Hoofdstuk 2 Arbeidsdeling en ruil

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 4e klas vwo | 2170 woorden
  • 26 oktober 2015
  • nog niet beoordeeld
Cijfer
nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Stap in jouw toekomst

Kom naar de Open Avond van Inholland op woensdagavond 29 maart van 17:00 - 20:00 uur. Proef de sfeer en ontdek onze opleidingen.

Meld je aan!

Hoofdstuk 2              Arbeidsdeling en ruil

2.1

Antwoord A is juist. Bewering I is juist. Omdat iedereen slechts een klein deel (of in het geheel niets) van zijn of haar consumptiepakket maakt, ontstaat er een scheiding tussen productie en consumptie. Bewering II is onjuist. Arbeidsdeling vergroot doorgaans de totale productie.

2.2

A         Juist. Het kost nu minder moeite na te gaan wie de werkelijke eigenaar is.

B         Juist. De ruil zou worden belemmerd als er onzekerheid bestaat over wie de eigenaar is.

2.3

Antwoord C is juist. De opofferingskosten van 1 extra telefoontje zijn 4/8 = ½ dossier. De opofferingskosten van 1 extra dossier zijn 8/4 = 2 telefoontjes.

2.4

a          Beide soorten kostenvoordelen kunnen worden behaald. Henk kan zowel X als Y in minder uren maken dan Wouter en heeft dus een absoluut voordeel. Er is ook sprake van relatieve kostenvoordelen, omdat de kostenverhoudingen verschillen.

b          Als Henk 1 extra eenheid X maakt, doet hij daar een uur over; hij offert dan de productie van 1/3 = 0,33 eenheid Y op.

Als Wouter één extra eenheid X maakt, doet hij daar 1,5 uur over. Gedurende die tijd offert hij de productie van 1,5/5= 0,30 eenheid Y op. De opofferingskosten voor het maken van 1 eenheid X liggen voor Wouter lager dan voor Henk.

            Conclusie: Henk gaat Y maken en Wouter X.

            We kunnen ook uitgaan van de productie van 1 extra eenheid Y. Als Henk 1 extra eenheid Y maakt, offert hij de productie van 3/1 = 3 eenheden X op. Als Wouter 1 extra eenheid Y maakt, offert hij de productie van 5/1,5 = 3,33 eenheid X op. De opofferingskosten voor het maken van 1 eenheid Y liggen voor Henk lager dan voor Wouter.

c          Als Henk 25 eenheden X en 25 eenhedenY maakt, kost hem dat 25 × 1 uur + 25 × 3 uur = 100 uur.

            Als Wouter 25 eenheden X en 25 eenheden Y maakt kost hem dat 25 × 1,5 uur + 25 × 5 uur = 162,5 uur.

Dit wil je ook lezen:

            In totaal kost de productie dan 262,5 uur.

            Bij volledige specialisatie gaat Wouter X maken: 50 × 1,5 uur = 75 uur.

            Henk gaat Y maken: 50 × 3 uur = 150 uur.

            In totaal kost de productie dan 225 uur.

2.5

a          Als Iris een extra eenheid A maakt, offert ze 8/40 = 0,2 eenheden B op. Als Johan een extra eenheid A maakt, offert hij 12/50 = 0,24 eenheden B op.

Als Iris een extra eenheid B maakt, offert ze 40/8 = 5 eenheden A op. Als Johan een extra eenheid B maakt, offert hij 50/12 = 4,17 eenheden A op.

De opofferingskosten verschillen, er zijn dus comparatieve kostenvoordelen te behalen.

b          Gegeven de comparatieve kostenverschillen kan Iris zich het best toeleggen op de productie van A, Johan op de productie van B.

  1. Beslissingen in het gezin

2.6

Antwoord A is juist. Bewering I is juist. Huishoudelijke activiteiten kunnen vaak worden uitbesteed (het criterium is echter niet waterdicht). Bewering II is onjuist. De mannelijke gezinsleden zijn inderdaad minder gaan werken, maar de vrouwelijke juist aanzienlijk meer. Sámen zijn mannen en vrouwen meer uren per jaar gaan werken.

2.7

Antwoord B is juist. Vrouwen werken relatief vaak in sectoren als de zorg en het onderwijs, waar de lonen in verhouding gemiddeld lager liggen dan bijvoorbeeld in het bedrijfsleven.

2.8

Antwoord B is juist. Bewering I is onjuist. Mannen zijn juist minder uren gaan werken. Bewering II is juist. Deze apparaten maken het mogelijk minder tijd aan het huishouden te besteden.

2.9

A         Juist. Mannen verdienen (nog steeds) gemiddeld per uur meer dan vrouwen. Voor elk uur dat ze in het huishouden werken, offeren ze een relatief hoog uurloon op.

B         Onjuist. In Nederland neemt het aantal uren dat gezinnen aan betaald werk besteden toe en het aantal uren huishoudelijk werk af. Zie ook figuur 2.4 in het theorieboek.

C         Onjuist. Dat vrouwen meer zijn gaan werken, is grotendeels te danken aan een verandering in sociale normen.

2.10

a          Deze budgetlijn geeft per dag alle mogelijke combinaties weer van uren besteed aan betaalde arbeid en uren besteed aan andere activiteiten, zoals werk in de huishouding en vrije tijd.

b          De ontwikkeling was er één van B naar A. Mannen zijn weliswaar minder betaald gaan werken,  maar vrouwen (veel) meer. Per saldo werd er meer betaald gewerkt.

2.11

Om het onderzoekje niet te ingewikkeld te maken, moet je op zoek gaan naar huishoudingen waar zowel een man als een vrouw aanwezig is. Dan stel je een aantal enquêtevragen op. Stel deze zo op dat ze gemakkelijk verwerkt kunnen worden. Bijvoorbeeld:

Het geschatte aantal uren per week dat de man betaald werkt:......

Het geschatte aantal uren per week dat de vrouw betaald werkt:......

Achteraf kun je het aantal uren betaald werk in klassen indelen, bijvoorbeeld van 0-5 uren, van 5-10 uren, enz.

De resultaten van je onderzoek kun je bijvoorbeeld weergeven met één of meer cirkeldiagrammen, die je in Excel kunt maken.

  1. Internationale arbeidsdeling

2.12

Antwoord B is juist. Bewering I is in het algemeen onjuist. Doorgaans zijn er naast absolute voordelen ook relatieve kostenvoordelen en in dat geval is arbeidsdeling zinvol. Bewering II is juist; relatieve kostenvoordelen maken het altijd zinvol tot arbeidsdeling over te gaan

2.13

Antwoord D is juist. IJzererts is een grondstof die niet in Nederland en wel in Zweden worden gedolven; kostenverschillen spelen in dat geval geen rol. Bij de mogelijkheden A, B en C worden producten genoemd die zowel in Nederland als in het andere land worden geproduceerd (of gewonnen).

2.14

Antwoord B is juist. Bewering I is onjuist. Als er naast absolute ook relatieve kostenverschillen zijn – en dat is bijna altijd zo – zal er toch specialisatie tussen de landen optreden. Bewering II is juist (zie het theorieboek).

2.15

a  De kostenverhoudingen zijn in beide landen 1 : 21/2. De opofferingskosten zijn gelijk in de twee landen. Er zijn dus geen comparatieve kostenverschillen.

b  Het aantal arbeidsuren waarin goed X in land A gemaakt wordt, zou bijvoorbeeld 10 kunnen zijn. In land A zou de kostenverhouding dan 1 : 5 zijn, in land B blijft de kostenverhouding 1 : 21/2. In land A zou goed X dan relatief goedkoop zijn.

2.16

a    Voor elke extra eenheid wijn die in Portugal gemaakt wordt, moet 80/90 (0,89) eenheid kleding worden opgeofferd. Voor een in Engeland geproduceerde extra eenheid wijn moet 120/100 (1,2) eenheid kleding worden opgeofferd. Portugal heeft dus een comparatief voordeel in de productie van wijn.

       Voor elke extra eenheid kleding die in Portugal wordt gemaakt, moet 90/80 (1,13) eenheid wijn worden opgeofferd. Elke extra eenheid kleding die in Engeland wordt gemaakt kost 100/120 (0,83) eenheid wijn. Engeland heeft dus een comparatief voordeel in kleding.

Conclusie: Portugal gaat wijn maken en Engeland kleding.

b    De kostenverhoudingen moeten dan gelijk zijn: 80 : x = 120 : 100.

x = 662/3.
2.17

In een situatie van autarkie besteedt Argentinië 10 miljoen + 15 miljoen = 25 miljoen uur aan de productie van graan en vlees. Brazilië besteedt 12 miljoen + 24 miljoen = 36 miljoen uur aan de productie van de twee producten.

In geval van arbeidsdeling moeten we eerst vaststellen welk land in welk product een comparatief voordeel heeft. Als Argentinië een extra ton graan maakt, offert het 10/15 = 0,67 ton vlees op. Als Brazilië een extra ton graan maakt, offert het 12/24 = 0,5 ton vlees op. Vanwege de lagere opofferingskosten moet Brazilië dus graan gaan maken. Zo kunnen we ook beredeneren dat Argentinië vlees moet gaan produceren.

Als er volledige specialisatie optreedt, zijn de volgende urenaantallen nodig om evenveel graan en vlees te produceren als vóór de arbeidsdeling:

-          Argentinië: 2 miljoen ton vlees × 15 uren = 30 miljoen uren

-          Brazilië: 2 miljoen ton graan ×12 uren = 24 miljoen uren.

Het gezamenlijk aantal uren is teruggelopen van 61 miljoen naar 54 miljoen uren.

2.18

a          Een budgetlijn geeft aan hoeveel van elk product maximaal kan worden aangeschaft gegeven een bepaald budget en gegeven de prijzen. Bovenstaande figuur geeft voor de VS en de EU aan hoeveel van elk product maximaal kan worden geproduceerd in een gegeven aantal arbeidsuren.

b          In de VS: 1 000 ton graan extra kost de productie van 800/15 = 53,3 hectoliter wijn.

            In de EU: 1 000 ton graan extra kost de productie van 600/10 = 60 hectoliter wijn.

            Conclusie: de VS hebben een comparatief voordeel in graan.

            Omgekeerd:

            In de VS: 1 hectoliter wijn extra kost de productie van 15/800 = 0,19 ton graan.

            In de EU: 1 hectoliter wijn extra kost de productie van 10/600 = 0,17 ton graan.

            Conclusie: de EU heeft een comparatief voordeel in wijn.

  1. Transctiekosten

2.19

Antwoord D is juist. De onder A, B en C genoemde kosten behoren tot de prijs van het product zelf, de vakantie. Bemiddelingskosten moeten daarnaast worden gemaakt om het product te kunnen kopen.

2.20

Antwoord C is juist. De onder A, B en D genoemde kosten moeten bovenop de kosten van de verbouwing worden gemaakt en zijn dus transactiekosten.

2.21

Antwoord D is juist. Bewering I is onjuist. Je moet in elk geval de afstand tot de supermarkt overbruggen; verder is er de zoektijd in de supermarkt. Bewering II is vaak onjuist. Transactiekosten hoeven niet altijd als een bedrag in euro’s te worden betaald: denk aan de reis- of zoektijd.

2.22

A         Onjuist. Het zal voorbij een bepaalde ondernemingsomvang vaak voorkomen dat een toenemende schaalgrootte de transactiekosten weer verhoogt.

B         Juist. Als er weinig vertrouwen in de ander bestaat, zullen er zeer duidelijke, meestal schriftelijke, afspraken moeten komen.

C         Onjuist. Ook bij directe ruil zijn er transactiekosten. Denk alleen maar aan de zoekkosten (in tijd) naar iemand die als wederpartij wil optreden.

2.23

Antwoord C is juist. Sociaal kapitaal wordt vaak gezien als de mate waarin burgers elkaar vertrouwen.

Afsluitende opgaven

2.24

a          Mannen verdienen per uur gemiddeld (nog steeds) meer dan vrouwen. (Een oorzaak daarvoor is dat vrouwen vaker werken in sectoren die relatief lage lonen betalen, zoals de zorg en het onderwijs). Elk uur dat de man niet (betaald) werkt, offert hij een – ten opzichte van de vrouw – hoog uurloon op.

b          Het gestegen uurloon geldt ook voor vrouwen. Elk uur dat ze niet (betaald) werken, offeren ze een steeds hoger uurloon op.

c          De politicus heeft gelijk. Ook veranderingen in sociale normen spelen een rol. Het is in toenemende mate ‘normaal’ geworden dat vrouwen betaald werken.

d          Mannen zijn minder uren (per week, per jaar) en minder jaren betaald gaan werken. Vrouwen zijn aanvankelijk meer betaald gaan werken (ook ten gevolge van de verandering in sociale normen); later begonnen ook vrouwen de voorkeur aan meer vrije tijd te geven.

e          Dat is te verklaren doordat steeds meer huishoudelijke diensten gemechaniseerd zijn (wasmachines, magnetrons) en ingekocht kunnen worden (kant-en-klaar-maaltijden).

2.25

a          Als arbeid in China goedkoop is ten opzichte van westerse landen, kunnen veel producten, vooral die waarvan de productie veel (eenvoudige) arbeid vraagt, relatief goedkoop worden gemaakt. China heeft in dat soort arbeidsintensieve producten dan een comparatief voordeel.

b          Een grote vraag naar Chinese producten betekent dat er veel vraag naar Chinese arbeidskrachten is. Daardoor kan het loonpeil in China stijgen, waardoor het comparatieve voordeel vermindert en misschien uiteindelijk verdwijnt.

c          Nee, China heeft ook andere, voor buitenlanders aantrekkelijke, ‘producten’, zoals toeristische trekpleisters (de Grote Muur) en natuurschoon.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.