ADVERTENTIE
Ken je onze podcast al?

Ga je bijna studeren en wil je meer weten over het studentenleven? Luister dan naar seizoen 1 van onze podcast Studententijd. Oscar, David en Dienke vertellen eerlijk over studententhema's als hospiteren, daten, schoonmaken, verenigingen. Vanaf september nieuwe afleveringen!

Luister de podcast

Opdracht 1

a.) Allemaal zijn het landschappen.

b.) Omdat het gebieden zijn met bepaalde kenmerken.

c.) *

d.) Een gebied met bepaalde kenmerken wat betreft de inrichting, gebruik en natuurlijke opbouw.



Opdracht 2

a.) *

b.) Het verschijnsel dat los materiaal na transport door water, wind of ijs op het aardoppervlak terecht komt en blijft liggen.

c.) Het oppervlak van Nederland bestaat vrijwel geheel uit afzettingen die uit de sedimentatie komen.



Opdracht 4

a.) jonge klei.



b.) ------------------

c.) binnendelta.

d.) *

e.) Omdat in heel Nederland gesteenten uit de perioden voor het Kwartair diep onder het oppervlak liggen behalve in Zuid-Limburg. Daar ligt het vaste gesteente uit de perioden voor het Kwartair aan het oppervlak.

f.) In het Krijt werd Nederland overspoeld door de zee. In die zee leefden kleine organismen met een kalkschaaltje. In Zuid-Limburg ligt kalksteen aan het oppervlak. In de rest van Nederland ligt het begraven onder een dikke laag sediment. Dat is omdat Nederland een dalingsgebied is.



Opdracht 5

a.) *

b.)

Tijdvak Afzettingen Ontstaan landschapsvormen

Vroeg Pleistoceen Fluviatiel: grind en zand aangevoerd door de oer-Maas en oer-Rijn. Grote vlaktes met zand en grind.

Midden Pleistoceen Glaciale afzettingen in de vorm van stuwwallen en fluvioglaciale afzettingen in de vorm van speolzandwaaiers.



Laat Pleistoceen Eolische afzettingen: löss en dekzand. Dekzandruggen.



c.) De temperatuur stijgt als de zeespiegel stijgt. De temperatuur daalt als de zeespiegel daalt. Of andersom natuurlijk.

d.) 1= ijs

2= Keileem

3= Gestuwde, scheefgestelde rivierafzettingen

4= Stuwwal

5= Fluviaglaciaal zand en grind (spoelzandwaaier)

6= oerstroomdal

e.) Uit opgestuwd zand en grind uit de Vroeg-Pleistoceen.

f.) Onder het gesmolten ijs bleven tot leem vermalen keien, vermengd met hele stenen achter. Deze afzetting noem je keileem.

g.) In het Laat-Pleistoceen bereikt het ijs Nederland niet maar is het wel koud. Daardoor is er geen begroeiing of een toendrabegroeiing. De wind kan bodemdeeltjes zoals zand en löss meenemen en ergens anders afzetten. Dat zijn eolische afzettingen.



Opdracht 6

a.) *

b.) 1= het midden, zuiden en oosten van Nederland

2= het westen en noorden van Nederland

c.) * een belangrijke temperatuurstijging; het landijs smolt en de zeespiegel steeg vooral in het begin van het Holoceen sterk

* een verandering van begroeiing; de toendrabegroeiing verdween langzaam om plaats te maken voor uitgestrekte naaldbossen; Na verloop van tijd werd Nederland bedekt door een groot oerbos waarin loofbomen overheersen.

* veel soorten grote zoogdieren sterven uit, bijvoorbeeld de wolfharige neushoorn en de mammoet.

* de mens grijpt in het natuurlijke milieu in.



Opdracht 7

a.) het zeewater komt omhoog.

b.) * de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt.

* de oceanen worden minder diep, door invloeden van confectiestromen

* de aardkorst onder het gewicht van een ijskap wordt naar beneden gedrukt.

c.) *

d.) Het lijkt alsof de zeespiegel stijgt maar in feite gaat het om een absolute bodemdaling.

e.) De zeespiegel stijgt daadwerkelijk doordat ijs smelt en er meer water in zee terecht komt.

f.) Met de totale zeespiegelstijging. Ze kunnen elkaar versterken of verzwakken.

g.) De aardkorst van Scandinavië werd onder het gewicht van een ijskap naar beneden gedrukt. Hierdoor kwam het aardoppervlak in de omgeving van die ijskap omhoog.

h.) Door bodemdaling en absolute zeespiegelstijging.



Opdracht 8

a.) *

b.) 1= rietveen 4= zeggeveen

2= gyttja 5= mosveen

3= bosveen 6= dy

c.) Veen dat onder invloed van regenwater is ontstaan kan uit laagveen ontstaan en ligt boven de grondwaterspiegel.

d.) Veen dat zich onder invloed van grondwater bevindt ontstaat in drassige gebieden.

e.) Hoogveen ligt boven de grondwaterspiegel en heeft geen invloed van het voedselrijkere grondwater. Laagveen wel en vormt zich dus in een voedselrijkere omgeving.



Opdracht 9

a.) De zeespiegel steeg vanaf 5500 v. Chr en de zee kreeg dus meer invloed op het land.

b.) *

c.) Een sterke vloedstroom transporteert materiaal uit zee naar land en de zwakke ebstroom neemt het niet mee terug. Zand en klei zet zich aan de kust af. Er ontstaan geulen en platen. Aan de kust zijn er wadplaten, slikken, die op een gegeven moment niet meer overstromen. Kwelders heten ze.



Opdracht 10

a.) *

b.) Ten oosten.

c.) De jonge duinen liggen erop of de oude zijn weggeslagen door de zee.

d.) 2-3-1-4

e.) In de eerste 3 tekeningen.

f.) Tekening 4



Opdracht 11

a.) Meer overstromingen omdat de zeespiegelstijging zorgt voor opstuwing van het grondwater en rivierwater.

b.) Meanderende rivier: loopt in bochten en stroomt meestal door een smalle bedding.

Vlechtende rivier: ondiepe en brede rivier met veel grindbanken.

c.) *



Opdracht 12

a.) Het dekzand dat tijdens het Holoceen verstuift.

b.) Oeverwal ontstaat doordat de rivier bij een overstroming zand op de bedding afzet. De komgrond ontstaat doordat de klei verder stroomt bij een overstroming. Klei neemt minder water in en het klinkt als het water eruit loopt. Daarom ligt de komgrond lager.

c.) Omdat het het lichtste sediment is. Dicht bij de rivier is de stroomsnelheid te groot pas verder van de rivier af komt het tot stilstand (niet helemaal) en kan klei sedimenteren.



Opdracht 13

a.) De veengebieden in Drenthe en Groningen hebben zich ontwikkeld onder invloed van een ondoorlatende laag in de ondergrond.

b.) Afzettingen (klei, zand) die door beken zijn aangelegd.

c.) Dekzand.

d.) *



Opdracht 14

A – II D – V

B – III E – I

C – IV



Opdracht 15

a.) Vorm van ijs ? stuwwallen en diepe uitgesleten dalen.

Stromend water ? sediementen naar Nederland gebracht en het oppervlak gevormd.

De zee ? veengebieden ontstaan.

b.) 1. Neerslag

2. Infiltratie

3. Evapotranspiratie

4. Afstroming over het oppervlak

5. Verbruik door planten

6. Grondwaterspiegel

7. Uitstroming op oppervlaktewater

8. Verdamping

9. Grondwater

c.) *

d.) Verdamping van wtaer via vegetatie samen met verdamping via de bodem.

e.) Neerslag die overblijft als je de evapotranspiratie eraf trekt.

f.) De effectieve neerslag geeft een beter beeld van de hoeveelheid water die echt in de bodem dringt.



Opdracht 16

a.) In de ondergrond is grondwater aanwezig. Via neerslag wordt het aangevuld.

b.) *

c.) Hangwaterzone, grondwaterzone, vol-capillaire zone en open-capillaire zone.

d.) Hangwater kan niet door de zwaartekracht worden afgevoerd naar de grondwaterzone. Capillair water beweegt vanuit de grondwaterzone omhoog in de poriën daarboven.

e.) Door zwaartekracht zakt water naar beneden de bodem in.

f.) Kleigrond heeft kleine poriën dus het water kan er niet allemaal in.



Opdracht 17

a.) Onderkant van een glas, onderkant van een zwembad, bodem van een doos, laagje vloeistof in een glas.

b.) *

c.) Het water voor de plantengroei belangrijkste bovendeel van de verweringslaag of los sediment waar bodemvorming is opgetreden.

d.) -----------

e.) Mineralen, water, lucht en een organische stof.

f.) De bodem is een hele belangrijke factor voor het wel of niet groeien van bepaalde gewassen.



Opdracht 18

a.) 157D: bodemgroepen in de wereld.

161D: fysisch-geografische zones in de wereld.

b.) ?



Opdracht 19

a.) *

b.) – Stoffen lossen beter op in een warme omgeving.

- bodemvorming verloopt sneller in een warme omgeving.

c.) Water dat in de bodem dringt neemt op zijn weg stoffen mee naar dieper gelegen bodemlagen of het grondwater.

d.) Omdat dat de werkelijke hoeveelheid water is die de bodem indringt.

e.) Kalken en zouten slaan op het oppervlak neer, omdat door evapotranspiratie grondwater en capillair water omhoog naar het oppervlak wordt getransporteerd.



Opdracht 20

Het klimaat heeft een grote invloed op bodemvorming. Ook de plantengroei wordt door het klimaat beïnvloed. Daarom hangen de bodems in een gebied samen met het klimaat en de plantengroei. Deze factoren vertonen een bepaalde zonaliteit. In die 2 kaarten in het terug te vinden.



Opdracht 21

a.) De fauna breekt de plantenresten af en brengt ze in de bodem. De flora draagt bij door wortels en strooisel en het beïnvloeden van de effectieve neerslag.

b.) Het ene moedermateriaal, grind, heeft een grote doorlatendheid dan het andere moedermateriaal, zand. In grind zal uitspoeling hierdoor groter zijn dan in zand.



Opdracht 22

a.) *

b.) Aº: plantenresten die op het bodemprofiel terecht zijn gekomen. De plantenresten worden afgebroken door bateriën en schimmels, onder andere tot humus en humuszuren.

A¹: humus van de Aº-horizont wordt door neerslag ingespoeld en door bodemdieren in de A¹-horizont gebracht door graafactiviteit.

A²: Dit is een uitspoelingshorizont. Bij een positieve effectieve neerslag zullen stoffen in deze horizont oplossen en naar diepere lagen worden meegenomen.

B: Dit is de inspoelingshorizont. Stoffen of deeltjes uit de A²-horizont die niet met het grondwater worden meegenomen, blijven in deze horizont achter.

C: Deze horizont is het moedermateriaal.



Opdracht 23

?



Opdracht 24

a.) Eerdgronden ? overige soorten zand en beekbezinking.

Veengronden ? laag/hoogveen, klei op veen.

Brikgronden ? löss en verweringsgrond.

Podzolgronden ? overige soorten zand.

Vaaggronden ? jonge zeeklei en rivierklei.

b.) *

c.) Vaaggronden.

d.) De grondsoort is duin en stuifzand en vaaggronden komen voor in zeekleiafzettingen.



Opdracht 25

a.) Eb, vloed en stroming van water.

b.) Neerslag, temperatuur.

c.) *

d.) Omdat veranderingen heel langzaam gaan.



Opdracht 28

a.) een landschap dat door mensen is aangepast door er bijvoorbeeld huizen te bouwen.

b.) Erop leven.



Opdracht 29

a.) *

b.) 1= Draagfunctie

2= Regulatiefunctie

3= Productiefunctie

4= Informatiefunctie



Opdracht 31

66%



Opdracht 32

a.) *

b.) – bouwen van huizen

- aanleggen van sloten

- bemesten van het land

- gewassen verbouwen

c.) Door de vooruitgang van de techniek is men tegenwoordig niet meer afhankelijk van de eigenschappen van de bodem.

d.) Dat ze nu kassen gebruiken en daar kan je zelf alles regelen.

e.) Door de vooruitgang van de techniek kan een boer vrijwel elk product op elke grond kan telen.



Opdracht 33

a.) bij kaart 16 is het heel ongeordend bij kaart 17 is het netjes in stroken.

b.) *

c.) De manier waarop een gebied in allerlei afzonderlijke stukjes is opgedeeld.

d.) Een perceel is een grondgebruikers eenheid en een kavel is een juridische eenheid.

e.) 16= blokverkaveling.

17= modern rationele verkaveling.

18= strokenverkaveling met bewoning op de percelen.



Opdracht 34

a.) *

b.) Alle veranderingen die leiden tot een grotere productie per arbeider.

c.) Sinds de jaren ’50 heeft de landbouw steeds meer concurrentie uit het buitenland gekregen. De prijzen op de wereldmarkt zijn gedaald. De landbouwers moesten iets doen om niet failliet te gaan. Mogelijkheid: het omlaag brengen van de kosten en de opbrengst verhogen. Schaalvergroting dus.



Opdracht 36

a.) Mechanisatie.

b.) – De productie per hectare te vergroten.

- Gewassen te verbouwen die meer opbrengen.

c.) De glastuinbouw neemt daar heel erg toe.

d.) Noord-Brabant.

e.) G en H.



Opdracht 41

a.) Goede wegen.

b.) *

c.) Verspreid liggende kavels samen te voegen tot één groot kavel, gelegen rond de bedrijfsgebouwen.

d.) Waterhuishouding en ontsluiting van het gebied goed te regelen.

e.) Er kan tegen lagere kosten geproduceerd worden.

f.) De regering ging beseffen dat het landschap er niet alleen is voor de landbouw, maar ook andere functies heeft zoals; recreatie, natuur.



Opdracht 42

a.) Zeekleilandschap

b.) Een landschap met veel weilanden en dan een paar dorpjes.

c.) *

d.) Omdat er veel water in ons land is en een gedeelte onder de zeespiegel ligt.

e.) In grondsoort, begroeiing, hoogte, grondwaterstand.

f.) Duinlandschap, je kunt het wel proberen aan te passen maar de wind veranderd het toch weer.

g.) Veenlandschap, daar is veel landbouw.



Opdracht 43

a.) Topografische kaarten.

b.) Overeenkomsten: Hetzelfde gebied, veel weiland.

Verschillen: Meer bewoning, meer wegen.

c.) Zandlandschap.



Opdracht 44

a.) *

b.) Podzolgronden en eerdgronden.

c.) Podzolgrond, de bodems zijn ontstaan op zandgrond.

Eerdgrond, de mens heeft de bodem vruchtbaarder willen maken.



Opdracht 45

a.) 16A ? Winterswijk

16C ? Holten

16E ? Brabant

b.) Model voor grondgebruik.

c.) 16B: ja, dorp vlakbij de beek, esdorp, heide

16D: ja, akkers bij esdorp, weilanden liggen laag, woeste gronden liggen hoger.

16E: ?



Opdracht 46

a.) - Bevolkingsgroei en kunstmest.

- Modernisering van de landbouw.

b.) *

c.) Gebruik van kunstmest.

d.) Met meer bevolking is er te weinig ruimte voor het afplaggen.



Opdracht 48:

a.) De ononderbroken duinenrij liep in het geologische verleden langs de gehele kust. Door zwaktes in de duinenrij zijn de duinen in het zuidwesten en noorden van Nederland op die punten weggeslagen. In Noord- en Zuid-Holland is de duinenrij behouden gebleven.

b.) Nederzettingen liggen vooral op de oude duinen. De nederzetting is langgerekt. Het reliëf is in de jonge duinen groot, de oude duinen vertonen het reliëf niet meer omdat ze zijn afgegraven. Het landgebruik op de afgegraven oude duinen is grasland en akkerland. Op de jonge duinen staat bos en er vindt recreatie plaats.

c) De oude duinen zijn afgegraven en het gebied wordt gebruikt voor de landbouw. De jonge duinen zijn begroeid met bos en er is veel reliëf.



Opdracht 49:

a) de eerste hoge en gesloten duinenrij vanaf de zee.

b) Door het afgraven van de oude duinen tot op 55 cm boven het grondwater.

c) Regulatiefunctie (bescherming tegen de zee), draagfunctie (recreatie).

d) Vaaggronden ? grote delen van de duinen zijn nauwelijks begroeid. Bodemvorming vindt hier langzaam plaats of niet omdat de wind vat heeft op de bodem. Podzolgronden ? in die gebieden die allang begroeid zijn met bos (sinds de 17e eeuw bijvoorbeeld), hebben zich soms podzolbodems kunnen ontwikkelen in de zandige ondergrond.



Opdracht 50:

a) Om verzilting tegen te gaan en om de zoetwatervoorraad in de duinen aan te vullen.

b) De voedselrijkdom van het gebied neemt toe en schadelijke stoffen komen in het duingebied terecht.

c) Dit is het tot zo’n honderd meter onder het aardoppervlak brengen van vervuild oppervlaktewater om het daar te zuiveren.

d) Dan verplaats je de plek waar voedingsstoffen en vervuilende stoffen neerslaan tot honderd meter onder het oppervlak. Daar hebben planten en dieren er geen last van.



Opdracht 52:

a) *

b) Omdat hier water en goede graslanden aanwezig zijn.

c) De bodem was vruchtbaar in dit gebied (löss).

Er was vruchtbare grond om nieuwe akkers aan te leggen als de oude niet meer voldoen.

d) A= akker D= nederzetting

E= beekdal B= bos

F= loss C= grasland



Opdracht 53:

a) *

b) De in het dal verzamelde van de hellingen gespoelde löss.

c) G= Colluvium

d) Ze voorkomen afspoeling van bodemmateriaal met water naar het dal.

e) Door wegverkeer werd het wegdek dat bestond uit löss losgewoeld. Bij een stevige regenbui vormde de weg een natuurlijke afvoer naar het dal en werd steeds dieper uitgesleten.

f) In de dalen is er grasland en zijn er boomgaarden. De dorpen liggen aan de voet van de helling. Op flauwe hellingen vindt akkerbouw plaats of is er grasland. Op steile hellingen staat bos en op de plateaus vindt je weer akkerland met boomgaarden en de plateaudorpen.



Opdracht 54:

a) Kalksteen winning.

B) Het landschap wordt aangetast door het afgraven van heuvels, grondwaterstand daalt.



Opdracht 55:

a) Slikken zijn ontstaan in een waddengebied dat bij eb droogvalt. En bij vloed onder water staat. Doordat de vloedstroom sterk is voert hij klei en zand mee naar de kust. De ebstroom is zwak en kan dit dus niet meenemen naar zee. Het materiaal hoopt zich op tussen de geulen. Dat zijn de slikken. Als slikken alleen nog bij heel hoog water nat worden, zij het kwelders. Kreekruggen zijn eigenlijk oude geulen. Na inpoldering daalt de bodem door inklinking van de klei. De geulen bestaan voornamelijk uit zand en blijven als ruggen zichtbaar in het landschap: kreekruggen.



Opdracht 56:

a) Een polder kan boven zeeniveau liggen. Dan vindt de afwatering natuurlijk plaats, door middel van de zwaartekracht. De eerste zeepolders functioneerde volgens dit principe. Door inklinking komen ze echter onder de zeespiegel te liggen. Dijken met hierop gemalen moeten het water uit de polder pompen, zodat deze droog genoeg blijft voor landbouw. Andere polders zijn: veenpolders en droogmakerijen.

b) Vroeger was men afhankelijk van de wind. Tegenwoordig gebeurt de waterstandregeling met electrische gemalen.

c) Het is ongeveer 30 %.



Opdracht 57:

a) Terp – wadgeul – oude weg.

b) Noord-Groningen

c) In kaart A : zijn onregelmatige kavels te zien die klein zijn.

In kaart C : zijn regelmatige grote kavels te zien.



Opdracht 58:

a) Draagfunctie.

b) Blokverkaveling en onregelmatig.

c) De gebieden E en F liggen meer naar de kust en ze liggen hoger.

d) Tot de terpdorpen.



Opdracht 59:

a) *

b) Oudland: grasland overheerst, verkaveling is onregelmatig en het vertoont micorreliëf.

Nieuwland: meer zeewaarts gelegen, ze liggen hoger in het landschap, strokenverkaveling met bewoning op de percelen, akkerland en fruitteelt overheerst.

c) Het oudland is ingeklonken.

d) Tegen de dijk van het oudland werd nieuwe klei afgezet; aanwas. Deze klei slibde op een gegeven moment zo hoog op dat het werd ingepolderd : nieuwland.



Opdracht 61:

a) Jonge droogmakerijen: die zijn drooggemaakt in de 20e eeuw.

Oude droogmakerijen: die zijn tussen de 14e en de 20e eeuw aangelegd.

b) Twee oude droogmakerijen zijn: Haarlemmermeer, Beemster.

Twee jonge droogmakerijen zijn: Flevopolder, Wieringermeer.



Opdracht 62:

a) Omdat men ruimte nodig had voor nieuwe landbouwgrond. De plassen en meren vormden een bedreiging voor de omgeving.

b) De grote plassen en meren waren ontstaan na het uitbaggeren van het veen voor brandstof. Onder dit veen zit oude zeeklei. Als de plas droog was gelegd kwam dit aan het oppervlak.

c) Eerst werd er een ringdijk rond het meer gelegd. Daarom heen groef men de ringvaart. Daar werd het water naar toe gepompt met behulp van gemalen.

d) De droogmakerijen liggen vaak 4 tot 5 meter onder zeeniveau. Er stroomt grondwater uit de omgeving naar toe.

e) In de ondergrond was te veel zand aanwezig, en daardoor is er heel veel overlast van kwelwater.



Opdracht 63:

a) Deze gebieden hebben lange tijd onder water gelegen. Er heeft zich daar veel klei afgezet, jonge zeeklei. Na het wegpompen van het water blijft dit aan het oppervlak.

b) De bemalingtechnieken zijn goed, men kan nu veel kwelwater wegpompen.



Opdracht 64:

a.) Oude dorp ligt op een hoger gelegen deel.

b.) ?



Opdracht 65:

a.) *

b.) ?

c.) Duinen die laat zijn gevormd doordat zand uit de bedding van rivieren geblazen werd.



Opdracht 66

a) *

b) Men legde weteringen (waterlopen) aan, met loodrecht hierop sloten. De weteringen loosden hun water stroomafwaarts in de rivier, waar de waterstand lager was.

c) Door het verschil in vochtigheid

d) Een wiel ontstaat als achter de dijk het water een diep gat uitslijt.

e) Op deze manier kon men de kans op overstromingen verkleinen.

f) De dijken zullen na verloop van tijd breken, omdat er teveel kracht/spanning op komt te staan



Opdracht 67

a) Deze kaart gaat over drinkwaterspaarbekkens in de Biesbos

b) Ongezuiverd, door de in de legenda genoemde dingen kan het water gezuiverd worden



Opdracht 68

a) *

b) Sloten werden uitgediept en er werden nog meer sloten aangelegd. Hierdoor ontstond er verdere inklinking. Hierdoor zakte het veenoppervlak steeds verder in. Het grondwaterpeil steeg in die tijd juist door de zeespiegelstijging. Hierdoor veranderde hoogveen in laagveen: Het kwam binnen bereik van het grondwater. Dit wordt ook wel verdronken hoogveen genoemd.

c) Dit noem je cope-ontginning

d) 1. Ontginningsrichting aangegeven

2. Ontwateringsloten

3. Dijken aangelegd

e) Omdat er teveel veen onder water was gekomen waardoor het uitgebaggerd moest worden

f) Door natte en droge vervening

g) De legakkers waren te smal en werden door stormen weggeslagen



Opdracht 69

a) *

b) De bevolking in Nederland steeg sterk, er was hierdoor veel turf nodig en er moesten meer infrastructuur komen. Ook werden er kanalen gegraven.

Er ontstonden dalgronden of veenkoloniale gronden

c) Omdat ze worden ontwaterd door de aanleg van kanalen en ontsloten door de aanleg

van wegen en kanalen.

d) Als het volledige hoogveenpakket tot op het Pleistocene zand was afgegraven, werd

de bolster met het zand vermengd. De waterhuishouding werd hierdoor verbeterd (organisch materiaal houdt water vast) Hierdoor ontstonden de dalgronden

e) 1. Late ontginning

2. Infrastructuur

3. Geen sloten meer aanwezig


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Dankje wel maar hetklopt niet..

16 jaar geleden