Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Onderzoeksbureau Markteffect doet een landelijk onderzoek naar studiekeuze. Alle Nederlandse scholieren kunnen meedoen. Als je 'm invult, verdien je gegarandeerd 2 euro. Klik hier!

Thema's Hoofdstuk 4: Verzorgingsstaat

Maatschappijleer

Samenvatting

Thema's maatschappijleer

Verzorgingsstaat

7.7 / 10
4e klas vwo
  • Maarten
  • Nederlands
  • 2407 woorden
  • 49497 keer
    43 deze maand
  • 3 juni 2008
§1: Waarom werken we?
Arbeid: Iedere menselijke bezigheid die verricht wordt met een bepaalde inspanning, met gebruik van iemand capaciteiten, eventueel met behulp van gereedschappen, binnen een maatschappelijk geregelde behoefte, met het doel het leveren van een product of een dienst.
Verzorgingsstaat: Een land waar de overheid zich verantwoordelijk stelt voor het welzijn van de burgers.
Arbeidsethos: De waarde die mensen aan arbeid toekennen. Deze worden bepaald door sociaal-culturele omstandigheden (algemeen geldende normen en waarden) en door de sociaal-economische situatie (Een rijker iemand kan het zich veroorloven om minder te werken).
Calvinisme: Pas in de 16e eeuw ging men arbeid beschouwen als een morele plicht (onder invloed van het calvinisme). Daarvoor werd het vooral als iets minderwaardigs gezien.
Maatschappelijke positie: De plaats die iemand heeft op de maatschappelijke ladder. Hoe hoger geschoold hoe beter het salaris is en des te groter de status.
Sociale stratificatie: De verdeling van de samenleving in maatschappelijke klassen waartussen een verhouding van sociale ongelijkheid bestaat.
Sociale ongelijkheid: Er bestaat een ongelijke verdeling van welvaart, macht en sociale privileges.
Sociale mobiliteit: De mogelijkheid om te stijgen of te dalen op de maatschappelijke ladder. Een grote mobiliteit heeft als nadeel dat laaggeschoolden achterop dreigen te raken en een kansarme onderlaag gaan vormen.

§2: De sociale partners
Werkgevers en werknemers zijn van elkaar afhankelijk. De werkgever is afhankelijk van de arbeid van de werknemer en de werknemer is afhankelijk van het salaris dat de werkgever geeft.
Sociale partners: Werknemers en werkgevers worden ook wel sociale partners genoemd omdat ze bepaalde afspraken maken over loon, uitkering bij ziekte en medezeggenschap.
Ondernemingsraad (OR): In een Bedrijf met meer dan 50 werknemers bestaat er een wettelijk vastgelegde vorm van medezeggenschap. Dit betekent dat het personeel over sommige kwesties mag meebeslissen. De werknemers kiezen eens per 2 of 3 jaar nieuwe or-leden die hen moeten vertegenwoordigen.

- De OR heeft instemmingbevoegdheid bij personele aangelegenheden, zoals vakantieplanning, beloningsystemen en sollicitatieprocedures;
- De OR heeft alleen adviesbevoegdheid bij bedrijfseconomische beslissingen, zoals fusie, overname van een bedrijf;
- Eventueel kan de raad het bedrijf via de rechter dwingen om achtergehouden informatie openbaar te maken.

Tijdens de Industriële Revolutie richtten werknemers vakbonden of vakverenigingen op om betere werkomstandigheden af te dwingen. Ze streden voor hogere lonen, kortere werktijden en de afschaffing van kinderarbeid.
In het begin van de vorige eeuw gingen de verschillende vakbonden samenwerken in landelijke vakcentrales. Na een aantal fusies is op dit moment het FNV (Federatie Nederlandse Vakverenigingen met 1,2 miljoen leden het grootst.
Vakbeweging: Het doel van vakbonden/vakcentrales tezamen, in dit kader zijn van belang:
- arbeidsvoorwaarden (onderhandelingen over lonen,arbeidstijdverkorting, functiewaardering);
- Arbeidsomstandigheden (gezondheid, veiligheid, welzijn);
- Arbeidsverhoudingen (medezeggenschap bij interne bedrijfsbeslissingen over fusies en automatisering);
- Rechtspositie (regelingen en procedures bij ontslag);
- Sociale zekerheid (Het handhaven van een aanvaardbaar niveau van uitkeringen);
- Werkgelegenheid (het stimuleren van banenplannen).
• Leden kunnen ook individueel bij een bond aankloppen als er problemen zijn, maar vakbonden houden zich ook bezig met collectieve belangen van groepen werknemers);

Ook werkgevers zijn zich gaan organiseren in vakbonden, bijvoorbeeld het VNO-CNW. Zij hebben als doelen:
- het behartigen van de belangen van ondernemers in de onderhandelingen met de vakbonden;
- het bevorderen van een goed ondernemersklimaat door het bewerkstelligen van lage kosten en een gunstige concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland;
- Het bevorderen van de onderlinge eenheid;
- Onderlinge ondersteuning, o.a. een bijstandsfonds voor leden die met een staking worden geconfronteerd.

Op landelijk niveau overleggen de vakbonden en de werkgeversorganisaties in de Sociaal-Economische raad (SER) en de Stichting van de Arbeid.
In de SER overleggen de top van de werkgevers –en werknemersorganisaties met onafhankelijke deskundigen. De SER adviseert de regering op sociaal en economisch gebied en is onafhankelijk.
In de Stichting van de Arbeid overleggen de vakcentrales en de werkgeversorganisaties o.a. over de gewenste stijging van de lonen. Als beide partijen het eens zijn wordt er een centraal akkoord gesloten.

Bedrijfstak: Een groep gelijke bedrijven, dus uit dezelfde sector. Het overleg vindt hier alleen plaats tussen werkgevers en werknemers
CAO: Een overeenkomst tussen werkgevers en werknemers over arbeidsvoorwaarden en alle andere zaken waarover men afspraken wil maken. Deze geldt voor alle werknemers in een bepaalde sector.
Harmoniemodel: Werknemers en werkgevers zullen altijd eerst proberen via onderhandelingen tot overeenstemming te komen en een consensus te bereiken. Ze zoeken gezamenlijk naar een oplossing (CNV, MHP).
Conflictmodel: Hier worden de belangtegenstellingen tussen werknemers en werkgevers benadrukt (FNV).
Poldermodel: Dit ontstond eind jaren tachtig. Vakbonden gingen toen akkoord met lagere looneisen in ruil voor o.a. meer werkgelegenheid. Er werden afspraken gemaakt over loonstijging en over de groei van de werkgelegenheid en over lastenverplichting voor de bedrijven.

§3: Van nachtwakersstaat tot verzorgingsstaat
Liberalen: In de gedachtegang van liberalen moet de overheid zich altijd terughoudend opstellen. Dus veel ruimte voor individuele ontplooiing.
Sociaal-democraten: In de viste van de sociaal-democraten bemoeit de staat zich actief met het productieproces, maar blijft de vrije, ondernemingswijze productie gehandhaafd. Het beschermen van de zwakkeren is een van de belangrijkste standpunten.
Christen-democraten: Zij vinden dat werknemers en werkgevers in beginsel gezamenlijk, in harmonie, de economie moeten vormgeven. Pas als dit niet lukt moet de staat ingrijpen.
Prijsmechanisme: Bij een beperkt aanbod – Hoge prijs. Er komt meer concurrentie – De prijs daalt. Product wordt oninteressant – aanbod wordt kleiner en de prijs stijgt weer. Dit mechanisme zorgt ervoor dat de goederen geproduceerd worden waar behoefte aan is.
Vrijemarkteconomie: Een economie die gebaseerd is op een ongehinderde werking van het prijsmechanisme. Dit kreeg later ook zijn keerzijden, omdat dit ook voor werknemers ging gelden: Hoe meer aanbod, des te lager de lonen.
Nachtwakersstaat: Hierin moet de overheid vooral zorgen voor veiligheid en het beschermen van de bezittingen van burgers.
1854: Vanaf toen konden mensen onder bepaalde voorwaarden steun krijgen (armenwet).
1874: Kinderarbeid werd verboden.
1894: Er kwamen wetten om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.
1919: 8-urige werkdag.
Gemengde markteconomie: Een economie waarbij niet alles aan het marktmechanisme wordt overgelaten, maar waarin de overheid een voorwaardenscheppende en producerende rol vervult.
Geleide loonpolitiek: Niet de werkgevers, maar de regering besliste hoe hoog de lonen mochten zijn.
AOW: In 1956 ingevoerd door toenmalig minister-president Willem Drees. Na 1970 werd ook de kinderbijslag ingevoerd.
Door de regelingen die werden ingevoerd waren de mensen nu verzekerd van een inkomen bij ziekte of ouderdom. Hiermee werd Nederland langzamerhand een echte verzorgingsstaat.

§4: Sociaal-economische doelstellingen
In 1951 formuleerde de SER 5 belangrijke doelstellingen voor het sociaal-economisch beleid van de overheid die nog steeds de basis vormen van het overheidsbeleid:
1. Een evenwichtige economische groei;
2. Een rechtvaardige inkomensverdeling;
3. Een evenwichtige betalingsbalans;
4. Een stabiel prijsniveau;
5. Een evenwichtige arbeidsmarkt.

De overheid probeert een rechtvaardige inkomensverdeling te bereiken d.m.v.:
- Een progressief belastingstelsel (hoe meer inkomen, des te meer belasting);
- Het minimum loon (gebaseerd op wat mensen ong. nodig hebben);
- Uitkeringen (mensen die niet zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien);
- Subsidies (huur- en zorgtoeslag voor mensen die te weinig verdienen).

Najaarsoverleg: Hier overlegt de overheid met de Stichting van de Arbeid over het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid (lonen, prijzen).
Loonmaatregel: Hiermee kan de minister van Sociale Zaken via een loonmaatregel loonmatiging voor alle bedrijfstakken dwingend opleggen.
Arbeidsmarkt: Een denkbeeldige plaats waar vragers naar en aanbieders van werk elkaar ontmoeten.
Beroepsbevolking: Alle mensen die mogen en kunnen werken, tussen 15 en 65 jaar zijn en minimaal 12 uur per week beschikbaar zijn om te werken.
Werkgelegenheid: De vraag naar arbeidskrachten.

Als de vraag naar werk groter is dan het aanbod, dan is er sprake van werkloosheid. We onderscheiden daarbij:
- Frictiewerkloosheid (als werknemers van de enen baan naar een andere overstappen en daardoor voor korte tijd geen baan hebben);
- Seizoenswerkloosheid (IJsverkoper heeft in de winter geen werk);
- Conjuncturele werkloosheid (Een tijdelijke periode van afnemende vraag, in perioden van economische laagconjunctuur);
- Structurele werkloosheid (Door automatisering of door verplaatsing van bedrijfsonderdelen naar lagelonenlanden).

Nederlandse bedrijven nemen graag Oost-Europese mensen in dienst omdat ze weinig eisen hebben, tevreden zijn met een laag loon en hard werken.

Kenmerken van de huidige beroepsbevolking zijn:
- Jongeren treden vaak pas na hun twintigste tot de arbeidsmarkt toe;
- Negentig procent van de mannen tussen 25 en 60 jaar werkt (soms in deeltijd);
- Tachtig procent van de vrouwen tussen 25 en 60 jaar werkt (vaak in deeltijd);
- De meeste ouderen stoppen al voor hun 65ste.

Flexibele arbeidskrachten: Tegenwoordig hebben zowel werkgevers als werknemers meer behoefte aan oproepkrachten of telewerkers (thuis).

§5: De sociale zekerheid geregeld
Scandinavisch model: Het bestaat uit een pragmatisch systeem met als kernwoord flexicurity, een combinatie van een flexibele arbeidsmarkt en een sterke sociale zekerheid. Dit model vind je terug in Zweden, Finland en Denemarken. In Nederland zijn aanhangers van dit model: PVDA, Groenlinks en SP. Kenmerken van flexibele arbeidsmarkt zijn:
- Je kunt makkelijk ontslagen worden;
- Je hebt relatief snel weer een baan.
Van sociale zekerheid zijn:
- Een alleenstaande (werkloze) ouder met 2 kinderen krijg circa 80% van het laatstverdiende loon;
- Zwangerschapsverlof = 96 weken (6x zoveel weken als in Nederland).

De overheid in Engeland en de VS geeft prioriteit aan een goede ondernemingsklimaat: loonvorming wordt aan de markt overgelaten en een flexibele arbeidsmarkt geeft impulsen aan de werkgelegenheid, met veel problemen voor eventuele afvallers. In Amerika werkt men zo’n 400 uur meer per jaar dan in Nederland. In Nederland zie je toch veel bescherming van de zwakkeren, hier is dat totaal niet het geval. Aanhanger van dit model is de VVD.

Het Rijnlands model is een aanduiding voor de gemengde economische orde waarbij de markt sterk wordt ingeperkt door aan de ene kant een ver ontwikkelde collectieve sector en daarnaast een harmonieuze samenwerking tussen overheid en de sociale partners, hiervan is de CDA, maar voor een deel ook de PVDA voorstanders. Kenmerken zijn:
- Man is kostwinner;
- Werknemers zijn goed beschermd tegen het risico ontslagen te worden.

De overheid kreeg in Nederland na WWII steeds meer taken:
- Economische taken (stimuleren werkgelegenheid, bestrijden van inflatie);
- Ondernemerstaken (financieren en produceren van goederen en diensten);
- Sociale taken (verstrekken van uitkeringen en subsidies);
- Welzijnstaken (maatschappelijk en sociaal-cultureel werk);
- Culturele taken (het beheren van bibliotheken en musea).

Volksverzekeringen: Hiervoor betaalt iedereen in Nederland die een inkomen heeft (loon, uitkering of winstdeling) een premie. Verzekeringen zijn: AOW, ANW, AKW.
Werknemersverzekeringen: Deze premie wordt gezamenlijk door werknemers en werkgevers betaald. Hier worden uitkeringen van betaald.

De 3 belangrijkste werknemersverzekeringen:
- De Werkloosheidswet (WW): Uitkering voor mensen die onvrijwillig werkloos zijn geworden, de duur is afhankelijk van het aantal jaren werk voor dat bedrijf;
- De Wet uitbreiding loondoorbetalingplicht bij ziekte (WULBZ): Deze verplicht werkgevers om werknemers bij ziekte gedurende 1 jaar een uitkering van tussen de 70 en 100 procent van het laatstverdiende loon te verstrekken;
- De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA): Opvolger van de WAO. Deze voorziet in een inkomen voor werknemers die als gevolgd van een langdurige ziekte niet in staat zijn om te werken.

Wet werk en bijstand (WWB): Wie niet zelf in zijn bestaan kan voorzien, krijgt ondersteuning bij het vinden van werk, en zolang dat nodig is bijstand. Deze geldt pas vanaf 21 jaar.
Sollicitatieplicht: Als iemand niet actief op zoek is naar werk, heeft hij geen recht op bijstand.

§6: De verzorgingsstaat onder druk
Lange tijd konden alleen mannelijke kostwinners beroep doen op het sociale stelsel. Toen eind jaren zestig het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt toenam eisten deze dat ze, aangezien ze net als mannelijke collega’s premie betaalden, ook recht moesten hebben op de voorzieningen waarvoor zij betaalden.
Calculerend gedrag: Werkenden gingen meer naar hun eigen voordeel kijken en gingen vaker zwartwerken om premies te ontlopen.

Door de oliecrisis in 1973 steeg de werkloosheid enorm, waardoor het aantal uitkeringen toenam, dit was onbetaalbaar waardoor de premies weer stegen.

Om het beschikbare werk op de arbeidsmarkt over meer mensen te verdelen, besloot men in de jaren 80 tot de invoering van arbeidstijdverkorting (atv). Een verkorting van het aantal werkuren van 40 naar 38. Later werd dit verder verlaagt tot 36 (Akkoord van Wassenaar). Een tweede middel was de VUT-regeling (vervroegd pensioen, met 70% loonbehoud).

Om de vraag naar arbeidskrachten te verhogen nam de overheid een aantal maatregelen:
- Verlaging van de loonbelasting en de sociale premies – personeel wordt goedkoper;
- Het geven van investeringssubsidies aan bedrijven om de werkgelegenheid te stimuleren;
- Zelf arbeidsplaatsen creëren door grootschalige projecten als de verbetering van de infrastructuur te starten;
- Zelf als overheid in binnenland producten kopen;
- Zorgen voor aanvullende werkgelegenheidsprojecten voor laaggeschoolde werklozen (tramconducteur, stadswacht, conciërge).

Hiernaast werd geprobeerd het uitkeringenstelsel gezonder te maken. De belangrijkste genomen maatregelen zijn:
- De WW is afhankelijk geworden van het aantal jaren dat iemand gewerkt heeft en wordt nog max. 5 jaar verstrek, daarna bijstand;
- Een werkloze moet een aangeboden baan eerder accepteren;
- Strengere keuring op WAO’ers, voor nieuwe arbeidsongeschikten kwam de WIA;
- De leeftijd voor bijstand is verhoogd van 18 naar 21 jaar;
- De gemeenten hebben een verhaalsplicht opgelegd gekregen voor de bijstand;
- De controle op de bijstand is strenger geworden;
- Minder personeel in o.a. bejaardentehuizen.

De overheid nam de volgende maatregelen om ziekteverzuim tegen te gaan:
- De arbeidsomstandighedenwet of Arbo-wet werd ingevoerd met richtlijnen op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn;
- Sinds de WULBZ zijn werkgevers verplicht om zieke werknemers gedurende 2 jaar 70% van hun loon door te betalen;
- Met de Wet poortwachter hebben werkgevers en werknemers bij ziekte een actievere rol in het re-integratieproces (na 6 weken met werkgever overleggen);
- De ziekenfondswet, die een inkomensafhankelijke ziektekostenverzekering was, is omgevormd tot de nieuwe Zorgverzekeringswet waarbij iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen ziektekostenverzekering.

§7: De toekomst van de verzorgingsstaat
De vaak harde maatregelen van de overheid hadden als doel om de verzorgingsstaat beheersbaar te houden. Hierin lijkt de overheid geslaagd:
- De overheidsuitgaven zijn aanzienlijk gedaald, waardoor de belasting kon worden verlaagd;
- Het aantal mensen met een baan is sterk gestegen;
- Het aantal AOW’ers is gedaald;
- Fraude en oneigenlijk gebruik van uitkeringen is aanzienlijk gedaald;
- Het ziekteverzuim is de laatste jaren gedaald.

Mensen met een slechte positie op de arbeidsmarkt ondervinden wel problemen:
- De bezuinigingen op de uitkeringen hebben gezorgd voor een verminderde koopkracht van mensen met een uitkering, alleenstaande moeders zijn daardoor vaak gedwongen naar voedselbanken te gaan;
- Werkgevers betalen tegenwoordig zelf de kosten van ziekte- en arbeidsongeschiktheid, daarom kijken ze bij een sollicitatie beter of iemand volledig gezond is;
- Werklozen moeten sneller een baan aannemen. Allochtonen kunnen hier de dupe van worden, als iemand in eigen land chirurg was en hier verpleger;
- Door de strengere herkeuringen zijn veel arbeidsongeschikten hun uitkering kwijtgeraakt;
- Door bezuinigingen in verzorgingstehuizen is er te weinig personeel.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

4313

reacties

Hey maarten, Heel erg bedankt voor je samenvatting. Het een erg goede samenvatting. 5 van de 5!!
door benjamin (reageren) op 5 juni 2008 om 11:43
Bedankt, maat!
door Jesse (reageren) op 16 juni 2008 om 13:49
topper! ik heb er erg veel aan, dankzij jou hoef ik dat kwalitatief uitermate teleurstellende boek niet te lezen.. dank daarvoor
door jules (reageren) op 13 juni 2011 om 23:40
Thanks, nu hoef ik van deze onzin geen eigen samenvatting te maken C:
door Robin (reageren) op 19 juni 2011 om 20:29
Goede samenvatting!
door - (reageren) op 4 juni 2012 om 18:16
super! bedanktt!
door lotte (reageren) op 19 juni 2012 om 14:43
Er zitten af en toe wat fouten in qua taal, maar daar van afgezien is het een redelijk goede samenvatting.
door Alexander (reageren) op 21 juni 2012 om 0:24
Goed gedaan maat
door kees (reageren) op 25 mei 2013 om 10:54
Goede samenvatting! Alleen, waar zijn §4+§5? Verder, top!
door Een hippe vogel (reageren) op 12 oktober 2013 om 18:00
klopt niks van of is dit een oud boek?
door willem (reageren) op 14 juni 2014 om 17:55
Dit is helaas een oude versie van het boek, gebruik deze niet meer!
door Rob (reageren) op 9 mei 2015 om 17:12
Oude versie van het boek, klopt inderdaad niets van willem en Rob.
door Tim (reageren) op 9 mei 2015 om 17:15

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Wat doe jij om het plastic in de oceaan te verminderen?