Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

alle belangrijke stof voor het examen

Maatschappijwetenschappen

Samenvatting

8.1 / 10
5e klas havo
  • Daphne Hekking
  • Nederlands
  • 2657 woorden
  • 1313 keer
    24 deze maand
  • 24 mei 2014

Invalshoeken van maatschappijleer

  • Politiek-juridische perspectief (in welke mate speelt opvoeding een rol bij/rechten/wetten..)
  • Sociaaleconomische perspectief (hoeveel kost het?/gelijkheid)
  • Sociaal-culturele perspectief (is het ook zo in andere landen?/normen/waarden/opvoedende rol)
  • Vergelijkende perspectief [historisch-geografisch] (hoe was het vroeger?/ene plek andere plek)

Maatschappelijk probleem

  • Het probleem heeft gevolgen voor grote groepen in de samenleving
  • Het probleem kan alleen gemeenschappelijk worden opgelost waardoor de overheid zich ermee moet bezighouden
  • Het probleem heeft te maken met tegenstellingen(meningen)
  • Het probleem heeft maatschappelijke oorzaken

Politiek probleem

  • Er sprake is van een situatie die een grote groep mensen ongewenst vindt.
  • De situatie is ontstaan door maatschappelijke ontwikkelingen.
  • Het probleem heeft te maken met tegengestelde belangen.
  • Men wil  deze problemen (mede) door overheidsingrijpen veranderd zien.

CRIMINALITEIT EN RECHTSSTAAT

Materiële schade

  • Directe financiële schade
  • Indirecte financiële schade
  • Kosten voor de bestrijding van criminaliteit.

Immateriële schade

  • Gevoelens van onveiligheid
  • Inbreuk geestelijke en lichamelijke integriteit
  • Vermijdingsdrang
  • Psychosomatische problemen
  • Aantasting van het rechtsgevoel

De nadelen van slachtofferenquêtes en dader enquêtes zijn:

  • Sommige mensen worden niet ondervraagd
  • Het gaat om een subjectieve meting
  • Het meet alleen veelvoorkomende delicten
  • De slachtofferloze criminaliteit valt buiten de enquête methode(deze geldt alleen voor de slachtofferenquêtes)

Reden waarom criminaliteit is toegenomen:

  • Afnemend gezag van de overheid, voorbeeld een burgemeester rijdt met teveel drank op achter het stuur.
  • Afnemende betekenis van het maatschappelijk middenveld, voorbeeld we lopen eerder door als we een vechtpartij op straat zien.
  • Vervaging van maatschappelijke normen en waarden.
  • Sterk toegenomen welvaart.
  • De afgenomen pak- en strafkans, pakkans is als een strafbaar feit wordt opgemerkt. Er wordt steeds minder actie ondernomen bij delicten.
  • Toegenomen werkeloosheid, dan gaan mensen zwart werken of door verveling verkeerde dingen doen.
  • Technologische ontwikkelingen, meer gebruik van internet leidt tot meer criminaliteit.
  • Internationalisering, de grenzen tussen de landen zijn soepel.

Politieke macht scheiding (trias politica):

  • Wetgevende macht (regering & parlement)
  • Uitvoerende macht (regering & ambtenaren) Voor opsporing is het openbaar ministerie verantwoordelijk onder leiding van minister van justitie.
  • echtelijke macht (onpartijdige rechters)

à Spanning tussen de machten bijv. wet BOB (bijzondere opsporingsbevoegdheden)

  • Opportuniteitsbeginsel: Vervolging is niet in het algemeen belang.

Keuzes van de officier van justitie:

- Voorwaardelijke sepot: is dat er eisen aan het sepot gaan verbonden.

- Transactie: schikking, taakstraf of geldboete.

-     Seponeren: niet voor de rechter komen.

-     Dagvaarden/ vervolgen = voor de rechter komen.

Redenen hiervoor zijn:

-     Onvoldoende bewijs = technische sepot

-     Opportuniteitsbeginsel: grotere zaken gaan voor. = beleidssepot.

-     Klein vergrijp of al genoeg gestraft.

OM mag zelf ook straffen opleggen:

·    Een taakstraf tot 180 uur

·    Een geldboete

·    Onttrekking aan het verkeer

·    Ontzegging van het rijbevoegdheid voor maximaal 6 maanden.   

Doel/functies van straffen:

  • Vergelding
  • Preventie

Generale preventie en speciale preventie

  • Resocialisatie, dader beteren
  • Beveiliging van de samenleving
  • Handhaving van de rechtsorde
  • Genoegdoening aan het slachtoffer

Omstandigheden die de rechter meeneemt in overweging:

  • Kosten
  • Cellentekort
  • Reclassering, het teruggeven van een plaats in de maatschappij
  • Resocialisatie
  • Uitvoeren taakstraffen (toezicht)
  • Dienstverleningsprojecten
  • Dader-slachtofferleertrajecten
  • Cursus (alcohol en verkeer)

Legaliteitsbeginsel: iets pas strafbaar als het in de wet is opgenomen als strafbaar gedrag, ook de overheid moet zich aan de wet houden.

Constitutionele monargie: de macht van de koning staat vast in de grondwet

Theorieën:

  1. Sociobiologische theorie: volgens deze theorie is er genetische / aangeboren te zien of iemand later crimineel wordt.
  2. Aangeleerd-gedrag theorie: Crimineel gedrag wordt aangeleerd. Door bijv. gezin.
  3. Gelegenheidstheorie: Gelegenheid maakt de dief. (fiets met sleutel erin)
  4. Anomietheorie:  maatschappelijke ongelijkheid wordt door sommige mensen uit lagere klassen niet geaccepteerd leidt tot het gebruik van legitieme middelen. Lagere klassen doen aan criminaliteit om een hogere positie te bereiken.
  5. Etiketteringstheorie/ stigmatiseringstheorie: Als mensen een bepaald etiket opgedrukt krijgen dan worden ze gestimuleerd om zich ook zo te gedragen. Bijv. als Marokkanen al worden gezien als crimineel dan gaan ze zich er ook zo naar gedragen.
  6. Bindings of integratietheorie: mensen die weinig binding hebben familie, vrienden, werk zijn eerder geneigd om in criminaliteit te vervallen. (niets te verliezen).
  7. Sociale –controle theorie: meer sociale controle, zorgt voor minder criminaliteit.

In een rechtsstaat heeft de overheid twee taken:

-     Rechtshandhaving, de wet bepaalt wat wel en niet mag.

-     Rechtsbescherming, bescherming tegen willekeur van de overheid.

Als burgers beschermd willen worden door de overheid dan gaat dat in strijd met rechtshandhaving, tot hoeverre is men bereid privacy op te offeren voor veiligheid.

Nederland kent een 2 sporenbeleid voor criminaliteit:

  1. preventie (voorkomen van criminaliteit)
  • Versterking van de sociale controle (stadswachten)
  • Voorlichting (bijv. op het gebied van inbraakpreventie)
  • Aanpassing bebouwde omgeving (lantaarns)
  • Scholing en werkgelegenheid (individuele jongeren helpen met hun carrière)
  1. Repressie: optreden als de criminaliteit al heeft plaatsgevonden.
  • Lik op stuk beleid (het gelijk straffen van mensen die de fout ingaan, bijv. het straffen van het afsteken van vuurwerk)

Soorten beleid:

  • Opsporingsbeleid (politie en justitie beslissen welke vormen van misdaad de meeste aandacht krijgen).
  • Vervolgingsbeleid (Vervolgen: het voor de rechter brengen van verdachte. Het vervolgingsbeleid geeft aan welk delict moet worden vervolgd)
  • Gevangenisbeleid (door het ontwerpen van verschillende gevangenisregimes probeert men invloed uit te oefenen op de nieuwe kansen (resocialisatiekansen) van groepen gevangen. Bijv. in de laatste fase van de gevangenis mogen gevangen bijvoorbeeld soms buiten de gevangenis gaan socialiseren.
  • Nieuwe wetgeving (om criminaliteit tegen te gaan is het soms nodig om de wetten aan te scherpen)
  • Preventief beleid (-cameratoezicht, wijkagenten, samenscholingsverbod etc.

-taak/werkstraffen)

Politieke visies:

Linkse partijen: nemen preventieve maatregelen en verbeteren maatschappelijke omstandigheden van mensen.

Rechtse partijen: benadrukt meer het handhaven van de rechtsregels en het belang van normen en waarden.

  • PvdA: de samenleving moet duidelijke grenzen stellen en misdaden bestraffen.
  • VVD: Is overtuigd van het belang van rechtsregels, omdat burgers hierdoor zo veel mogelijk vrijheden krijgen.
  • CDA: benadrukt het gezin, de school en maatschappelijk middenveld bij het voorkomen van criminaliteit.
  • SP: wil dat criminaliteit lokaal wordt aangepakt.

Taken officier van justitie:

·    De officier van justitie geeft leiding aan het opsporingsonderzoek.

·    Brengt de verdacht voor de rechter (vervolging)

·    Eist een bepaalde straf

·    Uitvoering straf

Taken van de politie:

  • Handhaving openbare orde
  • Hulpverlening
  • Opsporing, kan alleen worden verricht als het objectief en redelijk vermoeden heeft (heterdaad en aangifte)

Bevoegdheden politie:

Zonder toestemming:

  1. Staande houden
  2. Aanhouden/arresteren
  3. Fouilleren
  4. In beslag nemen
  5. Vrijheid benemen
  6. 6 uur verhoor
  7. Inverzekeringstelling = max. 3 dagen (+3dagen)
  8. Voorlopige hechtenis = max. 104 dagen

Toestemming nodig: (gegeven door OVJ)

  1. Huiszoeking
  2. Inzetten van infiltranten, dit zijn undercoveragenten die ongemerkt een misdaadorganisatie binnen dringen.
  3. Uitvoeren van kijkoperaties
  4. Gecontroleerde doorvoer, drugs of wapens later pas in beslag nemen, hierdoor kunnen ze meer bewijs verzamelen.
  5. Informanten geld betalen, leden van een misdaadorganisatie die informatie doorspelen aan de politie.
  6. Preventief fouilleren, iedereen in een bepaald gebied wordt gefouilleerd.

POLITIEK

Collectieve belangen: De politiek buigt zich vooral over kwesties die voor de meeste mensen van belang zijn en zijzelf niet kunnen oplossen

Collectieve goederen: Goederen die van algemeen belang geacht worden, die moeilijk via de markt kunnen worden aangeboden, maar die in principe voor iedereen beschikbaar zijn. Voorbeelden zijn wegen scholen en parken.

Collectieve diensten: Het verdedigen van een land door het leger, of het organiseren van verkiezingen voor de Tweede Kamer.

Sociaal contract: Al onze overheidsvoorzieningen hangen samen met een sociaal contract: in ruil voor de diensten die de overheid levert, aanvaarden de burgers een beperking van hun (financiële) vrijheid à belasting met betrekking tot je inkomen.

Macht: Het vermogen om het gedrag van anderen, eventueel tegen hun zin in, te beïnvloeden.

Politieke macht: Het vermogen de politieke besluitvorming te bepalen.

Geweldsmonopolie: Alleen de overheid mag geweld gebruiken.

Gezag: Mensen accepteren de macht of zeggenschap van anderen als legitiem.

Dictatuur: De politiek is in handen van één persoon of een kleine groep mensen, zo’n situatie leidt al gauw tot machtsmisbruik

Parlementaire democratie: Wij stemmen niet zelf, maar kiezen een parlement dat namens ons stemt.

·    representatiedemocratie (het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement dat door vrije en geheime verkiezingen wordt gekozen)

·    alle burgers zijn gelijk

·    ministers zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordiging

·    het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging.

·    de macht van de overheid wordt gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen

·    besluitvorming door regering en parlement vindt plaats bij meerderheid van stemmen.

·    het parlement houd t rekening met de rechten en belangen van minderheden

·    tweekamerstelsel

Districtenstelsel/meerderheidsstelsel: Hierbij wordt het land opgedeeld in districten en gaat de winnaar van een district als afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging.

Voordelen:

- omdat de kandidaat familiair is met een district is er een sterkere band tussen kandidaat en kiezer.

- lijdt meestal tot een twee- of driepartijenstelsel met als gevolg meer duidelijkheid

Nadelen:
- de distributie van stemmen op een zodanige manier verloopt dat een partij de meeste stemmen heeft maar toch de minste zetels
- het dilemma van fractiediscipline, dit gaat ervan uit dat je hetzelfde stemt als je fractieleden maar aangezien je een district vertegenwoordigd kunnen de belangen van een dergelijk district haaks staan op die van jouw fractiegenoten

Representativiteit: De mate waarin standpunten en besluiten van gekozen vertegenwoordigers overeenkomen met de wens van de kiezers. Vaak blijkt dat volksvertegenwoordigers niet altijd besluiten nemen die in overeenstemming met de meerderheid van de stemmers zijn. Partijen vertegenwoordigen niet altijd de ideeën van hun kiezer. Vaak gebeurd dit als een partij in de regering komt en compromissen moet maken met andere partijen.

Hoofdtaken Tweede kamer: (mede)wetgeving en Controle:

Medewetgevende taken

·    Stemrecht: goed/afkeuren

·    Recht van amendement: wetsvoorstel wijzigen

·    Recht van initiatief: wetsvoorstel indienen

·    Budgetrecht: jaarlijkse begrotingen aannemen of verwerpen

Controlerende taken

·    Vragenrecht: vragen stellen aan bewindslieden.

·    Recht van interpellatie: ter verantwoording roepen van bewindslieden over regeringsbeleid.

·    Recht van motie: schriftelijke uitspraak doen over het beleid van een minister.

·    Recht van enquête: zelfstandig een onderzoek in te stellen, wanneer ze onvoldoende info krijgen van de regering.

Subsidiariteitsbeginsel/ gedecentraliseerde eenheidsstaat:
Decentraal: wat kan à uitgaan vanaf 16 of 18 verdeeld per gemeente
Centraal: wat moet à alcohol schenken naar 18 in heel Nederland

Belangrijkste taken provincie op terreinen: Ruimtelijke ordening en milieu: woningen, landbouw, recreatie

Provinciale Staten: Gekozen vertegenwoordigers. Aantal leden is afhankelijk van het aantal inwoners van een provincie.

Gedeputeerde Staten: Vertegenwoordigers van provinciale staten vormen een coalitie die uiteindelijk het dagelijks bestuur regelt.

Commissaris van de Koningin: Voorzitter van Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. Niet gekozen, maar benoemd.

Belangrijkste taken van de gemeente: Bijhouden van huwelijken, sterfgevallen etc. politie, brandweer, vuilnis etc. gehandicapten voorzieningen.

Gemeenteraad: Controleert het bestuur van de gemeente. Raadslieden hebben bevoegdheden zoals het vragen recht en recht om een motie van wantrouwen in te dienen.

College van B&W: Ze hebben uitvoerende en wetgevende macht. Ze zijn verantwoordelijk voor de begroting.

Wethouders: Worden na de gemeenteraadsverkiezingen gekozen door de leden van de gemeenteraad.

Burgemeester: Heeft als verantwoordelijkheid zorgen voor de openbare orde in de gemeente.

Pressiegroepen (belangen- en actiegroepen): Organisaties en groepen die bewust proberen invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. Hun doel is de politiek te beïnvloeden op één speciaal terrein of belang van één bepaalde groep.

Functies van politieke partijen

Houden zich bezig met de inrichting van de samenleving dus niet met één ding zoals een actiegroep doet.

  • Articulatiefunctie: Ze zetten hun wensen en eisen in een politieke agenda.
  • Communicatieve functie: De partijen nemen een standpunt in ten aanzien van verschillende kwesties en informeren daardoor de kiezers ook over hun beleid.
  • Aggregatiefunctie: Losse opvattingen worden met elkaar verbonden. Hierdoor worden de politieke deelvisies samengebracht tot een overzichtelijk geheel. Het samenbrengen van ideeën en standpunten tot één partijprogramma.
  • Participatiefunctie: Ze proberen burgers door middel van informatie geven en meningsvorming over te halen politiek actie te worden in het partij. (lid worden enz..)
  • Recruterings- en selectiefunctie: Ze dragen voor de functies in de politiek kandidaten voor.

Politieke functies van de media

  • Informatiefunctie: Inventariseren en verstrekken van informatie over allerlei politieke gebeurtenissen en besluiten.
  • Spreekbuisfunctie: Hierbij fungeert de media als doorgeefluik voor allerlei standpunten die in de samenleving te horen zijn.
  • Onderzoeksfunctie: Het dieper graven naar de achtergronden van maatschappelijke gebeurtenissen en problemen.
  • Controle- of waakhondfunctie: Hierbij gaat de media na wat er terecht is gekomen van de beloften toezeggingen van ministers en andere bestuurders.
  • Commentaar en opiniefunctie: politiek heeft in een democratie behoefte aan veel verschillende meningen. Dit zorgt voor discussie en betrekt meer mensen bij de politiek. Levert bijv. spanningen op tussen politica’s op tv.

MASSAMEDIA

Referentiekader: De verzameling van al je persoonlijke opvattingen, waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen.

Kenmerken van massacommunicatie:

  • Er is sprake van een heterogeen (en onbekend) publiek.
  • De informatie is openbaar en voor iedereen toegankelijk.
  • (Meestal) via grote organisatie met veel mensen (krantenredacties, omroeporganisaties).
  • Technische hulpmiddelen.
  • De communicatie is eenzijdig, reageren is indirect en achteraf.
  • Zender kan niet controleren of boodschap is aangekomen (klein deel van ontvangers reageert maar).
  • De ontvanger bepaalt voor een groot deel zelf ‘hoe’ en ‘of’ hij het medium gebruikt.

Functies van de massamedia voor het individu:

- Informatieve/educatie (twitter, documentaires, journaal, Wikipedia)

- Opiniërende (talkshows, geen stijl)

- Sociale (meepraten/eenzaamheid)

- Recreatief (films, series, roddelblad)

Functies van massamedia voor de samenleving: Speelt een belangrijke rol in de politieke besluitvorming en bij de cultuuroverdracht. Onmisbaar voor een goed functionerende democratie.

Voor de samenleving hebben ze een:

  • Informerende functie (informeert gehele samenleving)
  • Socialiserende functie! (aanleren van normen en warden)
  • Amuserende functie (leuk, gezellig)
  • Bindende functie! (gevoel van samenhorigheid door media)

Vijf politiek-informerende functies:

  1. Opiniërende functie (informeert burgers over maatschappelijke en politieke onderwerpen).
  2. Spreekbuisfunctie (brengen opvattingen van individuen en belangengroepen onder aandacht à debat).
  3. Commentaarfunctie (geven je de kans om je eigen mening te uiten).
  4. Controle- of waakhondfunctie (controleren het functioneren van de overhead en andere publieke organisaties).
  5. Agendafunctie (zorgt ervoor dat maatschappelijke problemen onder publieke en politieke aandacht komen).
  • Socialiserende functie: Het proces waarbij iemand de warden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.
  • Amuserende functie: programma’s, Films, tv-series, games, quizzen en sport, alles wat een amuserende functie heft. Programma’s die zowel amuserend en informatief zijn, worden infotainment genoemd.
  • Bindende functie: Bindende functie van de media betekent dat ze de sociale cohesie, de onderlinge verbondenheid tussen mensen binnen de samenleving, bevorderen.

Uitgangspunten overheid m.b.t. media:

  • Vrijheid van meningsuiting: (artikel7) vrijheid van meningsuiting en vrijheid van drukpers. Je kan dus niet vervolgd worden door je mening.
  • Democratie: Burgers hebben recht op goede publieke informatievoorziening. Goed geïnformeerde burgers kunnen een betere en weloverwogen mening vormen.
  • Pluriformiteit: Goede informatievoorziening is beter gegarandeerd als er voldoende verscheidenheid is aan kranten, tijdschriften, omroepen en websites.

Mediawet:

  • (Publieke) omroepen moeten eigen identiteit hebben
  • Zendmachtiging bij 50,000 leden, erkenning bij 300,000 (consessiewet)
  • (Publieke) 6,5% reclame max 12 min p/u, tussen uitzendingen door.
  • (Commerciële) 15% reclame, tussen programma’s door, geen sluikreclame
  • sponsoring is toegestaan (begin en einde programma) met uitzonderingen.

Publieke visies op omroepbestel:

  • liberalen: Tegen subsidiëring van de media. De overheid moet ruimte geven aan nieuwe initiatieven, met een minimale financiële overheidssteun.
  • Sociaaldemocraten: Pleiten voor regulerend optreden van de overheid door middel van kwaliteitscontrole en bewaking van de pluriformiteit in de mediawereld. Iedereen moet in gelijke mate toegang hebben tot nieuwe media.
  • Christendemocraten: ook voor regulerende overheid, maar omroepen en kranten moeten ook zelf hun verantwoordelijkheid nemen. CDA kijkt vooral naar de socialiserende functie van media, en naar de gevaren van media beïnvloeding.

Duaal omroepbestel: Als er Commerciële zenders en publieke zenders actief zijn.

- Publieke: inkomsten uit overheidssubsidie, ster, omroep, lidmaatschap, programmabladen (bv. Omroepen met leden: VARA, TROS, VARO, Omroepen zonder leden: Geestelijke grondslag, taakomroepen, ster)

- commerciële: kijkcijfers zijn drijfveer à meer reclame verkoop. (bv. RTL Nederland, SBS groep, MTV networks, Discovery chanel Europe)

Mediahype: nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat er zich nieuwe feiten voordoen

Mediaframe: berichtgeving over een onderwerp die steeds vanuit hetzelfde perspectief plaatsvindt.

Injectienaaldtheorie: Media hebben veel macht, ontvangers nemen informatieve klakkeloos over. Nu geloven wetenschappers meer in druppelsgewijze beïnvloeding (bijv. Reclames)

Selectieve perceptie theorie: Er zijn filters/selectiemechanismen die bepalen hoe een boodschap binnen komt.

  • selectieve keuze
  • selectieve perceptie en waarneming
  • selectief geheugen
  • selectief geloven

Cultivatietheorie: Mensen die veel naar dezelfde programma’s kijken nemen de normen en warden van die programma’s over. Hoe meer kijktijd, hoe groter de invloed. Vooral zware kijker en kinderen halen tv-werkelijkheid en echte werkelijkheid door elkaar.

  • Kanteling: onderzoek toonde slechts een gering verband aan tussen de televisiewerkelijkheid en de denkbeelden van kijkers aan.

Agenda setting theorie: mensen praten over datgene waar de media veel aandacht aan bested. Eerst op publieke agenda.

  • Kanteling: de wetenschappers kunnen niet goed aantonen dat het de media zijn die de publieke en politieke agenda bepalen.

Framing theorie: Mediaframe beïnvloed de mening van mensen = framesetting. Manier waarop de media een onderwerp presenteren zijn bepalend.

  • Kanteling: het ontbreken van andere factoren die het beïnvloedingsproces kunnen verklaren.

Vooroordeel: een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd.

Discriminatie: mensen van een bepaalde groep anders behandelt op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.

Nieuwscriteria

  • Actueel
  • opvallend/onverwacht/verassend
  • cultureel/geografisch dichtbij
  • belangrijke/bekende mensen
  • ‘human interest aspect’(emotie, drama, conflict)
  • afwijkend
  • Ondubbelzinnig en begrijpelijk
  • Beeldmateriaal beschikbaar
  • Interessant voor doelgroep voor het medium
  • Gerelateerd aan politieke, financiële, culturele ontwikkelingen en kwesties. 
  • Past binnen de identiteit van het medium.

Selectieve perceptie van de nieuwsmaker: de nieuwskeuze en de berichtgeving worden gestuurd door het persoonlijke referentiekader van de redacteur of verslaggever.

Manipulatie: Vervormen van nieuws door opzettelijk weglaten of verdraaien van feiten.

Indoctrinatie: systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren.

Voorbeelden van mediaframes:

  • conflictframe
  • human-impactframe
  • economische-gevolgenframe
  • machteloosheidsframe
  • moraliteitsframe

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

9466

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Eindexamens

Ben jij al helemaal klaar voor de eindexamens?