Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Onderzoeksbureau Markteffect doet een landelijk onderzoek naar studiekeuze. Alle Nederlandse scholieren kunnen meedoen. Als je 'm invult, verdien je gegarandeerd 2 euro. Klik hier!

Plato

Filosofie

Praktische opdracht

7.5 / 10
4e klas vwo
De persoon Plato

Plato (zie afbeelding ), of in het Grieks Platwn (Platoon), werd geboren in 427 voor Christus in Athene. In deze plaats overleed hij ook, 80 jaar later in 347. Bij zijn geboorte werd hij Aristocles genoemd. Hoe hij dan aan de naam Plato komt is onbekend. R.M. Hare zegt in zijn boek Plato (verschenen in de reeks: “Kopstukken filosofie”, Lemniscaat, Rotterdam) dat we niet weten of dit door zijn brede schouders, dan wel zijn brede voorhoofd komt. Een docente klassieke talen heeft mij echter verzekerd dat dit grammaticaal niet eens mogelijk is in het Grieks en dat dit daarom ook nooit waar zou kunnen zijn. Over het hoe en waarom Aristocles aan de naam Plato is gekomen, zal ik dan ook waarschijnlijk nooit te weten komen. Plato stamde uit een voorname, aristocratische familie. Hij staat bekend als “de grootste der Oudgriekse filosofen”. Hij is leerling geweest van meerdere filosofen, waarvan Socrates (469-399 v. Chr.) ongetwijfeld de meest bekende geweest is. Ook bij Cratylus van Athene en Euclides van Megara (de laatste pas na Socrates’ dood) is Plato in de leer geweest. Ook is hij beïnvloed door de Pythagoreërs en de Elatische school. Plato zelf was ook leermeester van filosofen, waarvan ‘de wetenschapper’, Aristoteles, de bekendste is geweest. Plato’s invloed is onder andere aanwijsbaar bij Marcus Aurelius, Sigmund Freud, Bertrand Russel en Alfred North Whitehead. Ook heeft Plato veel invloed gehad op het Christendom.

Plato’s werken, de drie periodes

Men onderscheidt drie hoofdperiodes in zijn leven, aan de hand waarvan ook zijn werken, veelal geschreven in de vorm van dialogen, grotendeels zijn ingedeeld. Deze worden de eerste periode, de tweede periode en de derde periode genoemd.

In de eerste periode worden de Socratische dialogen ingedeeld en in deze periode zoekt Plato naar waarden in de ethiek, zoals rechtvaardigheid, dapperheid, vriendschap, matigheid en de vraag of men deugd (Grieks: areth) kan aanleren. In deze dialogen voert hij vaak Socrates op als gespreksleider, die de strategie heeft zijn tegenstanders net zo lang te ondervragen over een bepaald thema totdat deze toe moeten geven dat ze iets niet weten wat ze wel dachten te weten. In de gesprekken wordt vaak gezocht naar een definitie van een begrip, waarbij verondersteld wordt dat deze definitie al onbewust in de mensen aanwezig is, leeft. De dialogen geven vaak meerdere definities van een begrip, die, soms allemaal, niet op blijken te gaan als deze aan de waarheid worden getoetst. Vaak ook wordt er geen bepaald doel bereikt, de ondervraagde gaat echter terug met meerzelfkennis, daar hij nu tenminste weet dat hij niet blijkt te weten wat hij wel dacht te weten. Voorbeelden van zulke dialogen over de zoektocht naar de definitie van een ethisch begrip zijn over Laches over de dapperheid, Crito over de gehoorzaamheid aan de wetgeving, Euthypro over de heilige plichten en Charmides over de bezonnenheid (= bedachtzaamheid). Het zijn van schoonheid wordt behandeld in Hippias Maior, in Hippias Minor komt de paradox, de uitspraak die een schijnbare tegenstrijdigheid bevat, aan de orde dat men niet vrijwillig het kwade kan doen. Drie van Plato’s werken uit deze periode zijn alleen gewijd aan de bestrijding van de leer van de sofisten. Waren de standpuntbepalingen in deze periode overwegend negatief, Plato komt in de 1e periode al met enkele positievere standpuntbepalingen over de zin van het bestaan (in Gorgias, Lysis en Euthydemus) en in Cratylus en Meno over het kennen.


In de tweede periode stapte Plato af van zijn Socratische dialogen. Tot dan toe had Plato bewezen een meester van in het analyseren te zijn. Waar hij zich tot dan toe op kleinere delen van het geheel had gericht om het geheel te begrijpen en te verklaren, oftewel analyseren, ging hij zich nu meer richten op het constructief denken. De werken zijn echter nog steeds dialogen, soms ook met Socrates aan het woord. Phaedo behandeld bijvoorbeeld de onsterfelijkheid van de ziel en diens gedaante voor de geboorte. Symposium gaat over de drang van de liefde (Grieks: Eros). Plato was van mening dat de liefdesdrang zich eerder tot het allerhoogste (= de hoogste schoonheid in kennen en handelen) in een omgeving van mannen dan in een omgeving van vrouwen. Plato was dus geen man die voor emancipatie was en al helemaal niet sympathiek tegenover het feminisme zou staan. Symposium en Phaedo zijn voorbereidingen op Plato’s Politeia (de staat), dat een 10-delige serie boeken is. Hierbij is deel 1 nog vooral een analytisch werk, vanaf deel 2 wordt het werk opbouwend. Ik kom later nog terug op Plato’s ideale staat.

Na Politeia volgen, inmiddels in de 3e periode, Parmenides, Theaetetus, en Sophistes, die gaan over kennis en de relatie tussen ideeën onderling en tot de zintuiglijk waarneembare wereld. In Theaetetus formuleert Plato de vraag naar het kennen. Dit doet hij echter zonder fat deze vraag afhankelijk is van zijn veronderstelling over de Idee. In Sophistes wordt de dialectiek behandeld. Dialectiek is een richting uit de filosofie die zich richt op naast elkaar bestaande tegenstellingen en deze wil doorgronden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het lichaam ↔ geest probleem. Hierover onderscheidt men twee hoofdgroepen in de theorieën: monisme en dualisme. Bij dualisme worden lichaam en geest als twee compleet verschillende dingen gezien. Bij het monisme is er sprake van dat de geest één is met het lichaam. Ook zijn er filosofen die het ontkennen van of het bestaan van het lichaam, of het bestaan van de geest ontkennen en de mens dus terugbrengen tot enkel lichaam of enkel geest. In de dialectiek probeert men dit soort tegenstrijdige opvattingen te doorgronden. In de dialectiek is er sprake van een continuïteit van veranderingen: de ene opvatting wordt telkens overtroffen door een betere.
Een ander belangrijk werk van Plato uit deze periode is Thimaues. Dit is een werk met Plato’s visie op de stoffelijke wereld en het heelal. In zijn laatste werk, Nomoi (wetten), ontwerpt Plato, net als in Politeia, de ideale staatsinrichting. Het grootste verschil echter is, dat er in Nomoi meer rekening wordt gehouden met de menselijke onvolkomenheden.
Politeia: De allegorie van de grot, Plato’s metafysica

De basis van de filosofie van Plato wordt doorgaans uitgelegd met de allegorie (= vergelijking) van de grot, die terug te vinden is in Politeia. Deze theorie (zie voor de vertaling door Gerard Koolschijn de bijlage)

Stel een enkele personen voor die vastgebonden zitten aan palen in een grot en naar één en dezelfde wand van die grot kijken. Achter hen, op een muur, brandt een vuur en worden er voorwerpen getoond. De schaduwen van deze voorwerpen worden op de wand van de grot geprojecteerd. De echo’s van stemmen van mensen zijn hoorbaar. Voor de personen die vastgebonden zitten, de gevangenen, is hetgeen ze zien en horen alles wat er bestaat, de werkelijkheid. De hoogste in de hiërarchie zal dan ook diegene zijn die het best de voorwerpen kan zien en de geluiden kan horen. Stel je nu voor dat één van de gevangenen los gemaakt wordt en gedwongen wordt om naar het vuur en de mensen te kijken. Eerst zal hij verblind zijn door het licht. Hij ziet liever het bedrog van de schaduwen. Achter de muur, achter de voorwerpen en achter het vuur is een zeer zware, steile beklimming naar de buitenwereld, waar de zon schijnt en waar bomen en rivieren zijn. Deze beklimming is Plato’s symbool voor educatie. Als hij boven is moet hij wennen aan het zonlicht, dit was vrijwel niet aanwezig in de grot. Als eerste zal hij gedwongen worden naar de schaduwen van de bomen te kijken, later kan hij naar de bomen kijken. Uiteindelijk zal hij de mogelijkheid hebben om naar de zon te kijken. Dit is het symbool wat door Plato voor inzicht gebruikt wordt.
Nu moet de man, een vrouw had niet gekund volgens Plato (zie werken 2e periode, Symposium), weer terugkeren naar de grot, naar de gevangenen. Als hij in de grot komt moet hij eerst weer wennen aan de schaduwen en nu zal hij de andere gevangen willen vertellen over de wereld met zijn bomen, rivieren en zijn zon. Deze zullen boos worden omdat hun werkelijkheid, hun illusies worden vernietigd en zij zullen hem doden. Plato refereert hiermee aan de dood van zijn leermeester Socrates.

Deze allegorie van de grot is voor vele filosofen en andere vooraanstaande personen door de eeuwen heen een bron van inspiratie geweest. Plato heeft de allegorie van de grot echter nooit als een zuiver poëtisch werk ontwikkeld, het staat namelijk ook voor zijn leer van het kennen (epistemologie), zijn leer van het zijn (ontologie) en in mindere mate is deze allegorie ook kenmerkend voor Plato’s leer van de moraal (ethiek) en leer van de schoonheid (esthetiek). Kortweg: de allegorie van de grot staat voor zijn algemene wereldbeschouwing, zijn metafysica. Volgens Plato zijn er vier niveaus, of toestanden, van bewustzijn. Vermoeden beschouwt Plato als laagste niveau van bewustzijn. Dit niveau richt zich op afbeeldingen (schilderijen, schaduwen, televisie etc.). Deze afbeeldingen worden, niet terecht, aangezien voor de werkelijkheid. Dit is dan ook te vergelijken met de gevangenen in de grot. De volgende toestand is volgens Plato geloven. Dit richt zich op concrete dingen, zoals op de vraag: waarom is een appel een appel en geen peer? Deze twee niveaus waren geen kennis, maar meningen; zij bevonden zich in de zichtbare wereld, de wereld die empirisch waargenomen wordt.
Niveau 2, aldus Plato, is het begrijpen. Dit wordt gelijk gesteld aan begrippen, theorieën. Het hoogste niveau, de hoogste toestand is pure kennis, door hem gelijkgesteld aan DE IDEE. Deze twee toestanden zijn volgens Plato de onzichtbare wereld, de kenbare wereld.
Zoals het 4e niveau een afspiegeling is van het 3e niveau, zo is het 2e niveau een afspiegeling van het hoogste niveau.

In het boek ‘Filosofie voor beginners’ van Donald Palmer is hier op bladzijde 73 een mooi voorbeeld van gegeven. Hierbij is uitgegaan van het gegeven ‘mooiheid’.

In het bovenste niveau bestaat de vorm, het idee, van mooiheid. Een toestand lager vinden we het begrip ‘mooiheid’. Als we nu deze kenbare, denkbeeldige wereld verlaten en naar de empirische, zichtbare, wereld gaan, zien we individueel mooie dingen, zoals een bloem, een berglandschap of een vrouw. In het laagste niveau zien we nabootsingen van deze mooie dingen, zoals een schilderij van een bloem, een foto van een vrouw en een panorama van een landschap. ‘De opvatting van Plato over de vormen is heel ingewikkeld.’ Aldus Palmer, ‘Maar we kunnen deze opvatting vereenvoudigen door te zeggen dat ze eeuwige waarheden zijn die de bron van alle werkelijkheid zijn.’ Waar we nu gebruik maakten van ‘mooiheid’, kan dit voorbeeld ook opgaan voor ‘rechtvaardigheid’, ‘dapperheid’, maar ook voor zaken als ‘mensheid’ (Wat is de mens?).
Volgens Plato zijn de ideeën, vormen, afhankelijk van het goede, zoals de mensen afhankelijk zijn van de zon.

Plato neemt hier zeker een positief standpunt in: wanneer iemand HET goede leert kennen, zal deze persoon ook goed worden. Plato concludeert hiermee dat een mens niet met opzet kwaad doet; onwetendheid van HET goede is de enige zonde. Hoe men HET goede kan leren kennen wordt aangegeven in de dialoog Meno. Plato laat Socrates aan een onontwikkelde slaaf enkele eenvoudige mathematische problemen voorleggen. De slaaf hoeft hier alleen ontkennend of bevestigend op te antwoorden. Hierbij komt hij tot de conclusie dat de slaaf de antwoorden goed heeft en dat de waarheid, HET goede, dus in de ziel moet zitten.

In de Politeia handelt Plato echter niet alleen over deze epistemologie en ontologie. Ook zit er een, op politiek en psychologie gebaseerde, sociale filosofie in. Hierin de ideale staat en het ideale individu. De staat en het individu hebben enkele gemeenschappelijke deugden, te weten in volgorde van boven naar beneden: inzicht, moed en matigheid. Inzicht staat gelijk aan de rede (individu) en aan de heersers (staat). Dan komt moed, wat gelijk staat aan respectievelijk vurigheid bij het individu en de soldaten bij de staat. Als laatste komt de matigheid, veroorzaakt door, bij het individu, de begeerte en bij de staat door de arbeiders. Als deze drie deugden in evenwicht zijn, is er sprake van gezondheid bij het individu en rechtvaardigheid bij de staat. Dit is een belangrijke inspiratiebron geweest voor Freud, die zijn Id-Ego-Superego theorie hierop baseerde.

In de ideale staat zou kunst niet voorkomen, omdat kunst op het 4e niveau staat, een 4e afgeleide is, van DE IDEE. Plato heeft niet lang genoeg geleefd om de verwezenlijking van de ideale staat te realiseren.

Bronvermelding

Boeken

· Filosofie voor beginners, Donald Palmer, Mayfield Publishing, Mountain View, CA, USA 1988, Nederlandse vertaling door Annet Both, Het Spectrum, Utrecht, 1998. ISBN: 90-274-6439-1
· Raster over de Wijsbegeerte, Drs. A. Jonges en Drs. F.V. Rookmaaker, Uitgeverij ”De Ploeg”, Utrecht
· Forum, Basisboek Klassieke Culturele Vorming, Caroline Fisser en Tom Jansen, Hermaion, Lunteren 1998. ISBN: 90-5027-093-X

CD-Roms

· Encarta Encyclopedie 2000 Winkler Prins Editie. © Microsoft Cooperation/Elsevier 1993. Alle rechten voorbehouden.

Teksten (Bijlage)

· De Grot [Fragment Uit: Plato, schrijver / teksten gekozen en vert. [uit het Grieks] door Gerard Koolschijn, 9e dr. Bert Bakker, Amsterdam 1998. Ontleend aan http://come.to.filosofie

Internetsites

· Http://come.to/filosofie
· Http://www.kub.nl/filosofie
· Http://home.wxs.nl/~mutsa024/filosofie.html
· Http://www.knuten.liu.se/~bjoch509/

Bijlage, De Grot [fragment]
Uit: Plato, schrijver / teksten gekozen en vert. [uit het Grieks] door Gerard Koolschijn, 9e dr. Bert Bakker, Amsterdam 1998. Door mij ontleend aan http://come.to.filosofie
[Het eerste gedeelte is een parabel, een beschrijving van de mensen in de grot.]
'Onze natuurlijke toestand wat ontwikkeling betreft zou je met de volgende situatie kunnen vergelijken. Stel je een aantal mensen voor in een onderaardse, grotachtige woning, met een naar het daglicht toegekeerde ingang langs de volle breedte van de grot. Ze zijn daar van jongs af aan opgesloten, aan handen en voeten en aan hun nek geboeid, zodat ze daar moeten blijven en alleen recht voor zich uit kunnen kijken, want vanwege die boeien zijn ze niet in staat zich om te draaien.
Verder is er licht van een vuur dat hoog en ver boven hen brandt, in hun rug, en tussen het vuur en de gevangenen een weg in de hoogte, waarlangs je je moet voorstellen dat een muurtje is aangelegd, zoals bij een poppenkast vóór het publiek een scheidswand staat waarboven de poppen worden vertoond. Langs dat muurtje moet je nu mensen allerlei voorwerpen zien dragen, die boven het muurtje uitsteken, en beelden van mensen en dieren, gemaakt van steen en hout en van allerlei ander materiaal, waarbij sommigen van die mensen natuurlijk praten en anderen zwijgen. Een vreemde vergelijking en een vreemde gevangenis, zul je zeggen, maar die mensen lijken op ons.
Want wat dacht je, hebben zulke mensen om te beginnen van zichzelf of van elkaar ooit iets anders gezien dan de schaduwen die door het vuur op de tegenover hen liggende wand van de grot worden geworpen? Als ze inderdaad gedwongen zijn hun hele leven hun hoofd onbeweeglijk te houden is dat onmogelijk. En hetzelfde geldt natuurlijk voor de dingen die langs gedragen worden.
Dus als ze in staat zouden zijn met elkaar te praten, denken ze ongetwijfeld dat ze praten over de dingen die ze op die muur zagen. En als er in de gevangenis ook een echo was van die tegenoverliggende wand, geloof je niet dat ze dan, wanneer een van die voorbijgangers spreekt, zouden denken dat het geluid werd gemaakt door de passerende wandschaduw? Dat lijkt me logisch. Zulke mensen zullen er ongetwijfeld van uitgaan dat de werkelijkheid niets anders is dan de schaduwen van die voorwerpen.
[Het tweede gedeelte is de opgang / bevrijding van de mensen uit de grot; een moeilijk en pijnlijk proces.]
Stel je nu eens hun genezing voor, hun bevrijding uit die gevangenis van onwetendheid. Hoe zou die toegaan als hen in het werkelijke leven het volgende overkwam? Wanneer iemand werd losgemaakt en gedwongen plotseling op te staan, zijn hoofd om te draaien, te lopen en naar het licht op te kijken, en als die handelingen zouden hem pijn doen en hij zou door de schittering niet in staat zijn de voorwerpen te onderscheiden waarvan hij tot dusver de schaduwen had gezien, hoe zou hij dan, denk je, reageren als men hem zou vertellen dat het maar flauwekul was wat hij tot op dat moment had gezien, en dat hij nu dichter bij de werkelijkheid was en een juistere kijk had op de dingen, omdat zijn blik nu was gericht op echte voorwerpen? En als men hem dan ook nog elk voorwerp dat langs kwam zou aanwijzen en hem zou dwingen vragen te beantwoorden over wat dat was, geloof je niet dat hij dan met zijn mond vol tanden zou staan en zou denken dat wat hij tot dusver had gezien eerder echt was dan wat men hem nu aanwees?
En als men hem verder zou dwingen naar het licht zelf te kijken, zouden zijn ogen dan geen pijn doen? Zou hij zich niet afwenden en vluchten naar de dingen die hij wel kan onderscheiden, in de overtuiging dat die echt duidelijker zijn dan wat men hem aanwees?
Als men hem nu uit die grot zou meesleuren, met geweld, langs een ruwe, steile weg naar boven, en hem niet zou loslaten voor men hem naar buiten had gesleurd in het licht van de zon, zou hij zich dan niet verschrikkelijk voelen en zich er enorm over opwinden dat hij zo wordt meegetrokken?
Wanneer hij in het daglicht kwam zouden zijn ogen natuurlijk door de felle schittering zijn verblind en hij zou helemaal niets onderscheiden van wat men hem nu als de werkelijkheid voorhoudt. Er zal een gewenningsproces nodig zijn voordat hij de dingen daarboven kan zien. In het begin zou hij het gemakkelijkst schaduwen kunnen onderscheiden en daarna weerspiegelingen in het water van mensen en voorwerpen, en nog later al die dingen zelf.
Als hij zover is gekomen zou hij ook naar de hemellichamen kunnen kijken en naar de hemel zelf, makkelijker 's nachts, wanneer hij kijkt naar het licht van de sterren en de maan, dan overdag naar de zon en het zonlicht. Ten slotte zou hij dan ook de zon, niet alleen weerspiegeld in het water of in een ander wateroppervlak, maar de zon zelf op zijn eigenlijke standplaats kunnen waarnemen en kunnen bestuderen, hoe hij is. Daarbij zou hij dan uiteindelijk tot de conclusie komen dat het die zon is die voor de seizoenen en jaren zorgt, alles in de zichtbare wereld bestuurt en zo in zekere zin ook de oorzaak is van alles wat zijzelf daar beneden hadden gezien.
[Het derde gedeelte gaat over het eigenlijk niet meer terug willen keren naar de grot, als we eenmaal buiten zijn geweest.]
Als hij nu terugdenkt aan zijn eerste woning, aan de kennis daar en aan zijn medegevangenen van toen, zou hij dan met de verandering in zijn situatie niet gelukkig zijn en die andere mensen beklagen? Stel dat er daar toen een bepaalde hiërarchie was geweest, waarbij de hoogste functies waren weggelegd voor de mensen die de dingen die voorbijkwamen het scherpst konden onderscheiden, een goed geheugen hadden voor de volgorde waarin ze plachten te verschijnen en op grond daarvan dus met het meeste succes konden voorspellen wat er zou komen, denk je dan dat hij daaraan nog behoefte zou hebben of jaloers zou zijn op de status van de mensen die daar in de gevangenis de hoge posten bekleden? Zou hij niet eerder het gevoel hebben dat Homerus beschrijft, veel liever op aarde een knecht te zijn van een onbemiddeld man? Zou hij niet alles liever meemaken dan een leven van zulke waanideeën?
Stel je verder eens voor wat er zou gebeuren als zo iemand naar beneden terugging en op dezelfde plaats ging zitten. Door de plotselinge overgang vanuit het zonlicht zou hij in het donker nauwelijks geen hand voor ogen zien. Als hij dan in het beoordelen van die schaduwen weer moest meten met de mensen die daar nog altijd gevangen zitten, op een moment dat zijn ogen zich nog niet op het duister hebben ingesteld -- en het zou wel enige tijd duren voor hij daaraan gewend was -- zou hij dan niet een belachelijke indruk maken? Zou men niet van hem zeggen dat hij met die tocht naar boven zijn ogen had bedorven en dat het niet de moeite waard was zelfs maar een poging te ondernemen om boven te komen? Als iemand dan zou proberen de mensen daar te bevrijden en naar boven te leiden, zouden ze hem toch doden als ze hem op een of andere manier in handen zouden krijgen?
[Het vierde gedeelte geeft een uitleg van de vergelijking.]
Nu, deze vergelijking is in zijn geheel op het voorafgaande van toepassing. De zintuiglijk waarneembare wereld komt overeen met die woning in de gevangenis, het licht van het vuur met het vermogen van de zon. En als je in die tocht omhoog en de aanblik van de dingen daarboven de weg ziet waarlangs de psyche opstijgt naar de wereld van het denken, dan heb je begrepen wat in elk geval mijn eigen verwachtingen zijn, en die wilde je nu eenmaal graag horen. Alleen god zal weten of ze met de werkelijkheid overeenstemmen.
Hoe het ook zij, wat ik me voorstel is dat in die kenbare wereld uiteindelijk na zeer veel moeite de waarde [het goede] zichtbaar wordt. Als men die gezien heeft, zal men volgens mij tot de conclusie moeten komen dat die waarde [het goede] het blijkbaar is, die altijd de oorzaak is van alles wat juist en goed is: dat hij in de zichtbare wereld het licht en de oorsprong van het licht heeft voortgebracht en zelf centraal staat in de wereld van het denken en inzicht in de waarheid mogelijk maakt. Ook zal men begrijpen dat men zonder inzicht in die waarde [het goede] niet op een verantwoorde manier zijn persoonlijk of maatschappelijk leven kan inrichten.
Als je het enigszins kunt volgen zul je het met me eens zijn dat het niet zo vreemd is dat iemand die zover is gekomen zich niet graag bezighoudt met de aangelegenheden van de wereld en dat zijn psyche zich altijd gedwongen voelt daarboven te verkeren. Als die vergelijking inderdaad ook op dit punt opgaat, is dat heel begrijpelijk. Je hoeft je er dan ook niet over te verbazen dat iemand die van dat goddelijke schouwspel terugkeert naar de ellende van het menselijk bestaan een figuur slaat en zich volkomen belachelijk maakt. Op een moment dat hij nog nauwelijks iets kan zien, voordat hij voldoende aan de heersende duisternis is gewend, wordt hij gedwongen voor een rechtbank of ergens anders te debatteren over die schaduwen van het recht en een strijd aan te gaan over de willekeurige opvattingen van mensen die het wezen van de rechtvaardigheid nog nooit hebben gezien.
Een verstandig mens herinnert zich dat er twee redenen zijn waarom het oog in verwarring kan raken: een overgang van licht naar donker en een overgang van donker naar licht. Hij zal beseffen dat hetzelfde voor de psyche geldt. Wanneer hij ziet dat die van zijn stuk raakt en niet bij machte is iets te onderscheiden zal hij niet uitbarsten in onnadenkend gelach, maar zich afvragen of zo'n psyche niet juist uit een helderder leven komt en last heeft van de ongewone duisternis. En als dat het geval is, zou hij hem met zijn ervaringen en manier van leven feliciteren.
Wie zo nodig moet lachen maakt zich met zijn gelach nog het minst belachelijk wanneer hij lacht om de onzekerheid van een psyche die uit de onwetendheid in een helderder wereld komt en daar wordt verblind door de felle schittering, maar in dat geval is medelijden eerder op zijn plaats.'

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

8017

reacties

David, hartstikke bedankt voor het plaatsen van dit werkstuk! Ik kan het heel goed gebruiken voor mijn profielwerkstuk, so thanx again! Anne
door Anne (reageren) op 5 juni 2001 om 12:31
Hi, Ik wilde je even melden dat ik een heleboel aan je verslag over Plato heb gehad. Ik vond je uitleg van de allegorie van de grot goed, doordacht en toch ook duidelijk. Grtz Anna
door Anna (reageren) op 14 september 2004 om 16:46
Perfect
door Janne (reageren) op 14 november 2011 om 15:46

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer