Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
We doen onderzoek naar wedden op voetbalwedstrijden. Wil je ons helpen door deze korte enquête in te vullen? Duurt maar een minuutje. 

De onzichtbare jongen

J. Bernlef

2005

188

2 uit 5

8.1 / 10
Docent
Gebruikte editie
De roman verscheen in september 2005 bij uitgeverij Querido in Amsterdam. Voor dit boekverslag is gebruik gemaakt van de eerste druk. Op de groen met witte kaft zijn een thermometer, een fles en een stoel afgebeeld (attributen uit de kamer van Max Veldman). De roman telt 188 pagina’s. Het is opmerkelijk dat in 2005 opnieuw een roman van Bernlef verschijnt, want hij heeft in dat jaar ook al "Een jongensoorlog" geschreven of liever herschreven.

Genre
"De Onzichtbare Jongen" behoort tot het genre van de psychologische roman. Het gaat meer om de gevoelens en gedachten van de personages dan om spannende feiten.

Flaptekst
"Amsterdam, jaren vijftig. Max Veldman en Wouter van Bakel zitten samen op school. Ze zijn dertien en dromen over de toekomst. Max weet dingen waar de meeste jongens niets van begrijpen. Hij wil de onzichtbare wereld van de wind in kaart brengen. Zelf wil hij ook het liefst onzichtbaar worden. Wouter heeft totaal andere dromen. Hij wil harder lopen dan de wind, de honderd meter onder de elf seconden. Op de middelbare school verwatert de vriendschap. Als Wouter jaren later Max opnieuw ontmoet, leert hij door Max een andere, wonderbaarlijke werkelijkheid kennen. Maar de grote tragedie die het leven van Max heeft bepaald, komt pas aan het licht als Max werkelijk onzichtbaar is geworden.

Met zijn heldere, bijna laconieke toon voert Bernlef de lezer een wereld binnen die zich maar langzaam blootgeeft. "De Onzichtbare Jongen" is een roman vol mededogen over de bijzondere, hechte vriendschap tussen twee jongens en de dromen die ze najagen."


Geschikt voor
Romans van Bernlef zijn over het algemeen goed te verteren. Hij schrijft in een heldere en realistische stijl. De structuur van de roman is meestal ook niet al te moeilijk en de thematiek ligt vaak voor de hand. Kortom, een eenvoudig te lezen nummer voor je literatuurlijst. Voor eindexamenkandidaten van havo en vwo is het een standwaardwerk met een waarde van 2 punten. Het lezen kost je ongeveer drie uur.

Motto en opdracht
Het motto luidt: "Het getal is een uitvinding, het komt niet voor in het heelal." (Ernst Jünger)
Max is bezeten van getallen, door zijn fotografisch geheugen is hij in staat om snel te rekenen en dingen te onthouden. "Meten is weten", is zijn adagio en daarom is het een goed gekozen motto.
De roman heeft geen opdracht.

Titelverklaring
Max vertelt Wouter, wanneer ze nog op de lagere school zitten, dat hij oefent in 'onzichtbaar' zijn. Hij heeft een boek gelezen van H.G. Wells: "De Onzichtbare Man". Dat boek gaat over een man die door een mislukt experiment onzichtbaar was en niet meer zichtbaar kon worden. Max weet goed dat echt onzichtbaar worden niet mogelijk is, maar hij doet zijn best om niet te veel op te vallen. Dat is iets wat moeilijk is voor Max, want zijn gave om alles te onthouden wat hij ziet, hoort of leest, trekt juist aandacht, bijvoorbeeld op school waar hij met zijn eindexamen de hoogste cijfers scoort.

Maar is er ook een symbolischer verklaring voor de titel te vinden. Max blijft altijd een 'onzichtbare jongen' voor zijn directe omgeving. Zijn psychiater kent hem niet, omdat hij niet wil praten, zijn vader kende hem niet, omdat hij hem vroeg in de steek had gelaten, zijn halfzusje Mara weet pas van zijn bestaan als hij zelfmoord heeft gepleegd en zelfs zijn beste vriend Wouter (Beaufort) kent hem niet goed: de brief die Max naar Wouter stuurt in het tweede deel is verward en onsamenhangend: Max wordt niet zichtbaar voor Wouter en als in de allerlaatste regel Mara een foto van Max aan Wouter vraagt zegt Wouter dat hij die niet heeft. Er is nooit een helder beeld van Max overgebleven. Hij was "de onzichtbare jongen".


Structuur en verhaalopbouw
De roman begint met een soort proloog, waarin de ikverteller aangeeft waarover de roman gaat. Hij geeft aan dat het boek zal gaan over stilstand en beweging, maar ook over vriendschap.
De roman die volgt, bestaat uit twee delen. In het eerste deel is de ontwikkeling van de vriendschap tussen de twee jongens te volgen. Het eerste deel bestaat uit acht ongetitelde en ongenummerde hoofdstukken.
De hoofdstukken worden van elkaar gescheiden door gecursiveerde stukken tekst waarmee steeds een nieuw hoofdstuk begint. Het is een overdenking van de hoofdfiguur Wouter van Bakel. Maar hij doet dit niet in de ikvorm zoals in het romangedeelte, maar in de wat afstandelijker je-vorm. Het lijkt hierdoor dat hij als een soort achterafverteller zijn visie over gebeurtenissen en het leven op zich geeft.

Deel twee bestaat uit drie grotere hoofdstukken en hierin wordt verteld hoe Wouter weer in contact is gekomen met Max (namelijk op met moment dat hij in inrichting voor de revalidatie van zijn geheimzinnige aandoening is en hij Max in een psychiatrische inrichting ziet) en hoe hun vriendschap uiteindelijk afloopt.

Perspectief
Het verhaal wordt verteld door Wouter van Bakel, één van de twee hoofdpersonen in het boek. Aan het begin van elk hoofdstuk lijkt het perspectief te verschuiven, alsof een auctoriale verteller Wouter aanspreekt (iemand wordt als 'je' aangeduid), maar bij nauwkeurig lezen blijkt dat het perspectief toch bij Wouter blijft, alleen praat hij dan meer of min tegen zichzelf. Hij heeft dan het overzicht als achterafverteller. (zie ook hierboven structuur)

Tijd en decor
Het begin van het verhaal speelt zich net na de oorlog af. In 1947 ontbloeit de vriendschap tussen Max en Wouter. Het hele verhaal omvat ongeveer zo’n dertien jaar. Wouter vermeldt expliciet dat hij in april 1960 last krijgt van zijn mysterieuze spieraandoening. De vriendjes worden gevolgd in hun laatste jaar op de lagere school, hun tijd op de middelbare school, de diensttijd van Wouter en hoe Wouter, jaren na hun eerste ontmoeting op de lagere school, Max weer ziet in een psychiatrische inrichting.

Het decor van de roman is de stad Amsterdam en later ook in de stad Haarlem. In Amsterdam groeien de beide jongens op. Max woont in de Curaçaostraat, Wouter op de Postjeskade. Ze brengen veel tijd door op het speelveldje in de buurt, langs de Amstel en op de slaapkamers van de jongens. Hun lagere school, de Hoofdwegschool, staat aan de Corantijnstraat. Waar hun middelbare school precies staat, wordt niet duidelijk vermeld. Na zijn diensttijd gaat Wouter op kamers wonen in Haarlem. In Vogelenzang brengt Wouter veel tijd door in het revalidatiecentrum Woudrust, wanneer hij met de gevolgen van een mysterieuze ziekte kampt.. Naast het revalidatiecentrum staat de psychiatrische kliniek Vogelenzang, waar Wouter voor het eerst sinds enkele jaren Max weer ontmoet.

Thematiek
In deze roman gaat het volgens de proloog vooral over stilstand en beweging en draait alles om de wind en snelheid. Zowel bij Wouter (in verband met zijn hardloopprestaties) als bij Max (met zijn voorliefde voor alles wat wetenschappelijk met wind en Beaufort te maken heeft).

Maar natuurlijk is het thema van het boek een jongensvriendschap die onuitgesproken (zoals altijd) heel belangrijk is voor beide jongens. Want ook al lijkt Wouter aanvankelijk Max een vreemde kwibus te vinden, hij voelt zich gekwetst wanneer Max niets van zich laat weten wanneer hij gaat verhuizen aan het einde van deel I..
Max voelt zich een beetje in de steek gelaten als Wouter zich fanatiek bezighoudt met atletiek. Met elke seconde die Wouter sneller rent, wordt hij meer 'zichtbaar'. En Max wil juist zo onzichtbaar mogelijk zijn. Dat brengt de vriendschap ook bij elkaar de tegenstellingen die elkaar aantrekken. Jammer is wel dat Bernlef niet duidelijk beschrijft waarom Max zo gestoord is geraakt. Juist die tussenliggende fase van het elkaar niet meer ontmoeten en de eerste ontmoeting in de psychiatrische inrichting was een interessant gegeven voor de lezer geweest.

Zoals hierboven gesteld, draait het in de roman ook om wind en snelheid. Beide jongens zijn op hun eigen manier daarmee bezig. Max wil de windsnelheden en circulaties op aarde vastleggen in cijfers, net als Beaufort deed met zijn schaal van Beaufort (een schaal waarmee je de verschillende windkrachten kunt beschreven). Wouter is ook bezig met cijfers, maar dan vooral tijdens het rennen. Hij rent de 100 meter in 10,6 seconden. Tijdens zijn snelle sprints is hij afhankelijk van de wind: als hij wind mee heeft, kan hij sneller lopen. Blaast de wind hem tegemoet, dan kan hem dat tienden van secondes kosten. Wouter ontwikkelt zich in die puberteitsjaren heel snel: in lichamelijk en geestelijk opzicht: er zit veel beweging in zijn leven, behalve op één van de belangrijkste momenten in zijn leven: de start van de 100 meter bij de Olympische Spelen in Helsinki. Waarschijnlijk wordt die fout veroorzaakt door faalangst.

Er zijn ook periodes in het leven van Wouter wanneer hij zich niet ontwikkelt terwijl hij wel beweegt: zo ervaart hij zijn periode in militaire dienst als een periode van geestelijke stilstand. Maar dat geldt evenzeer voor zijn periode als reisleider bij bejaarden, die eigenlijk niet op vakantie willen en voor zijn ziekte, wanneer hij zich ook lichamelijk nauwelijks kan bewegen.

Er is nog een andere specifieke Bernlef-thematiek in de roman te herkennen, nl. de functie van het geheugen. Al eerder maakte hij dat element onderwerp van een roman: vgl. Hersenschimmen (dementie) en Eclips (geheugenverlies). Nu heeft Max het tegenovergestelde: een fotografisch geheugen waardoor zijn hoofd zo vol komt te zitten en hij krankzinnig wordt. Alles wat hij waarneemt, wordt in zijn geheugen opgeslagen en dat maakt zijn leven ondraaglijk. Daarom draagt hij aan het einde van zijn leven ook geen bril meer, want door het bril dragen is hij nog beter gaan zien, dus moet hij nog meer opnemen.


Er zijn ook een aantal literair-historische motieven in de roman te herkennen:
- het schoolmotief: ze bezoeken beiden dezelfde middelbare school
- het abnormaal gedrag (van Max)
- de fysieke aandoening (de vreemde ziekte van Wouter)
- de zelfmoord (van Max)
- de naweeën van de oorlog (Max' vader)
- overspel (Max' vader)
- het ongekende halfzusje
- de queeste naar de waarheid (Max zoekt naar De Wet van Beaufort, die alle problemen in het leven moet oplossen)

Samenvatting van de inhoud
In een soort proloog (blz. 7-9) geeft de ik-verteller Wouter van Bakel aan waarover de roman gaat: over stilstand en beweging en vooral ook over vriendschap.

Deel 1 (blz.13 - 112)
De ikverteller, Wouter van Bakel, is leerling van de Hoofdwegschool in Amsterdam. Het is 17 augustus 1947, wanneer een nieuwe leerling in de klas plaatsneemt. Hij heet Max Veldman en hij is afkomstig uit Haarlem. Max is erg stil, zijn medeleerlingen hebben het al snel met hem gehad, omdat ze denken dat hij met de meester wil slijmen. Hij is heel goed in hoofdrekenen.

Zijn medeleerlingen pesten hem, maar dat wordt een stuk beter wanneer hij na enkele weken met pesterijen de grootste pestkop van de klas, Jim, neerslaat. Nog steeds wordt hij niet geheel door de klas geaccepteerd, maar hij wordt in ieder geval niet langer gepest..

Wouter raakt met Max bevriend. Max weet ontzettend veel en hij is mentaal met andere dingen bezig is dan zijn klasgenoten. Op een dag vertelt Max dat hij zichzelf oefent in onzichtbaar zijn. Hij heeft vroeger een boek van H.G. Wells gelezen, "De Onzichtbare Man". Het gaat over een man die na een mislukt experiment onzichtbaar werd en zichzelf niet meer zichtbaar kon maken. Uiteindelijk werd hij het slachtoffer van mensen die de onzichtbare man niet langer vertrouwden, waardoor hij tenslotte werd doodgeschoten. Max is gefascineerd door het gegeven onzichtbaar te kunnen zijn. Hij legt Wouter uit dat hij heus wel weet dat je niet écht onzichtbaar kan worden, maar hij doet wel zijn uiterste best om niet opgemerkt te worden. Je moet zo onopvallend mogelijk door het leven gaan. Maar dat laatste gaat Max nu net niet goed af.. Hij heeft namelijk een fotografisch geheugen, waardoor hij alles onthoudt wat hij ziet, hoort en leest. Zonder moeite kan hij hele muziekstukken naspelen, ingewikkelde sommen uit zijn hoofd oplossen en gedichten met wel vijftig coupletten onthouden, zoals het gedicht "Mei" van Herman Gorter, dat hij bij een declamatiewedstrijd in zijn geheel voordraagt, nadat hij het een avond ervoor heeft doorgelezen.. Ook de bril die hij ineens moet dragen omdat hij niet goed op het bord kan zien, is in de jaren na de oorlog bijzonder. In de klas staat hij daardoor snel bekend als 'brillenjood'.

Wouter en Max hebben ondertussen vriendschap gesloten. Max woont alleen bij zijn vader, die in de Blookerfabriek werkt (een cacaobonenfabriek). Ze kunnen dan ook vaak over gratis chocolade beschikken. Zijn moeder is na de oorlog met een Canadees meegegaan, meer wil Max hier niet over vertellen. Hij heeft als enige van zijn leeftijdsgenootjes een eigen sleutel van zijn huis. Dit omdat zijn vader veel werkt, ook wanneer de meeste andere ouders alweer thuis zijn van hun werk. Heel bijzonder is dat Max thuis met behulp van een slingertoestel ook films kan afdraaien: hoe harder je draait, des te sneller gaan de beelden.

Na de lagere school gaan de beide jongens ook samen naar dezelfde middelbare school, alleen komen ze in verschillende klassen terecht, waardoor hun onderlinge contact steeds minder wordt. Max heeft ondertussen een ongewone voorliefde voor wind en luchtstromingen ontwikkeld. Alleen de natuurkundelessen vindt hij interessant en hij denkt erover om na de middelbare school natuurkunde te gaan studeren. Thuis is hij bezig met het bouwen van een eigen windmeter. Wouter zat eerst op voetballen, maar had toen geen goede kiksen, waardoor ze hem Karel Knal noemden. Later sluit Wouter zich aan bij de atletiekvereniging. AAC. Hij is heel erg snel en spoedig wint hij de ene na de andere wedstrijd. Ook Wouter heeft daardoor een buitengewone belangstelling voor wind opgebouwd, maar dan in de betekenis van: "Heb ik vandaag wind mee, of wind tegen? En hoe sterk zijn de windvlagen?" De twee vrienden groeien echter steeds meer uit elkaar, wat voornamelijk wordt veroorzaakt door de atletiekprestaties van Wouter.

Wouter wordt getraind door de man van Fanny Blankers-Koen en op een middag mag hij tegen haar hardlopen. Hij verslaat de viervoudig Olympisch kampioen met gemak en hij schaamt zich daarvoor. Hij wordt zo snel (100 meter in 10.6 sec.) dat hij in 1952 als jonkie wordt afgevaardigd naar de Olympische Spelen, maar het wordt een faliekante mislukking. Hij blijft namelijk na het startschot in het startblok zitten en wordt de volgende dag naar huis gestuurd. Ook Fanny Blankers-Koen presteert niets in Helsinki. Op de atletiekvereniging wordt hij na zijn terugkeer nauwelijks aangekeken.

Iets anders wat Wouter heel erg bijblijft, is de watersnoodramp van 1953. 's Nachts wordt hij door zijn vader uit bed gehaald en merkt hij de kracht van de beukende wind. De volgende dag spreken alle leraren op school erover, ook de natuurkundeleraar die Max Veldman zo bewondert. Max blijkt die nacht in het Vondelpark te hebben gelopen om de kracht van de wind te kunnen ervaren.

Bij het eindexamen is Max de beste leerling en nadat hij door iedereen in het zonnetjes is gezet, neemt hij het woord om tegen de rector te zeggen dat het helemaal geen prestatie was, dat hij op school niets geleerd heeft, omdat hij gewoon alles heel gemakkelijk uit zijn hoofd kon leren. Hij vindt het onderwijssysteem erg verouderd.

Na het eindexamen van de middelbare school nemen ze alle twee een zomerbaantje bij de Rijkspostbank aan de Van Baerlestraat. Samen met andere scholieren zitten ze in de kelder van de bank en rekenen ze uit hoeveel rente de mensen krijgen over hun geld dat op de bankrekening staat. Max doet alles vele keren sneller dan de anderen, omdat hij de getallen fotografisch voor zich ziet. Aan het einde van de zomervakantie zouden de vrienden samen op vakantie gaan. Wouter is dan ook blij wanneer het werk bij de bank erop zit. Maar Max besluit om door te blijven werken, hij heeft het erg naar zijn zin, zo tussen de cijfers. Wouter vindt het vervelend dat Max niet meegaat op vakantie. Hij besluit alleen naar Parijs te gaan. Maar daar heeft hij het helemaal niet naar zijn zin. Hij brengt zijn week door op zijn smoezelige hotelkamer en in het Louvre en heeft seks met Thaise dienstmeisjes met wie hij verder nauwelijks goed Frans kan spreken.

Als hij weer thuis is, krijgt Wouter een oproep voor militaire dienst.. Tijdens de keuring hoopt hij Max nog te zien, maar die is nergens te bekennen. Achteraf blijkt dat Max is afgekeurd, omdat hij de keuringsarts in zijn hand beet toen deze in de onderbroek van Max wilde kijken. Wouter wordt na zes weken training in een kazerne in Stroe geplaatst, een klein plaatsje op de Veluwe. Wouter vindt de diensttijd een heel zinloze tijd, waarin hij stilstaat in zijn ontwikkeling, ondanks het feit dat hij de eerste zes weken zo veel fysiek moest bewegen.
Wanneer zijn diensttijd erop zit, besluit Wouter Max op te zoeken. Deze is echter verdwenen.
Het is duidelijk dat hij en Leo niet meer in de Curaçaostraat wonen. Ook bij de bank werkt Max niet meer. Hij is wegens wangedrag ontslagen. Wouter voelt zich beledigd dat hij niets meer van zijn vriend gehoord heeft. Wouter heeft nu ook geen zin om te gaan studeren, hij wil geld verdienen. Hij kan gaan werken als reisleider voor een reisorganisatie "De Trekvogel". Hij woont dan op kamers in Haarlem, maar hij is vaak op reis en zit meestal in een bus vol met steeds maar klagende bejaarden die eigenlijk helemaal niet naar het buitenland willen. Op een gegeven moment ontvangt Wouter een ansichtkaart met daarop een zeilschip met bolstaande zeilen in de wind. Op de achterkant staat geen afzender, alleen maar Beaufort. Wouter weet meteen dat de kaart van zijn vriend is, want die heeft namelijk een ongewone belangstelling voor winden en Beaufort was de eerste geleerde persoon die winden in cijfers wist uit te drukken: de schaal van Beaufort. Aan het stempel kon Wouter niet zien waar de kaart vandaan kwam, omdat het was doorgelopen en daardoor onleesbaar was.

Deel II (blz. 115 -188)
Inmiddels is het april 1960, Wouter is nu 24 jaar. Hij krijgt op een ochtend opeens last van tintelende tenen en zere enkels. Een paar dagen later is het zelfs al zo erg, dat hij zijn knieën niet meer kan bewegen en hij lijkt het gevoel in zijn voeten kwijt te zijn. Zijn huisarts stuurt hem door naar het ziekenhuis, waar na een paar dagen onderzoek geconcludeerd wordt dat Wouters zenuweinden niet goed meer functioneren. Hij kan zijn benen een klein beetje bewegen, maar hij voelt die vanaf de knie naar beneden niet meer. Hij wordt na zijn ziekenhuisopname doorverwezen naar Woudrust, een revalidatiecentrum in Vogelenzang.

Het duurt een heel lange tijd voor Wouter verbetering in zijn toestand merkt. Langzaam komt het gevoel terug in zijn benen en begint hij weer een klein beetje te lopen. Op een dag loopt hij met zijn therapeut Fulham die hij van de atletiekvereniging kent langs de psychiatrische inrichting Vogelenzang, die naast het revalidatiecentrum ligt. Wouter herkent een jongen tussen de andere patiënten. Het is Max Veldman. Wouter roept een paar keer zijn naam, maar als hij niet reageert, roept hij ineens de naam "Beaufort!". Max reageert nu wel en komt op Wouter af gelopen. Hij herkent Wouter meteen, alleen noemt hij hem nu steevast Beaufort. "Beaufort, je bent gekomen!" Een verpleger loopt op Max af om hem naar binnen te leiden. Hij is stomverbaasd wanneer hij Max tegen Wouter hoort praten, Max heeft al die tijd in de inrichting nog geen woord gesproken.

De psychiater van Max neemt contact op met Wouter. Deze dokter Vrasdonk wil met hem praten over Max, aangezien deze in de twee jaar tijd dat hij in Vogelenzang zit nog geen woord gesproken heeft. Tijdens zijn gesprek met dokter Vrasdonk komt Wouter te weten dat Max opgenomen is omdat hij zich te pas en te onpas in het openbaar ontkleedde en daarbij regelmatig vrouwen seksueel lastig viel. In "Vogelenzang" hebben ze hem eindelijk zover dat hij zich niet meer uitkleedt, maar hij praat nog steeds niet. Althans… niet tegen het verplegend personeel.

De volgende dag gaat Wouter langs bij Max. Hij herkent zijn vriend qua uiterlijk, maar de schitterende glans is uit zijn ogen verdwenen. Ook ziet hij er slecht verzorgd uit, met ingevallen en ongeschoren wangen. De kamer van Max hangt heel vreemd vol met thermometers, allemaal op verschillende hoogtes en verschillende plekken. Het is onderdeel van Max' grote onderzoek. Hij onderzoekt namelijk door kleine temperatuurverschillen in de kamer te meten waar er luchtstromingen zijn. "Als ik die kleine luchtcirculaties in deze kamer nu in kaart kan brengen, in cijfers kan omzetten, dan kan ik ook voorspellen hoe de luchtcirculaties in het heelal zijn!"

In de psychiatrische inrichting kliniek draagt Max geen bril. Als Wouter vraagt waarom hij die afgedaan heeft, antwoordt Max dat de bril hem te veel informatie geeft. Door de bril ziet hij alles scherp en kan hij alles zien. En alles wat Max ziet, onthoudt hij. "Mijn hoofd lijkt te kapseizen onder alle informatie die het in zich heeft." Max kan het simpelweg niet meer aan om alles te blijven onthouden.

Na het bezoek aan de psychiatrische inrichting heeft Wouter er niet zo veel behoefte meer aan om Max daar nog een keer op te zoeken. Het lijkt hem ook nutteloos, aangezien ze toch uit elkaar gegroeid zijn. Hij wordt daarna al snel ontslagen uit het revalidatiecentrum en mag naar huis. Wouter is weer enigszins mobiel, maar de 100 meter zal hij niet meer in 10.6 lopen.

Wouter gaat naar zijn huisarts, want die heeft een brief van de specialist gekregen, waarin staat dat hij een virale infectie heeft gehad, maar "dat schrijven ze altijd wanneer ze iets niet weten".

Thuis ontvangt hij later nog een heel verwarde brief van Max waarin deze terugdenkt aan hun vroegere vriendschap en vertelt over hoe goed hij alle dingen kan onthouden. Maar ook over hoe moe hij ervan is, dat hij niet meer kan.
Max schrijft Wouter waarom hij ontslagen is bij de bank. "Ik hing een poster van een naakte vrouw over een vieze vlek op de muur, dat is toch geen wangedrag? De vlek op de muur was viezer dan het plaatje van de vrouw!" Ook schrijft hij dat zijn vader bij 'die andere vrouw' is gaan wonen en dat hij daar de hele dag mee neukt. Om te bewijzen dat hij op zijn vader leek , wilde hij ook veel gaan neuken. Met iedere vrouw die Max tegenkwam, wilde hij wel seks hebben.
"Stop deze brief in een fles en breng deze naar de zee. Zo wil ik gewiegd worden door de enige die mij nog wiegen kan."

Een paar dagen later pleegt Max zelfmoord: hij is tijdens een stormachtige avond uit de inrichting ontsnapt, de zee ingelopen en op die manier verdronken. Op de begrafenis komen weinig belangstellenden. Wouter ziet zijn bewegingstherapeut Fulham uit het revalidatiecentrum, dokter Vrasdonk, de vader van Max en een onbekend meisje. Als Wouter tijdens de receptie na de begrafenis nog eens goed kijkt naar het meisje, schrikt hij. Het is twee druppels water Max. De gelijkenis is angstaanjagend. Ze kijkt hem aan met de ogen van Max. Leo, de vader van Max, legt alles uit aan Wouter na de begrafenis.. Het meisje heet Mara en is de dochter van Leo, het halfzusje van Max.

Tijdens de oorlog had Leo een verhouding met een andere vrouw, Anna. Beide vrouwen hadden een volkstuintje. Hij at thuis zijn maaltijden en fietste daarna naar Anna, waar hij nogmaals aan tafel ging. Omdat hij als enige persoon in zijn directe omgeving tijdens de oorlog kilo’s aankwam, biechtte hij de affaire maar op aan zijn vrouw. Die ging vervolgens na de oorlog met een soldaat mee naar Canada om daar te trouwen en vervolgens te verdwijnen in de massa. Leo woonde toen alleen met Max terwijl hij werkte op de Blookerfabriek. Maar na verloop van tijd had Anna weer contact met hem opgenomen en hervatten ze hun relatie. Dat is de relatie waaruit Mara is geboren. Max had nooit geweten dat hij een half zusje had en Mara had nooit geweten van Max. Ze weet pas een paar dagen dat ze een halfbroertje had. Wouter weet niet hoe hij met al die nieuwe feiten moet omgaan. Mara vraagt hem alles over haar halfbroer te vertellen. Dat doet hij, terwijl hij zijn armen om haar heen slaat. Ontstaat er een nieuwe vriendschappelijke relatie.

Recensies en waardering
Een roman van Bernlef wordt altijd wel besproken in de belangrijkste dagbladen, want de schrijver heeft een goede reputatie.
In het NRC van 9 september 2005 is Arnold Heumakers niet al te positief:
"Na het lezen van een roman van Bernlef heb ik eigenlijk altijd dezelfde reactie: interessante, belangwekkende thematiek, maar wat is het allemaal grauw en grijs opgeschreven! Kraak en smaakloos realisme - zonder dat de inzet strikt genomen realistisch kan worden genoemd. Integendeel, het is niet Bernlefs lust enkel het dagelijkse leven te kopiëren. Voorzover hij dat doet, gebeurt het om de lezer ongemerkt naar iets heel anders, een vreemde dimensie of mogelijkheid, te verplaatsen.
In "De onzichtbare jongen", Bernlefs nieuwste, zijn beide kanten van zijn schrijverschap overzichtelijk verdeeld: het weinig opwindende realisme vult deel één, in deel twee krijgen we iets te zien van de achterkant van het tapijt, de raadselen van het lichaam en de valkuilen van de geest. Ik moet bekennen dat eerste deel met moeite te hebben uitgelezen; zo saai en overbekend kwam het verhaal over een jeugdvriendschap in de jaren vijftig mij voor."


Aleid Truijens vindt een week later (16 september 2005) in De Volkskrant dat het eerste deel van de roman veel beter is dan het tweede deel.: " Soms heb je spijt een roman helemaal uitgelezen te hebben. Dat kan zijn omdat er een gekunsteld einde aan gewrocht is, omdat de spanning is weggesijpeld of de personages beginnen te vervelen. Heel soms stelt een boek teleur omdat het te perfect is: een gladgeslepen steen waaraan niemand zich kan bezeren. "De eerste helft van 'De onzichtbare jongen', de tweede roman alweer dit jaar van de productieve Bernlef zonder J., is wondermooi, doodgewoon en mysterieus tegelijk. Net als in het onlangs verschenen 'Een jongensoorlog', een herschreven versie van Bernlefs autobiografische debuutroman 'Stukjes en beetjes', draait het hier om een jongen voor wie omstandigheden in de Tweede Wereldoorlog zijn kijk op de wereld hebben bepaald."
Maar aan het einde (deel II) concludeert ze: "Alles klopt ten slotte als een bus, maar de roman overtuigt niet meer. De preoccupatie met taal en waarneming waarmee de traag lopende Wouter ineens is behept, is die van Bernlef; zij past niet bij Wouter, evenmin als de metaforische stijl van Max' dagboek past bij een verward natuurkundewonder. De roman blijkt ten slotte, behalve een onwaarschijnlijk happy end, ook nog een heus Droste-effect te herbergen: er duikt een 'man met broshaar' op die wel wat op de schrijver lijkt. De aantekeningen die hij in zijn blocnootje krabbelde, zijn de openingszinnen van de hoofdstukken. We zijn rond. Het is allemaal knap en vakkundig gedaan. Maar de ziel is eruit."

Op 28 september 2005 bespreekt Sarah Sloot op de internetsite van 8weekly de roman onder de titel "Over atletiek en kennis": "'De onzichtbare jongen' is grotendeels een prettig leesbaar boek, geschreven in Bernlefs vlotte stijl. Het verhaal wordt echter geforceerd onderbroken door de inleidende stukjes tekst die iedere paar bladzijden opduiken, waarin soms Wouter rechtstreeks wordt aangesproken ("Op grond daarvan kon je misschien voorspellingen doen.") en soms een situatie wordt weergegeven ("Aan een windmeter heb je niets als de wind hem wegwaait"). Ook weet Bernlef Max' psychische problemen niet zo overtuigend neer te zetten zoals hij dat deed in Hersenschimmen, want meer dan het verhaal van de jongen die onzichtbaar wilde zijn, is de roman het verhaal van Wouter geworden. Maar dat is een keuze."

Op 22 november 2005 gaat Bianca van Zundert in op de roman onder de titel "Het onzichtbare blijft": Zij concludeert: "Ondanks het feit dat het allemaal goed in elkaar zit en de wat onbeholpen vriendschap tussen de twee jongens ontroerend beschreven wordt, mis ik iets in 'De onzichtbare jongen'. Misschien komt dat doordat hoofdpersoon Wouter wat op afstand blijft doordat hij zo vriendelijk, nuchter en normaal is. Hij reageert vrij gelaten op alles in zijn omgeving, wordt nooit eens echt boos of laat verdriet zien.
De nieuwe Bernlef blijft op de een of andere manier niet hangen; het is een boek dat prettig leest, mooie thematiek bevat, maar zodra het uit is, is het ook vrij snel uit je gedachten. Zo blijft het slechts veelbelovend, zoals de levens van Bernlefs hoofdpersonen. De contouren van 'De onzichtbare jongen' worden onthuld, het hart wordt niet geraakt. Een goed verhaal, meer niet."


Over de schrijver
De Nederlandse schrijver J. Bernlef werd geboren in 1937 te Sint Pancras bij Alkmaar als Hendrik Jan Marsman. Het gezin woonde in Amsterdam en Haarlem. Bernlef studeerde na de HBS een half jaar aan de universiteit.
J. Bernlef richtte in 1958 met G. Brands en K. Schippers het literaire tijdschrift Barbarber op. Aan het begin van de jaren zestig was hij werkzaam bij een boekenimporteur in Amsterdam.
Bernlef debuteerde in 1960 als dichter met de bundel "Kokkels". Hij heeft een omvangrijk oeuvre geschreven, dat naast gedichten bestaat uit romans, verhalen, essays en toneelwerken.
Zijn eerste roman was "Stukjes en beetjes" (1965) die in 1989 werd herschreven onder de titel "Achterhoedegevecht". "Sneeuw" en "Meeuwen" werden populaire romans op boekenlijsten van scholieren. "Hersenschimmen" (1984) was de meest succesvolle roman tot nu toe. Het verhaal over een dementerende man werd bewerkt voor toneel en in 1988 verfilmd.

Van 1977 tot 1987 was Bernlef redacteur van Raster. Bernlef was ook als criticus van poëzie actief voor de Haagse Post. Hij bekleedde verschillende bestuursfuncties in de culturele wereld. Hij zette zich bijvoorbeeld in voor het PEN Emergency Fund. Dit fonds helpt onderdrukte schrijvers.

De Constantijn Huygensprijs werd in 1984 aan hem toegekend. Ook werd zijn werk bekroond met de AKO- Literatuurprijs en de P.C. Hooftprijs.

Andere belangrijke werken van J. Bernlef zijn:
- Stenen spoelen (1960)
- Stukjes en beetjes (1965)
- Het verlof (1971)
- Sneeuw (1973)
- Meeuwen (1975)
- Zwijgende man (1976)
- Anekdotes uit een zijstraat (1978)
- Onder ijsbergen (1981)
- Alles teruggevonden / niets bewaard (1982)
- Regen (1982)
- Winterwegen (1983)
- Eclips (1993)
- Boy (2000)
- Buiten is het maandag (2003)
- Een jongensoorlog (2005)

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

7174

reacties

Mooie symbolische titelverklaring! Maar... -Thematiek- in het boek komt wel degelijk naar voren waarom Max gestoord wordt. Hij slaat namelijk alle informatie op die hij door ogen en oren opneemt. Hij was waarschijnlijk gewoon autistisch maar wisten ze dat niet. Groetjes, Simone
door Simone (reageren) op 6 november 2006 om 23:18
@Simone: Dat heb je goed gezien
door Dat heb je goed gezien Simone (reageren) op 8 januari 2015 om 12:44
Dit is het beste boekverslag van dit boek, maar de beschrijving van de hoofdpersonen ontbreekt.
door Daniel (reageren) op 17 juni 2011 om 18:41
De beschrijving van de hoofdpersonen ontbreekt
door Brood (reageren) op 8 januari 2015 om 12:41
ik had heel veel moeite de motieven en leidmotieven te beschrijven Was er wel een leidmotief
door Ineke (reageren) op 6 maart 2018 om 21:24

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Hoge waardering

Kees van der Pol zeker weten goedZeker Weten Goed
Kees van der Pol Docent8.1
Anoniem4e klas vwo7.2
Roos 5e klas havo7.0
Marleen 5e klas havo7.1
joanne5e klas vwo5.4
Meer verslagen ›