Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.
Moeite met het kiezen van je PWS-onderwerp? Logisch. Klik hier om een goed onderwerp te kiezen. 

Alle hoofdstukken en begrippen

Scheikunde

Samenvatting

6.4 / 10
3e klas havo
  • ES
  • Nederlands
  • 3737 woorden
  • 31352 keer
    344 deze maand
  • 8 november 2009
Scheikunde samenvatting HAVO 3

Hoofdstuk 1 (stoffen)
Scheikunde of chemie is de wetenschap die zich bezighoudt met stoffen. Met stoffen bedoelen we alle materia, zoals water, zuurstof, zeep, zout, ijzer en benzine. Door waar te nemen kun je stoffen van elkaar onderscheiden. Je neemt waar door te kijken, te ruiken, te voelen en te horen. Uit vaarnemingen trek je conclusies. Daarbij gebruik je je hersens. Dankzij de scheikunde zijn er zeer veel nieuwe stoffen ontwikkeld. Hierdoor is onze welvaart en ons welzijn sterk toegenomen. Als bij de productie van stoffen afval ontstaat, moeten we daar zorgvuldig mee omgaan.

Een mengsel bevat minstens twee stoffen door elkaar. Er zijn verschillende soorten mengsels:
- oplossing: een stof opgelost in een vloeistof
- suspensie: een fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof
- emulsie: een fijn verdeelde vloeistof in een vloeistof
Een oplossing ontstaat, als je een stof (vast, vloeibaar, gas) in een vloeistof brengt. Wij gebruiken meestal water. Dit noemen we het oplosmiddel. Als de maximale hoeveelheid stof is opgelost, is de oplossing verzadigd. Als je een oplossing hebt van een vaste stof in water, kun je de vaste stof weer terugkrijgen door deze oplossing in te dampen. Het water verdwijnt en de vaste stof blijft dan over.

Een zuivere stof is één stof, dat wil zeggen, geen mengsel. Zuiver heeft in de scheikunde een andere betekenis dan in het dagelijks leven. In het woordenboek vind je omschrijvingen als helder en schoon. Zuivere lucht betekent bijvoorbeeld dat deze lucht niet verontreinigd is met giftige of gevaarlijke stoffen. Maar zuivere lucht is geen zuivere stof! Het is een mengsel (van onder andere zuurstof en stikstof). Elke (zuivere) stof kun je herkennen aan zijn stofeigenschappen. Voorbeelden van stofeigenschappen zijn fase (bij kamertemperatuur), kleur en geur. De toevallige vorm, de hoeveelheid (massa en volume) van de stof zijn hierbij niet van belang. Vorm, massa en volume zijn dan ook geen stofeigenschappen. Een zuivere stof en een mengsel kun je van elkaar onderscheiden door te kijken wat er met de temperatuur gebeurt bij een fase-overgang. Voorbeeld: als de temperatuur tijdens het kkoken constant blijft, heb je te maken met een zuivere stof. Als de temperatuur verandert, is het een mengsel. We zeggen dat een zuivere stof een smeltpunt en een kookpunt heeft. Een mengsel heeft een smelttraject en een kooktraject.

De metalen hebben een aantal overeenkomstige eigenschappen: het zijn meestal vaste stoffen, die de stroom geleiden en een glanzend uiterlijk hebben. Je kunt de metalen in drie groepen verdelen:
- zeer onedele (natrium)
- onedel (ijzer)
- edel (goud)

Alleen de edele metalen komen voor in de grond. De andere metalen komen niet zuiver voor op aarde. Zij moeten worden bereid uit ertsen. Zo wordt bijvoorbeeld ijzer gewonnen uit ijzererts en aluminium uit aluminiumerts. Als je verschillende metalen in gesmolten toestand mengt, krijg je een legering (ook wel alliage genoemd). Een legring heeft heel andere eigenschappen dan de metalen afzonderlijk.
Schoonmaakmiddelen en oplosmiddelen kunnen heel gevaarlijk zijn. Om je hiervoor te waarschuwen, staat op het etiket een pictogram. Een pictogram laat bijvoorbeeld zien of de inhoud van de fles brandbaar of explosief is. Je hebt zure, neutrale en basische vloeistoffen. Als vloeistoffen erg zuur of erg basisch zijn, zijn ze gevaarlijk. De pH geeft aan hoe zuur of basisch een vloeistof is. De pH is een getal. Zure vloeistoffen hebben een pH kleiner dan 7. Basische vloeistoffen hebben een pH groter dan 7. Vloeistoffen met een pH in de buurt van 7 zijn neutraal. Vloeistoffen met een pH kleiner dan 2 of groter dan 12 zijn erg agressief.

Hoofdstuk 2 (scheidingsmethoden)
Afval kunnen we op verschillende manieren verwerken. We kunnen het op een stortplaats gooien, verbranden of recyclen (hergebruiken). We moeten het dan (aan de bron) sorteren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij papier en glas. Bij filtreren laten we een suspensie door een filter lopen. De vaste deeltjes kunnen niet door het filter heen en blijven op het filter achter: het residu. De vloeistof loopt wel door het filter: het filtraat. Een oplossing kun je niet filtreren om dat het een vloeistof is. De opgeloste stof loopt met de vloeistof door het filter. Bij centrifugeren wordt een suspensie in een centrifuge heel snel rondgedraaid. Hierdoor zakken de vaste deeltjes naar de bodem en kunnen we na afloop de bovenstaande vloeistof afschenken.

Bij destilleren verwarm je een oplossing van een vaste stof of een vloeistof in een destillatieopstelling. De stof met het laagste kookpunt verdampt en kun je opvangen. Dit noemen we het destillaat en dit is een zuivere stof. De stof die in de kolf achterblijft, is het residu. Als je een mengsel van vloeistoffen destilleert, krijg je alleen een goede scheiding als de vloeistoffen voldoende verschillen in kookpunt.

Extraheren gebruik je om een mengsel van vaste stoffen te scheiden. Je voegt aan het mengsel een oplosmiddel toe waarin één bestanddeel van het mengsel wel oplost en het andere bestanddeel niet. Door daarna te filtreren en in te dampen (of te destilleren) heb je de vaste stoffen van elkaar gescheiden. Zo kun je een mengsel van zout en zand van elkaar scheiden door water als extractiemiddel te gebruiken. Zout lost op in water en zand niet. Door te filtreren houd je het zand als residu over. Als je het filtraat indampt, houd je het zout over. Veel gebruikte extractiemiddelen zijn water, wasbenzine en alcohol.

Bij adsorberen hecht een kleurstof zich aan het oppervlak van het adsorptiemiddel. Zo kun je een opgeloste kleurstof met bijvoorbeeld silicagel verwijderen. Je voegt de silicagel dan toe aan het water en schudt goed. Daarna ga je filtreren en de silicagel blijft met de kleurstof achter in het filter. Voorbeelden van adsorptiemiddelen zijn silicagel, norit en bleekaarde. Voor een goede adsorptie is het belangrijk dat het oppervlak van het adsorptiemiddel heel groot is. Je moet adsorptiemiddelen voor gebruik dan ook verpoederen.

Met chromatograferen kun je onderzoeken uit welke kleurstoffen een bepaalde viltstiftkleur bestaat. Je gebruikt een loopvloeistof en papier. Als loopvloeistof kun je bijvoorbeeld water of alcohol gebruiken. De kleurstof die goed in de loopvloeistof oplost en slecht aan het papier hecht, komt hoog op het filtreerpapier. De kleurstof die slecht in de loopvloeistof oplost en goed aan het papier hecht, komt laag op het papier. Op deze manier kun je een mengsel van kleurstoffen van elkaar scheiden. Het resultaat is een chromatogram.

Hoofdstuk 3 (chemische reacties)
Als je stoffen mengt of verwarmt, kunnen chemische reacties optreden. Bij een chemische reactie verdwijnen de beginstoffen en ontstaan nieuwe stoffen. Je moet dan ook vooral kijken of je voor en na het mengen of verwarmen andere stofeigenschappen ziet. Als je begint met een vaste stof en er is na het verwarmen een vloeistof ontstaan, weet je nog niet of een chemische reactie is opgetreden. Het kan zijn dat een fase-overgang is opgetreden: de stof is dan gesmolten. Om te kunnen beoordelen of een reactie is opgetreden, moet je de beginstoffen en de reactieproducten bij dezelfde temperatuur bijvoorbeeld kamertemperatuur, vergelijken.

Een chemische reactie geef je kort weer in een reactieschema:
Beginstoffen (fase) => reactieproducten (fase)
De vorm van de stof (poeder, staafje) en de handelingen (schudden, roeren) staan niet in een reactieschema. Verschijnselen als vuur en licht zijn geen stoffen en komen dus niet voor in een reactieschema. Als er zeer bijzondere omstandigheden zijn waaronder de reactie verloopt, zoals ’licht’ of ’gelijkstroom’, dan kun je deze boven de reactiepijl zeggen.

We onderscheiden ontledingsreacties en vormingsreacties. Bij een ontledingsreactie verdwijnt één beginstof en ontstaan twee of meer reactieproducten. Bij een vormingsreactie ontstaat uit twee of meer beginstoffen één reactieproduct. Niet alle stoffen kun je ontleden. Van de ongeveer 20 miljoen stoffen die nu bekend zijn, kun je er maar een paar honderd niet ontleden. Dat zijn de niet-ontleedbare stoffen. Alle andere stoffen zijn ontleedbare stoffen. In het volgende schema is dat schematisch weergegeven.

Ontleedbare stoffen kun je op verschillende manieren ontleden: door warmte, door gelijkstroom of door licht. Er zijn dus drie soorten ontledingsreacties:
- thermolyse (ontleding door warmte)
- elektrolyse (ontleding door stroom)
- fotolyse (ontleding door licht)
Warmte, stroom en licht zijn alle drie vormen van energie. Bij ontledingsreacties moet voortdurend energie worden toegevoerd. Ontledingsreacties zijn dus endotherme reacties. Reacties waarbij energie vrijkomt, zijn exotherme reacties.


Hoofdstuk 4 (elementen)
Bij een chemische reactie verdwijnen de beginstoffen en ontstaan nieuwe stoffen: de reactieproducten. Als bij een chemische reactie een niet-ontleedbare stof verdwijnt, kun je (soms via een serie reacties) deze niet-ontleedbare stof weer terugkrijgen. Je kunt dit weergeven in een kringloopschema.

Omdat je de niet-ontleedbare stof altijd weer op de een of andere manier kunt terugkrijgen, nemen we aan dat bij reacties iets behouden blijft: de elementen. Niet-ontleedbare stoffen bestaan uit één element. Ontleedbare stoffen bestaan uit meerdere elementen. Ieder element wordt met zijn eigen elementsymbool weergegeven. Er bestaan ongeveer honderd elementen.
Je moet de volgende symbolen goed leren. (zit in ringband!)

Een niet-ontleedbare stof noteer je met het elementsymbool voorzien van een toestandsaanduiding. Bij een ontleedbare stof schrijf je de elementsymbolen achter elkaar met een komma ertussen en aan het einde zet je de toestandsaanduiding. We gebruiken de volgende toestandsaanduidingen:

toestand - toestandsaanduiding
Vaste stof (solid) - (s)
Vloeistof (liquid) - (l)
gas - (g)
Opgelost in water (aqua) - (aq)

Als een ontleedbare stof uit twee elementen bestaat, krijgt het tweede element een iets andere naam:
Tweede element Naam van de stof
O ...oxide
F ...fluoride
Cl ...chloride
Br ...bromide
I ...jodide
S ...sulfide

Voorbeeld: de vaste stof ijzersulfide: Fe,S (s). Je kunt een reactieschema in symbolen opschrijven door de stofnamen te vervangen door de schrijfwijze met elementsymbolen.

Bij chemische reacties geldt de wet van massabehoud: alle beginstoffen wegen samen net zoveel als alle reactieproducten bij elkaar. Stoffen reageren in een vaste massaverhouding met elkaar. Als je die verhouding kent, kun je met het vijf-stappen-schema berekeningen aan reacties uitvoeren.

1. Schrijf het reactieschema in symbolen op.
2. Noteer welke stof gegeven is en welke gevraagd wordt.
3. Schrijf de massaverhouding eronder
4. Schrijf de gegeven massa op onder de stof waar het over gaat.
5. Reken met behulp van de verhoudingen de gevraagde massa uit.

We verdelen de niet-ontleedbare stoffen in twee groepen: metalen en overige. De metalen glimmen en geleiden stroom. De andere niet-ontleedbare stoffen vormen niet zo’n duidelijke groep. Metalen kunnen corrosie vertonen. Ze reageren dan met zuurstof en water(damp). Bij ijzer spreken we dan van roesten.

Hoofdstuk 5 (verbranden)
Om een stof te laten branden heb je nodig:
-een brandstof
-zuurstof
-een minimale temperatuur: de ontbrandingstemperatuur
Het blussen van een brand berust op het wegnemen van minstens één van deze factoren. Beter dan blussen is het voorkomen van brand. Dit kun je doen door bijvoorbeeld brandvertragers te gebruiken. Door het nemen van veiligheidsmaatregelen, zoals de aanwezigheid van blusapparatuur en nooddeuren, kunnen de gevolgen van een brand beperkt worden. Deze voorzorgsmaatregelen behoren tot de brandpreventie.

Een reactie met zuurstof is een oxidatiereactie. Als bij deze reactie vuurverschijnselen optreden, heet het een verbrandingsreactie. Corrosie is een reactie van een metaal met zuurstof en water. De corrosie van ijzer, heet roesten. Niet alle stoffen reageren even snel met zuurstof. Onedele metalen reageren sneller dan edele metalen. De vorm van de stof speelt ook een rol. Poeders reageren sneller dan bijvoorbeeld staafjes. Als een niet-ontleedbare stof met zuurstof reageert. Ontstaan één stof: het oxide. Zo ontstaat bij de oxidatie van koper de stof koperoxide en bij de verbranding van zwavel ontstaat zwaveldioxide

Een reagens op stof A is een stof die op een herkenbare manier met stof A reageert. Een goed reagens is selectief (reageert met één stof of met weinig stoffen op dezelfde manier) en gevoelig (reageert al met een kleine hoeveelheid van de stof). Enkele reagentia zijn:

reagens: toont waarnemingen aan
Wit kopersulfaat water Witte vaste stof verdwijnt; er ontstaan een blauwe vaste stof
kalkwater koolstofdioxide Kleurloze vloeistof verdwijnt; er ontstaan een witte suspensie
joodwater zwaveldioxide Gele vloeistof verdwijnt; er ontstaat een kleurloze vloeistof

Ingeademde lucht bevat meer zuurstof en minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht. De hoeveelheid koolstofdioxide in uitgeademde lucht kun je aantonen met kalkwater. In ingeademde lucht zit zo weinig koolstofdioxide dat deze niet is aan te tonen met kalkwater.

Bij de verbranding van een ontleedbare stof onststaan de oxiden van elk van de elementen waaruit die stof is opgebouwd. Zo ontstaan bij de volledige verbranding van een koolwaterstof (een stof die de elementen koolstof en waterstof bevat) koolstofdioxide en water. Als een brandstof ook het element zuurstof bevat, krijg je geen zuurstofoxide. Dat bestaat niet. Als voldoende zuurstof aanwezig is, dan is de verbranding volledig. Bij een onvolledige verbranding is te weinig zuurstof aanwezig. Bij de verbranding van een koolwaterstof kan dan koolstofmono-oxide of koolstof (roet) ontstaan. Het roken van sigaretten is ongezond. Er komen onder andere nicotine en teer vrij.

Een explosie is een zeer snelle verbranding. Deze treedt op als brandstof en zuurstof in de juiste verhouding gemengd zijn. Een voorbeeld van een explosief mengsel is knalgas. Waterstof en zuurstof zijn dan in de volumeverhouding 2:1 gemengd. Bij verbrandingen wordt meestal zuurstof uit de lucht gebruikt. Maar het is ook mogelijk een brandstof te gebruiken die zuurstof bevat. Dit is het geval bij dynamiet en vuurwerk.

Hoofdstuk 6 (moleculen en atomen)
We nemen aan dat moleculen de kleinste deeltjes van een stof zijn. We stellen ons moleculen voor als bolletjes. Iedere stof is opgebouwd uit zijn eigen molecuulsoort. Zo bestaat water uit watermoleculen en suiker uit suikermoleculen. Alle moleculen van één soort zijn hetzelfde. Met dit molecuulmodel kunnen we de drie fasen beschrijven. Een vaste stof bestaat uit moleculen die zich op een vaste plaats dicht bij elkaar bevinden. We nemen aan dat dit komt omdat ze elkaar aantrekken. Deze aantrekkende krachten tussen moleculen noemen we vanderwaalskrachten of cohesiekrachten. In de vaste fase trillen moleculen. Tussen de moleculen is niets. In een vloeistof kunnen de moleculen vrij bewegen en raken ze elkaar. In een gas bevinden de moleculen zich op een grote afstand van elkaar en bewegen kriskras door elkaar.

Volgens het atoommodel van Dalton zijn:
- moleculen opgebouwd uit nog kleinere deeltjes: atomen
- atomen onveranderlijke, harde bolletjes en niet te vernietigen
- alle atomen van één soort aan elkaar gelijk
Je tekent een atoom als een rondje met een symbool erin. Een molecuul is een bij elkaar horende groep atomen. Een molecuul van een niet-ontleedbare stof bestaat uit één soort atomen en een molecuul van een ontleedbare stof bestaat uit twee of meer soorten atomen. Een ontleedbare stof wordt ook wel verbinding genoemd. Bij chemische reacties verdwijnen de moleculen van de beginstoffen en ontstaan nieuwe moleculen van de reactieproducten. Volgens Dalton is een chemische reactie een hergroepering van atomen.

Stoffen reageren met elkaar in een bepaalde massaverhouding. Als je bij een chemische reactie één van de beginstoffen overhoudt, is deze stof in overmaat aanwezig. Als je de massaverhouding waarin de stoffen met elkaar reageren weet, kun je (met behulp van het vijfstappenplan) uitrekenen hoeveel van welke stoffen er na afloop van de reactie aanwezig zijn.

De (molecuul)formule geeft de soort en het aantal atomen in een molecuul weer. Uit de formule C4H10 volgt dat een molecuul butaan is opgebouwd uit 4 atomen C en 10 atomen H. De index in de formule geeft het aantal atomen aan. Met een coëfficiënt voor de molecuulformule kennen. (staat in ringband!). In de namen van de ontleedbare stoffen worden telwoorden gebruikt. In een molecuultekening kun je zien hoe de atomen in een molecul gerangschikt zijn.

Een (kloppende) reactievergelijking stel je als volgt op.
1. Schrijf het reactieschema op in woorden.
2. Schrijf het reactieschema op in molecuulformules met toestandsaanduidingen.
3. Maak het reactieschema kloppend door coëfficiënten voor de moleculen te schrijven, zodat links en rechts van de reactiepijl een gelijk aantal atomen van dezelfde soort staat.
4. Controleer of de reactievergelijking klopt. Als hulpmiddel voor het opstellen van een reactievergelijking kun je gebruik maken van molecuultekeningen.
Begrippen

Adsorptie => scheidingsmethode waarbij een (verpoederde) vaste stof aan zijn oppervlak een kleurstof vasthoudt

Adsorptiemiddel=>vaste stof die aan zijn oppervlak een kleurstof kan vasthouden, bijvoorbeeld silicagel of norit

Afschenken=> een suspensie laten staan, waardoor de vaste stof naar de bodem zakt

Aggregatietoestand=>toestand van een stof (vast, vloeibaar, gas) bij kamertemperatuur, ook wel fase genoemd

Amalgaam=>legering met kwik

Atoom=>atomen zijn de bouwstenen van moleculen

Atoommodel van Dalton=>de manier waarop Dalton atomen heeft beschreven

Basische vloeistof=> vloeistof met een zuurgraad hoger dan 7, bijvoorbeeld ammonia

Beginstof=>stof waarmee je begint bij een chemische reactie

Brandpreventie=>maatregelen die brand kunnen voorkomen of de gevolgen van een brand kunnen beperken

Brandvertrager=>stof die ervoor zorgt dat materiaal langer bestand is tegen een hogere temperatuur

Centrifugeren=>een suspensie snel ronddraaien, waardoor de vaste stof naar de bodem geslingerd wordt

Chemische reactie=>bij een chemische reactie verdwijnen de beginstoffen en ontstaan nieuwe stoffen: de reactieproducten

Chromatograferen=>scheidingsmethode die berust op verschil in oplosbaarheid en adsorptievermogen

Chromatogram=>het resultaat van een chromatografieproef

Coëfficiënt=>getal dat in een reactievergelijking het aantal moleculen aangeeft

Conclusie=>als je nadenkt over een waarneming kun je daaruit een conclusie trekken

Condenseren=>de fase-overgang van gas naar vloeibaar

Corrosie=>het reageren van een metaal met zuurstof en waater

Destillaat=>stof die bij een destillatie is verdampt en na afkoelen als vloeistof wordt opgevangen

Destilleren=>scheidingsmethode waarbij stoffen met een verschil in kookpunt worden gescheiden

Edel metaal=>metaal dat niet reageert met zuurstof en water, bijvoorbeeld goud

Elektrolyse=>ontledingsreactie door middel van stroom

Element=>datgene wat behouden blijft bij een reactie

Elementsymbool=>verkorte schrijfwijze (afkorting) van een element

Emulgator=>stof die vet en water laat mengen, bijvoorbeeld zeep

Emulsie=>mengsel van vet, water en emulgator

Endotherm=>er is voortdurend energie nodig

Energie-effect=>bij een chemische reactie kan energie vrijkomen (exotherm) of er moet
energie ingestopt worden (endotherm)

Erts=>steensoort waaruit je een metaal kunt maken, bijvoorbeeld ijzererts

Exotherm=>er komt energie vrij

Explosie=>zeer snelle verbrandingsreactie

Extractiemiddel=>vloeistof (oplosmiddel die bij een extractie wordt gebruikt

Extraheren=>scheidingsmethode waarbij een megsel van vaste stoffen door verschil in
oplosbaarheid wordt gescheiden

Fase=>toestand van een stof (vast, vloeibaar, gas, opgelost in water) bij kamertemperatuur

Fossiele brandstof=>brandstoffen die we uit de aardbodem halen, bijvoorbeeld aardgas

Fotolyse=>ontleding door middel van licht

Gevoelig(heid)=>een gevoelig reagens reageert met heel weinig stof

Indampen=>droogkokend tot de opgeloste (vaste) stof achterblijft

Index=>getal dat in een molecuulformule aangeeft hoeveel atomen van één soort aanwezig zijn

Kookpunt=>temperatuur waarbij een vloeistof kookt

Kooktraject=>temperatuurgebied waarbij een mengsel kookt

Kringloopschema=>hierin staat een niet-ontleedbare stof en de stoffen die bij chemische reacties hieruit kunnen ontstaan

Legering=>mengsel van metalen, bijvoorbeeld soldeer (een mengsel van lood en tin)
Loopvloeistof=>vloeistof die bij chromatografie wordt gebruikt om de kleurstoffen te scheiden

Mengsel=>meerdere stoffen door elkaar

Molecuul=>bouwsteen van een zuivere stof

Molecuulformule=>geeft weer hoeveel atomen van welke soort in een molecuul voorkomen

Molecuulmodel=>een zuivere stof is opgebouwd uit één soort moleculen

Molecuultekening=>geeft weer hoe we ons de bouw van een molecuul voorstellen

Neutrale vloeistof=>vloeistof met een zuurgraad van 7

Niet-ontleedbare stof=>een stof die je niet kunt ontleden

Notatie van een stof=>deze geeft aan of een stof vast (s) vloeibaar (l) of gasvormig (g) is.
Opgelost in water geven we aan met aq

Onedel metaal=>metaal dat reageert met zuurstof, bijvoorbeeld ijzer

Ontbrandingstemperatuur=>temperatuur die minimaal nodig is voor brand

Ontledingsproduct=>reactieproduct bij een ontledingsreactie

Ontledingsreactie=>reactie waarbij voor de pijl maar één stof staat en achter de pijl minstens
twee stoffen

Ontleedbare stof=>een stof die je kunt ontleden

Onverzadigde oplossing=>vloeistof waarin nog niet de maximale hoeveelheid stof is opgeloost

Onvolledige verbranding=>verbranding waarbij niet voldoende zuurstof aanwezig is

Oplosmiddel=>vloeistof waarin een stof kan oplossen, bijvoorbeeld water

Oplossing=>een helder mengsel van vloeistof en opgeloste stof, bijvoorbeeld suikerwater

Overmaat=>teveel van een beginstof; deze blijft dus na afloop van een chemische reactie over

Oxidatie=>een reactie met zuurstof

Oxide=>een ontleedbare stof die twee elementen bevat, waarvan één element zuurstof is

pH=>getal dat aangeeft of je een zure, neutrale of basische vloeistof hebt

Pictogram=>tekentje (gevaarsymbool) waaraan je kunt zien welk gevaar er is bij het werken met die stof

Reactieproduct=>stof die ontstaat bij een chemische reactie

Reactieschema=>in een reactieschema staan voor de pijl de namen van de stoffen die verdwijnen bij een chemische reactie; achter de pijl staan de namen van de reactieproducten

Reactievergelijking=>hierin staan voor de pijl de formules van de beginstoffen bij een chemische reactie. Achter de pijl staan de formules van de reactieproducten. Voor en achter de pijl staan evenveel atomen van dezelfde soort.

Reagens=>reageert op een kenmerkende manier met een andere stof

Residu=>stof die achterblijft bij een filtratie (in het filter), een destillatie (in de kolf) of
indampen (in het indampschaaltje)

Rijpen=>de fase-overgang van gas naar vast en met name van water

Roesten=>het reageren van ijzer met zuurstof en water(damp)

Scheiden=>de bestanddelen van een mengsel uit elkaar halen


Scheidingsmethode=>een manier om stoffen te scheiden, bijvoorbeeld bij filtreren scheid je de vaste stof van de vloeistof

Selectief (reagens)=>een selectief reagens reageert met één stof

Smelten=>de fase-overgang van vast naar vloeibaar

Stof=>materiaal waarvan iets gemaakt is
Stofeigenschap=>eigenschap waaraan je een stof herkent, bijvoorbeeld kleur

Stollen=>de fase-overgang van vloeibaar naar vast

Sublimeren=>de fase-overgang van vast naar gas

Sulfide=>een ontleedbare stof die twee elementen bevat, waarvan één element zwavel is

Suspensie=>een troebel mengsel van water en een fijn verdeelde vaste stof die niet in water oplost, bijvoorbeeld water en zand

Thermolyse=>ontledingsreactie door middel van warmte
Vanderwaalskrachten (cohesiekrachten)=>de aantrekkingskrachten tussen moleculen

Verbinding=>is een ontleedbare stof, opgebouwd uit meerdere atoomsoorten

Verbrandingsproduct=>reactieproduct van een verbrandingsreactie

Verbrandingsvoorwaarden=>voor een brand heb je brandstof, zuurstof en een ontbrandingstemperatuur nodig

Verdampen=>de fase-overgang van vloeibaar naar gas
Verzadigde oplossing=>vloeistof waarin de maximale hoeveelheid stof is opgelost

Volledige verbranding=>verbranding waarbij voldoende zuurstof aanwezig is

Voorwerp=>iets dat gemaakt is uit een groot aantal stoffen bijvoorbeeld van een tv

Vormingsreactie=>reactie waarbij achter de pijl maar één stof staat

Waarneming=>doe je met je zintuigen

Wet van massabehoud=>de massa van de beginstoffen is gelijk aan de massa van de reactieproducten

Zuivere stof=> één stof dat wil zeggen geen mengsel

Zure vloeistof=>vloeistof met een zuurgraad lager dan 7, bijvoorbeeld azijn





Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

9345

reacties

het samenvattingen is erg echt leuk! erg echt goed gedaan. ik heb complimenten.
door Akin (reageren) op 26 mei 2011 om 15:56
@Akin: moi
door niek (reageren) op 17 september 2013 om 13:36

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer