Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Module 5

Nederlands

Samenvatting

Kiliaan

7.0 / 10
  • aaRt
  • Nederlands
  • 970 woorden
  • 8776 keer
    6 deze maand
  • 25 november 2001
* informatief doel zender:

Informeren
Verstrekking van gegevens over een gebeurtenis/situatie (onthouding van de eigen beoordeling van die gegevens). Een zakelijke opsomming van de feiten.
enkele voorbeelden: nieuwsbericht, omroepbericht (bv. een radiostation), zakelijke brief en een korte biografie)

Uiteenzetten
Er zijn gegevens aan de uitleg toegevoegd. De uitleg kan betrekking hebben op de samenhang tussen de gegevens. Zij kan ook een verklaring of toelichting inhouden.
enkele voorbeelden: een handleiding/gebruiksaanwijzing, een instructie, een verhandeling, een referaat en een historisch overzicht.

* persuasief doel:

Beschouwen
Een zender wil de ontvanger aan het denken zetten door verschijnselen te verklaren, situaties te analyseren en/of ontwikkelingen te interpreteren. Daarbij kan de mening van de zender naast die van anderen gezet worden.

enkele voorbeelden: een beschouwing (Duhh), een achtergrondartikel, een ingezonden brief en een commentaar

Betogen
Wanneer een zender de ontvanger zijn mening over een gebeurtenis of situatie ontvouwt, spreken we van betogen. De zender doet een beroep op het verstand van de ontvanger. De bedoeling is dat de ontvanger de mening van de zender overneemt, daarom ondersteund de zender zijn standpunt met argumenten. (vaak gaat hij ook in op tegenargumenten)
enkele voorbeelden: een betoog (logisch -DJEES-), een ingezonden brief (weer?), een commentaar en een column.

Activeren
Een zender doet niet alleen een beroep op het verstand van de ontvanger maar ook op zijn gevoel. Het is de bedoeling om de ontvanger tot iets aan te zetten, iets te gaan doen. De zender wil de ontvanger motiveren om in actie te komen. Kenmerkend is de oproep aan de ontvanger, soms heel duidelijk aanwezig maar soms ook wat meer verborgen.
enkele voorbeelden: een pamflet (jaja...) , een open brief, een reclametekst, een bezwaarschrift, een recensie en een redevoering met oproep tot actie.

* expressief doel:

De zender wil de ontvanger deelgenoot maken van zijn gevoelens.
enkele voorbeelden: verbazing, ontroering, ergernis of boosheid.

* diverterend doel:

De zender wil de ontvanger vermaken. Het gaat niet zozeer om de feitelijk gegeven informatie, maar om de amusementswaarde ervan.
enkele voorbeelden: een sprookje, een liefdesverhaal, een detective, een avonturenverhaal, een mop, een liedtekst en een reisverhaal

TEKSTSOORTEN

* uiteenzetting:

De maker van uiteenzetting moet goed op de hoogte zijn van zijn onderwerp. Een uiteenzetting komt dan ook vaak tot stand op grond van documentatie: de zender heeft vooraf bronnen geraadpleegd en daaruit gegevens geselecteerd die hij wil overdragen. Hij dient de gegevens goed te ordenen en helder te presenteren. Daarbij is het van belang een goede inschatting te maken van de voorkennis van de ontvanger.
Uiteenzettingen tref je overal aan waar het om informatie gaat, dus in: studieboeken, naslagwerken van vakbladen, op cursussen/opleidingen en in instructieve radio- en televisieprogramma’s.
(voor teksten met een informatief doel)

* beschouwing:

Er bestaat voor het opzetten van een beschouwing geen vast patroon. Elementen als een probleemstelling (vraag, kwestie) in de inleiding en een afweging aan het slot zijn er wel vaak in te herkennen.
Beschouwingen zijn van belang in de maatschappelijke meningsvorming. Daarom tref je ze vooral aan in: (bijlagen van) de serieuze kranten, in de opiniebladen, in algemeen-culturele tijdschriften en in documentaires en discussieprogramma’s op radio en tv.
(voor teksten met een persuasief doel)

* het betoog:

Een betoog kan volgens verschillende patronen zijn gebouwd. Ervaren en bedreven schrijvers kunnen op deze patronen haast eindeloos variëren. Het stramien (?) is dus lang niet in elk betoog even gemakkelijk terug te vinden.
Een betoog zul je vooral aantreffen in situaties en op plaatsen waar meningen worden gevormd of waar mensen elkaar proberen te overtuigen: in de gemeenteraad en in de Tweede Kamer, in opiniebladen (issie weer), en op opiniepagina’s van dagbladen, in de medezeggenschapsraad en in het leerlingenparlement, en... in de rechtbank.

STRUCTUUR VAN DE BOODSCHAP

* kern:

In de kern is de zender meer gericht op zijn onderwerp dan op de ontvanger. Hier moet zijn boodschap overkomen. Afhankelijk van zijn doel en van zijn tekstsoort rangschikt de zender zijn mededelingen. Het middenstuk bestaat uit een aantal alinea’s die onderling met elkaar in verband staan.

Tekstpatronen

tekstpatronen zijn de manier van ordenen. Met de keuze voor een bepaald tekstpatroon legt de zender vast wat hij van een onderwerp zal behandelen en in welke samenhang hij dat zal doen. Zo’n tekstpatroon kan zich overigens ook, behalve over de kern, ook uitstrekken over de hele tekst.

Vijf belangrijke tekstpatronen zijn:

* typering:

Kenmerken + de eigenschappen van een onderwerp.
(dit tekstpatroon is vooral voor teksten met een informatief doel)

* ontwikkeling:

De tot stand koming van het onderwerp.
(dit tekstpatroon is vooral voor teksten met een informatief doel)

* verklaring:

Oorzaak + het gevolg van hetgeen waar de schrijver het over heeft.
(dit tekstpatroon is vooral voor teksten met een beschouwend / informatief doel)

* probleem-oplossing:

Er is sprake van een probleem waarna de schrijver op zoek gaat naar de (of verschillende) oplossing(en).
(dit tekstpatroon is vooral voor teksten met een beschouwend doel)

* argumentatie:-

STRUCTUUR VAN DE TEKST

* driedelige tekststructuur :

Een geschreven tekst van enige lengte bestaat uit een inleiding, een kern en een slot.

* alinea’s :

Een tekst is (typografisch) zichtbaar verdeeld in afgeronde eenheden: alinea’s. Elke alinea bestaat uit één of meer zinnen. Een alinea bevat één hoofdgedachte. Soms is de hoofdgedachte letterlijk geformuleerd in één zin, de kernzin. Voorkeurplaatsen voor de kernzin zijn begin en eind van een alinea.

* tekstverbanden :

Een schrijver bouwt zijn tekst op uit mededelingen: zinnen, alinea’s en tekstdelen. Die mededelingen staan niet los van elkaar. Er bestaan verbanden tussen die mededelingen. Soms zijn er verbanden expliciet (met signaalwoord + duidelijk) aangegeven en soms zijn ze impliciet (zonder signaalwoord + een verborgen verband) aanwezig.

* signaalwoorden :
Signaalwoorden kunnen uitdrukking geven aan een samenhang die tussen verschillende mededelingen bestaat. Vaak voorkomende signaalwoorden zijn:

-verklarend : doordat, want
-gevolgtrekkend : hierdoor, zodoende, dus, om deze reden
-uitwerkend : ...*
-toelichtend : zo, bijvoorbeeld, met name, neem nou, immers
-samenvattend : kortom, al met al
-argumenterend : daarom, vanwege, op grond van
-concluderend : dus, hieruit volgt
-opsommend: bovendien. ook verder, ten eerste...ten tweede, ten slotte, daar komt bij
-tegenstellend : maar, echter, daarentegen, integendeel
-vergelijkend : als, net al, zoals, even als, vergeleken met
-voorwaardelijk : mits, als, wanneer, indien, tenzij, op voorwaarde van, gesteld dat


* verwijswoorden :-


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

6671

reacties

seeh aart, awoh bedankt a mattie
door djie (reageren) op 9 april 2012 om 11:44

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer