Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
RTL Nieuws zoekt scholieren die (anoniem) willen vertellen waarom zij al wel of juist nog geen seks hebben, voor een onderzoekreportage. App ons op +31 6 12 464 251 als je dit wilt doen. 

Algemene eindtermen

Filosofie

Samenvatting

3.0 / 10
  • Lotte
  • Nederlands
  • 15618 woorden
  • 8
  • 164 keer
    2 deze maand
  • 23 april 2017

ALGEMENE EINDTERMEN

1. De kandidaten kunnen verschillende opvattingen en de daarbij behorende begrippen over (a) het nut en het nadeel van de sceptische twijfel, (b) de relatie tussen waarneming en werkelijkheid, (c) de mogelijkheid van kennis, (d) de mogelijkheid van communicatie en (e) de relatie tussen kennis, rationaliteit en integriteit, herkennen, uitleggen, vergelijken, bekritiseren en toepassen aan de hand van voorbeelden en casussen en een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van deze opvattingen.

2. De kandidaten kunnen antropologische en ethische vooronderstellingen die een rol spelen in het filosofische debat over de status van kennis benoemen en uitleggen. Daarnaast kunnen zij de metafysische, epistemologische vooronderstellingen bij (a) het onderscheid tussen buitenwereld en binnenwereld en (b) het onderscheid tussen binnenwereld en belevingswereld, herkennen en kritisch evalueren.

3. 3 De kandidaten kunnen wijsgerige methoden, kennissystemen en wereldbeelden van zichzelf en van anderen aan de hand van sceptische voorbeelden en gedachteexperimenten kritisch evalueren.

 

4.1 HOOFDSTUK 1 SCEPTICISME OP SCHERP GESTELD

4. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld aangeven wat “gerede twijfel” inhoudt en uitleggen wat het verband is tussen “gerede twijfel” en een sceptische houding.

Gerede twijfel = zoveel twijfel hebben dat je serieus op een andere manier ergens tegen aan kunt kijken

Voorbeeld: Een man is overleden, in de rechtszaal pleit de advocaat van de verdachte dat mishandeling niet tot de dood heeft geleden. De overledene heeft een genetische verzwakking van de slagader, niezen kan hebben gezorgd dat de slagader scheurde waardoor de man is overleden. De jury gaat twijfelen wat nu de juistewerkelijkheid is; overleden door mishandeling of door SMA.

Dit staat in verhouding met scepticisme, omdat je vanuit het scepticisme nooit oordelen mag en kan aannemen. Bij scepticisme is er nooit een uiteindelijk oordeel dat zeker waar is. Dit alles is bij gerede twijfel ook zo.

 

5. De kandidaten kunnen uitleggen wat metafysisch, epistemologisch en conceptueel scepticisme inhouden en deze vormen van scepticisme toepassen, bekritiseren en evalueren.

Metafysisch scepticisme = het werkelijkheidsprobleem, het is niet zeker wat er buiten ons en onafhankelijk van ons bestaat, is er een buitenwereld?

Epistemologisch scepticisme = het kennisprobleem, kennis is onmogelijk, voor alles wat men denkt te weten bestaan sceptische alternatieven

Conceptueel scepticisme = het probleem van andere geesten, communicatie is onmogelijk, we weten niet of/wanneer anderen ons begrijpen, communiceren langs elkaar door eigen ervaringen/waarden

 

6. De kandidaten kunnen het onderscheid aangeven tussen pyrronistische en academische scepsis.

vinden (dogmatici, dogma = vaste stelling, waarheid gevonden)

zoeken stoppen (dogmatici)

niet vinden (door)zoeken naar waarheid (sceptici)

niets is zeker,waarheid is ongrijpbaar (academici)

Pyrronisten kijkt naar twee kanten van een vraag en weegt deze zo nauwkeurig tegen elkaar af. Er zijn geen doorbrekende middelen waardoor de pyrronist geen keuze maakt.

Dus academici stellen vast dat de waarheid ongrijpbaar, terwijl pyrronisten niks vast stellen, ze maken geen keuze en maken zich hier niet langer druk om waardoor ze innerlijke rust vinden.

 

7. De kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met de pyrronistische problematiek en deze problematiek op theoretisch, psychologisch en dialectisch niveau interpreteren.

Psychologisch niveau: Bij elk onderwerp lopen we tegen tegengestelde meningen aan. De pyrronistische problematiek houdt in dat voor beide meningen iets te zeggen valt. Een filosoof kan elke mogelijke mening overtuigend beredeneren. Door gebrek aan onafhankelijke middlene is geen mening goed of fout. Hierdoor is niets zeker. Naarmate we meer tegengestelde meningen tegenkomen, houden we niet langer vast aan onze opvattingen. Het onthechten van de onze opvattingen geeft ons uiteindelijk innerlijke rust. Dus door isothenie (= de gelijkwaardigheid van tegengestelde argumenten) kunnen we geen goede keuze maken en besluiten we om dit dan ook niet te doen, en ons hier niet langer druk over te maken.

Dialectisch niveau: Er kan geen rationele keuze gemaakt worden bij meningsverschillen door een neutrale observator. Dit is omdat er bij elke opvatting even krachtige argumenten voor als tegen gegeven kunnen worden. Een keuze maken kan dan alleen als iemand van tevoren al een keuze had, en dus geen neutrale observator meer is.

Theoretisch niveau: Het is onmogelijk voor eindige wezens om verantwoorde overtuigingen te hebben. Te verklaren door Agrippa’s trilemma (zie punt 8)

 

8. De kandidaten kunnen uitleggen wat het trilemma van Agrippa inhoudt en de drie opties die daarbij aan de orde zijn benoemen en evalueren.

Het is onmogelijk om je overtuigingen te verantwoorden. Er zijn namelijk drie opties bij het verantwoorden van overtuigingen:
1. Regressie: opvatting verantwoorden door een andere opvatting en die opvatting weer verantwoorden door een andere opvatting etc. (bewijsstuk heeft weer bewijs nodig etc.)

2. Veronderstelling: je stopt met het verantwoorden bij een basisovertuiging die geen verdere verantwoording behoeft.

3. Cirkelredenering: je wilt je probleem bewijzen met iets dat weer bewijs nodig heeft uit het probleem zelf.

 

9. De kandidaten kunnen uitleggen wat René Descartes met zijn radicale twijfel beoogt en daarbij zijn drie niveaus van twijfel en bijbehorende argumenten onderscheiden en beschrijven.

Descartes vond scepticisme bedreiging voor al onze kennis en wetenschap. Daarom ging hij op zoek naar kennis als fundament voor al ons denken. Alles wat ook maar enige vorm tot twijfel aan kan nemen bestempelen als onwaar, dan blijft de waarheid over. Descartes bouwt dus af tot hij de kern van waarheid gevonden heeft, dit doet hij in 3 stappen.

1. Perceptuele vergissingen: niet meer zeker zijn van je waarnemingen, je zintuigen kunnen je bedriegen. Waarneming opschorten.

2. Mogelijkheid dat je aan het dromen bent: als je niet zeker weet of je aan het dromen bent of niet, kun je ook niet zeker weten of de buitenwereld echt bestaat of niet. Bestaan van buitenwereld opschorten

3. Wiskunde (de wereld is wiskundig): het heeft een zekere uitgebreidheid, maar er is een kwaadaardige demon die je bedriegt zodat je niet meer zeker kunt zijn over de wiskundige zekerheden die je denkt te hebben. Wiskundige zekerheden opschorten.

Descartes radicale twijfel = waarneming, bestaan van de buitenwereld, wiskundige zekerheden opschorten.

Je kunt dus aan alles twijfelen, behalve dat er op dit moment iets is dat twijfelt. Het ik dat denkt moet als denkend ik bestaan à Cogito ergo sum: “ik denk, dus ik besta.”

 

10. De kandidaten kunnen de argumentatie reconstrueren hoe Descartes vanuit het “ik denk” concludeert tot het bestaan van zichzelf als res cogitans, het bestaan van God en het bestaan van de buitenwereld als res extensa.

Descartes komt erachter dat hij door middel van zijn twijfel alles opzij kan schuiven op één ding na: wat onbetwijfelbaar is, is dat er iemand is die twijfelt, dat er iemand is die die gedachtes heeft. Descartes concludeert hieruit: Ik besta als een denkend iets (Cogito ergo sum). Dit zekere fundament noemt Descartes res cogitans.

Descartes zegt over God het volgende: God is perfect. Perfectie kan geen gebreken hebben, het kan dus ook niet aan bestaan ontbreken. Omdat God perfect is, moet God dus wel bestaan.

Als perfect is, dan is hij algoed. Een algoede God zou Descartes niet bedriegen, dus moet de buitenwereld die Descartes waarneemt wel bestaan. Deze buitenwereld noemt Descartes res extensa.

 

11. De kandidaten kunnen uitleggen hoe David Hume bij bewustzijnsverschijnselen het onderscheid maakt tussen indrukken (impressies) en denkbeelden (ideeën).

Impressies zijn indrukken of gewaarwordingen die wij verwerven door middel van onze zintuigen. Impressies zijn krachtig en hevig en geven alleen de waarneming weer. Bijvoorbeeld de kleur zwart.

Ideeën zijn de verwerkingen van de indrukken en gewaarwordingen, oftewel de impressies. Deze verwerking vindt plaats door middel van redeneringen en denkprocessen. Je neemt bijvoorbeeld een kleur zwart waar en door middel van redeneringen kom je tot de conclusie dat het zwart dat je zag het woord zwart was.

Het onderscheid is dus dat impressies de waarnemingen zelf zijn, het gevoel dus, en de denkbeelden/ideeën de redeneringen en denkprocessen zijn die volgen uit de impressies, het denken dus.

 

12. De kandidaten kunnen uitleggen hoe en op grond waarvan Hume een verschil maakt tussen enkelvoudige en complexe denkbeelden (ideeën) en daarbij aangeven dat complexe denkbeelden betrekking kunnen hebben op concrete, abstracte of denkbeeldige zaken.

Hume maakt onderscheid tussen enkelvoudige en complexe ideeën door middel van één of meerdere zintuigen en wat ze waarnemen.

Enkelvoudige ideeën komen voort uit de waarneming door één zintuig, zoals een bepaalde kleur of een specifieke geur. Deze enkelvoudige ideeën kun je samenvoegen tot een complex idee zoals ‘een boek’. Hierbij is ‘een boek’ een concrete zaak.

Ook zijn er abstracte zaken waarbij enkelvoudige ideeën samengevoegd worden tot abstracte ideeën zoals ‘substantie’, ‘identiteit’ en ‘causaliteit’. Geen van deze zaken kunnen we echter waarnemen en zouden dus aan het lijstje denkbeeldige zaken kunnen worden toegevoegd, waar ook voorbeelden als gevleugelde paarden, vuurspuwende draken en monsterlijke reuzen inzitten.

 

13. De kandidaten kunnen uitleggen waarom Hume een sceptische houding inneemt ten opzichte van zowel causaliteit als inductie en daarbij beargumenteren waarom het “uniformiteitsprincipe” volgens Hume in psychologisch opzicht onvermijdelijk is, maar in filosofisch opzicht niet te verantwoorden valt.

Voor Hume dachten de meeste filosofen dat de relatie tussen oorzaak en gevolg

(= causaliteit) logisch noodzakelijk moest zijn. Maar volgens Hume bestaat die relatie enkel in ‘het constant samen voorkomen’, in een bepaalde vorm in de tijd. De begrippen oorzaak; gevolg en causaliteit kunnen onmogelijk teruggevoerd worden op enkelvoudige impressies en daarom zijn ze onaanvaardbaar voor Hume. Inductie komt een beetje op hetzelfde neer. Ook al hebben we ons hele leven kunnen afleiden dat de zon elke dag opkomt, we kunnen nooit zeker weten of dat morgen weer gebeurd. Deze voorspelling is gebaseerd op ervaringen en abstracte verwachtingen. Deze abstracte verwachtingen ten aanzien van de wereld = het uniformiteitsprincipe. Dit zal je nooit volledig kunnen onderbouwen en zal dus ook nooit een bevredigend antwoord geven. Het betekend dat je voortdurend ergens vanuit gaat. Causaliteit is volgens Hume een abstract idee. Dit kunnen we nooit aannemen, en deze hebben dus dezelfde status als niet bestaande complexe ideeën. Maar aan de andere kant ziet Hume wel het nut van complexe ideeën. Dit zijn de belangrijkste punten van zijn scepticisme.

Psychologisch is dit noodzakelijk anders wordt het leven te ingewikkeld. Psychologisch gezien is het te belangrijk, want zonder, is het niet mogelijk op dingen te begrijpen. Maar filosofisch gezien is ergens vanuit gaan niet verantwoord, want dat kan je niet waarnemen zegt Hume.

 

14. De kandidaten kunnen uitleggen wat de overeenkomsten zijn tussen het gedachteexperiment van het “brein in een vat” en de gedachte-experimenten van Descartes.

Putnams gedachte-experiment van het “brein in een vat”(BIV): Je denkt dat je een mens van vlees en bloed bent en dat je vanalles hebt meegemaakt. Maar dat is niet zo, je bent enkel een stel hersenen in een vat met vloeistoffen. Wetenschappers stimuleren je brein zo, dat je niet weet dat je een BIV bent. Hierdoor kun je perfect functioneren, ervaringen hebben en opvattingen vormen.

Descartes’ droom of kwaadaardige demon: Op het derde en diepste niveau van de twijfel, beschouwd Descartes de mogelijkheid dat er een kwaadaardige demon bestaat (genius malignus). Het klassieke idee is dat God almachtig en algoed is. Maar een kwaadaardige demon zou ervoor kunnen zorgen dat alles wat je waarneemt of op een of andere manier gelooft, bedrog of misleiding is.

Beide gedachte-experimenten komen op het zelfde neer: je kunt er niet zeker van zijn dat alles wat je waarneemt, werkelijk zo is. Omdat je dit niet zeker kunt weten, kun je niks zeker weten.

 

15. De kandidaten kunnen in dialogen of bij discussies, de pyrronistische, cartesiaanse en humeaanse wijze om kennisclaims te problematiseren, herkennen, onderscheiden, uitleggen en toepassen.

Pyrronistische wijze = inspelen op de onmogelijkheid om argumenten op een neutrale manier tegen elkaar af te wegen (zie 7)

Cartesiaanse wijze = sceptische alternatieven in stelling brengen (zie 9 en 10)

Humeaanse wijze = zal aan strepen dat de pogingen van degene met een opvatting om deze te onderbouwen, ontoereikend zijn (zie 13)

 

16. De kandidaten kunnen het verschil uitleggen tussen tegen-feitelijke, conceptuele en evaluatieve gedachte-experimenten en aangeven welke rol ze spelen in argumentaties voor en tegen scepticisme.

iegen-feitelijke gedachte-experimenten = hoe zou de situatie of het scenario verder/anders kunnen lopen. Het gaat dus over dingen die niet zo zijn, je kan hierbij vragen stellen die beginnen met ‘’wat als…?’’

Conceptuele gedachte-experimenten = hoe jij de situatie of het scenario zou beschrijven. Hierbij gaat het eigenlijk over nieuwe ‘concepten’. Hierbij kan je vragen stellen als: ‘’als je elke plank van een boot vervangt, is het dan nog dezelfde boot?’’

Evaluatieve gedachte-experimenten = wat jij in een bepaalde situatie zou doen. Bijvoorbeeld: er rijdt een trein over het spoor. Een stukje verder zijn vijf mensen op het spoor aan het werken en als de trein doorrijdt, gaan al deze vijf mensen dood. De trein rijdt eerst nog onder een brug door en de enige manier om de trein te stoppen (en dus vijf mensen te redden) is om een dikke man van de brug af te duwen waardoor de dikke man wordt aangereden en de trein zo zijn vaart zal minderen. Wat doe je in deze situatie?

 

PRIMAIRE TEKST 1: SECTUS EMPIRICUS, HOOFDLIJNEN VAN HET PYRRONISME. BOEK I, IV, VI, VII, VIII, XII EN XV.

17. De kandidaten kunnen de opvatting van Sextus Empiricus over wat scepticisme is weergeven en daarbij aangeven wat daarvan het voornaamste beginsel is.

Sextus Empiricus deelt scepticisme op in twee soorten: pyrronisten zijn dogmatici of academici. Dogmatici zeggen het antwoord gevonden te hebben. Academici zeggen dat de waarheid ongrijpbaar is (zie 6).

Scepticisme is de kunde om zoveel mogelijk verschijnselen (= zintuigelijk waarneembare zaken) tegenover denkbare zaken te zetten. Pyrronisten onderzoeken niet op welke wijze verschijnselen verschijnen of op welke wijze denkbare zaken gedacht worden, maar ze streven ernaar om deze zaken eenvoudigweg te accepteren.

Pyrronisten maken gebruik van tegengestelde argumenten, ook wel tegenstrijdige argumenten, om gelijkwaardigheid tussen argumenten te bereiken. Hierdoor steekt geen van de tegengestelde argumenten boven de ander uit.

Wanneer dit is bereikt bevinden we ons op een punt waarbij we noch iets ontkennen, noch bevestigen, waarna we simpelweg onze mening opschorten. Door middel van opschorting probeert de pyrronist onverstoorbaarheid te bereiken, wat tevens het voornaamste beginsel van het scepticisme is, volgens Sextus Empiricus.

 

18. De kandidaten kunnen uitleggen in welke zin een scepticus volgens Sextus Empiricus een doctrine heeft en in welke zin niet.

Een doctrine = een leer.

Een scepticus heeft wel een doctrine, als je zegt dat een doctrine een levenshouding is waarmee je evidente dingen aanneemt en doorargumenteert,
Een scepticus heeft geen doctrine, wanneer je een doctrine ziet als het hebben van een bepaalde ‘theorie’.

 

19. De kandidaten kunnen de argumentatie van Sextus Empiricus reconstrueren dat onverstoorbaarheid en beheerstheid het einddoel zijn van de sceptische levenshouding en uitleggen welke rol “opschorting” daarbij speelt.

Onverstoorbaarheid = de onbewogenheid en kalme rust van de ziel. We noemen de hoop om onverstoorbaarheid te bereiken met motiverend beginsel van het scepticisme. Het voornaamste beginsel van de sceptische leer is dat er tegenover elk argument een gelijk argument staat. We geloven immers dat we op grond daarvan ten slotte toe komen om geen dogmatische stellingen te betrekken. We zeggen dat een scepticus geen dogma’s heeft; waarbij een dogma de instemming met een van de niet-evidente zaken die nog voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn. Wel kan hij zich in een bepaalde zaak vinden, want de scepticus betuigt wel zijn instemming met de gevoelens die het noodzakelijk gevolg zijn van een voorstelling die hij vormt. Wanneer hij het bijvoorbeeld warm of koud heeft zal hij niet zeggen dat hij gelooft dat hij het niet warm of koud heeft. Bij deze onvermijdelijke zaken komt bij de scepticus beheerstheid voor.

Om tot onverstoorbaarheid te komen zal de scepticus zijn meningen moeten opschorten; opschorting = de stilstand van het verstand op grond waarvan we noch iets ontkennen noch iets bevestigen. Want degene die meent dat iets van nature goed of slecht is, is voortdurend in onrust. Wanneer dat wat goed lijkt niet voorhanden is, meent hij niet alleen geteisterd te worden door zaken die van nature slecht zijn, maar jaag hij ook datgene na wat volgens hem goed is. Als hij dat dan heeft verworven, komt hij in nog grotere onrust terecht, niet alleen omdat hij onredelijk en onmatig opgetogen wordt, maar ook omdat hij, vrezend voor ommekeer van het lot, alles doet om dat wat hem goed lijkt niet te verliezen. Hij die geen oordeel velt aangaande datgene wat van nature goed of slecht is, ontvlucht niets en jaagt ook niets gespannen na.

Daarom beweren we dat het einddoel van een scepticus in zaken die schijn en mening betreffen, onverstoorbaarheid is en in onvermijdelijke omstandigheden beheerstheid.

 

20. De kandidaten kunnen uitleggen wat Sextus Empiricus onder “de vijf tropen voor opschorting” verstaat en aan de hand van voorbeelden beargumenteren dat elke te onderzoeken zaak in deze vijf tropen kan worden ondergebracht, zowel waarneembare als denkbare zaken.

Vijf argumenten voor opschorting:
1. Oneindigheid: gelijkheid in geloofwaardigheid van tegengestelde argumenten.

2. Regressus ad infinitum: bewijsstuk, heeft weer bewijs nodig etc.

3. Relativiteit: jij ziet alles vanuit je eigen oogpunt, maar je weet niet hoe het van nature is.

4. Veronderstelling: zonder het te beargumenteren, neem je een standpunt in.

5. Cirkelredenering: coherente overtuigingen ondersteunen elkaar wederzijds.


De vijf tropen gelden voor zowel waarneembare als denkbare zaken. Als je bijvoorbeeld iets waarneembaars wilt bewijzen, moet je dat weer met iets waarneembaars bewijzen etc. (regressus ad infinitum). Als je iets waarneembaars wilt bewijzen met iets denkbaars en het denkbare weer met iets waarneembaars (cirkelredenering). Als je gewoon met iets instemt (veronderstelling) en omdat het waarneembare altijd in betrekking staat tot de waarnemer beland je in de troop relativiteit. Dit geldt ook voor het denkbare.

PRIMAIRE TEKST 2: DESCARTES, MEDITATIES OVER DE EERSTE FILOSOFIE, HOOFDSTUK 1: OVER DINGEN DIE IN TWIJFEL KUNNEN WORDEN GETROKKEN.

 

21. De kandidaten kunnen het twijfelexperiment van Descartes in de verschillende stappen uitleggen: bij de zintuiglijke indrukken, bij het besef van het eigen lichaam en de slaap- en waaktoestand, bij het bestaan van de natuur in het algemeen en bij het bestaan van God.

Descartes ging op zoek naar zekere kennis als fundament voor al ons kennen. Alles wat ook maar enige mogelijkheid tot twijfel had moeten we opzij schuiven als onwaar, pas dan weten we wat absoluut waar is. Descartes gaat dus afbouwen tot dat hij bij iets komt wat hij zeker weet (fundament van kennis) en dit doet hij door middel van een twijfelexperiment. Dit doet hij in 3 stappen:

1. Perceptuele vergissingen: niet meer zeker zijn van je waarnemingen, je zintuigen kunnen je bedriegen (denk aan optische illusies). Je kunt iets wat je één keer heeft misleidt niet meer vertrouwen. Waarneming opschorten.

2. Mogelijkheid dat je aan het dromen bent: je weet niet zeker of je aan het dromen bent of niet, dus kun je ook niet zeker weten of de buitenwereld echt bestaat of niet. Bestaan van buitenwereld opschorten

3. Wiskundige zekerheden: Het maakt volgens Descartes niet uit of je nou waakt of slaapt, want 2 plus 3 is altijd 5, waardoor het onmogelijk lijkt aan deze zekerheden te twijfelen. Toch haalt Descartes deze zekerheid onderuit door de mogelijkheid van een kwade geest die hem bedriegt in acht te nemen. Er is dus een kwade geest die Descartes uit alle macht probeert te bedriegen, die niet God kan zijn omdat God algoed is. Een algoed iets zou niet iemand proberen te bedriegen dus daar komt de kwade geest in beeld. (zie 9)

Toch weet Descartes één ding zeker: je kunt aan alles twijfelen, behalve dat er op dit moment iets is dat twijfelt. Het “ik” dat denkt moet als denkend ik bestaan: Cogito ergo sum (“ik denk, dus ik besta).

Descartes weet ook door middel van zijn twijfel experiment het bestaan van God te bevestigen. Hij beredeneert dit op de volgende manier:

Niet bestaan is niet perfect

God is perfect

Dus God moet bestaan

Een God die niet al goed is, is dus niet perfect. Maar omdat God perfect is, is hij algoed. God zou daarom ook nooit toelaten dat een kwaadaardige geest Descartes constant bedriegt. God zorgt er dus voor dat er wel degelijk een werkelijkheid is die beantwoordt aan Descartes’ zintuigelijke ervaringen, waaruit je kunt concluderen dat Descartes niet alleen als denkend ding (res cognitans) maar ook maar ook als een uitgebreid ding bestaat (res extensa). (zie 10)

 

PRIMAIRE TEKST 3: HUME,TRAKTAAT OVER DE MENSELIJKE NATUUR. SCEPTICISME TEN AANZIEN VAN DE ZINTUIGEN

22. De kandidaten kunen reconstrueren hoe volgens Hume de noties dat objecten bestendig bestaan en dat ze los van de menselijke perceptie bestaan, psychologisch tot stand komen en met elkaar verbonden zijn.

Als een object bestendig bestaat, dan blijft het voortbestaan buiten onze waarneming. Als het los van onze waarneming bestaat, dan blijft het dus voortbestaan van onze waarneming.

Er is niets in onze waarneming dat zegt dat het object blijft voortbestaan, ook al nemen we het niet waar. Het is namelijk een psychologische gewenning dat wij het telkens zien van een object koppelen aan het bestendig bestaan van dit object. Dit is dus een psychologisch effect dat zich ontwikkelt door het leven heen.

Voorbeeld: Je weet nooit zeker dat je huis er nog staat wanneer je thuiskomt.

 

23. De kandidaten kunnen de argumentatie van Hume reconstrueren dat het uitwendig bestaan niet met de zintuigen kan worden bewezen en dat daarmee noch de ervaring van de eigen ledematen, noch geluiden, smaken en geuren, noch ons gezichtsvermogen, een bewijs vormen voor een uitwendig bestaan van objecten die los zouden staan van onze percepties.

Hume beweert dat het bestaan van een buitenwereld niet kan worden bewezen door de zintuigen. Dit komt omdat de zintuigen niet buiten het gebied kunnen opereren waarin zij opereren. Dit betekent dat ze niet buiten zichzelf dingen kunnen waarnemen. De zintuigen kunnen net zomin een opvatting geven over het bestaan los van de geest omdat ze er onderdeel van zijn. Dit komt omdat ze geen voorstelling van de geest kunnen laten zien of maken. Ze zouden van de geest dan een object en beeld moeten laten zien en dat lukt ze niet.

De ervaring van eigen ledematen is geen bewijs voor het bestaan van de buitenwereld omdat het niet ons lichaam is dat we waarnemen maar bepaalde indrukken die onze zintuigen binnen krijgen. Die indrukken wijzen we dan toe via een mentale handeling aan het hebben van een lichaam. Deze mentale handeling bewijst dus niet dat er een buitenwereld bestaat.

Geluiden, smaken en geuren vormen geen bewijs omdat ze geen afmetingen hebben, hoewel de geest ze wel ziet als bestendige en onafhankelijke eigenschappen. Daardoor kunnen ze niet aan onze zintuigen verschijnen als iets van buiten het lichaam.

Het gezichtsvermogen is ook geen bewijs voor het bestaan van een uitwendige wereld omdat het ons geen directe informatie geeft over afstandheid of buitenheid zonder verdere argumentatie en ervaring.

 

24. De kandidaten kunnen de argumentatie van Hume reconstrueren dat er geen onderscheid is in de drie soorten indrukken, te weten (a) gestalte, massa, beweging en vastheid van lichamen; (b) kleur, smaak, geur en (c) ervaringen van pijn en genot, en dat bijgevolg het toekennen van een zelfstandig en bestendig bestaan aan objecten, een product van de verbeelding is.

Massa, beweging en vastheid lijken (a) objectief te zijn, maar kleur, geur, geluiden (b) niet, en pijn en genot (c) al helemaal niet. Deze zijn dus subjectief.

Kleuren en geuren verschijnen op dezelfde manier aan onze zintuigen als massa en beweging.

Pijn door hand in haardvuur is dezelfde waarneming als warmte ervan en de vastheid.

Wij zeggen dat we allerlei verschillende dingen ervaren, maar Hume zegt dat het eigenlijk een en dezelfde ervaring is.

Pijn dat komt doordat je je hand in een haardvuur steekt, komt bijvoorbeeld doordat je hand er heel warm van wordt. Het is dus dezelfde ervaring.

Er is dus geen verschil tussen ervaringen van objectieve en subjectieve dingen (a), (b) en (c), alles hangt samen, want van de ervaring van het ene komt bijvoorbeeld de ervaring van het andere.

 

4.2 HOOFDSTUK 2 DE BUITENWERELD OP DE HELLING

25. De kandidaten kunnen uitleggen wat naïef realisme inhoudt en aangeven welke twee bezwaren er tegenin gebracht kunnen worden, te weten dat zintuiglijke ervaringen (a) afhankelijk zijn van het standpunt van de waarnemer en (b) illusoir of hallucinatorisch kunnen zijn.Naïef realisme:
• Fysische objecten zijn driedimensionaal

• Fysische objecten bestaan ondanks onze waarneming

• Fysische objecten blijven bestaan ook als niemand kijkt

• Fysische objecten bevinden zich in de publieke ruimte (voor iedereen te zien; gedachtes, gevoelens bijvoorbeeld niet, dit is niet publiek)
Dit geeft problemen voor de filosofie → Problemen met naïef realisme

a. Welke zintuigelijke ervaringen we precies hebben, hangt niet alleen af van de fysische objecten en hun eigenschappen maar ook van ons standpunt als waarnemer. We hebben zelf invloed op wat we waarnemen, want we zijn er zelf deel van. (Een voorbeeld hiervan is wanneer wij met zijn allen naar mevrouw Nelissen kijken. Sommige zien haar vanaf 2 meter afstand en sommige zien haar van de voorkant of haar profiel. In feite zien we allemaal dezelfde persoon, maar onze zintuigelijke waarneming geeft ons wel een ander beeld.)

b. We zijn soms onder hevige illusies/hallucinaties, hoe kunnen we bewijzen dat we dat niet altijd zijn? In hoe verre kun je het onderscheiden van de waarneming? Zintuigelijke waarneming alleen is niet genoeg om te bepalen welke van de drie soorten waarneming je nou eigenlijk hebt. Het enige wat onbetwistbaar is, is het feit dat jij die bepaalde waarneming hebt. Maar wat je ervaart hoeft dus niet de buitenwereld te zijn. Ze hoeven dus niet waar te zijn.

 

26. De kandidaten kunnen weergeven wat Immanuel Kant beschouwt als “het schandaal van de filosofie” en beargumenteren hoe de combinatie van empirisme met de notie dat we de buitenwereld niet rechtstreeks waarnemen maar veeleer via afbeeldingen, leidt tot metafysisch scepticisme.

Het schandaal van de filosofie volgens Kant: Dat er na zoveel eeuwen filosofie nog steeds geen bewijs voor de buitenwereld gevonden is. Het bestaan van de buitenwereld kunnen we enkel op geloof aannemen.

Empirisme: We kennen de wereld enkel en alleen via de waarneming. à We hebben enkel de beelden van de waarneming waarbij we niet weten of het representaties zijn van een ware werkelijkheid. We weten dus niet zeker of de afbeeldingen die wij waarnemen, in de wereld onafhankelijk van ons, ook zo zijn.

Hieruit volgt het metafysisch scepticisme. Doordat we de wereld enkel via de afbeeldingen van de waarneming kennen, is het onmogelijk om te weten of de wereld onafhankelijk van ons bestaat. Metafysisch scepticisme is dus het twijfelen aan het bestaan van de buitenwereld.

27. De kandidaten kunnen uitleggen waarom John Locke een klassiek empirist genoemd kan worden en daarbij aangeven hoe hij denkt over het tot stand komen van kennis en over de rol die zintuigen en ideeën daarbij spelen.

Klassiek empirisme (Aristoteles): Kennis wordt uit zintuiglijke waarneming gehaald. Hierbij nemen wij de buitenwereld indirect waar, omdat we nooit direct toegang hebben tot een bepaald object. Een waarneming wordt eerst in je hoofd verwerkt tot een product en dit product vormt de kennis.

Lockes empirisme: Mens is bij geboorte Tabula Rasa (=onbeschreven blad). We hebben nog geen kennis en hoe ouder we worden hoe meer deze gevuld wordt met zintuiglijke waarnemingen. Deze waarnemingen worden verwerkt door vermogens tot abstracte ideeën, vergelijkingen, vervoeging en abstrahering. Gedachten kunnen wel specifieke dingen vormen door deze vermogens, maar hebben wel eerst waarnemingen nodig om echt kennis te krijgen.

Lockes empirisme komt dus sterk overeen met het klassiek empirisme van Aristoteles, want beide filosofen zeggen dat kennis uit de zintuiglijke waarneming komt en dat kennis een product is van vergelijkingen, abstracte ideeën, vervoegingen en abstrahering (kennis is dus indirect).

 

28. De kandidaten kunnen Lockes onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten maken en het verband aangeven met zijn indirect realisme.

Alle kennis die we als mens verkrijgen voorkomt uit zintuiglijke waarnemingen. Locke probeert het bestaan van de buitenwereld daarom te bewijzen door op zintuiglijke aspecten in te gaan. Een argument dat hij geeft is dat onze zintuigen elkaar bevestigen: een banaan ziet er krom uit en voelt ook krom. Het soort argument dat Locke gebruikt voor zijn bewijs, heet afleiding naar de beste verklaring (inference to the best explanation). Deze denkstap wordt abductie genoemd.

IBE werkt niet voor waarnemingen als kleur en smaak, omdat deze eigenschappen maar door één zintuig waargenomen kunnen worden. Locke maakt daarom onderscheid tussen primaire kwaliteiten (door meerdere zintuigen waar te nemen) en secundaire kwaliteiten (door één zintuig waar te nemen en daardoor afhankelijk van de waarnemer).

 

29. De kandidaten kunnen de kritiek van George Berkeley op het indirect realisme van Locke weergeven en kunnen reconstrueren hoe Berkeley beargumenteert dat “bestaan is waargenomen worden”.

Er is een fundamenteel verschil tussen de twee filosofen Locke en Berkeley.

Locke trekt als het ware twee soorten eigenschappen uit elkaar wanneer het zich om een voorwerp betreft. Hij onderscheidt hier primaire en secundaire kwaliteiten.

Berkeley levert hier kritiek op, voornamelijk door te beweren dat er geen verschillen bestaan tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Berkeley meent dat deze theorie direct tot scepticisme leidt. Onze zintuigen zijn niet in staat om bijvoorbeeld kleur en vorm uit elkaar te trekken. Sterker nog, probeer eens om kleur voor te stellen zonder vorm, of vorm zonder kleur. Hierdoor hebben we geen enkele reden om aan te nemen dat wanneer een banaan niet wordt waargenomen wel krom is, maar niet geel, aangezien onze zintuigen ook geen onderscheid maken tussen deze twee eigenschappen.

Het zou dus absurd zijn te denken dat primaire kwaliteiten zouden blijven bestaan wanneer ze niet waargenomen worden, en secundaire kwaliteiten niet. Volgens Berkeley geldt voor primaire kwaliteiten wat ook voor secundaire kwaliteiten geldt, zowel de geur, kleur, smaak, vorm bestaan slechts in het hoofd van de waarnemer, ofwel esse est percipi: Bestaan is waargenomen worden.

 

30. De kandidaten kunnen het onderscheid maken tussen Berkeleys subjectief idealisme en zijn objectief idealisme, en daarbij uitleggen hoe hij de stabiliteit van onze zintuiglijke ervaringen verklaart.

George Berkeley is een empirist. Hij vind dat het onmogelijk is om een onderscheid te maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Wat wij ‘objecten noemen’ zijn voor hem bundeltjes zintuiglijke ervaringen. Vanuit zijn subjectief idealisme is het Berkeley’s grootste probleem om te verklaren waarom die bundeltjes zintuiglijke ervaringen een hoge mate van stabiliteit en continuïteit lijken te hebben. Hij gelooft dan ook vanuit dit idealisme dat ‘bestaan’ bestaat in het ‘waargenomen worden’. Dat betekent dat iets alleen maar blijft bestaan zolang het wordt waargenomen. Daarom komt hij met het objectief idealisme, waarmee hij zich op god beroept om te verklaren waarom de woonkamer er bijvoorbeeld nog het zelfde uit zien als we even weg zijn geweest. God zorgt hier voor de stabiliteit en continuïteit van onze zintuiglijke ervaringen, door alles tegelijkertijd waar te nemen.

 

31. De kandidaten kunnen uitleggen hoe volgens Thomas Reid het “gezond verstand” het scepticisme dat voortvloeit uit het indirect realisme weerlegt. Zij kunnen daarbij twee varianten van het direct realisme uitleggen en met elkaar vergelijken, te weten het naïef realisme en het wetenschappelijk realisme.

Volgens Thomas Reid weerlegt het “gezond verstand” het scepticisme dat voortvloeit uit het indirect realisme. Hij stelt dat er onafhankelijk van ons een buitenwereld is met daarin een heleboel fysische objecten (zoals de banaan), maar dat we die niet waarnemen via de omweg van ‘sensaties’ of ‘ideeën’, maar juist door dit “gezonde verstand” nemen we die buitenwereld en die fysische objecten direct of onmiddellijk waar. Volgens Reid vormen illusies en hallucinaties de uitzondering en niet de regel en kunnen de verschillen tussen wat we afhankelijk van ons gezichtspunt waarnemen perfect wetenschappelijk verklaard worden met behulp van de regels van de meetkunde en de perspectiefleer. Hiermee is er geen enkele reden aan te nemen dat er tussen onze waarnemingen en de wereld ‘sensaties’ of ‘ideeën’ zouden staan.

Direct realist neemt ook primaire en secundaire kwaliteiten waar. Een direct realist die gelooft dat objecten werkelijk alle eigenschappen hebben die we waarnemen, wordt een naïef realist genoemd. Voorbeeld: gelooft dat de banaan die niet wordt waargenomen niet alleen krom, maar ook geel en zoet is.

Een direct realist die gelooft dat de fysica aantoont dat er in tegenstelling tot zintuigelijke eigenschappen die niet afhankelijk zijn van de waarnemer (zoals vorm) ook zintuigelijke eigenschappen zijn die wel afhankelijk zijn van de waarnemer (zoals kleur en smaak) zijn wordt een wetenschappelijk realist genoemd. Voorbeeld: gelooft dat de banaan die niet wordt waargenomen wel krom is, maar niet geel noch zoet.

Direct realisme (zowel naïef realisme als wetenschappelijk realisme) heeft een groot voordeel op indirect realisme, omdat het niet hoeft af te rekenen met de uitdaging van het scepticisme. De buitenwereld bestaat.

 

32. De kandidaten kunnen de respons van Kant op het metafysisch scepticisme weergeven en vergelijken met de respons van Locke en met die van Berkeley.

De reactie van Kant op het metafysisch scepticisme is dat de buitenwereld bestaat. We kunnen het bestaan van de buitenwereld namelijk in twijfel trekken en iets dat je kunt betwijfelen, moet bestaan. We kunnen echter geen kennis hebben van de buitenwereld zoals die onafhankelijk van ons bestaat (noumenale wereld) omdat het een abstract postulaat is.

Kant is het dus enerzijds wel met Berkeley eens aangezien ook Berkeley zegt dat de dingen die wij waarnemen niet de buitenwereld zelf is, maar we moeten volgens Kant dan wel het bestaan van de buitenwereld veronderstellen. Dit doet Berkeley niet.

Locke zegt net zoals Kant dat er een buitenwereld is. Locke zegt echter dat je wel kennis kunt hebben van de buitenwereld. Je kunt namelijk kennis hebben over de primaire kwaliteiten die afhankelijk van de waarnemer bestaan. Kant is het hier dus niet mee eens. Hij zei namelijk dat wij geen kennis kunnen hebben van de buitenwereld.

 

33. De kandidaten kunnen het verband tussen Kants bewijs voor het bestaan van een buitenwereld en zijn transcendentaal idealisme uitleggen en bekritiseren.

Hoe bewijst Kant bestaan van buitenwereld?:

“Onze innerlijke ervaring van ons bestaan in de tijd pas mogelijk wanneer er iets ‘bestendigs’ buiten ons bestaat.”

1. Bewust dat je mentale toestanden een welbepaalde volgorde hebben

2. Bewust zijn van iets bestendigs

3. Bestendigs waar je bewust van bent kan niet jij als subject zijn en evenmin jouw subjectieve impressies → dus vergt een van jou onafhankelijk object in de buitenwereld

4. Dus bewust van de buitenwereld want bewustzijn kan niet gebaseerd zijn op verbeelding

Kant’s transcendentaal idealisme = We kunnen alleen kennis hebben over de dingen die we waarnemen (fenomenale wereld). Dit is Kant zijn idealisme. Zijn transcendentale argument houdt in dat Kant veronderstelt dat er wel een buitenwereld moet zijn omdat als ik twijfel aan het bestaan van de buitenwereld (zegt Kant), moet het wel bestaan.

Met zijn transcendentaal idealisme kan Kant het bestaan van de buitenwereld bewijzen.

34. De kandidaten kunnen de argumentatie van Kant reconstrueren waarom het bestaan van een buitenwereld enerzijds niet op empirische kennis berust, maar anderzijds wel via een noodzakelijke redenering bewezen kan worden.

Kant zegt dat je niet buiten de waarneming kan treden en naar de wereld kan kijken (= transcendentie). Je kan dus ook nooit weten of wat jij waarneemt correspondeert met het Ding an sich. Je kan dus ook niet empirisch bewijzen of dit correspondeert.

Bestendigheid van de waarneming is onderdeel van de waarneming zelf. Als ik twee dingen met elkaar vergelijk, blijft de waarneming bestendig aanwezig terwijl ik het tweede waarneem. Bestendigheid is dus niet van mij zelf, maar van iets buiten mij.

 

35. De kandidaten kunnen de fenomenalistische opvatting van John Stuart Mill uitleggen en daarbij aangeven in welk opzicht zijn opvatting verschilt van die van Berkeley.

John Stuart Mill was de stichter van het fenomenalisme. Mill geloofde dat we geen kennis konden hebben over noumena (= objecten of substanties die op zichzelf staan). Hij geloofde echter dat er fenomenen waren, oftewel zintuigelijke gewaarwordingen. Volgens Mill bestaan fenomenen niet alleen als ze waargenomen worden maar ook als ze waargenomen kunnen worden. Dit betekent dat een fenomeen als nog bestaat ook al neem je hem niet waar.

Het verschil met Berkeley is dat Berkeley gelooft dat fenomenen alleen bestaan als ze waargenomen worden en Mill vindt dat fenomenen, naast dat ze bestaan als ze waargenomen worden, ook bestaan als ze in staat zijn waargenomen te kunnen worden. Voorbeeld: er staat een stoel achter een deur die we niet kunnen waarnemen. Volgens Berkeley zou deze stoel niet bestaan omdat we hem niet kunnen waarnemen. Volgens Mill zou de stoel wel bestaan omdat de stoel waargenomen kan worden als je de deur open doet.

 

36. De kandidaten kunnen Bertrand Russells onderscheid tussen “kennis door beschrijven” en “kennis door vertrouwdheid” uitleggen en in verband brengen met zijn fenomenalisme.

Kennis door beschrijving = Logische constructies gebaseerd op de sense-data zoals de fysische objecten en onmiddelijke niet-geïnterpreteerde ervaringen.

Kennis door vertrouwdheid = In onze bewustzijnsinhouden kunnen we ons niet vergissen. Bestaan uit onmiddellijk niet geïnterpreteerde ervaringen.

Russels’ fenomenalisme:

We kunnen alleen maar zekerheid hebben over onze eigen bewustzijnsinhouden (herinneringen, overtuigingen, zintuiglijke ervaringen). Maar je kan je ook vergissen:

  • Je herinnert je iets dat niet heeft plaatsgevonden
  • Je gelooft ten onrechte dat er fysische objecten aan de basis van je zintuiglijke ervaringen liggen

Maar dusdanig zijn we onfeilbaar in onze bewustzijnsinhouden. We kunnen ons onmogelijk vergissen.

 

37. De kandidaten kunnen beschrijven wat de notie “sense-data” inhoudt en uitleggen waarom sense-data volgens Russell tegelijk objectief en subjectief zijn.

Sense-data zijn volgens Russell pure ongeïnterpreteerde ervaringen. Ze zijn vergelijkbaar met de impressies van Hume. Het is een enkele ervaring zoals roze of vloeibaar. Uit deze sense-data kunnen we fysische objecten afleiden, wat vergelijkbaar is met ideeën. Dit noemt hij kennis door beschrijving. We denken het dus te weten.

Sense-data is aan de ene kant objectief, want ze zijn gegeven en onmogelijk om je in te vergissen. Aan de andere kant is het subjectief, omdat het je persoonlijke sense-data is. Het is voor iedereen anders.

38. De kandidaten kunnen uitleggen wat metamerisme inhoudt, waarom het een probleem vormt voor de identificatie van kleuren met fysische eigenschappen en waarom het een argument vormt voor eliminativisme en projectivisme.

Metamerisme = dat wat fysisch gesproken veel ingewikkelder is, wordt perceptueel gesproken waargenomen in een beperkt aantal kleurervaringen.

Er is een lokaal metafysisch scepticisme. Volgens deze filosofen mag er dan wel een buitenwereld zijn, maar smaken en kleuren bevinden zich daar niet in (= eliminativisme). Smaken en kleuren worden veeleer door ons op de buitenwereld geprojecteerd (= projectivisme). Voorbeeld: in de schaduw is de gele banaan donkerder geel.

Kleur is geen kwestie van informatie uit de buitenwereld decoderen, maar eerder een kwestie van informatie uit de buitenwereld encoderen.

Decoderen = de informatie zit in de buitenwereld en de waarnemer haalt die eruit.

Encoderen = door middel van een relatief beperkt aantal kleurcategorieën kleurt de waarnemer de informatie in.

 

39. De kandidaten kunnen uitleggen wat een dispositionele analyse van kleur inhoudt en beargumenteren waarom deze benadering een antwoord vormt op het metafysisch scepticisme betreffende kleur.

De dispositionele analyse van kleur = een object toont onder normale omstandigheden een bepaalde kleur aan ons. Het object heeft zelf de dispositie om onder die normale omstandigheden een bepaalde kleur over te laten komen aan ons. De dispositie is dus een vermogen dat een object heeft. Een banaan heeft bijvoorbeeld de dispositie om als geel voor te komen. Wanneer de banaan in een boodschappentas zit lijkt de banaan niet geel, omdat hij zich niet in normale omstandigheden verkeert. Dit betekent echter niet dat de banaan niet meer de dispositie heeft om geel voor te komen. Wanneer je de banaan uit de tas haalt zal hij als geel voorkomen.

De dispositie van kleur is dus een vermogen wat in de banaan zelf zit en niet vanuit ons komt. Wij zijn nodig in de dispositionele analyse om de kleur te bevestigen. De kleur zit dus niet alleen in de ons hoofd, maar ook in de banaan zelf. We hoeven dus niet het bestaan van kleur (of geur of smaak) in twijfel te trekken en dit ondermijnt het metafysisch scepticisme. Kleur bestaat namelijk wel, maar als dispositie en wij zijn nodig om te bevestigen dat dit zo is.

40. De kandidaten kunnen weergeven wat responsafhankelijkheid inhoudt en uitleggen hoe zowel kleuren als esthetische waarden, als respons-afhankelijke eigenschappen beschouwd kunnen worden.

Over het algemeen vinden mensen dat waarden als ‘mooi’ en ‘lelijk’ subjectief. Maar we verwijzen wel naar objectieve eigenschappen om onze waarden te onderbouwen. Je zou dan kunnen denken dat waarden objectief zijn. Toch zijn we nooit echt in staat om uit te kunnen waarom zo’n objectieve eigenschap nou ‘mooi’ of ‘lelijk’ is. Misschien zijn waarden dan wel, net als kleuren, respons-afhankelijk.

 

PRIMAIRE TEKST 4: GEORGE BERKELEY, DRIE DIALOGEN, EERSTE DIALOOG

41. De kandidaten kunnen, uitgaande van een analyse van de kleurwaarneming, uitleggen wat er verstaan wordt onder secundaire kwaliteiten.

Kleur zit niet in een object zelf. Het object heeft een eigenschap waardoor het zich als een bepaalde kleur laat voorkomen. Het licht valt op een oppervlak, dat wordt weerkaatst. Dat bepaalt hoe je een kleur ziet. Het kan veranderen als het waargenomen wordt, door iemand anders of op een andere manier.

Dus als een kwaliteit afhankelijk is van een waarnemer, en niet in het object zelf zit, dan beschouwen we het als een secundaire kwaliteit. Naar aanleiding van de analyse van de kleurwaarneming, kun je dus concluderen dat kleur een secundaire kwaliteit is.

 

42. De kandidaten kunnen argumenten bedenken die inzichtelijk maken waarom sommige filosofen de secundaire kwaliteiten onderscheiden van primaire kwaliteiten.

Primaire kwaliteiten = kwaliteiten die voor iedereen hetzelfde zijn. Kwaliteiten die onafhankelijk van de waarnemer zijn: uitgebreidheid, vorm, zwaarte, vastheid, beweging en rust.

Secundaire kwaliteiten = kwaliteiten die afhankelijk zijn van de waarnemer. Volgens Berkeley bestaan ze uitsluitend in de geest. Voorbeelden hiervan zijn: geuren, kleuren en smaak.

Dus de primaire kwaliteiten zijn onafhankelijk van de waarnemer en secundaire kwaliteiten zijn afhankelijk van de waarnemer.

 

43. De kandidaten kunnen uitleggen op welke gronden Berkeley het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten verwerpt. Hierbij kunnen ze zijn kritiek op algemene begrippen betrekken.

Berkeley verwerpt het onderscheid dat indirect realisten zoals Locke maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten, door secundaire kwaliteiten te veralgemenen.

Volgens Berkeley bestaan ook primaire kwaliteiten in de geest, neem als voorbeeld uitgebreidheid: een mier ziet een grindkorrel als aanzienlijk groot, terwijl wij mensen een grindkorrel als aanzienlijk klein zien, ondanks dat het dezelfde grindkorrel is.

Volgens Berkeley is het, welke waarneembare kwaliteiten we ook waarnemen (bijv. vorm of kleur), in alle gevallen onmogelijk dat deze kwaliteiten zouden bestaan in iets wat haar niet waarneemt. Hiermee verwerpt hij dus het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten.

Kritiek hierop is dat bijvoorbeeld groot en klein niets anders inhouden dan de relatie tussen andere uitgebreide voorwerpen en delen van ons eigen lichaam. Berkeley vraagt dan waarin het ene deel van de uitgebreid verschilt van de andere. Hij stelt vervolgens dat groot en klein iets waarneembaars is , zoals een bepaalde grootte of vorm die voor elk kenmerkend is. Deze kwaliteiten die ontdaan zijn van alle waarneembare eigenschappen , bezitten derhalve totaal geen specifieke en numerieke verschillen, zoals de Scholen dat noemen. Dat wil zeggen; zij zijn (bijvoorbeeld) uitgebreidheid in het algemeen.

Echter geeft Berkeley ook weer kritiek op die algemene begrippen: het is aanvaard dat alles wat bestaat particulier is, maar hoe kan dan uitgebreidheid in het algemeen bestaan in een lichamelijke substantie? Men is niet in staat om in gedachten een bepaald abstract denkbeeld te vormen van (bijvoorbeeld) uitgebreidheid, wat ontdaan is van alle waarneembare bestaanswijzen, zoals groot of klein (die in de geest bestaan).

 

PRIMAIRE TEKST 5: THOMAS REID, ESSAYS ON THE INTELLECTUAL POWERS OF MAN.

44. De kandidaten kunnen de kritiek van Reid op de opvattingen van Descartes, Locke, Berkeley en Hume weergeven en daarbij verschillende reflecties van Reid betrekken, te weten ten aanzien van (a) het bestaan van een wereld buiten de vermogens van de geest (ideeën) en zintuigen; (b) de opvatting dat ideeën de beelden (images) in de geest als object hebben en niet de objecten zelf; (c) de opvatting dat ideeën het beste begrip opleveren voor de activiteit van de geest.

a) Reid heeft de opvatting dat er een wereld bestaat onafhankelijk van onze geest en zintuigen. Locke stelt dat waarneming indirect is en plaatsvindt door vertegenwoordigers. Berkeley stelt dat er niets anders bestaat dan geest en ideeën. Hume stelt zelfs dat er niets anders bestaat dan ideeën.
Reid bekritiseert deze filosofen omdat ze het bestaan van ideeën zonder meer aannemen. Dit is in strijd met het gezond verstand volgens hem. Als je het bestaan van ideeën betwijfelt, moet de waarneming direct zijn en bestaat de buitenwereld dus echt.

b) De filosofen die Reid bekritiseert staan voor indirecte waarneming. Zij denken dat ideeën zich vormen t.a.v. afbeeldingen, sensaties of impressies die al in de geest zitten, en niet t.a.v. de objecten zelf. Reid vindt dat die objecten juist direct waargenomen worden, zonder tussenkomst van ideeën en impressies.

c) Reid bekritiseert de opvatting dat ideeën het beste begrip opleveren voor de activiteit van de geest, omdat mensen dan allemaal andere ideeën hebben en dus niet zouden kunnen communiceren. Mensen kunnen dat echter wel, en dus kunnen we aannemen dat iedereen dezelfde objecten waarneemt.

 

45. De kandidaten kunnen de opvatting van Reid uitleggen dat we rechtstreeks toegang hebben tot externe objecten en de buitenwereld en daarbij de argumentatie reconstrueren dat zintuigen verantwoordelijk zijn voor de directe wisselwerking tussen de geest en objecten.

Volgens Reid is het onzinnig om aan te nemen dat er dingen zijn als ideeën en impressies, die bemiddelen tussen waarnemer en de buitenwereld. Dat gaat tegen ons gezond verstand in. Er is geen reden om aan te nemen dat die dingen bestaan, en dus kunnen we beter aannemen dat ze niet bestaan. Als er geen bemiddeling is tussen de waarnemer en de buitenwereld, betekent dat dat de waarneming direct is.

Reid verantwoordt dit met het idee van het gezond verstand, ofwel sensus communis. Sensus communis verwijst naar de capaciteit die de mens heeft om alle zintuiglijke ervaring op een rijtje te zetten. De zintuigen nemen dus volgens Reid de werkelijkheid direct waar en het gezond verstand zet al deze zintuiglijke indrukken op een rijtje, zodat de geest erover kan nadenken. Reid twijfelt niet aan het feit dat de geest zich dingen kan herinneren of kan verbeelden, maar activiteiten van de geest kunnen slechts plaatsvinden doordat de zintuigen informatie geven over de buitenwereld, omdat zij in direct contact staan met de buitenwereld.

 

4.3 HOOFDSTUK 3 DE MOGELIJKHEID VAN KENNIS

46. De kandidaten kunnen een beargumenteerd standpunt innemen over het betekenisvol kunnen spreken over de werkelijkheid vanuit het realisme, het antirealisme en het subjectief waarheidsrelativisme. Daarbij kunnen zij aangeven in hoeverre het subjectief waarheidsrelativisme een antwoord biedt op het epistemologisch scepticisme.

Realisme = de buitenwereld bestaat en we kunnen daar ook over spreken. Dingen bestaan of wel echt of niet.

Anti-realisme = wij hebben geen enkele manier om op een objectieve manier vast te stellen of iets bestaat en wat het betekent om te bestaan.

Subjectief waarheidsrealisme = wat waar is, is afhankelijk van diegene die de overtuiging heeft. Er is geen waarheid onafhankelijk van de overtuigingen van het subject.

Het probleem is dat het heel moeilijk is om te zeggen of het waarheidsrelativisme zelf nou een absolute regel is. Geldt het waarheidsrelativisme als absolute regel; dan moet je altijd zeggen, niets is absoluut waar, alles is relatief. Dan is er al een ding dat hier niet aan voldoet, namelijk het waarheidsrelativisme zelf. Als het waarheidsrelativisme zelf een absolute waarheid is, dan spreekt het dus zichzelf tegen.

 

47. De kandidaten kunnen de kritiek van Charles Peirce op sceptische twijfel uitleggen aan de hand van zijn onderscheid tussen echte en artificiële twijfel.

Echte twijfel = het tegendeel van overtuiging. Echte twijfel kan niet opgeroepen worden maar kom je gewoon tegen. Het is een psychologische frustrerende toestand. We proberen er een einde aan te maken.

Artificiële twijfel (kunstmatige twijfel) = twijfel die niet uit het hart komt. Je kunt wel bij alles vragentekens plaatsen maar dat levert niets op volgens Peirce.

Sceptische twijfel valt volgens Peirce onder articifiële twijfel omdat het niets oplevert en omdat deze twijfel nutteloos is.

 

48. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld de argumentatie van het fallibilisme reconstrueren en van hieruit betogen dat de scepticus te hoge eisen stelt aan kennis.

Peirce’s fallibilisme:

Wij kunnen ons vergissen en dat gebeurt ook, maar dat betekent niet dat wij niets kunnen weten.

Voorbeeld: Als we terugkijken in de geschiedenis dachten we eerst dat de aarde het centrum van het universum was, maar dit denken we nu niet meer. Die gedachte van vroeger was een grote vergissing en de waarheid is opeens verschillend geworden.

Hierover zegt Peirce dat deze vergissing niet betekend dat we nooit de waarheid kunnen kennen. Er is dus een groot verschil tussen vergissingen en de waarheid niet kunnen kennen.

De eisen die aan kennis worden gesteld door Peirce’s fallibilisme:

  • Je moet consensus (= overeenstemming) hebben. Die consensus moet er zijn tussen wetenschappers (consensustheorie)

De eisen die aan kennis worden gesteld door scepticisme:

  • We moeten totale zekerheid hebben (overtuiging)
  • We moeten totale onfeilbaarheid hebben (waarheid)

Aan die eisen moeten worden voldaan, anders kun je geen waarheid en dus geen kennis hebben.

Op het onderscheid tussen de eisen van Peirce’s fallibilisme en scepticisme zegt Peirce:

We kunnen beter het scepticisme op zij schuiven, want we stellen irreële eisen aan kennis. Als je maar voldoet aan deze eisen van de consensus en kennis, dan is elk probleem opgelost.

 

49. De kandidaten kunnen beargumenteren waarom volgens de traditionele analyse ware verantwoorde opvattingen de voorwaarden vormen voor kennis.

Justified True Belief

Correspondentietheorie = Om kennis te hebben moeten mijn opvattingen waar zijn. Als het niet waar is, is het geen kennis. Ik moet daarnaast ook de opvatting echt hebben dat het waar is, als ik het niet weet is het niet mijn kennis. Tot slot moet ik kunnen verantwoorden waarom mijn opvatting waar is, het mag geen toevalstreffer zijn. Gokken of iets waar is, is dus geen kennis. (objectief, van buitenaf, povereenstemming met de feiten het belangrijkst)

 

50. De kandidaten kunnen aan de hand van een tegenvoorbeeld, een zogenaamd “Gettier geval”, duidelijk maken dat de drie voorwaarden “ware verantwoorde opvattingen”, weliswaar individueel noodzakelijk, maar niet tezamen voldoende zijn voor kennis.

‘Ware overtuigingen’ = iemand weet iets als en slechts als hij of zij ervan overtuigd is en het ook werkelijk waar is > subjectief > van binnenuit

Correspondentietheorie = iets is waar als en slechts als het in overeenstemming is met de feiten > objectief > van buitenaf

  • Overtuiging
  • Waar
  • Verantwoording

Er zijn gevallen waarbij overtuigingen slechts toevallig waar zijn. Denk hierbij aan het goed gokken van de lottogetallen. Er moet een goede reden/verantwoording achter zitten om de overtuiging te hebben > iemand heeft kennis als een overtuiging waar is en deze verantwoord is: verantwoordingseis.

Voorbeeld: Russells klok: Joost kijkt om 12 uur naar de klok, deze klok geeft aan dat het precies 12 uur is. Echter, deze klok staat al een week stil op 12 uur. Joost gelooft op basis van het kijken naar de klok dat het 12 uur is. Deze verantwoording berust op toeval.

Robert Nozick komt met het idee om het laatste criterium te vervangen: ` waarheidsgevoeligheidseis i.p.v. verantwoordingseis.

Ondanks de verantwoordingseis kom je dus niet tot kennis.

Toch komt hier een probleem bij om de hoek kijken, er zijn namelijk situaties waarbij de overtuiging verantwoord is en toch geen kennis oplevert: Gettier-probleem.

 

51. De kandidaten kunnen uitleggen wat de waarheidsgevoeligheidseis inhoudt en waarom deze eis succesvoller is bij het uitsluiten van toevalstreffers dan de verantwoordingseis.

Bij de waarheidsgevoeligheidseis van Nozick heb je een ware overtuiging. Als deze overtuiging niet waar zou zijn, dan zou je de overtuiging ook niet hebben. Dit is een tegenfeitelijke eis. Hierbij voldoen de toevalstreffers niet meer, want als het niet waar zou zijn, zou je nog steeds dezelfde overtuiging hebben. De eis zorgt er dus voor dat we een onderscheid kunnen maken tussen valse kennis en echte kennis. Wanneer we kijken naar de voorafgaande eisen, namelijk:

S weet dat p als en slechts als:

1. S is overtuigd dat

2. p waar is

De waarheidsgevoeligheidseis voegt hieraan aan toe:

3. Mocht p niet het geval zijn, dan zou S ook niet overtuigd zijn dat p.

De waarheidsgevoeligheidseis is dus succesvoller bij het uitsluiten van toevalstreffers dan de verantwoordingseis, omdat de whg-eis stelt dat je een overtuiging die niet waar is (bijvoorbeeld een toevalstreffer) ook niet mag hebben. Wanneer de verantwoording voor een overtuiging wel klopt, maar berust op toeval kun je nooit weten of je echte kennis hebt. Met de whg-eis kan dit wel.

(S is een kennistheoretisch subject, bijvoorbeeld een persoon en p is een beweerzin)

 

52. De kandidaten kunnen beargumenteren waarom het uitsluiten van sceptische alternatieven nooit kan voldoen aan de waarheidsgevoeligheidseis.

Je kunt nooit weten of een sceptisch alternatief niet het geval is. Een sceptisch paradox heeft altijd dezelfde vorm:

1. S weet dat p

2. S weet niet dat niet q

3. Als S weet dat p, dan weet S niet dat q

Als je dit invult voor het BIV-voorbeeld, krijg je:

1. Ik heb handen

2. Het zou kunnen dat ik een BIV ben

3. Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben

Nummer 2 voldoet niet aan de waarheidsgevoeligheidseis. Stel: ik geloof dat ik geen BIV bent. Mocht ik wel een BIV zijn, dan zou ik nog steeds geloven dat ik geen BIV ben. Je kan sceptische alternatieven bij de waarheidsgevoeligheidseis niet uitsluiten.

 

53. De kandidaten kunnen de generieke vorm van de sceptische paradox weergeven en met behulp van deze vorm verschillende benaderingen van de sceptische paradox herkennen, onderscheiden en daarbij zelf voorbeelden bedenken.

In versimpelde vorm houdt de generieke, ook wel algemene, vorm van de sceptische paradox het volgende in:

1. S weet dat p

2. S weet niet dat niet q

3. Als S weet dat p, dan weet S dat niet q

Op zichzelf is dit een ietwat vaag opzichzelfstaand iets. Om dit de versimpelen volgt het volgende voorbeeld m.b.t. het BIV gedachte experiment:

1. Ik weet dat ik handen heb

2. Ik weet niet dat ik geen BIV ben.

3. Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben.

Zoals je wellicht kan opmerken is dat premisse (2) en (3) niet tegelijk waar kunnen zijn. Ze spreken elkaar tegen (paradox). Een alternatieve kijk op deze sceptische paradox kwam van de filosoof Moore met zijn rationele benadering.

Moore behoudt premisse (1) en (3) ten koste van (2). Dit omdat de aanname dat je handen hebt en dus geen BIV bent veel rationeler is dan dat je het wel zou zijn. Hij gebruikt dus het gezond verstand als reactie op de sceptische paradox.

 

54. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken hoe George Moore, zich beroepend op het gezond verstand, de redenering van de scepticus omdraait.

George E. Moore beroept zich op het ‘gezond verstand’ om het scepticisme te ondermijnen. Hij zegt dat de aannames van de scepticus veel minder redelijk en rationeel zijn, dan die van het gezond verstand. Hij draait als het ware het scepticisme om. Bijvoorbeeld:

1. Ik weet dat ik handen heb

2. Ik weet niet dat ik geen BIV ben

3. Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben.

Een scepticus zou 1 verwerpen en de rest aannemen : “we kunnen niet weten dat we handen hebben, omdat we niet kunnen uitsluiten dat we een BIV zijn.”

Moore zegt in dit geval juist : “we kunnen uitsluiten dat we een BIV zijn, omdat we nu eenmaal weten dat we handen hebben. “ Moore durft de aanname ‘ik weet dat ik handen heb’ goed te keuren doordat ons gezond verstand dit ons in alledaagse gebeurtenissen duidelijk maakt.

 

55. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken dat volgens het contextualisme, de hoogte van de eisen die aan kennis wordt gesteld, afhankelijk is van de context.

Volgens het contextualisme klopt in sommige contexten te redenering van de scepticus en in andere contexten de redenering van Moore. Zo is een volwassene van gemiddelde lengte voor een kleuter groot, maar voor een team basketbalspelers klein. Als je in deze zinnen de context weghaalt krijg je:

1. De volwassene is groot.
2. De volwassene is klein.

Volgens contextualisten is hetzelfde aan de hand met ‘weten dat’. Of iemand iets weet, hangt af van de maatstaaf waaraan we dat precies afmeten en die maatstaaf wordt bepaald door de context.

In sommige contexten leggen we de lat laag en stellen we lage eisen aan kennis, zodat in die contexten heel veel mensen heel veel dingen weten. In andere contexten leggen we de lat hoog en stellen we hoge eisen aan kennis, zodat in die contexten nagenoeg niemand iets weet.

Voorbeeld: Je bent een expert in het werk van een bepaalde schilder. Nu doet een goede vriend beroep op jou om uit te maken of een bepaald schilderij echt van die schilder is.

Context 1: Je vriend heeft het schilderij op een rommelmarkt gevonden en de nietsvermoedende verkoper vroeg er 50 euro voor.

Context 2: Je vriend heeft je meegenomen naar een veiling en overweegt een ultiem bod op het schilderij te doen van maar liefst 50.000 euro.

In beide gevallen wordt dezelfde vraag gesteld, maar terwijl je in context 1 blind vertrouwt op je expertise moet je bij context 2 toch wel even te twijfelen en zou je eigenlijk eerst bijkomende tests willen doen om uit te sluiten dat het geen meestervervalsing is.

Dit gedachte-experiment geeft de kern van het contextualisme weer: wat nodig is om te weten, hangt af van geval tot geval. Het is meer bepaald de context die uitmaakt of een sceptisch alternatief (meestervervalser) al dan niet in beeld komt.

56. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken dat volgens de opvatting van John Austin kennis niet vergt dat alle alternatieve, rivaliserende beschrijvingen uitgesloten kunnen worden, maar dat het volstaat als er voldoende worden uitgesloten.

Volgens Austin is genoeg genoeg en dat is zo wanneer er geen ruimte is voor alternatieve beschrijvingen en het dus niets ‘anders kan zijn’. Sceptische alternatieven hoeven niet per se uitgesloten te worden.

Voorbeeld: Het aantal drenkelingen stijgt als de ijsverkoop stijgt

Relevante alternatieven moeten dus wel worden uitgesloten: Het aantal drenkelingen stijgt omdat het warm is in de middag waardoor er meer mensen gaan zwemmen. Er worden dan ook meer ijsjes verkocht maar dit heeft geen verband met het drenkelingenaantal.

Sceptische alternatieven echter niet: Hoe weet je nu dat God geen hekel heeft aan alle onderzoekers en ze verkeerde informatie geeft?

Als alle relevante alternatieven uitgesloten kunnen worden, hoef je niet de niet-relevante alternatieven uit te sluiten om kennis te hebben.

57. De kandidaten kunnen aan de hand van een gedachte-experiment beargumenteren waarom zowel Moore als de contextualisten vasthouden aan het principe van deductieve geslotenheid, terwijl relevantisten als Fred Dretske dat juist niet doen.

Deductieve geslotenheid = als iemand iets weet en dat iets heeft ook bepaalde deductieve gevolgen, dan weet de persoon ook de deductieve gevolgen. Bijvoorbeeld: als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben.

Moore en de contextualisten houden vast aan deductieve geslotenheid, wat betekent dat ze vasthouden aan premisse 3 van het sceptische paradox: als S weet dat p dan weet S ook dat niet q. Zij zeggen dat hoe zeker ik weet dat ik handen heb, afhankelijk is van de context.

Relevantisten laten deductieve geslotenheid los, want q is niet altijd relevant om uit te sluiten dat p. Er zijn altijd een aantal relevante alternatieven, je kunt/hoeft niet alle relevante alternatieven uit te sluiten. Die laatste zin doet er pas toe als er relevante informatie is, dus als q iets is waar we rekening mee moeten houden

58. De kandidaten kunnen aan de hand van de sceptische zebra–paradox de opvatting van Dretske uitleggen dat sceptische hypotheses alleen uitgesloten moeten worden wanneer ze relevant zijn in de context.

“Als je weet dat je een zebra ziet, dan weet je dat het geen zwart-wit geverfde ezel is”. Deze deductief gesloten zin is pas relevant wanneer je extra informatie hebt die in twijfel trekt wat je ziet. Geen extra informatie betekent dat het alternatief niet relevant is. Dus hoef ik die niet uit te sluiten.

Voorbeeld: “Als je weet dat je een zebra ziet, dan weet je dat het geen zwart-wit geverfde ezel is”.

Deze deductieve geslotenheid is pas relevant wanneer je echt informatie hebt dat de zebra die je ziet wellicht geen echte zebra is (dierentuin Palestina). Als die informatie beschikbaar is, dan wordt het een relevant alternatief. Het is geen relevant alternatief als je in de Beekse Bergen loopt en je vriend tegen je zegt: ik denk dat die zebra een geverfde ezel is. In dit geval is de 3epremisse: “Als je weet dat je een zebra ziet, dan weet je dat het geen zwart-wit geverfde ezel is” niet relevant.

 

59. De kandidaten kunnen uitleggen dat de benadering van kennis in het contextualisme als internalistisch omschreven kan worden en in het relevantisme als externalistisch.

Contextulisten stellen dat zolang er niet veel op het spel staat (zoals bij het schilderij op de markt/veiling voorbeeld) of dat diegene zich niet bewust is van sceptische alternatieven hij/zij best iets mag weten. Dat betekent dat we onze mogelijkheid op kennis vooral van binnenuit moeten overwegen. Dit is internalistisch omdat je vooral van binnenuit naar de mogelijkheid van kennis kijkt.

Relevantisten stellen echter dat de relevantie van een sceptisch alternatief niet afhangt van de persoon zelf als van de omstandigheden waarin hij/zij in terecht is gekomen. De context is onafhankelijk van de persoon. Het relevantisme is externalistisch omdat je van buitenaf naar de context kijkt om te bepalen of bepaalde omstandigheden relevant zijn of niet.

60. De kandidaten kunnen het begrip “abductie” uitleggen en kunnen aan de hand van voorbeelden, twee vormen onderscheiden, te weten (a) “afleiding naar de beste verklaring” (IBE) en (b) “creatieve abductie”.

Abductie = De denkstap van een ervaring naar een mogelijke verklaring voor die ervaring. Voorbeeld: Ik vind filosofie niet leuk, dat kan komen door de te moeilijk denkende filosofen. Er zijn twee vormen:

Afleiding naa de beste verklaring (IBE)

Er zijn meerdere alternatieven voor een verklaring: Te moeilijk denkende filosofen, Filosofie is niet het vakgebied waar mijn interesse ligt, etc.

Bij IBE geldt dus welke eisen ik aan de kennis moet stellen om met de beste verklaring te komen.

Creatieve abductie

Overgecodeerde abductie = Ik heb veel informatie en grotere zekerheid over mijn uitspraak.Voorbeeld: Ik heb erg veel filosofie lessen meegemaakt en veel informatie binnengekregen. En door deze ervaring en deze informatie weet ik dat filosofen te moeilijk denken. Ik heb deze verklaring dus gekozen óver de verklaring dat filosofie niet het vakgebied is waar mijn interesse ligt.

Ondergecodeerde abductie = Ik heb te weinig informatie maar ik waag een gok

Voorbeeld: Ik heb heel weinig filosofie lessen meegemaakt en weinig informatie binnengekregen, maar ik gok erop dat filosofen te moeilijk denken. Het zou echter ook heel goed een andere verklaring kunnen zijn (bijv dat) filosofie niet het vakgebied is waar mijn interesse ligt).

Creatieve abductie (zit tussen overgecodeerde en ondergecodeerde abductie in) = Weloverdacht maar niet goed te achterhalen. Voorbeeld: Ik heb een gemiddeld aantal lessen filosofie meegemaakt en wel wat informatie binnengekregen, maar het is moeilijk te achterhalen waarom ik nou voor de ene verklaring (filosofen denken te moeilijk) heb gekozen, in plaats van voor een andere verklaring (filosofie is niet het vakgebied waar mijn interesse ligt).

 

PRIMAIRE TEKST 6: PLATO, THEAITETOS, IN VERZAMELD WERK 1

61. De kandidaten kunnen aan de hand van Plato’s tegenvoorbeeld in de Theaetetus, duidelijk maken dat de twee voorwaarden voor “waar inzicht”, weliswaar individueel noodzakelijk, maar niet tezamen voldoende zijn voor kennis.

 

PRIMAIRE TEKST 7: GEORGE MOORE, PROOF OF AN EXTERNAL WORLD

62. De kandidaten kunnen de drie voorwaarden benoemen waaraan volgens Moore een strikt bewijs (rigorous proof) moet voldoen.

1. De premisse die ik aanvoerde als bewijs voor de conclusie, moest verschillen van de conclusie die ik wilde bewijzen

2. De premisse die ik aanvoerde was er een waarvan ik wist dat zij het geval was en niet zomaar iets wat ik geloofde, maar waarvan ik bepaald niet zeker was, of iets wat wel waar was, maar waarvan ik dat niet wist

3. De conclusie moest werkelijk uit de premisse voortvloeien

63. De kandidaten kunnen uitleggen welke twee bewijzen Moore levert die beginnen met het omhoog houden van zijn handen en kunnen tevens deze bewijzen reconstrueren.

Moore maakt onderscheid tussen twee bewijzen, namelijk een bewijs waarbij het bestaan van een object wordt bewezen in het heden en een waarbij het bestaan van een object wordt bewezen in het heden op basis van een herinnering/ervaring uit het verleden.

Bij het eerste bewijs (heden) schetst Moore een situatie: Stel de vraag is of er op een bepaalde bladzijde van een boek drie drukfouten staan. A zegt dat dit wel zo is en B zegt van niet. A kan dit dan bewijzen door op dat moment de bladzijde om te slaan en de drie drukfouten te laten zien aan B. Dat is een methode waarmee het bestaan van de drukfouten kan worden bewezen. Maar A zou met deze methode niet bewezen hebben dat er drie drukfouten op de volgende pagina stonden, als hij niet zeker zou weten dat er op de aangewezen plekken fouten stonden. Als het bestaan van drukfouten op een pagina met zekerheid bewezen kan worden, dan is het ook zo dat Moore zeker wist dat zijn ene hand op de ene plek stond en zijn andere hand op de andere. Hij levert hiermee een bewijs voor twee dingen die buiten ons bestaan. Wanneer hij deze twee dingen kan bewijzen, dan is het ook waarschijnlijk dat hij andere soortgelijke bewijzen kan geven van dingen die op dit moment buiten ons bestaan.

Het tweede bewijs (verleden) wordt uitgelegd door middel van een andere situatie: Hoe kan ik bewijzen dat er in het verleden dingen buiten ons hebben bestaan? Ik kan zeggen: ”Een tijdje geleden hield ik twee handen boven dit bureau en daarom bestonden er niet zo lang geleden twee handen.” Dit is een bewijs waarbij je zelf en ook anderen zeker kunnen zijn van het bestaan van, in dit geval, handen. Moore levert dus nog een overtuigend bewijs van het bestaan van een object in het verleden. Net zoals bij het andere bewijs is het hierbij ook mogelijk dat er soortgelijke bewijzen kunnen worden geleverd voor het bestaan van dingen die in het verleden buiten ons bestaan.

 

64. De kandidaten kunnen uitleggen waarom Moore meent dat zijn opvatting over wat een bewijs is, juist is en dat met een eigen voorbeeld illustreren.

Moore geeft als bewijs dat hij twee handen in de lucht steekt en deze beweegt. De conclusie die hieruit volgt is dat er op dat moment twee mensenhanden bestaan. Dit bewijs bestaat dus uit de drie voorwaarde die nodig zijn voor een streng bewijs, volgens Moore.

Wij aanvaarden dit soort bewijzen voortdurend als volstrekt overtuigende bewijzen voor bepaalde conclusies. Dit is wel echter alleen een goed bewijs, als je weet wat er in de premisse wordt beweerd. Maar dat weet je ook wel degelijk. Je weet dat er net twee handen werden opgestoken en dat deze bewogen.

Een ander voorbeeld hierbij is het bewijs dat ik een paar vogels in de lucht zie vliegen. De conclusie die hieruit volgt is dat er op dat moment twee vogels bestaan. Dit bewijs is alleen goed, als je zeker weet dat de premisse waar is. Je weet zeker dat de premisse waar is, want je ziet dat er twee vogels door de lucht vliegen. Hiermee meent Moore dus dat zijn opvatting over een bewijs, juist is.

 

65. De kandidaten kunnen weergeven wat volgens Moore niet bewezen kan worden en uitleggen waarom dat Kant ertoe bracht om over het “schandaal van de filosofie” te spreken.

Volgens Moore is bewijs leveren niet in alle gevallen mogelijk. Wanneer hij impliceert dat hij twee handen heeft, kan hij dit alleen zeker weten wanneer hij bijvoorbeeld weet dat hij niet droomt. Dit is onmogelijk te bewijzen, ondanks alle evidente tekenen dat hij volkomen wakker is. Dit bewijzen zou toch moeten om zijn punt van de twee handen te kunnen bewijzen.

Sommigen zijn als gevolg hierop het niet eens met het bewijs van Moore omdat hij geen bewijs weet te bieden voor de extra dingen, zoals het zojuist beschreven droom vraagstuk. Hierdoor zou geen van alle geleverde bewijzen een sluitend bewijs zijn.

Als hij het niet kan bewijzen, dat weet hij het ook niet en het bestaan zou dan louter gebaseerd zijn op geloof.

Dit is precies wat Kant impliceert met zijn citaat:

‘’Het is en blijft een schandaal voor de filosofie […] dat we het bestaan van de dingen buiten ons[…]louter op geloof moeten aannemen, en dat we niet instaat zijn een bevredigend bewijs voor dat bestaan te leveren als iemand op het idee komt het in twijfel te trekken.’’

 

PRIMAIRE TEKST 8: JOHN AUSTIN, OTHER MINDS

66. De kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld laten zien hoe volgens Austin de toepassing van classificerende termen in ons dagelijkse taalgebruik samenhangt met het kunnen aangeven van relevante kenmerken.

Relevante kenmerken = kenmerken die je in een bepaalde situatie instaat stellen een ‘iets’ te onderscheiden.

Classificerende termen = termen zoals ‘vanwege en ‘aan’ waardoor je relevante kenmerken kunt aangeven.

Voorbeeld: Ik denk dat dat een puttertje is, vanwege ( classificerende term) het rode kopje ( relevant kenmerk).

67. De kandidaten kunnen uitleggen wat Austin bedoelt met het verschil tussen “weten dat” en “kunnen bewijzen dat”.

“Kunnen bewijzen dat” betekent dat ik de kenmerken van een geval kan weergeven, die toereikend zijn om die uitspraak te rechtvaardigen en dat mijn beschrijving correct is en er geen relevant alternatief voor is.

“Weten dat” betekent dat ik de kenmerken van een geval kan weergeven, die toereikend zijn om die uitspraak te rechtvaardigen en dat mijn beschrijving correct is en er wel relevant alternatief voor is.

Dus het verschil is dat er bij “kunnen bewijzen dat” géén relevant alternatief gegeven kan worden en bij “weten dat” kan er wel een relevant alternatief gegeven worden.

 

4.4 HOOFDSTUK 4 DE INTIEME EN ONDOORDRINGBARE BELEVINGSWERELD

68. De kandidaten kunnen de relatie tussen zichzelf en “andere geesten” filosofisch problematiseren, te weten in metafysisch, epistemologisch en conceptueel opzicht.

Het probleem van ‘andere geesten’ houdt in dat de toegang die we hebben tot onze eigen belevingswereld van een totaal andere aard is dan de toegang die we hebben tot de belevingswereld van andere personen. Dit bestaat uit drie deelproblemen:

1. Metafysisch probleem: wat van alles wat zich buiten ons bevindt, heeft een bewustzijn, in hoeverre en wat is het criterium?

2. Epistemologisch probleem: kunnen we zeker weten dat anderen bewustzijn hebben en waarop is onze kennis van bewustzijnsinhouden van anderen gebaseerd?

3. Conceptueel probleem: hoe kunnen wij begrippen die wij hanteren om ons eigen mentaal leven te begrijpen, ooit gebruiken om het mentaal leven van iemand anders te begrijpen?

69. De kandidaten kunnen uitleggen wat het solipsisme inhoudt en beargumenteren dat het solipsisme op metafysisch, epistemologisch en conceptueel niveau immuun is voor de sceptische problematiek.

Het solipsisme houdt in dat je gelooft dat er in de hele wereld maar één bewustzijnsvorm is en dat jij diegene bent. Solus staat namelijk voor “alone” en ipse voor “self”. Met het solipsisme ben je meteen immuun voor het metafysisch, epistemologisch en conceptueel scepticisme.

Metafysisch: er is geen sprake van bewustzijnsvormen buiten jou en je bent er zeker van dat jij het enige bewustzijn bent. Het probleem dat je niet zeker kan zijn van de buitenwereld wordt hierdoor opgelost omdat er niks is buiten jouw bewustzijn dus hoef je hier ook niet over te twijfelen.

Epistemologisch: je bent er zeker van dat jij bewustzijn hebt en je kunt je niet vergissen in je eigen bewustzijnsinhouden. Het probleem dat je niet zeker kan zijn van kennis wordt hierdoor opgelost doordat je niet kan twijfelen aan de kennis van je eigen bewustzijnsinhouden.

Conceptueel: er zijn geen andere bewustzijnsvormen die jij met jouw begrippen zou moeten proberen te begrijpen. Het probleem dat wij niet weten of anderen een bewustzijnsinhouden hebben is hierdoor opgelost omdat er maar één bewustzijnsvorm is en dat ben jij zelf.

 

70. De kandidaten kunnen vanuit het functionalisme beargumenteren dat zombies en robots net als mensen mentale toestanden of een binnenwereld kunnen hebben.

Het Functionalisme stelt dat mentale toestanden te omschrijven zijn door slechts 2 begrippen:

Op basis van sensorische input lever je mentale output. De materie waarin deze mentale toestanden plaatsvinden is niet van belang. Zowel in een brein, als in een computerchip als een in zombiebrein vindt ditzelfde mentale proces plaats van sensorische input en mentale output. Je kan de relaties van de input/output van verschillende wezens dus met elkaar vergelijken. Als er geen verschil kan worden gemaakt tussen de output van verschillende wezens, dan is de mentale toestand van deze wezens dus ook hetzelfde!

71. De kandidaten kunnen aan de hand van de gedachte-experimenten over filosofische zombies en over spectruminversie beargumenteren dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen bewustzijn als “binnenwereld” en bewustzijn als “belevingswereld”.

Binnenwereld = De je interne interpretatie en representatie van je ervaringen en het manipuleren hiervan.

Belevingswereld = de pure, kwalitatieve beleving van de ervaring.

Er kan tussen deze twee werelden een onderscheid worden gemaakt door het gebruik van filosofische zombies. Een filosofische zombie maakt dezelfde denkstappen als een mens en doet precies hetzelfde maar voelt niets.

Spectruminversie is een ander voorbeeld van het onderscheid. Spectruminversie is dat een persoon precies de tegenovergestelde kleur op de kleurencirkel ziet dan de ander. De een ziet bijvoorbeeld rood en de ander groen. Toch noemen ze het allebei de dezelfde kleur ook al weet de een niet dat de ander een andere kleur ziet.

Hier kun je een onderscheid tussen belevingswereld en binnenwereld aantonen. De binnenwereld is de interpretatie dat de kleur bij het begrip groen hoort. De belevingswereld is echter de ervaring en dus dat de kleur eigenlijk rood is. Dit kan dus per persoon verschillen. De persoon weet zelf niet dat deze twee werelden verschillen.

 

72. De kandidaten kunnen de begrippen “qualia” en “fenomenaal bewustzijn” uitleggen en kritisch evalueren.

Qualia = De zuivere kwalitatieve aspecten van ervaring (Belevingswereld)

Fenomenaal bewustzijn = de eigenlijke beleving van onze ervaringen (Binnenwereld)

Het kan losgekoppeld worden: taalvermogen en wiskundig inzicht kunnen nooit lichamelijk of materieel verklaard worden. Hoe deze interactie werkt, is onbekend.

 

73. De kandidaten kunnen uitleggen hoe vanuit het denken van Edmund Husserl, Maurice Merleau-Ponty, Jean Paul Sartre en Emmanuel Levinas kritiek geleverd kan worden op de filosofische problematisering van andere geesten.

Edmund Husserl

Onze bewustzijnsinhouden zijn altijd gericht op iets. Je denkt altijd over iets. Je kan niet zeggen mijn bewustzijnsinhouden zijn mijn bewustzijnsinhouden, want het gaat altijd ergens over. (Intentionaliteit) Het staat altijd in relatie tot een object. Let op, dit object hoeft niet per se in de buitenwereld te bestaan, het kan ook alleen in jou gedachtes bestaan. Het moet altijd inhouden, het kan niet abstract zijn. Wegdenken van de wereld is dan ook niet mogelijk. (Dit doet Descartes wel). Verliefdheid is dan bijvoorbeeld een inhoud, en dat voel je naar een andere geest.

Maurice Merleau-Ponty

Hij zegt dat je geen onderscheid kan maken tussen lichaam en geest. Het voorbeeld hierbij is dat je de wereld anders ervaart als je ziek bent of als er iets mis is met je lichaam. Waarnemen van de ander is waarnemen van de ander als persoon met bewustzijn.

Jean Paul Sartre

Volgens Sartre ontmoeten we de ander in de ervaring van het bekeken worden. Een voorbeeld hiervan is schaamte. Schamen doe je nooit alleen. Sterker nog, als je de enige was met een bewustzijnsinhouden zou je het gevoel schamen niet kennen.

Emmanuel Levinas

Levinas gelooft niet in de egologie, het idee dat ik het startpunt is, die Descartes wel nastreeft. We weten dat er anderen bestaan omdat de Ander waargenomen wordt. Het anders-zijn van de ander, kan niet worden opgeheven.

 

74. De kandidaten kunnen Ludwig Wittgensteins respons op het conceptueel scepticisme weergeven aan de hand van zijn “privétaal-argument”.

Wittgenstein zegt dat de taal sociaal is, we hebben taal omdat we dingen willen mededelen en praten met anderen. In het gebruik van de taal komt de betekenis van een woord tot stand, dit wordt ook wel pragmatisme genoemd. Er is geen privétaal, ofwel een taal in je hoofd, die ontoegankelijk is voor anderen.

Of in andere woorden:

Volgens Wittgenstein is het niet mogelijk dat we ieder zelf een taal ontwikkelen. Als dat het geval is, wordt het onmogelijk voor de taal om te bestaan. Hij reageert hiermee op het conceptualisme: De taal is een sociale aangelegenheid, dus moeten woorden als ‘pijn’ wel hetzelfde zijn.

 

75. De kandidaten kunnen uitleggen hoe volgens Mill het toeschrijven van mentale toestanden aan “andere geesten” gebaseerd is op analogieredeneringen en kunnen daarbij Mills “oplossing” kritisch evalueren.

Mill stelt dat mentale toestanden bij anderen af te lezen zijn uit hun gedrag naar analogie van je eigen gedrag en mentale toestanden. Dus met dat ik me op een bepaalde manier gedraag en daarbij mentale toestanden heb, kan ik inductief redeneren dat anderen die zich op dezelfde manier gedragen ook dezelfde mentale toestanden hebben. Andere geesten bestaan dus en ik heb daartoe toegang via de inductie, ook wel de analogie van mijn eigen geest.

Maar je kunt hierop aanmerken dat je eigenlijk inductie doet op maar één geval, namelijk dat ik bepaalde mentale toestanden heb, betekent dat anderen die dus ook hebben. Deze inductieve redenering gaat niet op, omdat je meerdere gevallen nodig hebt om vast te kunnen stellen of iedereen dezelfde mentale toestanden heeft. Je hebt toegang nodig tot andere geesten om vast te stellen of deze geesten die zich op dezelfde manier gedragen ook dezelfde mentale toestanden hebben.

 

76. De kandidaten kunnen uitleggen waarin direct realisme betreffende “andere geesten” bestaat en hoe deze opvatting ondersteund kan worden door bevindingen uit de cognitiewetenschap.

Volgens Reid kunnen we ons af en toe vergissen op het gebied van ‘andere geesten’ , maar dat betekent nog niet dat in al die gevallen waarin we ons niet vergissen, onze opvatting afgeleid en hypothetisch zou zijn en naast allerhande sceptische alternatieven en scenario’s zou moeten worden gelegd. We kunnen volgens hem zien dat andere mensen bewustzijn hebben. Dit is dus direct realisme betreffende ‘’andere geesten’’.

De cognitiewetenschap kan dit voor een enigzins ondersteunen. Er is namelijk een koppeling tussen emoties en gezichtsuitdrukkingen die niet alleen redelijk betrouwbaar is, maar ook universeel. Basisemoties kun je dus uit een gezicht aflezen, zelfs over culturele grenzen heen.

Ook is er een mogelijke, maar controversiële verklaring over hoe dat ‘aflezen’ tot stand komt met ‘spiegelneuronen’. Die neuronen ‘vuren’ (tot verschijning komen) wanneer we zelf een handeling uitvoeren, maar ook als we die handeling zien uitvoeren door iemand anders.

 

77. De kandidaten kunnen uitleggen waarom volgens het functionalisme dieren dezelfde mentale toestanden kunnen hebben als mensen.

Functionalisme gaat om het model wat uit mentale toestanden voort komt. De inputs en 'outputs' zijn bij mensen en dieren het zelfde, dus volgens het functionalisme hebben deze dezelfde mentale toestanden als mensen.

 

78. De kandidaten kunnen uitleggen hoe vanuit Aristoteles’ hylemorfisme de opvatting verdedigd kan worden dat alle levende wezens een vorm van bewustzijn hebben.

Volgens Aristoteles bestaat alles uit twee principes, namelijk: 1. materie (hylè) 2. vorm (morphè) In een concrete substantie zijn materie en vorm onlosmakelijk verbonden. De vorm organiseert de materie en geeft structuur aan de materie.

Bij levende wezens (de concrete substantie) is de ziel de vorm. De ziel geeft dus het levende wezen vorm en organiseert deze.
- dieren hebben een sensorische ziel.
- planten hebben een vegetatieve ziel.
- mensen hebben een rationele ziel.

Hylemorfisme = theorie die alle vormen van leven identificeert met bewustzijnsvormen. Dus: alle levende wezens hebben een vorm van bewustzijn.

 

79. De kandidaten kunnen uitleggen wat panpsychisme inhoudt en in welk opzicht deze benadering een tegenhanger is van het solipsisme.

Het woord pansychisme komt uit het Grieks: ‘pan’= alles/geheel en ‘psychè’= ziel/geest en is dus een ander woord voor ‘al-bezielings-leer’.

Volgens het panpsychisme moet aan alles, dus ook aan objecten, een bewustzijn en mentale toestanden toegeschreven worden. Een panpsychist zou dus zeggen dat elke manier om het mentale te begrijpen noodzakelijkerwijs ook de manier is waarop alles (dus ook levenloze objecten) begrepen dienen te worden. Let op; hiermee wordt dus niet bedoeld dat alle materie levend is, maar dat de samenstellende delen van de materie (wat de materie vorm geeft) een soort bewustzijn heeft.

Het panpsychisme is de tegenhanger van het solipsisme wat juist stelt dat in de hele wereld maar één bewustzijnsvorm is en die ben jij zelf.

 

PRIMAIRE TEKST 9: DESCARTES,MEDITATIES OVER DE EERSTE FILOSOFIE, HOOFDSTUK II: OVER DE AARD VAN DE MENSLIJKE GEEST

80. De kandidaten kunnen beargumenteren waarom Descartes het oordeel “ik denk” waar acht zodra het voltrokken wordt. Zij kunnen daarbij Descartes’ sceptische uitgangspunt betrekken.

Het sceptische uitgangspunt van Descartes = dat er een kwaadaardige bedrieger is, die hem in alles bedriegt waardoor al zijn ervaringen betwijfelbaar worden.

Het oordeel “ik denk” wordt echter voor waar aangenomen zodra het voltrokken wordt omdat het denken niet wordt afgepakt. Als Descartes bedrogen wordt door een kwaadaardige demon, dan zou Descartes nog steeds denken. De bedrieger zou het dus nooit gedaan krijgen dat Descartes niets is, zolang hij denkt dat hij iets is. Dus zodra Descartes denkt, bestaat hij als een denkend ding.

 

81. De kandidaten kunnen reconstrueren hoe Descartes het “ik” als substantie begrijpt. Tevens kunnen zij uitleggen waarom er van deze substantie geen voorstelling gemaakt kan worden.

Het ‘ik’, wat Descartes redeneert vanuit zijn ‘ik denk dus ik besta’ conclusie, kan niet waargenomen worden door de zintuigen en het verbeeldingsvermogen. Het ‘ik’ kan alleen waargenomen worden door begrijpen. Het ‘ik’ of het denkend ding is een substantie die immaterieel is, het is niet iets wat vastgehouden kan worden en daarom kan het niet waargenomen worden. Doordat het niet waargenomen kan worden, kan men er dus ook geen voorstelling van maken.

 

82. De kandidaten kunnen uitleggen wat het belang is van het wasexperiment van Descartes voor zijn opvatting over de geest.

Descartes concludeert doormiddel van het wasexperiment dat je de res extensa met je res cogitans kan bedenken.

De was verandert naarmate je deze dichter bij het vuur zet. Uiteindelijk zijn de uiterlijke kenmerken van de was volledig verandert. Toch is er iets hetzelfde aan de was, wat ervoor zorgt dat de was nog steeds herkent wordt als was, namelijk de uitgebreidheid (de ruimtelijkheid). Je kan deze overeenkomst in de uitgebreidheid niet waarnemen, maar je kan hem wel bedenken. Je res cogitans zorgt er dus voor dat je de was nog herkent als was.

 

PRIMAIRE TEKST 10: HUME, TRAKTAAT OVER DE MENSELIJKE NATUUR. OVER PERSOONLIJKE IDENTITEIT.

83. De kandidaten kunnen uitleggen in hoeverre Humes beschouwingen over persoonlijke identiteit een sceptisch karakter hebben. Daarbij kunnen ze de twee redeneringen, die volgens Hume beide leiden tot de conclusie dat onze persoonlijke identiteit niet meer is dan een verzameling van afzonderlijke percepties, reconstrueren en kritisch evalueren.

Volgens Hume is er niet iets als een persoonlijke identiteit of denkbeeld van het zelf. Het is echter een verzameling van percepties.

Hij komt tot deze conclusie door twee redeneringen. De een is dat je het “zelf” nooit kan vangen zonder een perceptie. Dus wanneer de perceptie afwezig is, is er niets te merken van het “zelf” en kan je op dat moment zeggen dat het “zelf” niet bestaat.

De andere redenering is dat er verwarring en vergissing is tussen het duidelijke denkbeeld van identiteit en gelijkheid en het duidelijke denkbeeld van een aantal objecten die van elkaar verschillen, die elkaar opvolgen en die verbonden zijn door een nauwe betrekking.

84. De kandidaten kunnen uitleggen waarom volgens Hume de identiteit die we toeschrijven aan de menselijke geest “slechts fictief” is, zoals dat ook geldt voor de identiteit van objecten. Daarnaast kunnen zij uiteenzetten hoe volgens Hume het denkbeeld van persoonlijke identiteit berust op “de betrekkingen van gelijkenis, nabijheid en causaliteit” en aangeven welke belangrijke rol de verbeelding en het geheugen daarin spelen.

 

4.5 HOOFDSTUK 5 WERELDBEELDEN OP DE HELLING

85. De kandidaten kunnen het verschil in de houding tegenover waarheid van enerzijds het pyrronisme en anderzijds het wetenschappelijk en activistisch scepticisme uitleggen en toepassen op een casus.

Wetenschappelijk scepticisme = Men blijft continue vragen stellen, om dichter bij de waarheid te komen. Het is eigenlijk nooit af, maar het is de beste methode om in de buurt van de waarheid te komen. Het blijft altijd hypothetisch.

Activistisch scepticisme = De activistische scepticisme willen de wetenschappelijke resultaten gebruiken om mensen die onzin verkopen of andere mensen op te lichten tegen te gaan. Het is sterk idealistisch.

Pyrronistisch scepticisme = Deze scepticisme nemen geen positie in in debatten, ze willen geen waarheid. Daar streven ze niet naar. Je kan nooit echt zeggen dat je het ooit hebt gevonden, is het wel te vinden? Daarom nemen ze geen positie. Dit hangt ook samen met de gedachtes van de peronisten in het algemeen (rust etc). Ze houden wel vast aan bepaalde waarde en geloven om te kunnen handelen, maar dat betekend niet dat ze er ook daadwerkelijk in geloven of zeggen dat dat de waarheid is. Je gaat de waarheid toch niet vinden, dus ga er ook niet naar op zoek.

 

86. De kandidaten kunnen het onderscheid maken tussen de betekenis van waarheid (bijvoorbeeld in termen van correspondentie) en criteria voor waarheid (bijvoorbeeld in termen van coherentie).

Correspondentie: Het komt overeen met de waarheid, de kans dat het klopt is dus 100%. Waarheid betekent dat mijn theorie of gedachte overeenkomst met hoe het met de werkelijkheid gesteld is.

Coherentie: Meerdere factoren wijzen erop dat iets waarheid is, onderzoek kan zo een hypothese sterker maken, zodat iets bijna voor waarheid kan worden genomen. Een theorie moet een samenhangend geheel zijn om als waar te worden beschouwd. Er mogen geen interne tegenspraken zijn.

87. De kandidaten kunnen verificatie en falsificatie als demarcatiecriteria uitleggen en zijn in staat om deze criteria met elkaar te vergelijken, te bekritiseren en er een beargumenteerd standpunt over in te nemen naar aanleiding van een casus.

Een demarcatiecriterium = een methode om te bepalen of iets wetenschap of pseudowetenschap is.

Veificatie = iets is niet waar, totdat je bewezen hebt dat het wel zo is. Kritiek: Wetenschappers doen uitspraken die je niet altijd kunt checken.

Flasificatie = iets is waar, totdat je bewezen hebt dat het niet zo is. Kritiek: Wetenschappers doen dit niet en gaan opzoek naar bewijzen. Ondanks het feit dat er bewijzen tegen hun theorie zijn, houden ze hier toch aan vast.

88. De kandidaten kunnen het verschil tussen de context van ontdekking en de context van verantwoording uitleggen en toepassen.

Volgens de Wiener Kreis is het totaal irrelevant hoe men tot een wetenschappelijke hypothese of theorie komt. Wat wel relevant is, is hoe je je hypothese en theorie bevestigd of hoe deze ondersteund wordt door waarnemingen. Dit is de context van de verantwoording en volgens de Wiener Kreis moeten wetenschappers zich alleen maar bezig houden met deze context.

Voorbeeld:
Context van Ontdekking: de wereld zit zus en zo in elkaar (dit kan dus iets zijn waarvan je denkt dat het onzin is).
Context van verantwoording: hoe weet je dat? Wat zijn daar de bewijzen voor? Hoe ga je verantwoorden dat dit waar is?

89. De kandidaten kunnen uitleggen wat de Duhem-Quinestelling inhoudt en vanuit deze stelling kritiek leveren op verificatie en falsificatie als criteria voor wetenschappelijkheid.

Duhem-Quinnestelling = een hypothese is een onderdeel van meerdere hypotheses. Het is dus niet mogelijk deze afzonderlijk te meten.i

Verificatie en falsificatie proberen alles tot een enkele hypothese te reduceren, en dat is dus onmogelijk. Onze waarnemenig is namelijk altijd theoriegeladen, en die theorie is eeen samenhang van hypotheses.

90. De kandidaten kunnen het paradigmabegrip van Thomas Kuhn uitleggen en aan de hand daarvan kritiek leveren op het verificatiecriterium en het falsificatiecriterium.

Het paradigmabegrip gaat als volgt: Kuhn probeert te onderzoeken hoe, in de wetenschap, ‘normale wetenschap’ afgewisseld kan worden van ‘revoluties’. In de normale wetenschappelijke periode delen alle wetenschappers dezelfde theorieën en veronderstellingen. Ze werken dus binnen hetzelfde paradigma. (paradigma = groep van theorieën. ) Vervolgens in de revolutionele periode stapelen onverwachte waarnemingen of ‘anomalieën ‘zich op. Dit zijn een soort fouten waar een oplossing voor gevonden moet worden. Hierbij worden de bestaande theorieën en veronderstellingen ter discussie gesteld. Dan gebeurd er dus een wetenschappelijke revolutie (ook wel Gestalt-switch), een paradigmawissel. Hieruit volgt dan weer een normale wetenschappelijke periode waarin dit nieuwe paradigma wordt aangenomen.

In het verificatiecriterium en het falsificatiecriterium van wiener en popper wordt veronderstelt dat het mogelijk is om individuele hypotheses los te wrikken uit gehele theorieën en deze afzonderlijk te evalueren door verificatie en falsificatie. Kuhn zegt hierop, als kritiek op popper en wiener, dat er helemaal niet gekeken moet worden naar deze afzonderlijke theorieën, maar naar de gehele theorie. Door van een afzonderlijke theorie bijvoorbeeld te bewijzen dat hij niet klopt, staat de gehele theorie nog niet op het spel. Pas als die anomalieen (fouten) zich opstapelen, dan pas staat de hele theorie op het spel. Het verificatiecriterium en het falsificatiecriterium zijn dus niet genoeg om een theorie als fout te verklaren.

91. De kandidaten kunnen uitleggen hoe Kuhn de structuur van wetenschappelijke revoluties analyseert.

Kuhn stelt dat je in elk wetenschappelijk domein ziet dat periodes van ‘normale wetenschap’ worden afgewisseld door periodes van ‘wetenschappelijke revoluties’.

In periodes van ‘normale wetenschap’ delen wetenschappers een heleboel veronderstellingen denkkaders en theorieën, ze werken binnen hetzelfde paradigma. Vervolgens stapelen onverwachte waarnemingen of ‘anomalieën’ (anomalie= afwijkend van het normale) zich op in een mate dat er wel een oplossing gevonden móet worden. Dit betekent dat het paradigma (dus het overkoepeld geheel) moet worden aangepast; er ontstaat een wetenschappelijke revolutie ofwel een Gestalt-switch (=paradigma wissel). Hieruit volgt een nieuwe periode van ‘normale wetenschap’.

Kort in een schema:

1) Normale wetenschap
2) Onverwachte waarnemingen of anomalieën
3) Wetenschappelijke revolutie/Paradigma wissel
4) Nieuwe periode van normale wetenschap

Voorbeeld: Hierbij kun je denken aan de paradigmawissel van dat de aarde plat is naar dat de aarde rond is.

 

92. De kandidaten kunnen (a) aan de hand van het verhaal van Martin Guerre de opvatting van Pierre Bayle over (religieuze) tolerantie uitleggen en (b) het verschil aangeven tussen Bayles opvattingen en die van Aurelius Augustinus.

Het verhaal van Martin Guerre:

Guerre moet gaan vechten in de oorlog en laat zijn vrouw en kinderen achter. Acht jaar later wordt zijn plaats ingenomen door een bedrieger. Zijn vrouw trapt erin en gelooft dat de bedrieger haar man is. Pleegt de vrouw van Guerre nu overspel wanneer zij seks heeft met de bedrieger?

Uit Guerre’s verhaal stelt Bayle meer algemeen dat het ‘vals bewustzijn’ uit de vergissing (hetgeen dat iemand gelooft wat niet waar is) precies dezelfde rechten en privileges haalt als het ‘orthodox bewustzijn’ uit de waarheid (hetgeen wat wel waar is). De vrouw van Guerre vervult dus haar echtelijke plicht. Wij hebben dan ook de plicht om ons niet met het geweten van anderen te mengen. Wij moeten tolerant zijn, want alleen daarin kan het recht van anderen om hun geweten te volgen echt bestaan.

Bayle pleit dus voor religieuze tolerantie waardoor hij lijnrecht tegenover Augustinus komt te staan die zegt dat ketters gekerstend moeten worden, zelfs als daar geweld voor gebruikt moet worden. Augustinus is dus voor intolerantie.

93. De kandidaten kunnen uitleggen wat een wereldbeeld inhoudt en kunnen beargumenteren dat bij de praktische houding die een persoon aanneemt ten opzichte van zijn of haar wereldbeeld, een onderscheid gemaakt kan worden tussen rationaliteit en integriteit

Wereldbeeld = het geheel van opvattingen die iemand heeft en op basis waarvan diegene problemen oplost, keuzes maakt en handelt. Het is een coherent geheel van overtuigingen. Binnen een wereldbeeld is er sprake van rationaliteit en integriteit.

Rationaliteit houdt in dat je vanuit jouw wereldbeeld je handelingen onderbouwt en pas je nieuwe informatie in al bestaande opvattingen, vanuit jouw positie gezien is jouw wereldbeeld volkomen rationeel. Vaak wordt dit conformation bias genoemd: je zult dingen die niet in jouw wereldbeeld passen eerder betwijfelen dan dingen die overeenkomen met jouw wereldbeeld.

Integriteit is dat je niet de neiging hebt om te doen alsof een opvatting die je hebt binnen je wereldbeeld past maar deze eigenlijk niet hier in past. Je bent dan dus niet integer en wijkt af van je wereldbeeld en probeer je te rechtvaardigen binnen je wereldbeeld.

94. De kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden beargumenteren in welke zin en tot op welke hoogte, sceptische twijfel redelijk en productief kan zijn bij het filosofisch doordenken en oplossen van praktische en theoretische problemen.

Sceptische twijfel kan op vele verschillende manieren productief zijn, een aantal voorbeelden:

  • Sceptische twijfel kan kennis aanscherpen, doordat je continu sceptische vragen stelt over een bepaald onderwerp en met sceptische alternatieven komt.
  • Sceptische twijfel kan tolerantie teweeg brengen. Omdat je nooit zeker weet wat de waarheid is kan je ook zeggen: misschien heb ik wel geen gelijk, misschien heb jij gelijk vanuit jouw positie.
  • Sceptische twijfel kan goedgelovigheid tegengaan, als je een post op facebook ziet waarin de magische werking van helende kruiden wordt beschreven, dan kan een sceptische blik ervoor zorgen dat je misschien zelf onderzoek gaat doen en tot andere conclusies komt.
  • Sceptische twijfel laat beperkingen van “kennis” zien. Als je alsmaar door vraagt naar de kern van kennis, dan blijkt na een bepaalde tijd dat wij toch wel beperkt zijn in wat we kunnen weten.

 

PRIMAIRE TEKST 12: PIERRE BAYLE, COMMENTAIRE PHILOSOPHIQUE SUR CES PAROLES DE JÉSUS-CHRIST

95. De kandidaten kunnen aangeven om welke redenen het volgens Bayle onmogelijk is om te weten dat de religieuze overtuigingen die we hebben absolute waar zijn en kunnen beargumenteren hoe hij op grond hiervan pleit voor religieuze tolerantie en het recht op een “dwalend geweten”.

Het is volgens Bayle onmogelijk om te weten dat de religieuze overtuigingen absoluut waar zijn omdat men niet kan onderscheiden wat waarheid is als men ervan overtuigd is en wanneer iets niet waar is als we het geloven. Dit onderscheid mag niet gemaakt worden op het gebied van: bewijs, begrijpelijkheid, sterkte van de overtuiging en wat er voor een geloof gedaan moet worden of wat een geloof van je verwacht.

Omdat er dus geen absolute zekerheid is over welke religieuze overtuiging nu absoluut waar is kun je dus geen overtuiging afwijzen. Elke overtuiging moet getolereerd worden omdat je niet weet welke absoluut waar is. Daarom heeft ook iedereen recht op een dwalend geweten. Als je niet beter weet kun je er ook niet op afgerekend worden.

 

PRIMAIRE TEKST 13: THOMAS KUHN, WHAT ARE SCIENTIFIC REVOLUTIONS?

96. De kandidaten kunnen weergeven waarin Kuhns Aristoteles-ervaring bestaat en kunnen uitleggen wat de betekenis ervan is voor zijn opvattingen over de ontwikkeling van wetenschap.

Bij het lezen van Aristoteles zijn werk kwam Kuhn erachter dat Aristoteles zijn fysica totaal anders was dan de mechanica van Newton. Arisistoteles had totaal andere benaderingen en wist helemaal niks van Newtoniaanse fysica. De theorie van Aristoteles leek dan ook helemaal verkeerd, maar als je je verplaatst in zijn gedachte wereld en in de wetenschap van die tijd (het paradigma van toen), blijkt dat hij veel dingen nog niet eens zo stom bekeken had. Wetenschap ontwikkeld zich dus, maar het betekent niet dat het voorgaande fout is.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

5638

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

bijlagen1

Bijlage 1/Download