Koude Oorlog

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Aantekening door een scholier
  • 6e klas vwo | 5207 woorden
  • 27 april 2016
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak


  • ommunistische regering aan de macht (1944/45).





DE CONFERENTIE VAN POTSDAM



In februari 1945 hielden de grote 3 (Stalin, Roosevelt en Churchill) een vergadering op Jalta over de voortzetting van de oorlog en de toekomst van Duitsland en Europa. Op 8 mei 1945 capituleerde Duitsland. Dat was het einde van WO2. Eind juli 1945 kwamen de grote 3 weer bij elkaar om de onderhandelingen voort te zetten (conferentie van Potsdam). Deze waren alleen niet dezelfde, want Roosevelt was overleden en opgevolgd door Truman, en Churchill had de verkiezingen verloren en was vervangen door Attlee.





De westerse Geallieerden en de SU hadden voor de toekomst van Duitsland verschillende doelen voor ogen:




  • De SU wilde Duitsland militair zwak houden, hoge herstelbetalingen opleggen en alleen een regering toestaan die niet tegen de SU was.

  • De westerse geallieerden wilde dat Duitsland in zijn behoeften kon voorzien, een democratische regering zou krijgen en geen hoge herstelbetalingen hoefde te doen.





Na moeizame onderhandelingen kwamen de volgende afspraken uit de bijeenkomst:




  • Duitsland werd in vier bezettingszones verdeeld: de SU, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk kregen een zone. Ook Berlijn werd in 4 bezettingszones verdeeld.

  •  Duitsland moest in het oosten gebied in Polen afstaan.

  • Oostenrijk werd weer gescheiden van Duitsland en werd in vier bezettingszones verdeeld.

  • Het politieke leven zou op democratische grondslag worden gereorganiseerd.

  • Het nazisme zou worden uitgeroeid en oorlogsmisdaders zouden worden gestraft.

  • Duistland zou volledig worden ontwapend en de oorlogsindustrie zou worden ontmanteld, zodat het land nooit meer een gevaar voor de vrede zou kunnen worden.

  • Duitsland moest herstelbetalingen doen.

  • Duitsland zou gedurende de tijd van de bezetting als een economische eenheid worden beschouwd.  Dit gebeurde echter in de praktijk niet.





Er waren belangrijke verschillen tussen de SU en de westerse geallieerden in de economische aanpak van de Duitse bezettingszones:




  • De SU schafte in haar zone het particulier bezit van grond, fabrieken, banken en verzekeringsmaatschappijen af en haalde zoveel mogelijk schadevergoeding uit haar zone.

  • De westerse geallieerden handhaafde het particulier bezit en bevorderden het economisch herstel in hun zones.





Deze afspraken waren tijdelijk, totdat er uiteindelijk een echt vredesverdrag zou komen. Dat kwam er nooit. De onderhandelingen over Duitsland mislukten definitief toen in 1947 de VS en Engeland hun zones samenvoegden tot een economische eenheid (en het begin van een politieke eenheid). De SU was hier erg boos over.





De SU en de westerse geallieerden voerden na WO2 steeds meer een apart beleid, waardoor Europa werd verdeeld in twee invloedssferen. Daarvoor hadden zij verschillende redenen:




  • De SU wilde veiligheid door een buffer in Midden-Europa tegen westerse agressie. Deze wilde ze aanbrengen door met geweld communistische partijen in een aantal Midden-Europese staten aan de macht te helpen.

  • De VS wilden voorkomen dat Europa in handen zou vallen van de communistische dictatuur van de SU.





De invloeden werden verdeeld door veroveringen op een bepaald gebied op de Duitsers of de Japanners. Zij kregen daar de meeste invloed. Nazi-Duitsland was in de handen van de SU. Gebieden in West-Europa, Noord-Afrika en Azië kwamen in handen van de VS en andere westerse geallieerden. De VS en de SU lieten elkaar met rust in hun eigen invloedssfeer.





De beide invloedssferen wantrouwden elkaar tijdens de koude oorlog en waren bang voor elkaar. Deze angst kwam voort uit op de kans op een gewapende confrontatie en ook door ideologische propaganda. Waarom beide supermachten in hun propaganda een vijandbeeld ontwikkelde:




  • Om hun optreden te verklaren en te verdedigen. Ze wilden tijdens de oorlog het ‘goede’ verdedigen en het ‘kwade’ aanvallen, vanuit hun eigen oogpunt.

  • Ze geloofden hierin en wilde de juistheid hiervan bewijzen.





HET VIJANDBEELD VAN DE VS



Ze zagen de SU als een land dat de communistische wereldrevolutie nastreefde:




  • Waarin de communisten een einde wilden maken aan het kapitalisme en de vrijheid in de VS en de rest van de westerse wereld.

  • Waarvoor de SU communistische activiteiten in andere landen steunden.





Dit vijandbeeld leidde onder president Truman tot een nieuwe buitenlandse politiek: de Trumandoctrine Binnen de VS gingen ze communisten vervolgen.





HET VIJANDBEELD VAN DE SU



De SU zag de VS als een agressieve mogendheid die erop uit was:




  • Het communisme in alle communistische landen te vernietigen

  • Afzetmarkten en grondstoffen te verwerven door het uitbreiden van politieke macht en economische invloed in de hele wereld.





Dit vijandbeeld van de SU kwam tot uiting door het promoten van het communisme in het buitenland. In de binnenlandse politiek ging de SU de eigen bevolking afsluiten voor informatie en producten vanuit het Westen. Contacten met het westen werden beperkt.





Door deze vijandbeelden ontstond er na een tijdje een vertroebeld beeld van de vijand:




  • In het westen hadden ze geen begrip voor de behoefte van de SU aan veiligheid en dat de SU al genoeg eigen problemen had in hun eigen invloedssfeer om te denken aan een wereldrevolutie.

  • In de SU was er onvoldoende begrip voor de angst van het westen voor het communisme en voor de ideeën van zelfbeschikking en democratie voor alle volken.





TRUMANDOCTRINE:



In de jaren 1945-1946 was de VS er nog meer van overtuigd dat de SU naar uitbreiding van macht streefde. Dat had de volgende oorzaken:




  • De SU had bijna alle Oost-Europese staten en Noord-Korea bezet en was bezig daar communistische regeringen aan de macht te helpen.

  • In Irak en Griekenland waren de communisten in opstand gekomen. De VS stelde de SU grotendeels verantwoordelijk.

  • De communistische partijen in West-Europa volgden de door Stalin aangegeven partijlijn en bleken daardoor sterk onder invloed van de SU te staan.





Uit angst voor meer communistische expansie wendde Truman zich tot het Congres in maart 1947. Het congres schaarde zich achter Truman. Deze nieuwe politiek was de Trumanpolitiek: het in bedwang houden van het communisme door zich te verzetten tegen iedere communistische aanval of opstand, gericht tegen vrije volken, waar ook ter wereld. Dat ging met geweld, met geld of met goederen. Ingrijpen was niet verplicht. Hij was moeilijk uit te voeren omdat de mensen vaak niet konden zeggen dat ze onderdrukt werden.





HET MARSHALLPLAN



Alle landen hadden na de oorlog financiële problemen. De VS wilde Europa te hulp komen. Marshall kwam met een plan. Hij stelde voor dat de Europese staten (incl. SU) een programma zouden ontwerpen voor economisch herstel van Europa, wat de VS zou financieren. De SU wees het plan af. De staten zouden afhankelijk worden van de VS. De andere landen hadden wel belangstelling, maar zeiden bijna allemaal af omdat het gezien kon worden als een actie tegen de SU. Het is uiteindelijk uitgevoerd in West-Europa, Joegoslavië, Griekenland en Turkije. Dit plan zou bijdragen aan de eenwording van West-Europa en de economische opbloei ervan. Het verscherpte ook de tegenstellingen tussen oost en west. Het Marshallplan was een deel van de Trumandoctrine. Belangrijke redenen bij het aanvaarden van het Marshallplan door het Congres waren:




  • De VS zag armoede als voedingsbron van het communisme.

  • Een welvarend West-Europa zou de VS kunnen helpen bij het bestrijden van het communisme elders in de wereld.











In juni 1948 gingen de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk hun zones helpen met geldsanering en een grondwet. De in het buitenland waardeloze mark zou worden vervangen door de D-mark, waarvan de waarde werd gekoppeld aan die van de dollar. Toen de nieuwe mark ook in West-Berlijn werd ingevoerd, greep de SU in. Hij besloot tot een blokkade van West-Berlijn: alle (water)wegen vanuit de westerse zones naar de stad werden afgesloten.



De VS en Engeland begonnen met transportvliegtuigen een luchtbrug, die West-Berlijn van voorraden voorzag. In mei 1949 hief Stalin de blokkade op. Onbedoelde gevolgen van de blokkade:




  • De splitsing van Duitsland. De BRD ontstond en Stalin beantwoordde deze staat met de DDR.

  • De oprichting van de NAVO door de VS en het westen in 1949.

  • De oprichting van het Warschaupact door de SU, toen de BDR lid werd van de NAVO. De DDR werd lid van het Warschaupact.





Het doel van de NAVO was de gezamenlijke verdediging tegen buitenlandse aanvallen, vooral vanuit het Oostblok.



Het Warschaupact was de economische tegenstander van de NAVO met als doel de verdediging van het Oostblok tegen het westen.





Toen de mensen van de DDR in 1953 in opstand kwamen tegen de strakke leiding en het economisch beleid van de regering greep de DDR-regering in met het leger en liet ze de opstand met geweld stoppen. Hierna kwamen er ook in andere Oost-Europese landen opstanden komen:




  • Hongarije: er werd heel streng geregeerd in Hongarije. Nadat de communisten opgeruimd werden kwam er een andere beweging op gang. Mensen kwamen in opstand voor hun vrijheid. De troepen van het Warschaupact ruimden deze mensen uit de weg. In het westen reageerde men geschokt.

  • Praagse lente (1968): in 1968 vond in Tsjecho-Slowakije een machtswisseling plaats in de top van de communistische partij. Deze wilde de mensen wat vrijheid geven. Er werden plannen gevormd om een economie te vormen. De troepen van het Warschaupact vielen Tsjecho-Slowakije binnen. De SU stelde een nieuwe regering aan.





Sinds 1945 heeft de VS atoombommen. Na Hiroshima wilde Stalin er ook een. De atoombom op Hiroshima was het begin van het atoomtijdperk. Stalin wilde weer in evenwicht zijn. Omdat ze beide niet achter wilden lopen bleven ze nieuwe technieken ontwikkelen. Ze probeerden elkaar te overtreffen. Zo ontstond er een wapenwedloop. Tussen 1945 en het einde van de Koude Oorlog werden drie kernwapenstrategieën toegepast:




  • De afschrikking door massale vergelding: dit kon tot eind jaren 50. Toen had de SU nog geen atoombom. De VS kon hun ‘chanteren’: als jullie ons of West-Europa aanvallen worden de Sovjetsteden met kernwapens verwoest. Ze wilde de SU afschrikken.

  • Wederzijdse afschrikking: het doel hiervan was dat geen van beide partijen een aanval zou durven beginnen. Is de wapenwedloop.








  • Het aangepaste antwoord: Kennedy stelde dit voor. Een Sovjetaanval zou niet direct met kernwapens beantwoord worden, maar met middelen die aangepast waren aan de situatie. Het doel ervan was het gebruik van kernwapens zo lang mogelijk uit te stellen.





FELIX MERITIS:



Dit is een bestorming van het gebouw Felix Meritis: het gebouw waar de communistische krant ‘de waarheid’ was gevestigd. Dit gebeurde in 1956.





In veel koloniën, die voor WO2 eigendom waren van Nederland, Frankrijk en Groot-Brittannië begon in de jaren 20 en 30 van de 20e eeuw een verzet tegen de overheersing. Nationalistische bewegingen kwamen op. Na WO2 brokkelde de machtspositie van de Europese koloniale mogendheden snel af. Dit kwam door:




  • Gezichts- en machtsverlies voor Europese koloniale mogendheden tijdens WO2. Japan bezette de Nederlandse, Franse en een klein deel van de Britse koloniën in WO2.

  • Sterke groei van het nationalisme in de koloniën in WO2. Het wegvallen van het koloniale gezag stimuleerde de bevolking.

  • Machtsvacuüm na de Japanse capitulatie: na de capitulatie waren er nog geen troepen en bestuurders in de kolonies. Daar profiteerden ze van. In Vietnam en Indonesië werd de onafhankelijkheid uitgeroepen.

  • Inzicht in Engeland dat de tijd van het kolonialisme voorbij was: het de kop in drukken van het nationalisme zou geld en militaire inzet kosten. Ook was het volgens hun een beperking op de vrijheid van de kolonie. Engeland trok zich terug uit Brits-Indië.

  • Sterke groei van het communisme in enkele Aziatische landen: de communisten verdreven in China de regering. Ook in Vietnam verdreven de communisten (Ho Tsji Minh) en nationalisten de Fransen. Met hulp van de VS wisten niet-communistische Vietnamezen in Zuid-Vietnam de macht te behouden.





Na WO2 besloten de VS en de SU antikoloniale bewegingen te gaan steunen. Waarom:




  • Ideologische motieven: de SU wilde met de communistische ideologie heel de wereld communistisch maken. De VS hield zich aan hun motto: to make the world safe for democracy.

  • Machtspolitieke motieven: de SU probeerde greep te krijgen op onafhankelijkheidsbewegingen in de koloniën. Deze bewegingen zouden de SU kunnen helpen met het verspreiden van het communisme.

  • Economische motieven: voor de SU was de economie een middel om hun eigen macht te vergroten en die van de VS (en China) te beperken.





De dekolonisatie en de koude oorlog beïnvloedde elkaar op deze manier.





In China steunde de SU (in het geheim) de communisten, de VS (openlijk) de nationalisten. De communisten wonnen de burgeroorlog en riepen de Volksrepubliek China uit in 1949 o.l.v. Mao Zedong. In Taiwan werd de Republiek China opgericht o.l.v. Chiang Kaisjek. Door de oprichting van de volksrepubliek verloor de VS veel macht in Oost-Azië. Rond 1960 kwam er een openlijke breuk tussen de SU en China. China kwam in een internationaal isolement terecht. Oorzaken van de breuk:




  • Zedong nam steeds meer afstand van de Sovjetpolitiek van vreedzame co-existentie. De houding tegenover de VS werd steeds onverzoenlijker – zij waren de imperialistische hoofdvijand.

  • Tussen de SU en China was rivaliteit ontstaan om het leiderschap van de internationale communistische beweging.

  • Ze wilden beide het communisme op verschillende wijzen in de praktijk brengen. De Su vond de industriearbeiders het belangrijkste voor de opbouw van het communisme, maar China richtte zich meer op de boeren.





De VS zag de SU en China als één machtsblok tegenover het Westen, maar dat was niet waar:




  • De VS zag de rivaliteit tussen de twee, maar ze waren beide communistisch en moesten als een gezamenlijke vijand gezien worden.

  • De VS wist niet dat China de SU als een imperialistische mogendheid in Azië zag. Hierdoor ontstonden grensconflicten tussen beide landen. VRAAG: WAT WORDT HIER PRECIES MEE BEDOELD.





De containmentpolitiek werd al gauw toegepast in Azië. De redenen daarvoor waren:




  • Communistische bewegingen speelden een rol bij de dekolonisatie in Azië (Vietminh).

  • Het communistisch worden van China. Er ontstond een tweede communistische grootmacht in Azië.

  • Het communistische Noord-Korea viel het westersgezinde Zuid-Korea aan. De VS vreesde dat communisten in andere landen dit voorbeeld zouden volgen. Hieruit ontwikkelde de dominotheorie zich: de landen in Zuid-Oost-Azië werden vergeleken met dominostenen. Als één land communistisch werd, zou een hele reeks landen als dominostenen voor het communisme omvallen.





De VS gebruikte de volgende middelen om hun belangen in Zuid-Oost-Azië te behartigen:




  • Geven van economische hulp

  • Steunen of het leven inroepen van marionettenregeringen: regeringen die zich niet op eigen kracht kunnen handhaven, maar afhankelijk zijn van de steun van een grote mogendheid en dus geen zelfstandig beleid kunnen voeren.

  • Geven van militaire steun en eventueel militair ingrijpen.





De bemoeienissen van de VS in Azië werd door de SU westers imperialisme genoemd. Ook de SU ging hun belangen in Zuid-Oost-Azië op hun manier behartigen:






  • Door het geven van economische hulp aan China, Noord-Vietnam en Noord-Korea.

  • Ook marionettenregeringen opzetten.

  • Geven van militaire steun aan Noord-Vietnam.





Na WO2 was Korea opgedeeld. In 1950 trok het Noord-Koreaanse leger over de grens met Zuid-Korea (Stalin zat hierachter?). Een leger van de VN kwam Zuid-Korea te hulp. Dit werd vooral een oorlog van de VS. In het begin veroverden de Noord-Koreanen bijna heel Zuid-Korea, maar ze werden teruggedrongen door het leger van de VN. Er waren ondertussen vredesonderhandelingen begonnen, maar het gevecht bleef doorgaan. Onder Eisenhower werd een wapenstilstand bereikt in 1953. De VS wist dus hierdoor Zuid-Korea uit de communistische invloedssfeer te houden. De gevolgen van de Korea-oorlog waren groot, tot op de dag van vandaag. De gevolgen voor Korea zelf:




  • Noord- en Zuid-Korea bleven van elkaar gescheiden.

  • Ruim twee miljoen doden en miljoenen daklozen en armen.



Gevolgen voor de houding van het Westen:




  • De vrees voor het communisme nam nog meer toe



Gevolgen voor de buitenlandse politiek van de VS:




  • West-Duitsland kreeg toestemming een leger op te richten

  • In Azië nam de VS anticommunistische maatregelen: meer steun aan Taiwan, meer steun aan de Fransen in Vietnam en luchtmachtbases van de VS in Japan.





Na WO2 ontstond er een conflict tussen de Fransen en de Vietminh o.l.v. Ho Tsji Minh. Na de Japanse capitulatie riep hij de Republiek Vietnam uit. De Fransen waren het daar niet mee eens en stuurden een leger ernaartoe en benoemden een regering die de Fransen goedgezind was. De Fransen kregen wel steden in handen, maar niet het platteland. Toen ze dat toch probeerden ging het mis: de Franse troepen raakten ingesloten in de vallei van Dien Bien Phoe en gaven zich over. Franrijk besefte de oorlog niet te kunnen winnen en gaf zich over. De toekomst van Vietnam werd besproken op de conferentie van Genève. Daar kwamen de akkoorden van Genève tot stand. De drie belangrijkste bepalingen:




  • Vietnam werd verdeeld. De Vietminh moest zich terugtrekken ten noorden van dat gebied, de Fransen ten zuiden.

  • Beide delen moesten neutraal zijn: geen van beide mocht zich aansluiten bij militaire bondgenootschappen van andere landen.

  • Binnen twee jaar zouden democratische verkiezingen gehouden worden om Vietnam te herenigen.





Na 1954 werd Noord-Vietnam een communistische staat o.l.v. Ho Tsji Minh. Zuid-Korea werd gesteund door Eisenhower door middel van economische en militair-technische steun. De Vietcong werd opgericht door Ho Chi Minh. Ze kreeg wapens een voorraden van Noord-Vietnam. Noord-Vietnam kreeg ook veel hulp van China en de SU. Al snel had de Vietcong grote delen van het platteland in handen. De Zuid-Vietnamese regering bleek de Vietcong niet te kunnen verslaan:




  • Er kwamen steeds meer troepen en oorlogsmateriaal uit Noord-Vietnam Zuid-Vietnam binnen. Toen Zuid-Vietnam de handel van noord naar zuid wilde afsluiten, ging Noord-Vietnam gebruik maken van de Ho Chi Minh route in de buurlanden.

  • De Zuid-Vietnamese regering werd niet gesteund door het grootste gedeelte van de Zuid-Vietnamese bevolking. Presisent Johnson besloot dat een oorlog noodzakelijk was: bombarderen en troepen-interventie.







De weg tot het bombarderen en het sturen van grondtroepen werd voor president Johnson vrijgemaakt door drie factoren:




  • Het Tonkin-incident 1964: Noord-Vietnamese torpedo-aanvallen op marineschepen van de VS in de Golf van Tonkin.

  • De Tonkin-resolutie: deze resolutie gaf de president de bevoegdheid ‘alle noodzakelijke maatregelen’ te nemen om de ‘agressie in Zuid-Oost-Azië tegen te houden’.

  • De verkiezingsoverwinningen van Johnson: de overwinning was zo groot dat hij erop vertrouwde dat zin maatregelen zowel door het Congres als door het publiek in de VS goedgekeurd zouden worden.



Hierna besloot Johnson tot een escalatie van de oorlog:




  • De luchtmacht van de VS werd ingezet voor bombardementen. Operatie Rolling Thunder (veel bommen) had als doel om Noord-Vietnam zo te bombarderen dat het zijn steun aan de Vietcong zou staken.

  • Grondtroepen van de VS werden ingezet.





Het lukte de VS niet om de oorlog te winnen, mede door de ontwikkelingen in Vietnam:




  • De bombardementen en grondtroepen hielpen niet. Noord-Vietnamese troepen blijven het zuiden binnentrekken. Het leger van de VS kon niet op tegen de guerrilla-tactiek van hun communistische tegenstanders.

  • De bevolking van Zuid-Vietnam steunde de acties van de VS niet.



Er ontstond in de VS ook steeds meer afkeer tegen de oorlog door:




  • De gruwelijke beelden die in de media van de oorlog werden getoond.

  • De grote aantallen VS-militairen die sneuvelden.

  • Massale demonstraties tegen de oorlog.

  • Het besef dat de Zuid-Vietnamese bevolking de VS niet steunde.

  • De hoge kosten die de oorlog met zich meebracht.



Dezelfde mening kwam ook vanuit het westen op.





Nixon, de de nieuwe verkiezingen in 1968 won, beloofde een andere aanpak van de oorlog. Hij wilde een vrede waarbij hij de troepen van de VS zonder gezichtsverlies uit Vietnam zouden kunnen terugkeren, dus Zuid-Vietnam niet communistisch worden. Door een combinatie van militaire maatregelen en en diplomatieke stappen gebeurde dit:




  • Vietnamisering van de oorlog: het Zuid-Vietnamese leger nam de strijd van de VS over.

  • Zware VS-bombardementen op de vijand: om de vietnamisering te laten slagen en om Noord-Vietnam tot onderhandelingen te dwingen liet Nixon Noord-Vietnam en de aanvoerlijnen vanuit Noord-Vietnam zwaar bombarderen.

  • Verbetering van de betrekking met China: China steunde Noord-Vietnam. China bleek te willen meewerken aan een wapenstilstand. China dacht hierdoor de SU te kunnen overvleugelen.

  • Voeren van een driehoeksdiplomatie: de SU wilde niet buiten spel komen te staan.  Zo ontstond er een driehoeksdiplomatie tussen de VS, China en de SU. De SU en China gingen druk uitoefenen op Noord-Vietnam om zich soepeler op te stellen. Dat deden ze. De SU en China wilden alleen maar dat de VS zich terugtrok zodat ze later een communistisch noord en zuid konden stichten.

     



In 1973 werd een wapenstilstand getekend: het definitieve einde van de betrokkenheid van de VS. De Noord-Vietnamezen waren niet van plan zich lang aan de wapenstilstand te houden. In 1975 veroverden zij Zuid-Vietnam. Heel Vietnam was communistisch. Ho Chi Minhstad ontstond.





De gevolgen van de afloop van de oorlog in Vietnam voor de verhouding oost-west waren:




  • De betrekkingen tussen de VS en China verbeterden.

  • De VS beschouwde niet iedereen meer als een bondgenootschap tegen het communisme.





Ook zwart Afrika (zie begrippen) raakte bij de koude oorlog betrokken. De SU, China en de VS probeerden invloed op deze landen te krijgen of te behouden. De meeste kolonies wilden dat niet, net na de onderdrukking van de Europese landen, theoretisch gezien. Maar in praktijk kozen veel Afrikaanse landen voor het westen. De redenen hiervoor:




  • De invloed van het vroeger moederland was groot en vergelijkbaar met de cultuur van de westerse landen.

  • Van deze landen was meer financiële steun te verwachten.

  • Het westen had meer deskundigheid betreffende de voormalige koloniën.

  • De meeste Afrikaanse regeringen wilden niet communistisch worden.





De SU kreeg sommige delen wel in handen (vooral door middel van geweld). Verschillende redenen droegen onder Afrikanen bij tot de keuze voor de SU:




  • Ideologische verwantschap: veel marxistische groepen waren aan de macht gekomen. Zij zochten sten bij de communistische staten SU en Cuba.

  • Waardevolle militaire wapens.

  • Scholing: de SU bood de Afrikaanse staten gratis scholing (ook over marxisme-leninisme).





De SU en de VS kregen in het begin van de jaren 50 een nieuwe regering. Eisenhower werd president van de VS in 1953. Hij wilde de politiek van containment vervangen door een politiek van rollback: de bevrijding van volken die door het communisme onderworpen waren. Hij was bereid daarvoor kernwapens te gebruiken. De rollback-ideeën konden niet uitgevoerd worden door:




  • Het congres wilde voor de uitvoering van de rollback niet voldoende geld ter beschikking stellen.

  • De SU was begonnen met een eigen kernmacht, dus een oorlog met de SU en de VS werd veel gevaarlijker.





Na het overlijden van Stalin in 1953 werd Chroesjtsjov de machtigste man in de SU. Hij pleitte voor een vreedzame co-existentie met de kapitalistische wereld. De rivaliteit bleef bestaan maar mocht niet tot een oorlog leiden. Op de conferentie van Genève was de eerste ontmoeting tussen de leiders van oost en west sinds Potsdam. Er werd weinig bereikt maar er hing geen vijandige sfeer. Dit beloofde veel goeds. In de jaren 1955-1956 respecteerden beide landen elkaars invloedssfeer:




  • De reacties van het westen en de SU op beide Duitslanden: ze aanvaardde beide het bestaan van de twee Duitslanden. Ze mochten beide deelnemen aan de NAVO of het Warschaupact.

  • De wederzijdse concessies bij het vredesverdrag met Oostenrijk: het land werd op west-democratische wijze georganiseerd en Chroesjtsjov keurde dat goed. Om de SU tegemoet te komen beloofde het Oostenrijkse parlement ‘permanent’ neutraal te blijven en zich niet aan te sluiten bij de NAVO.

  • De reactie van het westen op de opstand in Hongarije: de opstand in Hongarije werd door troepen van het Warschaupact neergeslagen. Het westen greep hierbij niet in.

  • De reacties van de SU en de VS op de Suezcrisis: Frankrijk en Engeland vielen samen Egypte aan. Het kwam niet tot een Oost-west conflict:

  • De SU zag af van interventie

  • De VS wilde hun invloed in de Arabische wereld niet verspelen en oefenden veel druk uit op Frankrijk en Engeland om zich terug te trekken.





In de jaren 60 verhardde de co-existentie. Bij twee conflicten liep het bijna uit op oorlog:




  • Een crisis rond de Berlijnse muur, waar tanks van de SU en de VS dreigend tegenover elkaar kwamen te staan.

  • De Cubaanse rakettencrisis waarbij Europa ook betrokken had geweest.





In 1960 werd Kennedy president van de VS. Hij beloofde een krachtiger binnen- en buitenlandse politiek. Hij wilde met meer kracht de idealen van vrijheid en welvaart in de wereld verbreiden. Hij hoopte hiermee indruk te maken op Chroesjtsjov, maar hij was niet bereid tot concessies.  Toen kwamen de conflicten met de Berlijnse muur en de Cubacrisis.



Berlijnse muur: sinds de oprichting van de DDR waren veel mensen gevlucht. Daarom werd er een muur gebouwd dwars door Berlijn. Chroesjtsjov wilde niet dat de DDR een mislukking zou zijn en dat had het wel geweest als de DDR langzaam ‘leegbloedde’. De bouw van de muur begon op 13 augustus 1961.  De VS en de SU kwamen niet tot oorlog.



De Cubacrisis: nadat Castro de leiding had in Cuba was de economie niet meer afhankelijk van de VS. Hij sloot een handelsovereenkomst met de SU. Castro was communist en zag de SU als zijn bondgenoot. In 1962 begon Chroesjtsjov kernraketten te plaatsen (in de achtertuin van de VS).  De VS had al eerder raketten geplaatst in verschillende Europese landen. Kennedy koos voor een marineblokkade van Cuba. De schepen die met raketten op weg waren naar Cuba vanuit de SU moesten worden tegengehouden. Op het laatste moment keerden de Sovjet-schepen om. Een akkoord tussen de twee werd bereikt.





De Detente brak aan: een periode van ontspanning tijdens de Koude oorlog van na de Cubacrisis tot de lancering van het SDI-project begin jaren 80 door de VS. De VS als de SU koos voor ontspanning omdat:




  • Voorkomen van een onbeheersbaar nucleair conflict: de angst na de Cubacrisis was er dat de kernwapenwedloop weleens uit de hand kon lopen.

  • Beperken van de zeer hoge kosten voor de kernwapenwedloop: de VS had veel schulden door hun deelname aan de Vietnamoorlog en de SU door hulp aan communistische landen en problemen in de landbouw.









De toenadering tussen oost en west tijdens de detente bestond uit:




  • Het aanleggen van een ‘hotline’ tussen Washington en Moskou: een directe telexverbinding om in geval van crisis sneller te kunnen communiceren.

  • Het verbeteren van de betrekkingen tussen de VS en China: na de oorlog in Vietnam verloor het communistisch blok zijn eenheid. China wilde samenwerken met het westen.

  • Het sluiten van verdragen over kernwapenbeheersing: non-proliferatieverdrag 1968: de VS, Engeland, de SU en 108 andere landen verbonden zich geen kernwapens te leveren aan landen die er nog geen hadden. De verspreiding moest stoppen.

  • Het erkennen van grenzen van de DDR door de BRD: in 1969 werd Willy Brandt bondskanselier van de BRD. Hij bracht met de ostpolitik een belangrijke verandering tussen oost en west: hij tekende het verdrag van Moskou. De grenzen van de DDR werden daarin onschendbaar verklaard.





Oost en west bleven zich wel vasthouden aan hun eigen invloedssfeer.                                          De invloedssfeer van de SU: met de Brezjnevdoctrine had de SU zichzelf de macht gegeven om in te grijpen in de landen in haar invloedssfeer wanneer het communisme bedreigd werd.





Toen er in 1991 een einde kwam aan het bewind van het communisme kwam er ook een eind aan de koude oorlog. De indirecte oorzaken van het einde van de koude oorlog:




  • Te hoge kosten: het SDI-project (star-wars) gaf de doorslag voor de SU. Reagan ontwikkelde dit. Het zou een computergestuurd ruimteschild moeten vormen tegen inkomende raketten.

  • Verlies aan vertrouwen in het communisme: het Oostblok raakte steeds verder achter in de welvaart t.o.v. het westen. De planeconomie faalde. De communistische leiders gingen ervanuit dat er meer kans was op economische hulp als de koude oorlog beëindigd zou worden.

  • Verzet in het westen tegen kernbewapening.





Directe oorzaken van het einde van de koude oorlog:




  • Het in de SU aan de macht komen van Gorbatsjov: hij ging een ander beleid voeren omdat hij, in tegenstelling tot zijn voorgangers, zag dat het niet goed ging met de SU.

  • De invoering van Glasnost (openheid): er kwam in zekere zin vrijheid van meningsuiting. Glasnost was nodig om perestrojka te bereiken.

  • De invoering van perestrojka (hervorming): de planeconomie werd vervangen door de westerse markteconomie.

  • Het loslaten van de Brezjnevdoctrine: de alleenheerschappij van het communisme werd afgeschaft en er kwam een meerpartijendemocratie.





Het wonderjaar 1989 was het gevolg. In Polen kwamen er vrije verkiezingen en kreeg een niet-communistische regering zonder dat de SU ingreep. Ook de Berlijnse muur viel. Zo was in enkele maanden in het grootste deel van Oost-Europa het communisme afgeschaft. De SU had bijna geen invloed meer in Europa.





In 1991 probeerde conservatieve communisten in de SU weer aan de macht te komen. De staatsgreep mislukte maar had wel belangrijke gevolgen:




  • Jeltsin werd de machtigste man. Hij was president van Rusland. Hij wilde de SU ontmantelen, de communistische partij afschaffen en van Rusland een onafhankelijke staat maken.

  • De SU viel uiteen: veel Sovjetrepublieken verklaarden zich onafhankelijk.

  • Gorbatsjov trad eind 1991 af en droeg zijn macht over aan Jeltsin.

  • Het Warschaupact werd opgeheven. De landen wilden hun banden met de SU doorsnijden.



     



Verschil Vietminh en Vietcong:



Vietminh nationale onafhankelijkheidspartij



Vietcong: leger van Zuid-Vietnam –





Tijden:



1919: Komintern werd opgericht.



1920/1930: verzet vanuit de koloniën kwam op.



Februari 1945: vergadering op Jalta over de toekomst van Europa en Duitsland.



8 mei 1945: capitulatie Duitsland



Eind juli 1945: de grote 3 kwamen weer bij elkaar over het voortzetten van de vergadering.



1945: begin koude oorlog



1947: Engeland trekt zich terug uit Brits-Indië.



1947: de VS en Engeland voegden hun zones bij elkaar tot een economische eenheid.



Maart 1947: Truman wendde zich tot het Congres



Juni 1948: de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk gingen hun zones helpen met een grondwet en geldsanering.



1948: begin blokkade Berlijn – luchtbrug



Mei 1949: oprichting BRD



Oktober 1949: oprichting DDR (Stalin)



1949: eind blokkade Berlijn



1949: oprichting NAVO



1949: oprichting volksrepubliek China.



1950: begin Koreaanse oorlog



1953: eind Koreaanse oorlog – wapenstilstand Eisenhower



1953: opstand DDR



1953: Eisenhower werd president van de VS



1953: Dood Stalin



Mei 1954: Franse nederlaag bij Dien Bien Phoe



Juli 1954: akkoorden van Genève kwamen tot stand.



1955: de conferentie van Genève



1956: bestorming gebouw Felix Meritis.



1960: Kennedy werd president



1961: de bouw van de Berlijnse muur.



1962: bouw kernraketten op Cuba.



1964: het Tonkin-incident



1968: Praagse lente

1968: non-proliferatieverdrag



1969: Willy Brandt werd bondskanselier van de BRD.



1975: verovering Zuid-Vietnam door Noord-Vietnam

1985: Gorbatsjov kwam aan de macht in de SU



1989: het wonderjaar



1991: eind koude oorlog



















Begrippen:

Asmogenheden / As Rome-Berlijn: Japan, Duitsland en Italië werden zo samen genoemd.



De grote 3: Churchill, Stalin en Roosevelt.



Marionettenregeringen: regeringen die zich niet op eigen kracht kunnen handhaven, maar afhankelijk zijn van de steun van een grote mogendheid en dus geen zelfstandig beleid kunnen voeren.



Vietcong: het leger dat ervoor moest zorgen dat Vietnam weer een land werd, o.l.v. Ho Chi Minh.



Zwart-Afrika: Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara.



Poltiek van rollback: de bevrijding van bevolkingen die onderworpen waren aan het communisme.



Détente: een periode van ontspanning tijdens de Koude oorlog van na de Cubacrisis tot de lancering van het SDI-project begin jaren 80 door de VS.



Glasnost: openheid

Perestrojka: hervorming

































































Leiders VS



Leiders SU



Roosevelt



Stalin



Truman



Chroesjtsjov



Eisenhower



Brezjnev



Kennedy



Gorbatsjov



Johnson



Jeltsin



Nixon





Ford





Carter





Bush





Reagan





Bush





Obama


















REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.