Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Wanda Bommer

auteur

vrouw

Nederlands


In 1969 werd ik geboren in Amsterdam. Mijn ouders vonden het nodig om mij en mijn zus ‘buiten’ op te laten groeien, dus als kleuter verhuisd naar een Westfries dorp: Grootebroek. Ligt naast Lutjebroek, en ja, dat bestaat echt.

(EEN STUKJE NONFICTIE VAN EN OVER WANDA BOMMER)

In 1969 werd ik geboren in Amsterdam. Mijn ouders vonden het nodig om mij en mijn zus ‘buiten’ op te laten groeien, dus als kleuter verhuisd naar een Westfries dorp: Grootebroek. Ligt naast Lutjebroek, en ja, dat bestaat echt.

Mijn eerste verhaal schreef ik toen ik vijf was: Hut meisju n hut paart. Al snel gevolgd door Sinturklas is liv, Bir in hut bos en andere fantasievolle werken. Ik vond het belangrijk om mensen te vermaken. Elke maandagochtend op school vertelden de kinderen wat ze afgelopen weekend gedaan hadden. Ik vertelde steevast een mop of sterk verhaal. Als ze maar moesten lachen.

Zodra de mogelijkheid zich voordeed, teruggekeerd naar Amsterdam. Ik was een jaar of zeventien. Via een stage beland bij boekingskantoor Columbus Rock Division, waar ik onder andere voor De Dijk werkte. Naast het werk op het kantoor een duizelingwekkend aantal rondjes gedraaid door het Nederlandse clubcircuit. Met verschillende bandjes, in uiteenlopende functies. Tourmanager, merchandiser, chauffeur, drumroadie, vaak alles tegelijk. Dat waren nog eens tijden, man.

Ergens in het begin van de jaren negentig begon De Dijk een eigen kantoor en ik ging met ze mee. Een tijdlang met alle vormen van genoegen daar de scepter gezwaaid en de boekingen gedaan. In 1999 kreeg ik een baan aangeboden als boeker bij Mojo Concerts. Ik bleek een sluimerende behoefte te hebben om mijn vleugels uit te slaan. Dus na een groots afscheidsfeest met tranen en sentiment, mijn Dijkvrienden achtergelaten en de baan in Delft geaccepteerd.

Forensen. Een woord met hetzelfde effect als de koude vingers van een reeds lang overleden machinist langs je ruggengraat. Eenzaamheid. Verwaaide stations. Regen. Na een jaar stond ik – met hangende vleugels – weer bij De Dijk op de stoep. Die mij liefdevol weer in hun nestje tilden. Sindsdien peins ik er niet over om ooit nog te stoppen met de boekingen voor De Dijk. Het is afwachten wie er eerder met pensioen gaat, zij of ik.

Tussen de bedrijven door ben ik minstens honderd keer aan een roman begonnen. Want dat schrijven, dat liet me niet los. Dan had ik een aardige openingszin en dan dacht ik: ja, dit wordt een roman! Maar na een regel of twintig zat ik vervolgens muurvast. Voor mij geldt: zonder plan geen roman. En niet alleen omdat het rijmt. Bovendien: ik was nooit thuis. En schrijven is uiteindelijk toch een kwestie van, ja, schrijven. En dat kost tijd. 

In de lange, hete zomer van 2001 werd mijn dochter geboren. Naast alle andere vreugde die zulks met zich meebrengt, werd ik daardoor gedwongen om avonden thuis door te brengen. Binnen de kortste keren had ik al het achterstallig foto-inplakwerk verricht. Was ik klaar voor wat, laten we zeggen, verdieping. Schrijven! Nu dan! In 2003 begon ik aan de Schrijversvakschool. Een ontdekking. Gelijkgestemde zielen, geheimen van de smid, steekhoudende commentaren. 

Begin 2005 verscheen mijn eerste kort verhaal in druk. In Hollands Maandblad. Dat smaakte naar meer. En het werd gelukkig ook meer, want sindsdien worden er met regelmaat verhalen van me gepubliceerd. In januari 2008 was het dan eindelijk zo ver: mijn debuutroman kwam uit. Bij Nijgh en van Ditmar. Een uitgeverij waar rock & roll door de literaire aderen stroomt, geluksvogel dat ik ben. Inmiddels weet ik: er is niets dat zo lekker ruikt als het eerste exemplaar van je eigen boek. Dus dat wordt gewoon doorschrijven, de rest van mijn leven. Gelukkig wel.