Hoofdstuk 5 en 6, Antwoorden op kernvragen

Beoordeling 5
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 4e klas havo | 1437 woorden
  • 27 juni 2007
  • 13 keer beoordeeld
  • Cijfer 5
  • 13 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Paragraaf 5.1: Invloed op de Biosfeer
Kernvraag 1: Wat hangt samen met de keuze voor plastic of blik?
 Verbruik van grondstoffen en productie van afval en verbrandingsgassen belasten de biosfeer. Het is niet eenvoudig om te kiezen tussen plastic of blik. Want de voor- en nadelen uit de milieubalans zijn moeilijk te vergelijken.

Duurzame ontwikkeling:
Bijdragen aan een wereld die efficiënter en zuiniger omgaat met de aarde; oftewel de druk op de biosfeer verminderen. De biosfeer is dat gedeelte van de aarde waar leven mogelijk is; van de bovenste lagen van de aardkorst loopt de biosfeer t/m de onderste lagen van de atmosfeer.

Waarom duurzame ontwikkeling?

- er is steeds meer milieubelasting door vervuilend afval
- de natuurlijke hulpbronnen raken uitgeput

Bron 5.1 en 5.2 Productie  vervoer naar winkel  gebruik door consument  afvalbak  vuilververwerking met evt. afvalscheiding

Door recycling (dan sluit je de kringloop beter):
- minder uitputting van hulpbronnen
- minder druk op biosfeer door vervuilend afval.

Je kan per productie-kringloop een milieubalans opmaken met baten en kosten.

Kernvraag 2: Wat gebeurt er met de ozonlaag?
 CFK’s (uit spuitbussen en koelkast en gebruikt voor de fabricatie van piepschuim) tasten de ozonlaag aan, waardoor meer UV-straling tot het aardoppervlak doordringt. Er zijn afspraken gemaakt om productie en gebruik van CFK’s te staken. Maar de ozonlaag herstelt zich alleen als alle landen zich daaraan houden.
Blootstelling aan UV straling leidt tot huidveroudering, huidverbranding en een grotere kans op huidkanker.


Bron 5.4 t/m 5.6
Je zontijd (aantal minuten dat je onbeschermd mag zonnen) = persoonlijk zonkrachtgetal/zonkracht

Paragraaf 5.2: Duurzaam wonen
Kernvraag 1: Wanneer is een huis duurzaam?
 Door gebruik van herbruikbare materialen, zonne-energie en dubbele waterleidingen beperkt een duurzaam huis de uitputting van grondstoffen en de productie van afval. En in een duurzaam huis kun je blijven wonen, ook als de wooneisen veranderen.

Je kan een huis een ‘duurzaamheidswaarde’ toekennen; ofwel een milieuindex. Deze waarde is gebaseerd op het materiaal van het huis, de energie die gebruikt wordt in het huis, de watervoorziening en de mobiliteit t.o.v. een huis.

Een duurzaam huis betekent ook dat het huis lang meegaat en dat het aangepast kan worden aan de eisen van de gebruiker (denk aan hangende wanden en brede deuropeningen)

Kernvraag 2: Hoe ontstaat een duurzame woonwijk?
 Bij het duurzaam maken van een woonwijk gebruiken de betrokkenen een stappenplan. Op basis van gemeenschappelijke uitgangspunten stellen ze toekomstbeelden op en bepalen ze welke veranderingen nodig zijn.

Bestemmingsplan beschrijft wat er met de ruimte in een gemeente mag gebeuren. Het is lastig om duurzame ontwikkelingen in zo’n plan te verwerken. Bron 5.11 t/m 5.13

Paragraaf 5.3: Verplaatsing en gedrag
Kernvraag 1: Wat is het gevolg van meer verkeer?
 De groei van gemotoriseerd verkeer bevordert de uitputting van fossiele brandstoffen en de uitstoot van koolstofdioxide. Er is discussie over de te nemen maatregelen. Ook kan overlast ontstaan, zoals smogvorming. Katalysatoren beperken dit.

Bron 5.16; Klimaatmodellen zijn ingewikkeld; dit maakt het voorspellen moeilijk.

Op klimaat conferenties wordt gepraat over de beperking van de uitstoot van CO2
Uiteindelijk is er een emissie recht vastgesteld: per land wordt de uitstoot van CO2 vastgesteld; met mogelijk tot verkopen (door de arme landen). Dit emissierecht wordt elk jaar verminderd. Opnieuw is er dus een kosten en baten balans.

Kernvraag 2: Hoe kun je gedrag beïnvloeden?
 Beloning en straf beïnvloeden de motivatie en daarmee het gedrag. Daarnaast werkt de beschikbaarheid van alternatieven stimulerend om het gedrag te veranderen. De overheid en het bedrijfsleven gebruiken beide manieren. Bron 5.17 en 5.18

Voorbeelden:
- uitputting: brandstofverbruik put de voorraden van aardolie uit
- uitstoot: uitlaatgassen, vooral CO2
- overlast: smog

mogelijke alternatieven voor energie uit fossiele brandstoffen: zonne-energie, windenergie, kernenergie en biomassa.

Paragraaf 5.4: technologie voor een duurzame toekomst
Kernvraag 1: Wat is de duurzame energiebron van de toekomst?
 Zon, wind en water kun je gebruiken als duurzame energiebronnen. Hun succes wordt onder andere bepaald door de technische mogelijkheden, de veiligheid en de prijs.

Fossiele brandstoffen: kolen, olie en gas worden snel verbruikt.
Technisch onderzoek richt zich op goedkope en duurzame alternatieven met een hoog rendement. Bron 5.20 en 5.21

Kernvraag 2: Welke kenmerken heeft de auto van de toekomst?
 De auto van de toekomst heeft een lage luchtweerstand en een zuinige motor die wellicht op waterstof of methanol loopt. Het tijdens de sloop verzamelde materiaal wordt bijna allemaal hergebruikt.

Bron 5.24 en 5.25 doorlezen

Auto-ontwerpers proberen met wiskundige modellen en proeven met schaalmodellen de ideale lijn van een auto te verkrijgen.

Biomethanol; uit dode planten worden waterstofgas en koolmonoxidegas gewonnen. Met extra waterstof ontstaat methanol.

Auto’s en elektronische apparaten worden tegenwoordig duurzaam gesloopt; omdat dit extra energie en arbeid kost wordt van tevoren een verwijderingsbijdrage betaald. Het doel is een vermindering van afvalberg en besparing op grondstoffen.

Nimby gedrag staat voor Not In My BackYard. Mensen willen bijvoorbeeld wel schone energie afkomstig van windmolens maar niet dat hun uitzicht hierdoor wordt verpest.

Samenvatting hoofdstuk 6 – ANW
Paragraaf 6.1: DNA

Kernvraag 1: Hoe zit DNA in elkaar?
 DNA bestaat uit lange moleculen die in tweetallen gekoppeld zijn tot een dubbele spiraal. De spiralen passen perfect aan elkaar doordat de basen van de ene spiraal samengaan met basen van de andere spiraal in vaste paren: A met T en C met G

Chromosoom: een zichzelf reproducerend organel in de celkern, drager van erfelijke eigenschappen. De menselijke celkern bevat er 23 paren van.

DNA: steeds herhalende bouwstenen; met zijbasen: A, G, C en T

Codon: drie opeenvolgende DNA bouwstenen; deze coderen voor een aminozuur. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Eiwitten zijn de basisgrondstoffen voor alles wat leeft.

Gen: erfelijke eenheid op een chrosmosoompaar, bevat informatie voor 1 erfelijke eigenschap.

Kernvraag 2: Waarvoor dient DNA?
 In het DNA ligt in de genen de erfelijke informatie voor de bouw van eiwitten opgeslagen. Een combinatie van drie basen vormt de code voor 1 aminozuur. Door de dubbele helixvorm is DNA nauwkeurig te kopiëren.

Bron 6.3 t/m 6.6

Paragraaf 6.2: Weten of niet-weten
Kernvraag 1: Wat zijn DNA-diagnostiek en chromosoomonderzoek?
 DNA diagnostiek is onderzoek naar afwijkingen in bepaalde genen. Bij chromosoom onderzoek wordt onderzocht of er afwijkingen zijn in het aantal of de vorm van chromosomen. Vlokkentest en vruchtwaterpunctie zijn voorbeelden van prenatale diagnostiek.

Afwijkingen in het DNA kunnen door spontane mutaties ontstaan maar ook door dat er fouten worden gemaakt bij het kopiëren van de chromosomen (vlak voor de celdeling). Als zo’n fout wordt doorgegeven aan de nakomelingen hebben we het over erfelijke aandoeningen.

Bij het syndroom van Down is bijvoorbeeld van chromosoompaar 21 per ongeluk 1 extra chromosoom gekomen.

Kernvraag 2: Wat kunnen de gevolgen zijn van de mogelijkheid om DNA te onderzoeken?
 De mogelijkheid om DNA te onderzoeken kan mensen duidelijkheid geven over de kans op erfelijke aandoeningen. Maarhet kan mensenook voor persoonlijke en maatschappelijke dilemma’s plaatsen.

Bron 6.7 t/m 6.10

In totaal heb je 46 chromosomen; 23 chromosoomparen.

Twee chromosomen vormen samen een chromosoompaar.
Voor 1 eigenschap coderen bijvoorbeeld 2 genen. 1 gen op het ene chromosoom en 1 gen op het andere chromosoom.

Als een gen dominant is, dan bepaalt dit gen de uiteindelijke eigenschap en ‘overheerst’ dus het bijbehorende gen op het andere chromosoom.

Als een gen recessief is; dan zal deze eigenschap pas tot uiting komen als beide genen (dus op allebei de chromosomen van het chromosoompaar) recessief zijn.
Sommige ziekten zijn dus recessief en andere dominant.

Paragraaf 6.3: sleutelen aan genen
Kernvraag 1: Wat is genetische modificatie?
 Genetische modificatie is het veranderen van de erfelijke eigenschappen van levende organismen door het veranderen van het DNA.

genetische modificatie – erfelijke eigenschappen van een organisme doelbewust veranderen
gentherapie – mensen genezen met genen.
stamcellen – cel die in staat is uit te groeien tot een ander type cel. Embryo bestaat uit alleen
maar uit stamcellen (in eerste instantie)
klonen – het creëren van genetisch identieke organismen
veredeling – kweken met organismen met de gewenste kwaliteiten
transgeen organisme – organisme met een soortvreemd gen

Bron 6.11 en 6.14

Kernvraag 2: Mag alles wat kan?
 Ook voor genetische modificatie geldt dat niet alles mag wat kan. De overheid stelt regels op voor genetisch gemodificeerde producten. Daarbij gaat het om veiligheid en om ethiek.

Paragraaf 6.4: De mens van de toekomst
Kernvraag 1: Hoe verander kennis van DNA ons leven?
 Met de kennis van DNA kunnen we in de toekomst ziekten behandelen waarvoor nu nog geen behandeling bestaat. Nieuwe mogelijkheden veranderen onze opvattingen over ziek en gezond zijn. En ze roepen nieuwe vragen op.

Bron 6.15 t/m 6.17

Kernvraag 2: Zijn we meer dan DNA alleen?
 We weten hoe ons DNA in elkaar zit. Maar niet alleen DNA bepaalt wie je bent. Ook omgevingsfactoren spelen een rol, je bent meer dan DNA alleen.

Door het opkopen van genetische informatie van eilanden kunnen bedrijven in de toekomst makkelijker ziekten opsporen omdat de genetische diversiteit minder is. Dan kunnen deze bedrijven in de toekomst sneller medicijnen maken.

Het genoom: de precieze volgorde van de drie miljard letters van het DNA.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

Dit zijn de hoofdstukken 6 en 7, niet hoofdstuk 5 en 6. Graag even veranderen!

9 jaar geleden