Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Das passiert nicht alle Tage

Beoordeling 10
Foto van Micky
  • Antwoorden door Micky
  • 3e klas vwo | 1103 woorden
  • 22 juni 2019
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Duits project: Das passiert nicht alle Tage



Leesboekje opgaven: Das passiert nicht alle Tage





Inhoud:



50 belangrijkste voegwoorden bladzijde 2 en 3



Antwoorden op de vragen:



H1, H2 en H3 bladzijde 4



H4, H5 en H6 bladzijde 5



H7, H8 en H9 bladzijde 6



H10 en H11 bladzijde 7



Moeilijke woorden bladzijde 8 en 9





Dit zijn de 50 belangrijke voegwoorden:




  1. Anders = sonts

  2. Of = oder

  3. Maar = aber

  4. Dat = dass

  5. En = und

  6. Maar = sondern

  7. Dus = also

  8. Dan = dann

  9. Dan = denn

  10. Dan = als

  11. Want = denn

  12. Daarom = desalniettemin

  13. Desondanks = trotzdem

  14. Maar = nur

  15. Omdat = weil

  16. Terwijl = während

  17. Hoewel = obwohl

  18. Wanneer = wann

  19. Toen = als

  20. Nadat = nachdem

  21. Voordat = bevor

  22. Zodat = damit

  23. Doordat = inden

  24. Zodat = so dass

  25. Hoe = wie

  26. Toen = damals

  27. Liever = sondern

  28. Voor = bevor

  29. Sinds = seit

  30. Hoewel = obwohl

  31. Zodat = Damitt

  32. Inplaats van = anstatt zu

  33. Sinds = da

  34. Tot = bISS

  35. Dan = als

  36. Of = ob

  37. Maar = aber

  38. Omdat = denn

  39. Als = Wenn

  40. Omdat = weil

  41. Als = wie

  42. Maar = nur

  43. Anders = sonst

  44. Voordat = bevor

  45. Waarheen = wohin

  46. Voordat = ehe

  47. Zover = so weit

  48. Meer = mehr

  49. Hoewel = obgleich

  50. Toch = trotzdem



Dit zijn de antwoorden op de vragen per hoofdstuk:



Hoofdstuk 1




  1. Groot

  2. Dik en sterk

  3. Grijs en scherp

  4. Getrouwd

  5. 60 km per uur

  6. Er komt een zwarte Mercedes langsrijden.

  7. Het heeft een aanhanger.

  8. Een televisie

  9. 420

  10. Hamburg

  11. Een jong, mooi meisje met rode lippen en ze heeft een koffer bij zich.

  12. Snelweg Hamburg 400 meter



Hoofdstuk 2




  1. Omdat de motor en radio aan staan.

  2. Zodat hij het meisje kan verstaan.

  3. Het meisje had een smal gezicht.

  4. Ze heeft rood haar

  5. Ze heeft blauwe ogen

  6. Regenjas, sandalen en een donkerblauwe broek.

  7. Willie vraagt of zij hem goed kan verstaan als de radio uit staat.

  8. Nee, een vriendin.

  9. Ze heet Lore Schmied

  10. Mooi weer, want de zon schijnt.

  11. Een politiecontrole

  12. Er zijn 3 wagens

  13. Er wordt niet gezegd waarom ze worden gecontroleerd, maar ze moeten staande houden voor controle.

  14. Ze hebben blauwe lichten



Hoofdstuk 3




  1. Omdat ze t niet kan verstaan.

  2. In celle.

  3. Ze is bang omdat de overvaller gevaarlijk kan zijn.

  4. Omdat er zoveel politie is.

  5. Een mantel.

  6. Een zwarte hoed en een mantel.

  7. Een blauwe Volkswagen.

  8. Onbeleefd/brutaal.

  9. Dat de hei er mooi bij ligt.

  10. Fallerie fallera.

  11. Omdat hij lelijk zingt .



Hoofdstuk 4




  1. Want ze vindt Willie erg aardig.

  2. Dan spaart ze haar geld en kan ze iets anders ervoor kopen, namelijk een badpak of bikini.

  3. Dat ze in de trein naar Hamburg zit.

  4. Ze heet Helga.

  5. Ein badeanzug, oftewel een badpak.

  6. Aan een mooie blauwe bikini en een strand aan de Noordzee.

  7. Blauw, want dat staat haar het best/goed.

  8. 20 kilometer van Hamburg.

  9. De bomen heten sparren.

  10. Een Ford.

  11. Met 100 kilometer per uur.



Hoofdstuk 5




  1. Het is half 4.

  2. Haar benen zijn stijf.

  3. Ze is benieuwd naar wat erin zit.

  4. Een groot bruin pakket.

  5. Een tv.

  6. Ze hoort een geluid.

  7. Een kort geschreeuw.

  8. Hij is al een kwartier weg.

  9. Een blauwe volkswagen.

  10. De auto komt uit Celle.



Hoofdstuk 6




  1. De auto is helemaal leeg behalve het dashboardkastje daar zit een pakje sigaretten, een zaklamp en een pen.

  2. Het is de auto van de inbreker omdat het kenteken begint met HH en dit betekend dat de auto uit Hamburg komt dus is de auto van de inbreker.

  3. HH betekend dat de auto uit Hamburg komt.

  4. Ze ziet de man op ongeveer 300 meter afstand.

  5. De man heeft een koffer in zijn hand.

  6. De man gaat naar zijn truck.

  7. De man kijkt niet rond dus ziet hij Lorre niet.

  8. Lorre rent naar de trailer en springt erop

  9. Lorre klimt door de opening van het zeildoek.

  10. De bestuurder van de vrachtwagen is de chauffeur van de vrachtwage



Hoofdstuk 7




  1. Ze ligt in de trailer tussen de dozen.

  2. Lorre denkt eerst dat ze aan het dromen is.

  3. Als ze door de opening kijkt ziet ze de snelweg richting Hannover.

  4. De bestuurder van de Opel kadett de mt dat Lorre gewoon zwaait zonder reden

  5. Ze heeft een idee om iets op de kartonnen doos te schrijven.

  6. Ze schrijft “POLITIE CRIMINELEN IN DE VRACHTWAGEN”.

  7. De vrachtwagen rijdt langzamer omdat ze van de snelweg af gaan en Hamburg in rijden.

  8. Omdat de bestuurders de letters niet zien schijnt ze met de zaklamp op de letters zodat de bestuurder van de andere auto het wel kan lezen.

  9. Een oudere dame.

  10. Ze denkt dat ze weg moet gaan in plaats van te helpen.



Hoofdstuk 8




  1. Hij remt plotseling, waardoor zij valt

  2. Er staat een politieauto voor de vrachtwagen

  3. Drie agenten

  4. De dame ziet er geschonken uit

  5. De rover gaat vluchten

  6. De brug over de Elben rent hij weg

  7. De man springt in het water

  8. Een dame

  9. De groene Opel



Hoofdstuk 9




  1. Waar ze is

  2. Ze is bij de politie

  3. Wat er met de boef is gebeurd en met haar ouders

  4. De politie agent

  5. Koffie

  6. Ja, ze hebben gebeld

  7. Kleinschmidt

  8. Goede dag

  9. Hoe ze op de aanhanger kwam

  10. Een paar minuten later

  11. Naar het zuiden

  12. Dat ze een interview willen

  13. 130 kilometer per uur

  14. Omdat ze een plek kan aanwijzen



Hoofdstuk 10




  1. Ze herkent het bos en de bomen/sparren.

  2. Ja.

  3. Omdat ze de auto ziet.

  4. Klaasen.

  5. Hij had een sjaal om haar mond gebonden.

  6. Zijn hoofd doet pijn.

  7. Hij is moe/vermoeid.

  8. Waar is mijn vrachtwagen?

  9. De Waldweg.

  10. Hij wil een sigaret.



Hoofdstuk 11




  1. Helga zit op de bank.

  2. De sterren.

  3. Ze is aan het bellen.

  4. Omdat ze nu eindelijk een bikini kan kopen en ze op tv komt met haar interview.

  5. Naar Travemünde.

  6. Oostzee.

  7. Ze kan er zwemmen, shoppen en uitrusten.

  8. Eerst gaan ze een blauwe bikini kopen, hierna gaan ze een koffie drinken met Willie en eten en om 6 uur gaan ze tv kijken.

  9. Bij Brehms.





Moeilijke woorden:



schwarzer - zwarte



schweren - ernstig



Steuer - belasting



Schlagersängerin -hitzangeres



herunter - naar beneden



bequem - comfortabel



hübsches - vrij



Secunden - seconden



Guckt - piepgeluiden



wackeln - wiebelen



dr?hnt - brult



Rundfunk - oproep



grinsen - grijnzen



Fernseher - televisie



Birken - berken



schrecklichen - verschikkelijk



Flasche - fles



Armbanduhr - horloge



verschwinden - verdwijnen



Träumen - dromen



laut - luid



?ffnung - opening



Gottes - god



unruhig - rusteloos



geräusch - klinken



ziemlich - tamelijk



heraus - erbuiten



Kugelscheiber - pen



tannen - sparren



dumme - dom



wieder - opnieuw



winkt - wenkt



paarmal - paar keer



flattern - wapperen



Zeigefinger - wijsvinger



Vorort - voorstad



erschockenem - bang



hinter - achter



Schiffssirenen - schip sirenes



erschrocken - verschikt



illustrierte – geïllustreerd



betrachtet – beschouwd



komisches – komisch



aufgeregt – opgewonden



Waldweg – bosweg



Tannen – dennen



verschwand – verdween



Flasche – fles



Kurve – curve, bocht



tapferen – dapper



dicker – dik



Bankräuber – bankrover



Kommissar – commissaris



Zimmer – kamer



bremst – remmen



fliegend – vliegend



Sekunden – seconden



schreit – geschreeuwd



gucht - piepgeluiden




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Micky