor zorgt dat iets komt of bestaan, vaststellend, wezenlijk.

Cognitief: Geestelijk proces, mentaal proces, wat met je verstand te maken heeft.

 

Wanneer je een 'stemmetje' in je hoofd hoort dat zegt: ''Neem ontslag, wordt muzikant.'' Dan moeten wij dit stemmetje niet negeren, het is deel van ons onderbewuste. We moeten ons afvragen welke beslissing wij moeten nemen als we worden geconfronteerd met dit soort gedachtes. Dit zou een antwoord geven op de vraag wat men echt wil. De filosoof Krista Lawlor vraagt: ''Wat moet je doen om jezelf te kennen en hoe moet je weten wat je wilt?'' Dit stemmetje in je hoofd noemt ze een impuls waarover ze twijfelt of dit een verlangen is die we serieus moeten nemen. Deze impulsen zijn meestal ambivalent, omdat je het soms wel en niet wil. We kunnen onze hersenen namelijk niet scannen. het idee van zelf kennis van verlangens komt uit een bestaande constitutieve relatie tussen de toestand die we kennen, ofwel een verlangen en de reflectieve toestand die we nodig hebben om ervan te weten. Hierdoor denken veel filosofen dat we niet zelf weten wat we willen door cognitief na te denken over je verlangens. Lawlor is van mening dat we wel tot een antwoord komen met een cognitieve vaardigheid, oftewel de mogelijkheid om met kennis na te denken.

 

Als eerst: ''Hoe weten we wat we zouden moeten willen?'' Anders gezegd: ''Hoe komen we tot zelfkennis van onze verlangens?'' Wanneer je deze vraag stelt merk je op welke gedachtes en ervaringen je hebt. Je vraag je af hoe leuk je het vind om muziek te maken en plaatst jezelf in zo'n situatie. Ook overweeg je uit ervaring dat je het al eens geprobeerd hebt om muziek te maken en dat het in de praktijk minder leuk is. Daarnaast moet je ontslag nemen wat tot meer problemen kan leiden. Je voelt misschien een emotie van onzekerheid. Maar door dergelijke ervaringen te herleven kom je misschien tot de conclusie: ''Ik wil muzikant worden.'' Maar doordat bepaalde herinneringen van bijvoorbeeld een paar jaar geleden niet meer vers zijn, kan deze conclusie leiden tot een voorlopige gedachte waardoor je tegen jezelf zegt: ''Ik weet het toch helemaal niet zeker.'' Jezelf iets toeschrijven, wat Lawlor een zelftoeschrijving noemt, is in zo'n situatie moeilijk, maar we mogen het niet negeren. Het is immers uit stand gekomen uit een eerdere onbewust gedachte. Als de situatie te complex wordt zeg je misschien: ''Ik wil het toch maar niet.'' Maar dan ben je volgens Sartre waarschijnlijk te kwader trouw. Door provisionele zelftoeschrijving, wat voorlopige zelftoeschrijving betekent, zeg je: ''Ik blijf hier maar aan denken, waarom toch?'' Wellicht moet je een evaluatie maken om te kijken welke gedachte sterker is. Meer ervaring of meer nadenken helpt met het bepalen wat je wilt.

 

Dus, hoe komen we nou aan onze verlangens? Door causale zelfinterpretatie. Het trekken van conclusies op basis van ervaring, waardoor we kunnen weten wat onze verlangens zijn en uiteindelijk wat we willen. Conclusie trekken op basis van ervaring als in een situatie meemaken en achteraf bepalen of je het leuk vond of niet. Wanneer er ambivalentie optreedt, maak je een evaluatie, je overweegt welk verlangen sterker telt. Er zijn talloze manieren om dit te doen, maar het gaat erom dat je weet wat je wilt door innerlijk in jezelf te kijken naar je ervaring. Wanneer dit niet lukt moet je teruggaan naar het feit dat we door ervaring weten wat we willen en hier niet over kunnen nadenken.

 

Filosofen

Ludwig Wittgenstein (1889 - 1951) Oostenrijk

Wittgenstein heeft veel gezegd over communicatie, ook al stotterde hijzelf een beetje en liep soms midden in conversaties weg als het hem niet beviel. Ook heeft hij in dezelfde klas op de basisschool gezeten als Adolf Hitler. Drie van zijn broers hebben zelfmoord gepleegd en ook Ludwig worstelde met suïcidale gedachtes. Zijn vader stierf en hij erfde veel geld. Hij ging in Noorwegen wonen en schreef zijn eerste boek: ''Tractatus logico-philosophicus''. Woorden zijn als plaatjes wanneer je communiceert. Communicatie gaat vaak fout omdat wij een verkeerd beeld kunnen maken in iemands hoofd. Na zijn boek spendeerde hij de tijd als architect. Zijn tweede boek: ''Philosophical Investigations''. Taal is niet alleen plaatjes, maar een soort taalspel met een bepaald doel. Privétaal is onmogelijk, taal wordt pas iets waard met anderen. Taal is een publiekelijk hulpmiddel om individueel leven te begrijpen. 

 

 

Krista Lawlor (heden) Stanford, Amerika. Ongeveer 40 jaar oud.

Professor in de filosofie. Pedagogie, wiskunde, filosofie.

 

- Door causale zelfinterpretatie trek je conclusies op basis van innerlijke ervaring, waardoor je kan weten wat je verlangens zijn en uiteindelijk wat je wilt. Conclusie trekken op basis van ervaring als in een situatie meemaken en achteraf bepalen of je het leuk vond of niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4

37. De kandidaten kunnen de opvattingen over authenticiteit bij Jean-Jacques Rousseau, Karl Marx, Jean-Paul Sartre, Charles Taylor, Harry Frankfurt en Christine Korsgaard vergelijken en bekritiseren.

 

Authenticiteit: Jezelf zijn, het echt en origineel zijn. Iemand die authentiek is, is echt. Wie zijn wij echt en hoe kunnen wij onszelf zijn?

 

Rousseau: De grootste bedreiging voor authenticiteit is de samenleving. De mens kan echt zichzelf zijn in de natuurtoestand. We moeten ons laten leiden door onze ware behoeften. In een samenleving wordt je vervreemd van je zelfliefde en eigenliefde, omdat je alleen maar bezig bent met wat anderen willen of goedkeuren. In een samenleving kan de mens het best zichzelf zijn met wetten die de algemene wil ondersteunen.

 

Marx: De grootste bedreiging voor authenticiteit is net als bij Rousseau de samenleving, maar met name de vrijemarkteconomie, het kapitalisme. Ook moeten we voor een authentiek leven ons laten leiden door onze ware behoeften. De mens is echt authentiek als hij zich kan ontplooien in zijn arbeid zonder dat de samenleving zich hiermee bemoeit.

 

Sartre: Authenticiteit wordt niet bedreigd door de samenleving, juist het omgekeerde. Een authentiek persoon is juist een persoon die zich niet laat leiden door zijn natuurlijke behoeftes. Ook kan je jouw echte zelf niet ontdekken, in plaats daarvan wanneer je tot een keuze staat moet je die maken met alle oprechtheid. Je schuift je verantwoordelijkheid niet af. Dit noemt hij radicale keuzes. De enige autoriteit voor jouw authenticiteit ben jij zelf.

 

Taylor: Eens met Sartre, het zelf kan niet 'echt' gevonden worden als in dat het een inhoudelijk idee is dat voor iedereen hetzelfde is. Je kan jezelf wel innerlijk vinden. Authenticiteit is echter niet radicale keuzes maken, maar keuzes om bepaalde redenen maken. Onze sociale omgeving staat ons niet in de weg voor authentiek zijn, het maakt ons juist authentiek, omdat we ons moeten afvragen bij het afwegen van een bepaalde keuze wat voor persoon we willen zijn.

Om regressie te voorkomen voegt Taylor hieraan toe dat we onszelf vinden via articulatie, dat wil zeggen door middel van zelfinterpretatie bedenkt wie je bent, wie je wilt zijn en tegelijkertijd zo vorm geeft aan jezelf.

 

Frankfurt: Authenticiteit is het leven voor datgene waar jij van houdt. De verlangens die echt jouw tot authentiek maken, zijn de verlangens naar de dingen waar jij van houdt. Deze 'liefde' voor dingen kan je ook in jezelf vinden. Deze dingen kun je ontdekken door ervaring of keuzes maken. Een keuze wordt dus altijd gemaakt met de gedachte in het achterhoofd waar we het meest om geven.

 

Korsgaard: Authenticiteit is het vermogen om je af te vragen wat het nou is om authentiek te zijn. Zij noemt dit praktische identiteit en dat is een beschrijving van wat je waardevol vindt. Met dit vermogen als moreel wezen kun je jezelf afvragen wie je wilt zijn en wat je waardevol vindt. Maar uiteindelijk vindt Korsgaard autonomie belangrijker voor het maken van bepaalde keuzes.

 

38. De kandidaten kunnen de kritiek van Rousseau op Thomas Hobbes’ beschrijving van de mens in de natuurtoestand weergeven en uitleggen waarom Hobbes volgens Rousseau een denkfout maakt.

 

Natuurtoestand

Rousseau zegt over authenticiteit dat het wordt belemmerd door een samenleving. In de natuurtoestand zijn we van nature goedaardig, maar door een staatsvorm worden we van onszelf vervreemd. Tegenover hem staat Thomas Hobbes, die stelt dat men egoïstisch is en in een constante oorlog met zijn soortgenoten. De oplossing hiervoor is een sociaal contract met een dictator. Hobbes maakt een denkfout, volgens Rousseau is het plaatsen van de mens in een situatie zonder regels vragen om problemen. Een mens in de samenleving gedraagt zich anders dan in de natuur, ook heeft het invloed gehad op ons. Juist daarom concludeert Rousseau dat het probleem niet ligt bij de natuurtoestand, want daaruit kun je niks concluderen, het gaat om de samenleving die ons corrupt heeft gemaakt. In de natuurtoestand is de mens vreedzaam en altruïstisch.

 

Rousseau ondersteunt dit met twee begrippen die fundamenteel zijn voor een authentiek leven: Zelfliefde en eigenliefde. Zelfliefde (amour de soi) is de drang tot zelfbehoud en de behoefte naar voedsel, onderdak en warmte. Dit is niet egoïstisch, want naast deze zelfliefde heeft men ook medelijden (pitié). Hierdoor is de natuurtoestand een vredige plek waar iedereen elkaar helpt. Door de samenleving is het begrip eigenliefde (amour propre) ontstaan. Eigenliefde is het gevoel van trots en ijdelheid dat ontstaat in een samenleving. Het is gericht op anderen en jouw eigen sociale status. Zelfliefde en eigenliefde wordt belemmerd door de samenleving, omdat we niet meer naar onze natuurlijke behoeften kijken, maar naar wat anderen van ons vinden en omdat we ons constant met anderen vergelijken. Als oplossing heeft Rousseau hiervoor dat een samenleving wetten moet hebben die het algemeen belang het best ondersteunen.

 

 

 

 

39. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld uitleggen dat volgens marxisten de mens door het kapitalisme vervreemdt van zijn arbeid, zichzelf en anderen.

 

Door het kapitalisme wordt men vervreemdt van zijn arbeid, zichzelf en anderen. De eerstepersoonsautoriteit wordt belemmerd. Het kapitalisme kan goed zijn omdat er tijdens de industriële revolutie meer automatisering was, maar aan een lopende band voert men slechts een handeling uit met andere mensen voor een groot eindproduct. Hierdoor stop je als het ware niet meer jezelf in het product en wordt je vervreemd van je arbeid. Je kan niet meer jezelf zijn en het werk kan ook nog eens geestdodend zijn. Je bent niet meer bezig met je basisbehoeften waardoor er zogenaamde ''kunstmatige verlangens'' ontstaan. Men koopt nutteloze producten die aan de band zijn gemaakt door andere arbeiders die niet hun hart in hun werk stoppen. Men heeft minder tijd voor zichzelf omdat hij constant aan het werk moet voor meer geld om anderen te imponeren. 

 

Dit zien we ook tegenwoordig terug bij kantoorbaantjes. Er zijn misschien minder fabrieken met lopende banden maar dit soort nieuwe baantjes zijn even geestdodend als de vorige. Banen die niet echt waarde hebben maken je vervreemd van je arbeid. Door kunstmatige verlangens wil je alleen maar meer werken om nutteloze producten zoals de nieuwste smartphone of merkkleding te kopen. Hierdoor wordt je niet alleen vervreemd van jezelf, maar ook van anderen omdat je bezig bent met wat zij vinden en niet meer wat je zelf 'echt' wilt. Ook als je dit niet doet hoor je er niet meer bij en raak je vervreemd van de anderen in je omgeving.

 

40. De kandidaten kunnen uitleggen dat de marxistische slogan ‘Van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar zijn behoeften’ zo kan worden geïnterpreteerd dat daarmee een totalitaire maatschappijvisie kan worden gelegitimeerd.

 

De slogan van Marx ''Van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar zijn behoeften.'' kan betekenen dat iedereen met zijn vermogen aan zijn behoeften komt. Dit betekent dat ieder mens met zijn vermogen, zijn ambitie, arbeid verricht om geld te verdienen, om aan zijn eigen behoeften te komen. Deze behoeften kunnen basaal zijn, maar dit verschilt per mens. Dit lijkt op een redelijk normale staat. Maar wat deze slogan zegt is dat iedereen met zijn vermogen aan zijn behoeften kan komen en hiermee authentiek kan zijn. Maar wie bepaalt dat? Door de geschiedenis heen zijn hierdoor totalitaire staatsvormen ontstaan. Vervreemding verdwijnt pas echt als de overheid voor de arbeiders bepalen wat het beste is voor hen. Het marxisme is misschien wel goed omdat het aantoont dat je vervreemd kan raken van je werk, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat je anderen een specifieke staatsvorm moet opleggen.

 

41. De kandidaten kunnen met Sartres opvatting van authenticiteit kritiek leveren op de opvattingen over authentiek leven van Rousseau en Marx. Daarbij kunnen zij uitleggen dat een mens volgens Sartre onvermijdelijk te kwader trouw is.

 

Radicale vrijheid: Extreme manier van vrij zijn.

Volgens Sartre is er is geen echt zelf dat ontdekt kan worden. Een authentiek persoon is juist iemand die zelf in alle oprechtheid keuzes maakt. Het gaat hem de manier waarop een bepaalde keuze wordt gemaakt. Dit noemt hij radicale zelfbepaling. Hiervoor speelt de samenleving geen rol, je moet je juist niet late leiden door je natuurlijke zelf. Volgens Rousseau en Marx moet dat wel, maar Sartre vindt dat jij je niet door je instincten moet laten leiden, omdat er geen echt zelf is die je kan ontdekken. Dit zelf wordt niet beïnvloed door de maatschappij omdat in jouw keuzes jij de enige autoriteit bent. Authenticiteit is volgens Sartre dat je in alle oprechtheid keuzes maakt, maar ook dat jij je verantwoordelijkheid niet afschuift.

 

Volgens Sartre gaat dit onder twee punten: Een mens valt met niets samen en een mens heeft geen essentie.

Het leven is dus nutteloos, dit is een zeer nihilistisch standpunt, maar juist hieruit ben je vrij. Bijvoorbeeld een ober neemt de rol aan dat hij een ober is, maar thuis is die hij gewoon huisvader. Sartre vindt dat de ober vervreemd is wanneer hij een 'rol' aanneemt. Een marxistische ober zou zeggen: ''Ik ben ober want dat is mijn menselijke natuur en met mijn werk ontplooi ik mezelf.'' Maar eigenlijk schuift de ober zijn verantwoordelijkheid af. Alles wat de mens heeft moet hij verantwoordelijk voor zijn, zelfs voor het hebben van bijvoorbeeld twee armen. Zo iemand zou zeggen: ''Oh sorry dat ik tegen je aanstootte, ik neem verantwoordelijkheid voor mijn lichaam en mijn twee armen.''

 

Elke manier van mens zijn leidt echter tot te kwader trouw zijn. Dit betekent dat jouw handelingen onbetrouwbaar zijn. Dit komt doordat als je een keuze maakt geef je je keuzevrijheid op, terwijl als je niet handelt, verwerkelijk je je vrijheid niet. Ongeacht of je handelt of niet, je hebt te maken met dat jouw keuze wordt beïnvloed door jouw eigen bepaaldheid die onvrij is. 

 

42. De kandidaten kunnen met een voorbeeld uitleggen dat een authentieke keuze volgens Taylor geen radicale keuze is. Hierbij kunnen zij Taylors onderscheid tussen zwakke en sterke evaluaties uitleggen en toepassen.

 

De filosoof Charles Taylor is het eens met Sartre dat je niet jezelf kan vinden, maar dat je op een manier keuzes moet maken om jezelf te zijn. Maar volgens Taylor gebeurd dit niet met radicale keuzes, oftewel keuzes waar alleen jij diep en grondig over nadenkt, maar juist een keuze met een bepaalde reden. Taylor onderscheid authenticiteit in zwakke en sterke evaluatie. Een zwakke evaluatie is een keuze op basis van voorkeur. Bijvoorbeeld de keuze tussen twee soorten chocolade, je houdt bij voorkeur meer van pure chocolade. Dit is geen radicale keuze omdat je niet jezelf grondig onderzoekt wat je echt lekkerder vindt, je weet al wat je voorkeur is. Een sterke evaluatie is een keuze is op basis van wie jij wilt zijn als persoon. Bijvoorbeeld wanneer je tot het dilemma staat of je thuis voor je moeder moet zorgen of voor je vaderland moet vechten. Bij Taylor maakt het niet uit welke keuze je maakt, het gaat erom wat voor persoon je wilt zijn door middel van deze keuze.

 

43. De kandidaten kunnen uitleggen dat het authenticiteitsideaal van Taylor tot een regressieprobleem leidt.

 

Het authenticiteitsideaal van Taylor kan tot regressie leiden. Dat wil zeggen een eindeloze terugval. Door telkens na te denken wat voor persoon je wilt zijn moet je jezelf telkens weer afvragen waarom. Wanneer je het antwoord hebt moet je jezelf afvragen waarom je dat belangrijk vindt, enzovoort. Bij dit regressieprobleem vraag je jezelf constant met zelfreflectie af wat voor persoon je wilt zijn, zonder dat je tot een besluit komt of oplossing voor wie je echt wilt zijn.

 

44. De kandidaten kunnen de benaderingen van het regressieprobleem door Rousseau, Frankfurt en Taylor vergelijken.

 

Rousseau maakt een onderscheid tussen echte, natuurlijke behoeftes en egoïstische, kunstmatige behoeftes. Wie wij zijn komt voort uit onze zelfliefde, oftewel de drang tot zelfbehoud, voedsel en onderdak. Onze echte behoeften komen tot uiting in onze zelfliefde, hierdoor komt er een einde aan de regressie, omdat we uiteindelijk bij de ware menselijke natuur komen. Maar onze innerlijke natuur wordt nou eenmaal beïnvloed door de hedendaagse samenleving, daarom is het handelen uit je natuurlijke behoeftes niet betrouwbaar.

 

Frankfurt heeft als oplossing de liefde om regressie te stoppen, daar bedoelt hij het liefhebben van bepaalde mensen of dingen mee. Voor hem is authenticiteit het leven voor de dingen waarvan je het meeste liefhebt en terug in jezelf vindt. Je kan houden van je werk, sport of hobby. Het regressieprobleem wordt dus opgelost door te kiezen voor waar jij het meest om geeft.

 

Taylor is het eens met Frankfurt dat radicale keuzes geen goed idee is en dat het tot regressie leidt. Maar Taylor stelt echter dat we niet kunnen ontdekken wie we zijn door keuzes te maken, in plaats daarvan moet je door middel van zelfinterpretatie bedenken wat jij belangrijk vindt en welke keuzes je zou moeten maken. Wanneer je nadenkt over een keuze, denk je na over jouw verlangens, waarden en overtuigingen waardoor je al het ware een articulatie maakt van wie je wilt zijn. Met articulatie interpreteer je jezelf zodat jij je afvraagt wie je bent, wie je wilt zijn en zo je zelf als het ware maakt.

 

45. De kandidaten kunnen aan de hand van het begrip ‘praktische identiteit’ Korsgaards opvatting van authenticiteit uitleggen.

 

Praktische identiteit is volgens Korsgaard een beschrijving van jezelf over wat jij belangrijk vindt in het leven. Voorbeelden van praktische identiteiten zijn het aanhangen van een religie, een vader, moeder, student of atleet zijn. Oftewel beschrijvingen die we het waardevolst vinden. Hoe je moet handelen is afhankelijk van je praktische identiteit. Hieruit volgt dat Korsgaard onder authenticiteit verstaat dat je jezelf kritisch onderhoudt. Het gaat haar niet om wat het betekent of authentiek te zien maar het vermogen om deze vraag te stellen. Ook gaat het niet om welke praktische identiteiten je hebt, maar dat je er tenminste een hebt. Deze praktische identiteit is het vermogen om als moreel wezen te vragen: ''Wie wil ik zijn en wat moet ik daarvoor doen?'' Maar voor Korsgaard gaat het eigenlijk niet om authenticiteit, maar meer om autonomie, het vermogen om uit eigen redenen te handelen. Ze beroept hiervoor haar op het categorisch imperatief van Kant, wat inhoudt dat je personen als doel moet gebruiken, niet als middel.

 

Primaire tekst (10): Jean-Jacques Rousseau – Vertoog over de oorsprong en grondslagen van de ongelijkheid.

46. De kandidaten kunnen de begrippen ‘amour propre’ en ‘amour de soi’ uitleggen en daarbij aangeven waarom de maatschappij een bedreiging kan vormen voor een authentiek leven.

 

Amour de soi: Zelfliefde, de natuurlijke behoefte aan overleven, onderdak en zelfbehoud.

Amour propre: Eigenliefde, de kunstmatige behoefte aan waardering, publieke achting en vergelijking.

 

Volgens Rousseau zien wij het woord 'ellende' op de verkeerde plek, juist in de hedendaagse samenleving is er veel ellende, in plaats van de natuurtoestand. Je moet het niet eens met Hobbes zijn dat de mens slecht zou zijn omdat hij het goede niet kent. Van nature hebben wij de deugd het mededogen (pitié), het medelijden met anderen. In de natuurtoestand was er alleen sprake van zelfliefde, men was op zoek naar eten en deelde dit. Men maakte gereedschappen tegen de natuurlijke concurrentie. Maar er was geen invloed van buitenaf, niemand deed een ander kwaad door de instinctieve deugd mededogen. Toen er iemand zei: ''Dit is van mij.'' ontstond er eigenliefde. Mensen zochten naar respect en waardering van anderen, er werden wedstrijden gehouden voor publieke achting waardoor er ongelijkheid ontstond. De eigenliefde van de samenleving leidt tot vervreemding.

 

Ooit waren wij één met de natuur, maar nu wordt onze authenticiteit belemmerd door het vergelijken met anderen en anderen hun waarden te beoordelen. Rousseau citeert Locke: ''Waar geen eigendom is, is ook geen onrecht.'' Wij zijn niet langer authentiek wanneer we ons laten leiden door onze sociale omgeving. Je laten leiden door anderen is slecht omdat dit gedreven is op iets buiten jou, je laten leiden door jezelf, ofwel jouw instincten is goed omdat dit het enige is wat zeker is dat het authentiek is. Rousseau maakt nog een onderscheid tussen de wilde en beschaafde mens. De wilde mens is bezig met zichzelf en is daar gelukkig mee. Terwijl de beschaafde mens leeft in de mening van een ander en constant kijkt naar de wereld om gelukkig te worden.

 

Volgens Rousseau zouden we dus op een hutje op een berg moeten wonen, afgezonderd van de maatschappij en ons laten leiden door onze instincten, maar dit is volgens critici onmogelijk omdat we al in een samenleving hebben geleefd en dus al ingeburgerd zijn, want onze authenticiteit al belemmerd.

 

Primaire tekst (11): Karl Marx – Parijse Manuscripten.

47. De kandidaten kunnen uitleggen dat arbeid volgens Marx binnen het kapitalisme niet langer doel is maar middel en dat daardoor zelfverwerkelijking onmogelijk is.

 

Zinnelijke buitenwereld / natuur: De realiteit zoals wij die zintuiglijk waarnemen, dit is hoe de wereld er in de natuur eruit ziet.

Middelen van bestaan: Het materieel gemaakt door de zinnelijke buitenwereld /natuur.

Zelfverwerkelijking: De authentieke realisatie van jezelf, zelfontplooiing.

 

Marx stelt als eerst dat wij zonder de zinnelijke buitenwereld niet arbeid kunnen verrichten, de natuur biedt namelijk materiaal waaruit wij voorwerpen kunnen maken. De zinnelijke buitenwereld is daarom belangrijker dan de arbeid omdat het materiaal van de natuur ook zou kunnen bestaan zonder de arbeid. Zonder de natuur bestaat arbeid niet, maar zonder arbeid blijft de natuur bestaan. Door steeds meer met je arbeid bezig te zijn, beroof je jezelf van jouw natuur en middelen van bestaan. Dat wil zeggen als jij werken belangrijker ziet dan de wereld om je heen, dan wordt jouw authenticiteit belemmerd. Hoe meer de arbeider produceert, hoe waardelozer zijn product wordt. De arbeider werkt hard terwijl de rijken alle winst pakken. De arbeider is niet alleen vervreemd van zijn eindproduct, maar ook in het proces van het produceren zelf. Arbeid word hiermee langzaam iets oneigenlijks, ofwel iets dat niet tot zichzelf behoort. De arbeider wordt een slaaf van zijn object, namelijk geld. De arbeider werkt voor iemand anders, niet voor zichzelf. Wij worden minder dierlijk en met arbeid meer menselijk, wat ook tot zelfverlies lijdt. De arbeider wordt door de rijken tijdens de productie gebruikt als middel en niet als doel, omdat het meestal tot dwangarbeid leidt, het meestal een simpele taak is en het talent wordt niet erkent. Doordat de arbeider van al deze aspecten wordt ontdaan is zelfverwerkelijking oftewel zelfontplooiing onmogelijk. Hoe meer de arbeider werkt, hoe meer hij vervreemd raakt van zichzelf en een ander persoon wordt die steeds verder van geluk raakt.

 

Primaire tekst (12): Nomy Arpaly (2002)– Unprincipled Virtue: An Inquiry Into Moral Agency.

48. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld uitleggen dat het onderdrukken van gevoelens of verlangens volgens Arpaly geen vorm van zelfvervreemding hoeft te zijn.

 

Kritiek op Taylor van Nomy Arpaly legt de nadruk op of je wel jezelf kunt maken. Arpaly stelt dat articulatie kan leiden tot zelfvervreemding. Wanneer iemand een bepaald beeld bij zichzelf heeft over wie die gene wil zijn, kan dit in strijd zijn met natuurlijke behoeften of driften. Bijvoorbeeld iemands seksuele voorkeur, terwijl die gene misschien wel zeker weet wat die gene wil, maar toch zeggen seksuele driften iets anders. Het gearticuleerde zelf is niet meteen het echte zelf, omdat gevoelens of je innerlijke natuur mee kan spelen.

 

Een voorbeeld hiervan is iemand die lesbisch is, maar door haar articulatie en moraliteit wil die gene deze seksuele gevoelens ontkennen. Dit kan inderdaad leiden tot zelfvervreemding. Wanneer ze eventueel dronken wordt en dan naar haar gevoelens kijkt, weet ze pas echt of ze lesbisch is of niet. Ze kan dit niet weten door een gearticuleerd zelf. Het onderdrukken van deze lesbische gevoelens of verlangens is geen zelfvervreemding omdat deze horen bij het instinct van de mens en die laten zien wie je werkelijk bent.

 

Primaire tekst (13): Charles Taylor (1995)– The ethics of authenticity.

49. De kandidaten kunnen uitleggen dat de manier waarop ik mezelf ben volgens Taylor moreel significant is. Daarbij kunnen zij uitleggen dat Rousseaus opvatting over ‘het herstellen van het authentieke morele contact met onszelf’ en Herders idee van ‘trouw zijn aan jezelf’ van invloed zijn geweest op het moderne authenticiteitsideaal zoals Taylor dit formuleert.

 

Pantheïsme: Leer dat God en de natuur één zijn. De werkelijkheid zit in God. Het hele heelal en al het leven is god zelf.

Articulatie: De manier van spreken. Nadrukkelijk je stem vorm geven.

Significant: Belangrijk.

 

De ethiek van authenticiteit is met moreel besef van authentiek zijn. Het moreel besef is een intuïtief gevoel van wat goed of slecht is. Deze moraliteit uit zich in situaties met gevolgen, bijvoorbeeld je bepaalt of je van iemand steelt of niet in het moment. Het gevolg bepaalt jouw moraliteit en dit uit zich in een soort van innerlijke stem of gevoel. Moraliteit of ethiek heeft betrekking tot authenticiteit omdat juist handelen invloed heeft op jou als persoon. Het is moreel significant omdat de manier waarop je handelt invloed heeft op jouw manier van zijn. Deze morele significantie maakt dat wij streven om een volmaakt persoon te worden.

 

Rousseau stelt dat moraliteit het volgen van onze instincten is. Eigenliefde of invloed van buitenaf belemmert jouw moreel besef en daarmee ook jouw authenticiteit. ''Le sentiment de l'existence'' (Het gevoel van bestaan) is volgens Rousseau het los raken van deze invloed en de vreugde van het contact met ons innerlijk zelf. Taylor noemt daarnaast een ander idee van Rousseau ''zelfbeschikkende vrijheid.'' Dit het idee dat je vrij bent om te bepalen wat belangrijk is voor jou, zonder externe invloeden op jouw denken. Dit lijkt op autonomie en een vorm van negatieve vrijheid in zich te hebben.

 

Herder stelt dat elk mens uniek is, iemand manier van leven is zijn manier en niet die van iemand anders. Elke moraliteit van elk individu heeft een stem die een andere boodschap brengt. Moreel zijn voor jezelf is uniek zijn. Het authenticiteitsideaal van Herder is dat je trouw moet zijn aan jezelf zodat je zo jouw originaliteit beseft en kan ontdekken.

 

Taylor voegt hieraan toe dat inderdaad authenticiteit betekent dat je trouw bent aan jezelf. Maar ook dat je op deze manier in contact komt met je innerlijke zelf ofwel je instincten, jouw originaliteit, oftewel jouw uniek zijn en het besef van jouw potentieel dat het jouwe kan worden.

 

Filosofen

Jean-Jacques Rousseau (1712 - 1778) Genève, Frankrijk

Politieke filosofie, pedagogie, muziek

Hij kwam uit een arm gezin, maar werd beroemd door zijn filosofische werk. Hij had een moeilijke jeugd en had alles wat hij wist zich zelf aangeleerd, hij was een autodidact. was een aardige man die bekend stond om zijn persoonlijkheid. Rousseau was romantisch maar mogelijk narcistisch. Hij schreef veel over zichzelf in zijn autobiografie, met als doel wat zijn innerlijk leven inhield. 

 

Veel mensen dachten die tijd dat de mensheid steeds beter werd. Rousseau zei daarentegen, de mens was ooit goed, maar is tegenwoordig corrupt en slecht. Men was ooit goed in de natuurtoestand, die eruit ziet als een paradijs, maar door de samenleving is de mens vergiftigd door privébezit en oorlog. De natuurtoestand dreef op zelfliefde (amour de soi) en in de samenleving was vooral veel sprake van eigenliefde (amour propre). Hij gebruik het voorbeeld van de Europezen die naar Amerika kwamen en zo de indianen corrupt maakten door hun moderne voorwerpen, zodat hun natuurtoestand verpest werd door alcohol, wapens en spiegels.

 

Naast de politieke filosofie schreef hij een beroemd boeken genaamd: ''Emile ou de l'éducation'' die een van de belangrijkste literatuur over de opvoeding van kinderen. Hij zei dat kinderen natuurlijk goed zijn geboren en dat je moet vermijden ze slecht te laten worden door de samenleving. Voor de opvoeding is het spelen in de natuur en borstvoeding van uiterste belang voor opvoeding. Rousseau heeft ons laten zien dat romantiek belangrijker is dan de samenleving.

 

Karl Marx (1818 - 1883) Duitsland

Grootste criticus op het kapitalisme, communist?

Zijn invloed heeft voor totalitaire staten gezorgd. Men denkt daarom dat Marx een slechte man was, maar geeft een interessante blik op het kapitalisme.

 

- Marx zei dat arbeid één van onze grootste gelukbrenger is, maar in het kapitalisme leidt het tot vervreemding. Het kapitalisme werkt met veel fabrieken en arbeid aan de lopende band, waardoor je als het ware vervreemd raakt van het eindproduct. We moeten ons zien het product dat we hebben gemaakt en daarmee onszelf verbeteren tot een beter persoon.

- Modern werk is onzeker, omdat de arbeid in het kapitalisme altijd vervangen kan worden door iemand anders of door techniek.

- Arbeiders moeten daarnaast hard werken terwijl de zakenmannen rijk woorden. Marx was tegen deze kapitalistische hiërarchie waarin de fabriekseigenaren aan niks anders denken dan winst. Winst is volgens hem diefstal en de ontneming van de arbeiders hun talent en werk.

- Ook is kapitalisme zeer onstabiel, door het produceren van overtollige producten krijgt men te veel keuze. Arbeiders kopen nutteloze producten, terwijl het niet nodig is en er genoeg voor iedereen is. Werkeloosheid zou volgens hem vrijheid moeten heten. We zouden alle winst die de rijke bedrijven aan iedereen moeten geven, wat voor een paradijs zorgt.

- Het kapitalisme is slecht voor de kapitalisten. Marx beargumenteert dat trouwen niet uit liefde is, maar voor de economische redenen. Hij wou dat mensen vrij waren van het economische systeem. Zowel mannen als vrouwen zouden moeten genieten van hun vrije tijd.

Marx heeft alleen de problemen van het kapitalisme benoemt, hoe het opgelost moest worden, wist hij niet.

 

Charles Taylor (1931 - heden) Canada

Politieke filosofie, moderne zelf, communitarisme, analytische en continentale filosofie. Enigszins dialectiek van Hegel terug te vinden. Kritiek op liberalisme.

 

Thomas Hobbes (1588 - 1679) Engeland

Politieke filosoof, theologie, atheïst, ethicus, antropoloog.

Maar hij heeft ook bijgedragen aan wiskunde, natuurkunde en geschiedenis.

Hij ontkende het bestaan van een spirituele wereld en zei dat de mens geen geest of ziel heeft.

Hij had twee tegenstanders: John Wallis en John Bramhall.

 

Hij schreef pas over filosofie na de leeftijd van 64, omdat hij op die leeftijd een grote indrukwekkende ervaring die zijn gehele denkvermogen en wereldbeeld veranderde. De ervaring was de verschrikkelijke Engelse burgeroorlog. Hobbes was een vredig persoon en haatte geweld. Misschien heeft de gebeurtenis gemaakt tot wat hij was. Hij beantwoordde de vraag: ''In hoeverre moeten we onze regeerders gehoorzamen?'' Hij stelde dat we zonder een samenleving slechter af zouden zijn, dat de overheid goed voor ons is. Ook al is dit een slechte dictator, het is beter dan de natuurtoestand, waarin we volgens Hobbes in een constante brute oorlog zitten. Zijn beroemde uitspraak: ''Het leven in de natuurtoestand is vies, bruut en kort.'' Hij had kritiek op de theorie in zijn tijd: ''The divine right of kings'' die stelde dat de koning een schepping van god was en dat je die wel moet gehoorzamen. De theorie van Hobbes kon leiden tot veel revolutie tegen de overheid. Daarom schreef hij in zijn boek: ''Leviathan'' dat het volk zich helemaal moet gehoorzamen aan de dictator, omdat zijn doel is om rechtvaardig te zijn. Een dictator is soms niet perfect, maar als men zichzelf zou kunnen regeren, dan was er geen dictator nodig. Zijn theorie was duister en niet echt hoopvol over hoe een samenleving zou moeten zijn. Ergens willen dat hij het fout heeft, zoals Locke en Rousseau hem erop wijzen, maar telkens in de geschiedenis zien we dat er veel waarheid blijkt uit Hobbes' denkbeeld.

 

Nomy Arpaly (heden) Verenigde Staten, afgestudeerd in 1992, Ongeveer 45 jaar oud.

Professor filosofie, ethiek, morele psychologie, handelingstheorie en vrije wil.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 5

50. De kandidaten kunnen de opvattingen over autonomie van het klassiek liberalisme, het nudge-paternalisme en Axel Honneths relationele opvatting met elkaar vergelijken en ze bekritiseren.

 

Autonomie: Jezelf de wet voorschrijven, het vermogen om op basis van eigen redenen te handelen.

 

Klassiek liberalisme: Autonomie komt het beste tot zijn recht als de overheid zich zo min mogelijk met de staat bemoeit. Met een nachtwakersstaat wordt een veilige omgeving gecreëerd waar mensen vrij zijn om hun eigen leven te leiden. Negatieve vrijheid wordt zo veel mogelijk gegarandeerd en vanuit het liberale mensbeeld weet de mens zelf wat hij wil en hoe die gene moet handelen rond zijn voorkeuren, verlangens en overtuigingen. Het klassiek liberale beeld van de staat is de nachtwakersstaat.

 

(Sociaal liberalisme: Lijkt op het klassiek liberalisme, autonomie komt tot zijn recht als de overheid niet alleen negatieve vrijheid garandeert, maar ook positieve vrijheid. Deze staat wordt de verzorgingsstaat genoemd en keuzes worden zo veel mogelijk bestaanbaar gemaakt voor de burgers.)

 

Nudge-paternalisme: Autonomie kan het beste worden verkregen door nudges, kleine duwtjes die het individu in naar de goede richting brengen. Nudgen garandeert positieve vrijheid, omdat het mogelijkheden biedt voor de burgers die zij nodig hebben. Er is geen sprake van belemmering van de negatieve vrijheid omdat deze keuzearchitectuur de burger niet dwingt.

Er is geen actieve manipulatie omdat de keuzevrijheid nog steeds aan het individu ligt, die hierdoor zijn autonomie maximaal kan benutten.

 

Axel Honneth: Volgens Honneth is autonomie rationeel en is er daarom een gouden middenweg tussen positieve vrijheid en negatieve vrijheid, namelijk erkenning. De erkenningstheorie van Honneth stelt dat we pas autonoom zijn als we aan de drie vormen van erkenning voldoen, liefde, respect en sociale waardering / solidariteit. Autonomie moet actief worden gegarandeerd voor het individu.

 

51. De kandidaten kunnen met een voorbeeld het onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid van Isaiah Berlin uitleggen en beoordelen. Ze kunnen met dit onderscheid de kritiek van klassiek liberalen op de sociaal-liberale visie op de verzorgingsstaat uitleggen.

 

Positieve vrijheid: Vrijheid om iets te doen. Bijvoorbeeld de positieve vrijheid om naar het theater te gaan.

Negatieve vrijheid: Vrijheid van de afwezigheid van iets. Bijvoorbeeld de negatieve vrijheid van dwang of gemarteld worden.

 

Volgens Isaiah Berlin is het vrijheidsideaal van het klassiek-liberalisme negatieve vrijheid, dat wil zeggen de afwezigheid van externe drang, bijvoorbeeld de afwezigheid van sigaretten, omdat de staat heeft bepaalt dat dit slecht voor je is. In dit voorbeeld wordt je negatieve vrijheid geschonden. Tegenover deze dit ideaal staat positieve vrijheid, wat juist de vrijheid is om jezelf te zijn, oftewel je bent vrij om te doen wat jij wilt. Een voorbeeld van positieve vrijheid zou dan zijn dat iemand de positieve vrijheid heeft om te roken waar, wanneer en om welke reden dan ook, omdat die gene dat wil. Positieve vrijheid ligt ook wel gekoppeld aan het 'echte' zelf. Neem nou het verhaal van Adam, de 17-jarige jongen die vanwege zijn geloof geen bloedtransfusie wil doen, ook al zal hij op deze manier binnen een korte tijd sterven. De positieve vrijheid van Adam is dat hij vrij is om de bloedtransfusie niet te doen, wanneer we hem dwingen de bloedtransfusie te doen gaat dit in strijd met zijn negatieve vrijheid.

 

Deze twee vrijheiden brengt de vraag naar de rol van de overheid op. De klassiek liberalen vinden de nachtwakersstaat de beste manier op autonomie voor het individu te garanderen. Een nachtwakersstaat is een staat die als doel heeft alleen negatieve vrijheid te garanderen. Hierdoor leven mensen een vrij leven zonder dat de omgeving hier invloed op heeft.

De sociaal-liberalen verdedigen het idee van de verzorgingsstaat, een staat waarin niet alleen de negatieve vrijheid, oftewel de veiligheid wordt vergroot, maar ook de positieve vrijheid wordt zo veel mogelijk aan gedacht. Een klassiek liberaal zou voor het voorbeeld van Adam, zijn keuze respecteren met behulp van de nachtwakersstaat. Een sociaal liberaal zou dit ook doen, maar eventueel de mogelijkheden voor bloedtransfusie of alternatieven bieden, maar niet dwingen. Je omgeving heeft namelijk invloed op je positieve vrijheid.

 

Kritiek op de sociaal-liberalen en hun verzorgingsstaat is echter dat een te grote nadruk op positieve vrijheid kan leiden tot een totalitaire staat. Wanneer er te veel positieve vrijheid is zijn er te veel mogelijkheden voor de burger en wordt de keuzevrijheid belemmert. De nadruk op positieve vrijheid stagneert dan de negatieve vrijheid. Volgens Berlin is het grootste probleem dat er een verschil wordt gemaakt tussen iemands oppervlakkige zelf en echte zelf. Het oppervlakkige zelf is iemand die vindt dat hij nu wil roken, terwijl het echte zelf wil stoppen met roken. Maar denken in dit onderscheid leidt tot een versplinterd zelf, want wij weten niet wat een ander 'echt' wil.

 

52. De kandidaten kunnen de twee vooronderstellingen van het klassiek liberale mensbeeld, dat mensen zelf het beste weten wat ze willen en dat ze op basis hiervan handelen, uitleggen en bekritiseren.

 

Het mensbeeld van de klassiek liberalen oftewel het ''klassiek-liberale mensbeeld'' bestaat uit twee ideeën. Het eerste is dat mensen zelf het beste weten wat ze willen. Mill zegt hierover dat wij zelf de ervaringsdeskundigen zijn van ons eigen leven, iemand van het paternalisme is hierin verkeerd. Wij weten zelf het beste wat we willen, daarom hoeft de overheid zich daar niet mee te bemoeien. De tweede idee is dat men daadwerkelijk in staat is om te handelen op basis van zijn eigen voorkeuren. Het liberale mensbeeld is dus individualistisch, het maken van keuzes moet je zelf doen, zonder dat de overheid zich daarmee bemoeit.

 

Maar je kan beargumenteren dat men helemaal niet weet wat hij zelf wil, er zijn invloeden vanuit de omgeving (aangepaste voorkeuren), misleidende zintuigen en mensen die niet zichzelf zijn. Neem nou Adam, je zou kunnen zeggen dat hij niet vanuit het liberale mensbeeld moet denken, anders kost het zijn leven. Men wordt namelijk beïnvloed vanuit de omgeving, zogenaamde standaardopties spelen ook een rol. Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat zelfkennis hartstikke moeilijk is, alleen negatieve vrijheid is niet genoeg voor individuele autonomie. Vanuit het standpunt van het paternalisme is het klassiek liberale mensbeeld dus geen goed idee.

 

53. De kandidaten kunnen de argumentatie dat nudge-paternalisme niet strijdig hoeft te zijn met het klassiek liberalisme weergeven en beoordelen.

 

Tegenover het klassiek liberalisme staat het nudge-paternalisme tegenover klassiek liberalisme. Het klassiek liberalisme neemt namelijk aan dat we maximaal autonoom zijn als de overheid zich niet bemoeit met de burgers.

Het nudge-paternalisme houdt het idee van ''nudges'' aan, dit zijn kleine duwtjes in de goede richting vanuit de overheid. Deze duwtjes biedt de positieve vrijheid die burger echt zou willen hebben. Er wordt niks verboden, positieve vrijheid laat alleen de burgers minder snel zich verleiden voor negatieve dingen. Het is geen actieve manipulatie, nudgen is juist goed voor de autonomie, omdat er geen sprake is van vrijheidsbeperking. Deze beïnvloeding van de keuzearchitectuur, de omgeving waarin we keuzes maken, is volgens het nudge-paternalisme goed voor de autonomie.

 

54. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld laten zien waarom nudge-paternalisme mogelijk in strijd is met het kunnen maken van eigen keuzes.

 

Het nudge-paternalisme is mogelijk in strijd met eigen keuzes omdat nudges een keuze is van de overheid, niet echt van het individu. Hierdoor is de keuze niet meer autonoom, want de keuze komt niet van het individu. Daarnaast nemen nudges af wanneer je er bewust van wordt, wat niet gunstig is voor de keuze in het algemeen. Ook is nudgen in strijd met de keuzevrijheid van het individu, omdat er geen bewuste keuze uit iemand zijn eigen zelf wordt gemaakt. Elke nudge heeft een goedbedoeld doel, maar niet iedereen heeft hetzelfde levensdoel.

 

Nudgen is bijvoorbeeld niet goed wanneer iemand gezonder wil worden door meer te gaan sporten. De overheid promoot dit door overal de kansen om te sporten te vergroten. Nu is de vraag, is het nu nog wel de keuze van de individu of van de overheid? De gene die meer wil sporten zal zich bewust worden van deze promoting en misschien wel minder werken. Daarnaast komt de keuze niet meer van het individu maar van overheid, ook is de nudge misschien niet goed omdat het niet het exacte doel heeft als de gene die wilt sporten.

 

55. De kandidaten kunnen uitleggen wat aangepaste voorkeuren zijn en wat de gevolgen zijn voor de mogelijkheid om ‘zelf’ te kiezen.

 

Aangepaste voorkeuren: voorkeuren waarvan we zelf denken dat het onze eigen voorkeuren zijn, maar vaak zijn ze onbewust beïnvloed door de sociale omgeving.

 

Wanneer wij iemand zelf laten kiezen, bijvoorbeeld huisvrouwen die echt zelf hebben gekozen om te koken en het huis te verzorgen, weten we dan wel zeker of dit ook echt hun keuze was? De gevolgen van de mogelijkheid om zelf te kiezen worden beïnvloedt door aangepaste voorkeuren, omdat de sociale omgeving ook een rol speelt. De huisvrouwen kennen geen ander leven en misschien willen ze dat ook helemaal niet. Daarom is het onmogelijk om te weten of een keuze nou autonoom is of niet.

 

56. De kandidaten kunnen aan de hand van Honneths erkenningstheorie uitleggen wat de relationele opvatting van autonomie inhoudt. Daarbij kunnen zij de drie vormen van erkenning uitleggen die Honneth onderscheidt en deze toepassen op een casus.

 

Axel Honneth bedacht de erkenningstheorie die stelt dat autonomie een relationele opvatting kan hebben. Deze relationele opvatting van autonomie houdt in dat een soort middenweg bestaat, men heeft namelijk zowel positieve als negatieve vrijheid nodig. Honneth stelt met zijn erkenningstheorie dat erkenning belangrijk is voor autonomie. Dit wordt verdeeld in drie vormen: liefde, respect en sociale waardering / solidariteit. De erkenning van liefde is de erkenning van iemand anders om zelfvertrouwen te ontwikkelen, bijvoorbeeld van je ouders, familie of vrienden. De erkenning van respect zijn de relaties tussen personen en houdt in dat iedereen gelijk is aan de wet, zelfrespect is erkenning waarmee iedereen wordt erkend als persoon met dezelfde rechten als iemand anders. Bijvoorbeeld de erkenning van respect dat iedereen en jij ook mag stemmen, zodat iedereen gelijk is. De erkenning van sociale waardering of solidariteit gaat over jouw identiteit die waardevol is in de samenleving. Wanneer mensen je waarderen omdat je een zakenman bent en iets goeds doet voor de samenleving wordt je erkent op je solidariteit. Het komt erop neer, wanneer je lekker in je vel zit, ben je autonoom.

 

57. De kandidaten kunnen morele dilemma’s uitleggen met behulp van de begrippen ‘interne/externe autonomie’ en ‘positieve/negatieve vrijheid’.

????????????

Interne autonomie: De mogelijkheden die de sociale omgeving biedt om autonoom te kunnen zijn. (nudges, erkenning.)

Externe autonomie: beperkingen die de sociale omgeving creëert die invloed heeft op het autonoom zijn. (keuzearchitectuur, aangepaste voorkeuren.

Positieve vrijheid: Vrijheid om iets te doen. Bijvoorbeeld de positieve vrijheid om naar het theater te gaan.

Negatieve vrijheid: Vrijheid van de afwezigheid van iets. Bijvoorbeeld de negatieve vrijheid van dwang of gemarteld worden.

????

Morele dilemma

Om autonomie dus het meest te garanderen moeten we het zo veel mogelijk respecteren en bekritiseren.

 

Primaire tekst (14): John Stuart Mill – On Liberty, Applications.

58. De kandidaten kunnen de argumentatie van Mill weergeven dat ouders moeten worden gestraft door de overheid wanneer zij hun kinderen het recht op scholing ontzeggen. Daarbij kunnen zij uitleggen hoe dit kan samengaan met de liberale opvatting van Mill over de verhouding tussen individu en overheid.

 

John Stuart Mill: liberaal en utilist die veel gezegd heeft over vrijheid.

Individuele vrijheid: Vrijheid van het individu om te doen wat die gene wilt, zonder anderen te schaden.

despotisch: tirannie, dictatoriaal.

 

Het is de taak van de overheid om misdaad en ongelukken te voorkomen met voorzorgsmaatregelen. Bijvoorbeeld iemand die dreigt in een rivier te vallen, zo'n persoon moet je niet waarschuwen maar grijpen en hem in veiligheid brengen. Dit is niet in strijd met zijn vrijheid, want vrijheid betekent het gene doen wat niet je wil is, het was namelijk niet de wil van die man om in een rivier te vallen. Een ander voorbeeld is het verkoop van medicijnen door de overheid waar mensen misbruik van kunnen maken. De oplossing hiervoor is dat burgers een formulier kunnen invullen voor verkoop, wat Mill ''van tevoren verstrekt bewijs'' noemt. Een individu mag dus zichzelf schaden, dat is zijn recht op vrijheid, maar zolang het anderen maar niet schaadt, hoeft de overheid niet in te grijpen. In hoeverre mag de overheid ingrijpen? De overheid mag niet ingrijpen omdat in vele gevallen beide partijen gelijk kunnen hebben. Maar de overheid mag op z'n minst de burgers informeren over het goede. De staat is genoodzaakt beperkingen te maken, omdat misbruik makkelijk kan ontstaan. Deze maatregelen moeten de vrijheid van de burger echter niet belemmeren. Moet de overheid ingrijpen bij handelingen die het individu schaden? Als het gaat om drank, moet het duurder worden gemaakt, omdat het slecht voor je is. Ook moet her verkoop onder goed doordachte regels gaan.

 

Iemands wil wordt allen gehinderd door anderen. Vrijheid moet gerespecteerd worden, omdat de keuzes van het individu weloverwogen zijn. De staat moet een kans geven om deze keuzes te bereiken. Hoe zit het met individuen die nog geen keuzes voor zichzelf kunnen maken? Mill vindt het belangrijk dat kinderen goed worden onderwijst door hun ouders, omdat kinderen zelf nog geen moreel besef van hun individuele vrijheid hebben. Vrijheid is om te doen en laten wat je wilt, zolang het niemand schaadt. Het is daarom vanzelfsprekend dat ouders hun kinderen niet alleen goed moeten opvoeden, maar ook een goede opleiding geven. Dit is meestal een plicht voor de vader, maar Mill strijdt voor gelijke rechten tussen mannen en vrouwen. Wanneer ouders dit niet doen, moeten ze gestraft worden, door middel van een boete of dwang. Dit is niet in strijd met hun vrijheid omdat het moreel is wanneer een individu een kind op de wereld zet, te beseffen dat je deze moet onderwijzen. Het is ook de taak van de overheid om dit onderwijs zo veel mogelijk te garanderen. Dit hangt samen met het liberalisme van Mill omdat dit gaat volgens het ''no harm principle''. Een individu is namelijk belangrijker dan de overheid. Het individuele belang staat hoger dan het algemene belang omdat een individu net zo veel gelijk kan hebben als de algemene wil die een overheersende groep heeft.

 

Primaire tekst (15): Catriona Mackenzie (2008) – Relational Autonomy, Normative Authority and Perfectionism, Journal of Social Philosophy (39), 4, 512–533.

59. De kandidaten kunnen de opvatting van Mackenzie over relationele autonomie toepassen op een casus.

 

Normatieve autoriteit: Autoriteit die een autonoom persoon heeft die aangeeft wat normaal, of gewenst is, het recht of autoriteit om te beslissen wat jij wilt. (Lijkt op autonomie maar is niet hetzelfde.)

 

Samenvatting tekst

De tekst gaat over twee dilemma's als eerst die van Mevrouw B die bewust is van haar praktische identiteit en normatieve autoriteit en Mevrouw H die zich niet bezighoudt met haar rechten.

Mevrouw B lijdt aan ziekte waardoor ze helemaal verlamd is en wil niet langer leven. Ze weet haar situatie goed, kent de gevolgen en wilt wat ze wilt. Dit is een goed voorbeeld van het verband tussen de praktische identiteit van een persoon en het uitoefenen van de normatieve autoriteit op een situatie.

Oftewel wat jij waardevol vindt in het leven heeft een verband met jouw recht op autonomie.

 

Mackenzie citeert Kim Atkins, die stelt dat relationele autonomie de beste manier is om de autonomie te respecteren, namelijk door middel van erkennen en inleven in het individu. Om de autonomie van Mevrouw B te respecteren moet haar persoonlijke perspectief worden bekeken.

 

Volgens Mackenzie heb je het best respect voor iemands normatieve autoriteit en autonomie door de fundamentele menselijkheid te erkennen. Dit betekent dat je iemands lichamelijke integriteit, oftewel het recht van onaantastbaarheid van zijn lichaam, niet geschonden mag worden. Mackenzie maakt hierbij een belangrijk onderscheid tussen de erkenning van menselijkheid en het respect voor iemands autonomie. Je kan bijvoorbeeld je inleven in de situatie van Mevrouw B, maar het alsnog niet eens zijn met haar manier van haar eigen autonomie toepassen op haar keuze.

 

Mackenzie citeert de theorie van Korsgaard. Zij introduceert de 'reflectie bekrachtiging' die inhoudt dat de persoon op reflectieve wijze zijn praktische identiteit moet bekrachtigen. Ook al is er een intern conflict of is onze praktische identiteit niet geldig, dan nog wordt door middel van reflectie al onze innerlijke gedachten tot één standpunt geproduceerd en bekrachtigd.

 

Volgens Mackenzie is autonomie datgene wat je denkt dat goed is, wat samenhangt met wie je bent. Om daar achter te komen moet je zelfbegrip vormen. Zelfbegrip bestaat uit integriteit en identiteit. Jouw identiteit bepaal je door reflectieve bekrachtiging en integriteit door je te houden aan de normen die jouw zelfbeeld vormen. Mevrouw B kan dus door middel van haar praktische identiteit beroep doen op haar normatieve autoriteit en als er tegenstrijdigheid ontstaan maakt ze gebruik van reflectieve bekrachtiging.

 

Mevrouw H denkt echter niet na over haar normatieve autoriteit en haar andere rechten. Zij is ook een patiënt die het leven niet meer ziet zitten. Moeten we nu haar autonomie wel naleven?

Mackenzie lost dit probleem op met haar eigen theorie, namelijk de zwak-substantieve relationele benadering van autonomie. Dit houdt in dat men niet alleen de autonomie van het individu moet respecteren, maar ook bevorderen. Bevorderen als in dat de status en situatie van belang zijn voor iemands normatieve autoriteit van een beslissing.

 

Mevrouw H haar autonomie is namelijk in het nauw gedreven, wat invloed heeft op haar normatieve autoriteit. Het medisch team moet daarom proberen haar situatie te verbeteren. Met rekening voor de fundamentele medemenselijkheid en erkenning voor haar autonomie. Ze moet een ander inzicht krijgen in haar situatie, wat noch dwang noch paternalistisch hoeft te zijn.

 

Eindterm

De casus is twee dilemma's van twee individuen die door een erge ziekte niet meer willen leven.

- Mevrouw B: die bewust is van haar praktische identiteit en normatieve autoriteit.

- Mevrouw H: die niet bewust is van rechten.

 

- Mackenzie: Je hebt het best respect voor iemands normatieve autoriteit door de fundamentele menselijkheid te erkennen. Dit betekent dat je iemands lichamelijke integriteit, oftewel het recht van onaantastbaarheid van zijn lichaam, niet geschonden mag worden.

- Mackenzie onderscheid tussen erkenning van menselijkheid en het respect voor iemands autonomie. Je kan bijvoorbeeld je inleven in de situatie van Mevrouw B, maar het alsnog niet eens zijn met haar manier van haar eigen autonomie toepassen op haar keuze.

- Mackenzie: Autonomie is datgene wat je denkt dat goed is, wat samenhangt met wie je bent. Om daar achter te komen moet je zelfbegrip vormen. Zelfbegrip bestaat uit integriteit en identiteit. Jouw identiteit bepaal je door reflectieve bekrachtiging en integriteit door je te houden aan de normen die jouw zelfbeeld vormen.  

- Theorie van Mackenzie: De zwak-substantieve relationele benadering van autonomie. Dit houdt in dat men niet alleen de autonomie van het individu moet respecteren, maar ook bevorderen. Bevorderen als in dat de status en situatie van belang zijn voor iemands normatieve autoriteit van een beslissing.

 

Filosofen

John Stuart Mill (1806 - 1873) Engeland, Brits filosoof en econoom.

Vrijheid is het allerbelangrijkste volgens Mill.

In zijn boek ''On liberty'' stelt Mill: vrijheid is alles te doen en laat wat je wil, zolang je anderen niet schaadt. Dit noemde hij het ''no harm principle'' en beïnvloedde het liberalisme groots. Individuele vrijheid geldt voor ons allemaal. Hij verdedigt een vorm van radicale vrijheid. De tirannie van de meerderheid is volgens Mill het principe dat een grotere groep vaker gelijk hebt, terwijl er een individu net zo hard gelijk kan hebben. Door vrij te spreken komt de waarheid ten goede en zorgt voor vooruitgang of progressie. Mill was een voorstander van het utilisme. Zo veel mogelijk geluk voor de meeste mensen is goed. Maar het doel van de vooruitgang ligt niet vast. Wij moeten eindeloos vooruit streven. Deze vooruitstreving hang van het zoeken en proberen van het individu af. Het individu is zeer belangrijk voor Mill. Daarbij is educatie, emancipatie en ontwikkeling de sleutel tot vooruitgang. Kritisch denken is belangrijker dan materiële welvaart. Mill was ook een strijder voor de rechten van de vrouw. Mill heeft geholpen met het individuele belang groter te brengen en zich te uiten.

 

Catriona Mackenzie (1986 - heden) Ze is 31 jaar. Sydney, Australië.

- Morele psychologie

- Sociale en politicologe filosofie

- Feministische filosofie

- Toegepaste ethiek.

Professor in de afdeling filosofie van Macquarie Universiteit in Sydney, Australië en gespecialiseerd in agentschap (rechtswetenschap), waarden en ethiek. - Bioethiek, clinische ethiek, onderzoeks ethiek, maar voornamelijk dus ethiek.

 

Isaiah Berlin (1909 - 1997) Engeland, Brits liberaal filosoof.

Axel Honneth (1949 - heden) Essen, Duitsland. 68 jaar.

 

Hoofdstuk 6

60. De kandidaten kunnen uitleggen wat zelfverbetering inhoudt en waarom we dit (niet) zouden moeten nastreven. Daarbij kunnen zij redenen geven om te denken dat het lichaam en/of de menselijke geest begrensd of juist onbegrensd zijn.

 

Zelfverbetering met zogenaamde mensverbeteringstechnieken zijn manieren om de status van het menselijk lichaam zowel fysiek als mentaal te bevorderen. Zelfverbetering kan goed zijn omdat we hierdoor langer leven, door onderzoek om ouderdomsziekten te vermijden. Je kan Botox spuiten op je gezicht op te knappen of ritalin slikken om je concentratie te ''verbeteren''. Eén van de technieken is deep brain stimulation waarmee Parkinson of depressie wordt behandeld.

 

Techniek ligt niet buiten ons het is al onderdeel van onze identiteit, denk maar eens aan een blindenstok die blinden helpt met deze ''verlengde'' arm. Mensen in een rolstoel gaan overal naartoe met hun identificerende vervanging voor benen en kunnen niet meer zonder. Iemand met Alzheimer gaat nergens meer heen zonder zijn notitieblok die als functie heeft als tweede geheugen te werken.

 

Maar je kan ook zeggen dat techniek slecht voor ons is. Door automatisering verliezen veel mensen hun baan, de opkomende robotisering kan nog wel eens veranderen in een wereld waarin robots heersen en de gevaren van tv, sociale media en de totale digitalisering wordt steeds meer voor gewaarschuwd.

 

61. De kandidaten kunnen uitleggen dat de mens een dubbelzinnige houding heeft ten aanzien van techniek. Daarbij kunnen zij beargumenteren in hoeverre nieuwe technologische ontwikkelingen een bedreiging vormen voor het menselijke lichaam en de menselijke geest.

 

De uitgebreide-geesthypothese van Clark en Chalmers stelt dat de grenzen van de menselijke geest niet worden bepaald door de hersenen. Ook wordt het lichaam niet begrenst door zijn biologische ledematen. Neem het voorbeeld van de persoon met Alzheimer die als techniek het schrift gebruikt als vervanging voor zijn geheugen. Het notitieblokje behoort tot het gelijkheidsprincipe, wat betekent dat het de functie van het notitieblokje gelijk is aan de functie van de hersenen. Dit hulpmiddel is deel van het cognitieve proces in onze eigen hersenen en daarom deel van ons zelf. Net als bij andere hulpmiddelen zoals encyclopedieën, mobiele telefoons en het internet die de menselijke geest helpen en zelfs uitstrekken en een deel van jouw identiteit maken. Onze geest en lichaam kunnen dus worden vervangen door techniek en zijn daarom onbegrensd.

 

Kritiek hierop kan zijn dat men wel begrensd is tot zijn lichaam en geest, omdat wanneer men ver gaat in het toepassen van techniek op een lichaam, het wellicht de identiteit belemmerd. Stel je eens een mens voor met robotledematen zoals een robotarmen of robotbenen. Kunnen we dit nog wel authentiek noemen? De grens tussen ons lichaam en biologische ledematen ligt dus aan hoe ver men wilt gaan met de mogelijke technieken, die eventueel de identiteit kan stagneren. De geest is ook niet onbegrensd van de hersenen, als het onbegrensd en onbeperkt zou zijn in de oneindigheid, dan kunnen we deze geest niet meer de onze noemen. Het uitbreiden van de geest is in strijd met authenticiteit en misschien ook wel de autonomie van het individu.                                                                                                                                                             

 

62. De kandidaten kunnen aan de hand van een casus een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van de gevolgen voor de menselijke identiteit van technieken voor mensverbetering en middelen voor prestatiebevordering. Daarbij kunnen zij het onderscheid tussen het genezen en het verbeteren van de mens problematiseren.

 

Het doel van mensverbetering is de zowel fysieke als psychische staat verbeteren. Een vorm van mensverbetering is Deep Brain Stimulation (DBS). Hiermee wordt Parkinson, depressie of andere mentale stoornissen verholpen. Maar DBS beïnvloedt de identiteit van een persoon. Wat is belangrijker, jezelf zijn of gezond zijn? Je kan ook stellen dat juist de authenticiteit wordt vergroot doordat een patiënt meer dingen kan doen, maar dat de keuzes die hij maakt niet meer vrij zijn omdat hij, ook is hij authentiek, iemand anders is geworden, want in strijd gaat met die gene zijn autonomie. Wat is dan belangrijker, authenticiteit of autonomie? Locke zou zeggen dat zolang de patiënt zich herinnerd wat voor persoon hij was voorheen, dan is hij hetzelfde persoon, ook is hij hiermee autonoom, omdat hij zijn vorige keuzes in het leven nog kan herinneren. Taylor zou zeggen dat je een sterke evaluatie moet maken om een keuze te maken over je authenticiteit, wat niks met je autonomie te maken hoeft hebben.

 

Een andere vorm van mensverbetering is een prestatiebevorderend middel. Zoals Epo of ritalin. De vraag is wat het verschil is tussen iemand die van nature al op eigen kracht zo 'verbetert' is of iemand die deze middelen neemt om zijn prestatie te verbeteren. Wij maken ook een onderscheid tussen wat er binnen en buiten ons lichaam afspeelt. Bij een wielrennerwedstrijd vinden we het minder erg wanneer iemand fysieke doping gebruikt in plaats van mechanische doping. Bijvoorbeeld Epo slikken tegenover een motortje in je fiets hebben. Uiteindelijk gaat het om welke regels we stellen om het 'spel' te spelen. Bij ritalin zijn er echter geen regels. Het dilemma ontstaat hier dan tussen genezing en verbetering tussen het verdiende en onverdiende resultaat. Wil jezelf verbeteren en iemand anders worden of jezelf blijven maar op de kans om jezelf te verbeteren mis te lopen? De overheid bepaalt in principe deze 'spelregels'. Een klassiek-liberaal zou hiervan zeggen dat de overheid zich zo min mogelijk met het individu moet bemoeien. Negatieve vrijheid is het belangrijkst. Alleen kinderen of mentaal gehandicapten zijn niet zelfstandig genoeg om autonoom te zijn. Het klassiek-liberalisme zou stellen dat men ritalin mag nemen, maar er moet goed over worden geïnformeerd, waar geen dwang bij komt kijken. Een sociaal liberaal vindt echter dat zowel de negatieve als positieve vrijheid moet worden gewaarborgd. Ritalin zou niet alleen vrij zijn om te gebruiken, de keuze wordt aangemoedigd en wellicht goedkoop gemaakt.

 

Hoe zit het met hele levens in één keer verbeteren? Zogenaamde designerbaby's zijn genetische gemanipuleerde embryo's. Deze perfecte baby's hebben geen erfelijke ziektes en kunnen geheel aan de keuze van de ouders worden gevormd. Moeten we wel mensen 'ontwerpen?' Julian Savulescu vindt van wel, het is noodzakelijk om alle ziektes uit de wereld te helpen als dit mogelijk is. Maar waar ligt de grens? Dove ouders willen liever een doof kind en mensen met down syndroom leiden naar zover ze weten een gelukkig leven. Wat is dan een goed leven? Wat is een perfect leven? Moeten we andere eigenschappen wegwerken voor de 'heersende' klasse?

Een actuele zelfverbetering is ''self-tracking''. Dit is het volgen, resulteren en analyseren van dagelijkse handelingen zoals eten, slapen en sporten die zorgen voor diepere en bredere zelfkennis. De Quantified Self-beweging is hier voor. We onderscheiden passieve en actieve zelfkennis. Passieve zelfkennis is de feitelijke kennis over jezelf. Actieve zelfkennis is jouw mening en standpunt over die feitelijke zelfkennis en jouw visie op de buitenwereld. De Quantified Self-beweging gaat voornamelijk over passieve zelfkennis. Welke zelfkennis is dan het belangrijkst? Ook kan dit een inbreuk op privacy zijn.

 

In deze voorbeelden zag je het verschil tussen mensen genezen en verbeteren. Parfit zou hiervan zeggen dat genezen noodzakelijk is en verbeteren voldoende, als we het over identiteit hebben. Wat Parfit van authenticiteit en autonomie denkt valt niets over te zeggen. Maar al deze mensverbeteringstechnieken roepen ethische vragen op. We moeten altijd mensen genezen, maar moeten we ze ook verbeteren? Waar ligt daarin de grens? Wie zijn wij eigenlijk? Wie willen wij zijn? Al deze vragen zijn wellicht nu nog te hoog gegrepen, maar we moeten ze blijven stellen om op een dag dichter bij een antwoord te komen.

 

 

Primaire tekst (16): Allen Buchanan (2009) – Human nature and enhancement , Bioethics 23, 3, 141-150.

63. De kandidaten kunnen uitleggen welke rol verwijzingen naar de menselijke natuur kunnen spelen in de morele evaluatie van technieken voor mensverbetering.

 

Menselijke natuur: De manier waarop de mens en op welke manier het in elkaar zit, wat hoort bij de mens zijn ware zelf.

Adaptief: Aangepast aan bepaalde omstandigheden.

Sociabiliteit: De mate waarin je sociabel bent, of je gezellig bent.

Normatief essentialisme: Filosofische stroming die stelt dat bepaalde kenmerken van de menselijke natuur normaal zijn en niet veranderd kunnen worden. De moraliteit is dus af te leiden uit de menselijke natuur.

 

Aristoteles zei dat mensen een persoon zijn met kenmerken, maar het probleem ontstaat of we een mens een persoon mogen noemen als een van deze kenmerken verdwijnt. Een ander idee is dat de menselijk natuur bestaat uit karaktereigenschappen, maar het staat ter discussie welke dat zijn. Bijvoorbeeld hoort de karaktereigenschap van vooroordelen naar vreemden daarbij? Een evolutionair idee is dat de menselijke natuur bestaat uit kenmerken die door evolutie zijn ontwikkelt en we nu de onze kunnen noemen. Maar religie stelt dat we ook slechte kenmerken hebben, zoals zondes, egoïsme en het oordeel over goed en kwaad.

 

Buchanan bespreekt 4 rollen van de menselijke natuur die bij ethiek spelen.

1. Menselijke natuur als moraliteit.

De menselijke natuur heeft het vermogen om redenen te herkennen en ernaar te handelen. Als we dit vermogen negeren ontstaat er kwade bedoelingen. Maar dit bepaald niet of zelfverbetering ethisch is of niet, omdat als we dit vermogen negeren of willen verbeteren, nog niet betekent dat het goed is of het ook te verbeteren of dat we het moeten willen.

 

2. Menselijke natuur als haalbaarheidsbeperking op moraliteit.

De mens is van nature geneigd moreel te zijn, maar tot de beperkingen van zijn natuur en lichaam. De vraag is of we deze beperkingen moeten verbeteren. Stel bijvoorbeeld dat we de eigenschap van vooroordelen tegen vreemden kunnen verhelpen met een medicijn. Dit medicijn zou dan empathie tegenover vreemden vergroten. Het probleem is nu dat we niet weten of we deze beperkingen echt moeten houden of niet. Het veranderen van deze beperkingen zegt niks over de menselijke natuur en de ethiek op dit dilemma.

 

3. Menselijke natuur als beperking voor het goede.

Volgens Aristoteles is de mens rationeel en uit op het goede. De natuur bied de ruimte voor dit goede, maar heeft zijn beperkingen. Maar dit is wederom niet relevant voor de ethiek van mensverbetering omdat het niks zegt over of we daadwerkelijk deze beperkingen moet verbeteren. Daarnaast zijn onze kenmerken beïnvloed door culturele diversiteit, de vraag is dan of we onze natuurlijke kenmerken of kunstmatige kenmerken moeten volgen voor de ethiek van de menselijke natuur.

 

4. Menselijke natuur als normatief essentialisme.

Het essentialisme stelt dat onze kenmerken vast staan en onze moraliteit is daarom af te leiden uit deze kenmerken van onze menselijke natuur. Voorstanders van deze stroming stellen dat klonen tegen de menselijke natuur is, omdat het één van onze kenmerken is om seksueel te reproduceren. Buchanan is sceptisch over deze conclusie. Ten eerste is het niet relevant dat onze menselijke natuur stelt dat we zo moeten zijn, daarom is het niet vanzelfsprekend om op deze manier voort te planten. Maar de menselijke natuur zegt niks over de ethiek van klonen, namelijk of het moreel is om niet seksueel voort te planten. Daarentegen stelt Buchanan dat zoveel nageslacht niet seksueel is voortgeplant, bijvoorbeeld door verkrachting of onveilige seks. Wat menselijk is, is onduidelijk. Essentialisten beweren dat veel cultuur gedreven aspecten onnatuurlijk is, zoals homoseksuelen, transseksuelen en interraciale huwelijken. Dit staat ter discussie, maar is nog steeds niet belangrijk voor de vraag naar ethiek van mensverbetering. Wanneer we een morele evaluatie maken over wat goed en slecht is van zelfverbetering, komt Buchanan tot de conclusie dat de menselijke natuur hier weinig over zegt. 

Het essentialisme stelt dat onze kenmerken vast staan en onze moraliteit is daarom af te leiden uit deze kenmerken van onze menselijke natuur. Voorstanders van deze stroming stellen dat klonen tegen de menselijke natuur is, omdat het één van onze kenmerken is om seksueel te reproduceren. Buchanan is sceptisch over deze conclusie. Ten eerste is het niet relevant dat onze menselijke natuur stelt dat we zo moeten zijn, daarom is het niet vanzelfsprekend om op deze manier voort te planten. Maar de menselijke natuur zegt niks over de ethiek van klonen, namelijk of het moreel is om niet seksueel voort te planten. Daarentegen stelt Buchanan dat zoveel nageslacht niet seksueel is voortgeplant, bijvoorbeeld door verkrachting of onveilige seks. Wat menselijk is, is onduidelijk. Essentialisten beweren dat veel cultuur gedreven aspecten onnatuurlijk is, zoals homoseksuelen, transseksuelen en interraciale huwelijken. Dit staat ter discussie, maar is nog steeds niet belangrijk voor de vraag naar ethiek van mensverbetering. Wanneer we een morele evaluatie maken over wat goed en slecht is van zelfverbetering, komt Buchanan tot de conclusie dat de menselijke natuur hier weinig over zegt. 

 

Allen Buchanan (1948 - heden) Engeland, 70 jaar.

Veel boeken met onderwerpen als: Marx, toegepaste ethiek, rechtvaardigheid en de ethiek van zelfverbetering.

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.