Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Ben jij wel eens bedonderd toen je online iets wilde kopen? Wij doen onderzoek naar oplichting onder jongeren. Doe jij mavo of vmbo? Vertel dan over jouw ervaringen met oplichting (ook als je dat niet is overkomen) en maak kans op een Bol.com van 15 euro. Ga naar de vragenlijst. Duurt maar 5 minuten!

PDD-NOS

Biologie

Praktische opdracht

Autisme

7.4 / 10
4e klas havo
  • Adi Wijnhoven
  • Nederlands
  • 3651 woorden
  • 9635 keer
    12 deze maand
  • 17 april 2005
Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven.

Hoofdvraag: Wat is PDD-NOS?

PDD-NOS, de afkorting betekent: Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified, een Engelse naam voor stoornissen die worden gerekend tot de pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Pervasief betekend (in het latijn) doordringen. PDD-NOS behoort tot het spectrum van Autistische Stoornissen en wordt daarom ook wel een ASS (autisme spectrum stoornis) genoemd. Het gaat hier om een stoornis die diep kan doordringen in alle gebieden van de ontwikkeling, dat kan bij kinderen met PDD-NOS de taalontwikkeling zijn, de motorische ontwikkeling, het reageren op interne en externe prikkels, maar vooral het vermogen zich op anderen te richten en het eigen gedrag in sociale situaties goed te besturen. De stoornis speelt van jongs af aan een rol. Binnenkomende informatie wordt op een andere manier verwerkt en betekenis gegeven, waardoor bij deze kinderen snel verwarring, onrust en angst kan ontstaan. Ze zijn erg op zichzelf gericht en hebben vaak meerdere achterstanden op emotioneel, sociaal en motorisch gebieden. Ze proberen wel contact te maken met andere mensen, maar doen dit op een sociaal vreemde manier. Ze kunnen b.v zomaar een gesprek beginnen tegen een willekeurig iemand over een speciale hobby als b.v het sterrenstelsel, dinosaurussen ect, zonder dat de ander gevraagd wordt of die ook zin heeft in een gesprek. Doordat deze kinderen niet aan alle kenmerken voldoen of de kenmerken in mindere mate vertonen en andere kenmerken hebben, mag niet van Autisme worden gesproken en wordt dan ook wel van Autisme aanverwante contactstoornis gesproken. Kinderen met PDD-NOS hebben problemen met het ďsociale snapvermogenĒ. Ze kunnen niet goed begrijpen wat er in anderen omgaat, zodat ze hun gedrag daar ook niet op kunnen afstemmen. In 1 op 1 contact met volwassenen lijken ze nog goed te functioneren. In de dagelijkse klasse situatie met leeftijdsgenoten, op het schoolplein of in de woonstraat, vallen de problemen veel meer op. Ze hebben weinig inzicht in allerdaagse gewone sociale regels en praten zomaar door een gesprek van anderen heen. Deze kinderen missen de sociale " veldgevoeligheid" om aan te voelen en in te schatten wat er sociaal van hen gevraagd wordt. Ze kunnen hun gedrag niet goed aanpassen om de sociale omgang met leeftijdsgenoten soepel te laten verlopen. Het denken verloopt soms ook heel verstoord. Een ander probleem vormt de slechte regulatie van de emoties. Plotseling worden ze overvallen door heftige angsten en paniekgedachten. De aanleiding, de rede of het waarom is door leerkrachten of ouders niet te voorspellen. De kenmerken voor het gehele spectrum is wel belangrijk om te vermelden, want ieder kind met PDD-NOS heeft zijn eigen specifieke combinatie van een aantal kenmerken. De symptomen kunnen per individu/kind en per leeftijd verschillen in ernst en verschijningsvorm en op uiteenlopende niveaus van verstandelijk functioneren; van diep zwakzinnig tot hoog intelligent.


Deelvraag 1: Wat zijn de kenmerken van PDD-NOS?

Sociale contacten: Deze kinderen hebben tekortkomingen in hun sociale vaardigheden. Ze kunnen moeilijk overweg met leeftijdgenootjes. Ze kunnen zich moeilijk inleven in de gevoelens en het gedrag van anderen en ze hebben soms moeite met het begrijpen reacties van anderen, want de prikkels worden bij deze kinderen anders verwerkt. Echte wederkerigheid komt niet goed tot stand. Blijvende contacten met leeftijdgenoten, het hebben van vriendjes, is vaak moeilijk. Bij kinderen met PDD-NOS ontwikkelen het sociale begrip en de sociale intuÔtie zich zeer moeizaam. Dat maakt hen vaak onzeker en angstig.Ter voorkoming van deze angst houden zij zich graag vast aan bekende regels en patronen. In hun interesses kunnen ze zelfs rigide en dwangmatig zijn. De problemen uiten zich bij een kind met PDD-NOS verschillend per leeftijd. De problemen worden groter naarmate het kind meer in de buitenwereld gaat functioneren.

Informatieverwerking: Het basisprobleem van kinderen met PDD-NOS is een informatieverwerkingsstoornis. De informatie die binnenkomt (dingen die ze zien of horen), integreert niet; ze hebben moeite met de samenhang tussen de verschillende details. Alle details staan los van elkaar en hebben elk hun eigen betekenis. Het is voor kinderen met PDD-NOS vaak moeilijk de details met elkaar in verband te brengen en betekenis te geven. Daardoor kost het hen moeite leerstofgehelen op te bouwen. Die samenhang moet expliciet geleerd worden. Ook hebben ze moeite met het maken van onderscheid tussen belangrijke en onbelangrijke details, waardoor het moeilijk is om hoofdlijnen te selecteren; wat is relevant en wat niet. Feitelijke informatie kunnen ze goed van buiten leren en goed onthouden.

Denkstoornissen: Kinderen met PDD-NOS hebben moeite met het verbeeldend denken, ze kunnen zich slecht een voorstelling maken van iets dat er niet letterlijk is. Dit uit zich in een beperkte fantasie, alle dingen lopen vaak door elkaar heen, ze kunnen een sprookje of verhaaltje letterlijk nemen en geloven dat het ook echt gebeurd is. Ze zijn vaak weinig flexibel in hun denken en hebben over het algemeen een star en zwart-wit denkpatroon. Hun spelrepertoire is nog al eens beperkt. Rigiditeit in denken valt op; ze zijn geneigd vast te houden aan een eigen oplossingsmethode en hebben moeite met het loslaten van eigen ideeŽn. Voor kinderen met PDD-NOS bestaan er onvoldoende grenzen tussen fantasie en werkelijkheid. Ze vluchten in een fantasiewereld omdat ze de echte wereld niet begrijpen of omdat ze zich niet begrepen voelen. Mede daardoor kunnen deze kinderen onlogische angsten hebben. Vanwege het gefragmenteerd denken is generaliseren een moeilijke stap.

Taal en verbale communicatie: Kinderen met PDD-NOS vertonen vaak tekortkomingen in communicatie, zowel verbaal als non-verbaal. Ze weten soms zelf niet wat ze zeggen, ze kunnen soms hele moeilijke woorden gebruiken, die niet bij de leeftijd passen en klinken als "kleine volwassenen". Ze kunnen geen goede inschatting maken van wat je wel of niet kunt zeggen. Het stemgeluid kan monotoon klinken. Ze hebben de neiging taal letterlijk op te vatten; het begrijpen van grapjes, dubbele boodschappen, spreekwoorden, uitdrukkingen of cynisch taalgebruik kan een probleem zijn. De betekenis van een woord is niet altijd eenduidig en kan verwarrend werken als ook de gebruikte intonatie niet gevat wordt.
Non-verbale communicatie: Over het algemeen kunnen kinderen met PDD-NOS blijdschap, angst of boosheid vertonen. Maar ze vertonen dan vaak alleen de extreme vorm van die emoties en ze zullen bovendien ook niet vaak de gelaatsuitdrukkingen gebruiken die normaal bij subtiele vormen van emotie passen. Dit komt doordat kinderen met PDD-NOS emoties moeilijk of anders herkennen en kunnen uitdrukken.

Obsessieve bezigheden: Kinderen met PDD-NOS besteden relatief erg veel tijd aan een bepaalde activiteit. Ze hebben een beperkt repertoire van (spel)activiteiten: er zit weinig variatie in spel en ze herhalen dezelfde bezigheden.

Zintuiglijke overgevoeligheid: Kinderen met PDD-NOS houden er over het algemeen niet van om aangeraakt te worden. Ze reageren vaak (over)gevoelig op zintuiglijke prikkels uit de omgeving, zoals geluiden, geuren, visuele details en tastprikkels.

Motoriek: Kinderen met PDD-NOS hebben een motorische onhandigheid. Zowel grove als fijne motoriek kunnen afwijken. De bewegingen zijn houterig en stijf. Een krampachtige fijne motoriek leidt vaak tot een trager schrijftempo. Ze hebben een slechte motorische coŲrdinatie en beperkt sociaal inzicht.

Gedrag en ontwikkeling: Je ziet vaak veel voorkomende stereotype gedragingen dat wil zeggen: steeds dezelfde handelingen doen, geÔnteresseerd in een bepaald onderwerp en dan daar alleen maar over kunnen praten, maar ook schokken met het hoofd, knipperen met de ogen, grimassen enz. Ook hebben kinderen met PDD-NOS vaak gebreken in de intelligentie en in de cognitieve ontwikkeling. Er zijn hele grote verschillen in gedrag: afzijdig en in zichzelf gekeerd. Laat wel contact toe maar zoekt het niet uit zichzelf. Overdreven beleefd en de bewegingen zijn houterig en stijf. Alle dingen lopen vaak door elkaar heen, ze kunnen een sprookje of verhaaltje letterlijk nemen en geloven dat het ook echt gebeurd is. Echter is het per kind verschillend hoe de ontwikkeling verloopt. Sommige kinderen hebben een normale intelligentie, anderen kunnen daarin ook nog achter zijn, dit hangt ook af van het karakter van het kind.
Kinderen met PDD-NOS kunnen onderling sterk verschillen in de ernst van de kernproblemen en het aantal en de ernst van de bijkomende problemen. PDD-NOS komt voor bij ongeveer 12 op de 10000 kinderen in de leeftijd van 3 tot 18 jaar (uit: Engagement, jaargang 29, nummer 3, juni 2002). Het kan zich zowel voordoen bij kinderen met een verstandelijke handicap als bij kinderen met een normale en zelfs bovennormale intelligentie. Het percentage verstandelijk gehandicapten is het grootst (80%). PDD-NOS gaat meer dan gemiddeld samen met andere stoornissen zoals bijvoorbeeld ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) en leerstoornissen. Er is ook overlap met deze stoornissen met name met het ontwikkelingsprofiel van de non-verbale leerstoornis (Non-verbal Learning Disability, NLD).

Deelvraag 2: Wat zijn de oorzaken en de gevolgen van PDD-NOS?

De oorzaak van PDD-NOS is nog niet duidelijk. Men vermoedt een stoornis in de ontwikkeling van de hersenen die gevolgen heeft voor het verwerken van vooral de sociale informatie. Geschat wordt dat erfelijkheid in 80 Ė 90 % een rol speelt in de vorm van een kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van de stoornis. Dikwijls ziet men in families van kinderen met PDD-NOS veel varianten van deze stoornissen. In de verschillende gradaties van sociaal, een beetje onhandig, tot het zuivere autisme.

Voor het kind betekenen de gevolgen van PDD-NOS vaak een ernstige beperking in het dagelijks functioneren. Dit is vaak uiteraard afhankelijk van de samenstelling in de ernst van de stoornis. Kinderen met PDD-NOS zijn door hun problemen in de sociale omgang vaak heel onzeker en eenzaam. Angsten komen bij hen meer dan gemiddeld voor. Op school functioneren deze kinderen vaak onder hun intelligentie niveau. Vrienden maken en vriendschappen onderhouden is voor deze kinderen een extreem moeilijke opgave.
Voor ouders van kinderen met PDD-NOS is het ontbreken van een echte wederkerigheid in de relatie met het kind vaak een teleurstellende ervaring. Het opvoeden vraagt van hen een meer dan gemiddelde inzet. IntuÔtief hebben ouders hun aanpak vaak al wel aan de problemen van het kind aangepast. Bij buitenstaanders ontlokt dat vaak de opmerking dat zij hun kinderen te veel beschermen.Vaak hebben kinderen met PDD-NOS door hun naÔviteit t.o.v. de sociale omgeving langer dan andere kinderen leiding en bescherming van hun ouders nodig.De broertjes en zusjes krijgen daardoor wel eens te weinig aandacht. Ook zij ervaren het gebrek aan wederkerigheid in de relatie. Verder worden spontane gezinsgebeurtenissen vaak vermeden of in de war gestuurd door het kind met PDD-NOS, dat er niet tegen kan de gewone regels en ritmes te doorbreken. Leerkrachten van kinderen met PDD-NOS zullen zich moeten realiseren dat het kind zich minder makkelijk kan afstemmen op verwachtingen van de omgeving. Het is van belang in te zien dat het starre gedrag wordt geleid door angst en geen kwestie is van koppigheid.

Deelvraag 3: Hoe wordt de diagnose gesteld?

PDD-NOS is een kinderpsychiatrische diagnose die nog niet is vast te stellen aan de hand van exacte gegevens. De diagnose wordt gesteld aan de hand van systematisch verkregen gegevens van ouders, leerkrachten en bevindingen uit onderzoek van diverse deskundigen uit de medische en psychologische beroepsgroep. Doorgaans wordt de diagnose door een arts gesteld en vind er, vooral ook als er medicatie wordt voorgeschreven, een lichamelijk onderzoek plaats.

Medisch onderzoek: Het medisch onderzoek zal altijd beginnen met het
vaststellen van de algemene medische en neurologische conditie van het kind. Ook zal de medische historie van het kind, zoals de zwangerschap, geboorte of ontwikkeling en de medische historie van de familie (voorkomen van erfelijke stoornissen) moeten worden doorgelicht. De kinderen, die mogelijk een ontwikkelingsstoornis vertonen, hebben gewoonlijk geen kostbaar onderzoek nodig, zoals een chromosoomonderzoek, een EEG (die de elektrische activiteit in de hersenen meet) of een MRI-scan (die beelden van de anatomie en doorbloeding van de hersenen maakt). Een ontwikkelingsstoornis is immers niet of nauwelijks met medicijnen te bestrijden. De arts besluit uiteindelijk of deze testen noodzakelijk zijn, maar zal dit normaal gesproken niet adviseren. Ook kan worden vastgesteld of een kind mogelijk een (allergische) reactie vertoont op bepaalde voedingsmiddelen, die de problemen kunnen opwekken of verergeren.

Interviews met ouders, kind en leerkrachten: Bij een kind met PDD-NOS kunnen vaardigheden en gedragingen verschillend zijn op verschillende plaatsen en in verschillende situaties. Ouders en leerkrachten kunnen aanvullende informatie verschaffen over het gedrag dat niet tijdens de formele testsessies wordt vertoond.
Intelligentietest: Omdat intelligentie van invloed is op de uitkomst van verschillende onderzoeken wordt vaak voorgesteld om een kind met mogelijke PDD-NOS een intelligentietest te laten afnemen. Het is wel vaak zo dat kinderen met PDD-NOS vaak moeite hebben om zich langdurig te kunnen blijven concentreren. Daardoor kunnen de scores van zo'n intelligentietest behoorlijk negatief worden beÔnvloed.
Gedragobservatie en de gedrags-gradatie-schalen: Het door het kind vertoonde gedrag zou zoveel mogelijk moeten worden geobserveerd. Dit gedrag moet vervolgens geregistreerd worden door gebruik te maken van speciaal voor dat doel ontwikkelde checklisten. Veel diagnostici gebruiken de checklisten die bestemd zijn voor autisme, b.v de CARS: Childhood Autism Rating Scale en de CHAT: Checklist for Autism in Toddlers. De observaties kunnen worden verricht in een voor het kind normale situatie, b.v thuis of op school of in een voor het kind abnormale situatie, b.v gedurende het uitvoeren van een intelligentietest.
Psychologisch onderzoek: De psycholoog zal zoveel mogelijk gebruik maken van gestandaardiseerde testen om het cognitieve-, sociale-, gedrags- en aanpassings functioneren van het kind te kunnen evalueren. Op deze manier wordt het ook de ouders duidelijk gemaakt in welke gebieden hun kind achterstand in de ontwikkeling vertoont.

Communicatief onderzoek: Formele testen, observatie en de interviews met de ouders van een kind zijn instrumenten die gebruikt kunnen worden bij een onderzoek naar de communicatieve vaardigheden. Het is uiteraard zeer belangrijk om de verschillende vormen van communicatie te onderzoeken, waaronder de interesse van het kind om te communiceren, waarom het communiceert, hoe het kind communiceert en of het kind begrijpt wanneer anderen met hem of haar communiceren.

Bezigheidsonderzoek: Een ergotherapeut kan een kind evalueren om vast te stellen wat de aard van zijn of haar samenhang van het zintuiglijk functioneren is: dus hoe de zintuigen van het kind - horen, zien, proeven, ruiken, tast - met elkaar samenwerken. Het lijkt immers dat deze informatie niet gelijktijdig in de hersenen samenkomt of niet gelijktijdig wordt verwerkt. Er worden gestandaardiseerde methodieken gebruikt om de fijne motorieke vaardigheden, zoals het gebruik van vingers om kleine voorwerpen te grijpen, grove motorieke vaardigheden, zoals rennen en springen of het kind links- of rechtshandig is, en verschillende visuele vaardigheden, zoals het vermogen om diepte te zien, te onderzoeken.

Deelvraag 4: Kan PDD-NOS worden behandeld?

Er is geen behandeling bekend die PDD-NOS doet verdwijnen. De behandeling bestaat net als bij de meeste kinderpsychiatrische aandoeningen, uit een combinatie van voorlichting, medicatie, opvoedingsondersteuning, begeleiding op school en psychotherapie in de vorm van gedragstherapie en/of sociale vaardigheidtraining. Medicatie wordt gegeven om de bijkomende problemen zoals angst, depressie of agressie te verminderen. Soms wordt het medicijn ĎRitaliní voorgeschreven om de aandacht en de concentratie te verbeteren.

Traditionele methodes: Omdat geen enkel kind met PDD-NOS gelijk is, zullen ook de therapieŽn en behandelmethodes voor ieder kind anders moeten zijn. Er zal een bewuste keus moeten worden gemaakt uit een combinatie van gedragstherapie, gestructureerde leeraanpak, medicatie, logopedie, bezigheidstherapie en gesprekstherapie. Iedere behandeling moet tot doel te hebben dat het typische en communicatieve gedrag verbeterd wordt en dat het negatieve gedrag, zoals hyperactiviteit, herhalend gedrag, zelf-mutilatie of agressiviteit, wordt verminderd. Daardoor zal het functioneren in het dagelijks leven en het vermogen om te leren van het kind positief worden beÔnvloed. Er bestaat groeiende aandacht voor het behandelen van kinderen die nog niet naar school gaan. Want hoe eerder met een behandeling wordt begonnen, hoe beter het uiteindelijk resultaat kan zijn.

Aanpak van het gedrag: Veel zaken lijken verwarrend voor kinderen met PDD-NOS. Het lijkt of de wereld om hen heen te snel gaat voor hun zintuigen. Ze proberen daarin op hun eigen wijze duidelijkheid te scheppen, zoals ieder ander kind dat ook zal willen doen. Deze duidelijkheid wordt het best geschapen in een georganiseerde omgeving waar de regels en verwachtingen duidelijk zijn. Dit betekent minder verwarrende prikkels voor een kind met PDD-NOS, zodat het zich meer kan richten op dat wat echt belangrijk is. Daarom moet de omgeving van een kind met PDD-NOS zeer gestructureerd en voorspelbaar zijn.Vaak zal een gedragsprobleem een signaal zijn dat een kind iets probeert over te brengen, b.v verwarring, frustratie, angst. Er moet dan worden vastgesteld wat de mogelijke oorzaak van dat veranderde gedrag is, b.v of er iets nieuws is geÔntroduceerd waardoor het kind overstuur of verward heeft kunnen raken. Wanneer de communicatieve vaardigheden verbeteren, zullen als gevolg daarvan veelal ook de gedragsproblemen verminderen - het kind heeft dan een betere manier ontdekt om aan te geven waar het last van heeft, zonder terug te hoeven vallen op het eerdere negatieve gedrag. Het gebruik van positieve gedragsondersteuning voor deze kinderen is altijd effectief gebleken. Het is belangrijk een programma te gebruiken die ontworpen moet zijn op een individuele basis omdat kinderen erg variŽren in hun tekortkomingen en vaardigheden. Behandelingen die in het ene geval werkzaam zijn, hoeven niet per definitie te werken in een ander ogenschijnlijk soortgelijk geval. Kinderen met PDD-NOS hebben moeite om vanuit de ene situatie te generaliseren naar de andere. De vaardigheden die ze op school aanleren worden niet automatisch overgezet naar andere gelijksoortige situaties. Het is dus belangrijk om consistent te zijn in de aanpak van gelijksoortige problemen in iedere omgeving waarin het kind vertoeft. Dit moedigt de generalisatie aan.Thuis en op school dient zo'n kind dus op dezelfde wijze te worden aangepakt. Ouders en leerkrachten moeten getraind worden om positieve gedragsondersteuningsstrategieŽn uit te voeren om zodoende de maximaal haalbare resultaten te behalen.

Doelmatig scholingsprogramma: School en scholing zijn (voorlopig) het allerbelangrijkste voor de behandeling van PDD-NOS. Niet alleen omdat deze kinderen met normale leeftijdsgenootjes leren omgaan waardoor ze zien wat normaal gedrag is, maar ook omdat ze in een gestructureerde omgeving moeten leren opletten, stilzitten en opnemen van leerstof. Het onder controle houden van de impulsiviteit is noodzakelijk voor succes. Gedragsproblemen kunnen het lastig maken om zich aan de regels van de klas aan te passen. Het is echter goed mogelijk dat een kind met PDD-NOS zonder echt grote problemen de basisschool doorloopt, mits het een doelmatige ondersteuning krijgt. Zeer belangrijke elementen van een goed scholings- en lesprogramma zijn: Gestructureerde, consistente, voorspelbare lessen met schema's en opdrachten, die duidelijk weergegeven en uitgelegd zijn. Informatie dient zowel visueel als verbaal te worden gepresenteerd. Mogelijkheden om met niet PDD-NOS-kinderen om te gaan, die model staan voor normaal taalgebruik, sociale en gedragsvaardigheden. Aandacht voor het verbeteren van de communicatieve vaardigheden van het kind. Kleinere klassen en een doelmatige plaatsverdeling om te zorgen dat het kind met PDD-NOS niet onnodig wordt afgeleid. Aangepaste lessen, waaronder 'remedial teaching', gebaseerd op de sterke en zwakke punten van het betreffende kind. Gebruik maken van een combinatie van positieve gedragsondersteuning en aangepaste scholingsaanpak. Regelmatig en adequaat overleg tussen ouders, leerkrachten en huis- en/of schoolartsen.

Medische behandeling: Het belangrijkste doel van de medische behandeling van kinderen met PDD-NOS is om de lichamelijke en geestelijke gezondheid te garanderen. Er is geen enkel specifiek medicijn dat ieder kind met PDD-NOS kan genezen of zelfs maar helpen. Van sommige medicijnen is ontdekt dat ze voor sommige kinderen baten, maar bij anderen hebben ze dan weer geen enkel effect. Ieder medicijn moet bij kinderen met PDD-NOS zeer precies worden ingeregeld totdat de optimale combinatie of hoeveelheid is gevonden. Hierdoor ontstaat voor ieder afzonderlijk kind met PDD-NOS een uniek medicijnregime. Door deze complexiteit wordt een medicijntherapie door veel artsen gezien als een soort laatste redmiddel en wordt slechts gebruikt als andere behandelmethodes onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Medicatie is meestal echter wel effectief gebleken bij het bestrijden van ziektebeelden die gelijktijdig voor kunnen komen bij PDD-NOS, zoals b.v ADHD.

Psychologische behandeling: Gesprekstherapie voor het hele gezin kan nuttig zijn om hen te assisteren bij het aanpassen van hun opvoeding aan het kind met een stoornis. De opvoeding moet perfect toegesneden zijn op het probleem. Indien het kind al op school zit, zouden zowel ouders als leerkrachten op de hoogte moeten worden gebracht van de mogelijke symptomen van PDD-NOS. En hoe deze symptomen het gedrag van het kind met PDD-NOS kunnen beÔnvloeden in alle mogelijke situaties, waardoor men niet voor onaangename verrassingen komt te staan.

Eigen Mening

Er is op dit moment geen behandeling mogelijk die autisme of een ASS kan genezen. Behandelingen of therapieŽn zijn er op gericht om mensen met autisme of een ASS te leren leven met en te ondersteunen bij hun handicap. Hiervoor is het nodig dat PDD-NOS en andere ASS tot aan zuiver autisme zoveel mogelijk bespreekbaar en bekend moet worden gemaakt, zodat deze mensen meer geaccepteerd zullen worden door mensen die hier minder bekend mee zijn. Mensen met een ASS moeten leren leven met hun handicap, maar dit betekent niet dat er niets aan de handicap te doen is. Ik denk dat er heus wel resultaten kunnen worden behaald d.m.v een gespecialiseerde behandeling volgens een bepaald gedragsprogramma en/of een aangepaste omgeving, want deze methoden kunnen leiden tot een betere ontwikkeling en aanpassing tot de omgeving voor iemand met autisme of een ASS.
Maar vooral bij lichte gevallen, bijvoorbeeld een PDD-er die gewoon meedraait in de maatschappij, is het van belang dat schoolleiding en personeel, familie en kennissen, een enigszins veilige en beschermde omgeving scheppen, waardoor deze mensen met minimale hulp gewoon kunnen functioneren. Spreek er over in de klas, zodat ook andere leerlingen weten waar ze af en aan zijn.

Conclusie

Nog steeds bestaat er geen wetenschappelijke test, zoals een bloedonderzoek of scan, die feilloos het aanwezig zijn van PDD-NOS kan aantonen. De diagnose van PDD-NOS is en blijft lastig doordat bepaalde symptomen soms wel en soms niet kunnen voorkomen. Wanneer een huisarts de diagnose PDD-NOS stelt, moet je er maar vanuit gaan dat het niet meer dan zijn mening is bij gebrek aan een betere. Om een meer zekere diagnose te krijgen is een uitgebreid onderzoek nodig, verricht door een medicus of psycholoog, die zich heeft gespecialiseerd in ontwikkelingsstoornissen. Maar in tegenstelling tot vroegere tijden is er wel meer duidelijkheid gekomen over PDD-NOS en andere autisme spectrum stoornissen en hierdoor kunnen mensen met PDD-NOS of een andere ASS al verder op weg geholpen worden d.m.v verschillende therapieŽn, zoals b.v een aangepast gedragsprogramma. Maar er bestaat nog geen behandeling die PDD-NOS of een andere ASS of het zuivere autisme kan genezen.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

8390

reacties

geweldig om deze uitwerkingen van je te lezen. mijn broertje heeft ook autisme, PDD-NOS, en er kwamen echt zóveel dingen overeen met wat je verteld. echt heel mooi.
door kim (reageren) op 26 februari 2007 om 19:14
PDD-NOS is in allereerste instantie het gevolg van een genetisch bepaalde hersenvariatie zodat de informatieverwerking anders verloopt dan gebruikelijk. De eeuwige nadruk op dat sociale gedoe is daarom sterk verouderde informatie. Ook sterk verouderde en foutieve informatie is de suggestie dat dit vooral of alleen bij kinderen voorkomt. Ik heb zelf de diagnose "PDD-NOS" wat eigenlijk geen diagnose is maar een restcategorie waarin je terechtkomt als men het niet precies weet. Overigens stellen huisartsen geen diagnoses op dit vlak zoals in het werkstuk wordt beweerd. Huisartsen weten trouwens vaak heel weinig tot niets van autisme. Ik vind het jammer dat het begrip "stoornis" zo frequent wordt gebruikt in dit werkstuk alsof PDD-NOS alleen maar kommer en kwel is (dat is dus niet zo). Ik vind het jammer dat weer vooral het typische perspectief wordt gehanteerd waarbij de meerderheid naar ons als minderheid kijkt en waarbij wij degenen zijn die de focus vormen van "het probleem". Het begrip PDD-NOS is een poging om mijn natuurlijke zijnstoestand te verwoorden en ik heb geen probleem met hoe ik van nature nou eenmaal ben. Het is vooral de omgeving die daar problemen mee heeft. Het is dan ook door en door fout om te doen alsof alles wat misgaat omheen iemand met PDD-NOS puur en alleen ligt aan die persoon zelf. PDD-NOS is een PDD, net als autisme zelf en àlle PDD's voldoen aan de autismetriade. PDD-NOS is dus géén vorm van autisme. Dat gedoe over "lichte" vormen is ook onzin. Je bent autistisch of niet. Je kunt ook niet maar een beetje zwanger zijn. Autisme hoort niet thuis in de psychiatrie want het is geen geestesziekte en bovendien is psychiatrische diagnostiek ook niet bepaald een exacte wetenschap. Er worden veel fouten gemaakt als gevolg van de subjectitivteit die hierbij komt kijken. Ik weet dat niet-autistische mensen graag hun visies over ons opdringen, maar dat is niet erg logisch. Het projecteren van concepten die vooral van betekenis zijn in een niet-autistische context is dan ook niet erg gepast omdat wij een andere betekenisverlening hebben dan jullie. Iemand met PDD-NOS heeft van zichzelf uit niet de behoefte om zichzelf te zien als iemand met een handicap: de behoefte aan dat handicap-woord komt vooral vanuit de omgeving zodat de omgeving vooral niet al te veel over zichzelf hoeft na te denken. Autisme houdt echter een gedeelde verantwoordelijkheid in waarbij vooral de omgeving van alles kan doen op het gebied van begrip en tolerantie. Het generaliserende en erg subjectieve karakter van het werkstuk is erg storend alsof we allemaal hetzelfde zijn waarbij de typische vooroordelen weer gretig worden geuit. "Ze" dit en "ze" dat. Over piekvaardigheden die vaak aanwezig zijn wordt daarentegen niet gesproken. "Het percentage verstandelijk gehandicapten is het grootst (80%)." Dit klopt totaal NIET! De suggestie dat de meeste mensen met PDD-NOS kinderen zijn en mentaal geretardeerd klopt totaal niet. 75% van alle mensen in het autismespectrum hebben een (rand)normaal IQ, dat blijkt uit hedendaags onderzoek. "Voor ouders van kinderen met PDD-NOS is het ontbreken van een echte wederkerigheid in de relatie met het kind vaak een teleurstellende ervaring." Dat is een onzinopmerking omdat het niet om die ouders gaat. Bovendien is het een kwestie van anders leren kijken. Er is dan meer te zien dan je zou denken. Mensen zijn bovendien geen producten die maar aan de nukken en de eisen van de omgeving moeten voldoen. Niet-autistische mensen vergeten vaak dat ze erg intolerant zijn uiteindelijk en dat vooral zij het "probleem" vormen. Wat ik erg mis in dit werkstuk is - zoals gewoonlijk - het verhaal van iemand die dagelijks daadwerkelijk ervaart wat jullie dan zo nodig PDD-NOS moeten noemen. Het is een misverstand om te veronderstellen dat iemand zoals ik wel erg ongelukkig moet zijn. Mijn ervaringswereld is ook veel rijker dan je zou vermoeden, ook al snap jij daar niks van. PDD-NOS wordt vooral bepaald door wat je NIET merkt aan de buitenkant. Mijn wereld is voor mij op mijn manier voldoende bevredigend, ook al schat de omgeving dat anders in (wat er overigens niet toe doet). Ik hoef ook niet zo nodig behandeld te worden voor iets waar vooral de omgeving problemen mee heeft en niet ikzelf.
door Ronald (reageren) op 5 augustus 2009 om 10:01
Ik kan het helemaal eens zijn met Ronald, op dit moment wordt de zoon van mijn partner geobserveerd ( 14 jaar )en er wordt gedacht aan PDD-NOS, nu werk ik zelf in de GGz en zie vanuit mijn ervaringen dit helemaal anders , en ik vind het zooooooo mooi verwoord door Ronald!!!! Mijn partner zijn jongste (hierna K) is een heerlijk joch , spontaan , fantasierijk ,sluit makkelijk contacten, doener, enzovoorts, en inderdaad K zie je denken , soms zie je de chaos in zijn hoofd, ik bemerk hetzelfde als bij zijn vader hij schrijft letterlijk op wat hij denkt, ik zie ook de conflictsituaties bij zijn moeder en broer thuis moeder en broer hebben hetzelfde karakter , introvert ,gesloten op zichzelf , terwijl K juist het tegenovergestelde is, tja dat gaat botsen in huis, daarbij komt dat broer een visuele handicap heeft dus altijd in beeld is . Mijn opinie K heeft net zoals zijn Vader ADD zoals zoveel mensen en daar kan je heel goed mee leven . dank je Ronald voor je heldere verslag!!
door Nico (reageren) op 13 april 2013 om 8:25

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Huiswerk

Stel je bent leraar en een leerling heeft zijn huiswerk niet gemaakt, wat doe je?
  • Snitchen bij ouders
  • Strafwerk schrijven, moest ik vroeger zelf ook
  • Weddenschap afsluiten om de leerling gemotiveerd te krijgen
  • Je negeert het. Eigen verantwoordelijkheid toch?