Geschreven door: | Lala (4 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 30 januari 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 3.950 |
Bekeken: | 4428 keer (2 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
A. Bron 10, 12, 13
Het liberalisme is het geheel van ideeën over mens en maatschappij waarbij vrijheid en individuele ontplooiing centraal staan. Op politiek gebied streeft het liberalisme naar een op grondwet gebaseerde parlementaire regeringsvorm. Op economisch gebied naar vrijhandel en particulier winststreven. De bemoeienis van de overheid met de samenleving moet tot het minimum beperkt worden. In staatkundig opzicht willen zij de staatsregeling vastleggen in een grondwet, waarin ook de grondrechten van de burgers moeten worden gegarandeerd.
Liberalisme, een complex van politieke ideeën, economische theorieën, opvattingen betreffende de inrichting van de samenleving en algemene denkbeelden omtrent de rechten en de bestemming van de mens als maatschappelijk wezen, die alle met elkaar gemeen hebben: de verwerping van al die beperkingen die het individu al a priori beletten zich geestelijk en stoffelijk zo ver te ontplooien als de hem van nature meegegeven mogelijkheden zouden toelaten (verwerping van politieke en maatschappelijke privileges, van de standenmaatschappij, van het absolutisme, van inperking van de economische vrijheid, van dogmatische bindingen op de gebieden van geloof en denken).
In positieve zin acht het liberalisme de vrijheid van het individu, die het als hoogste goed beschouwt, op politiek gebied het best gewaarborgd door parlementair-constitutionele regeringsvormen (checks and balances) onder uitschakeling van de staatsmacht of althans beperking van de staatsmacht tot die bevoegdheden die nodig zijn om de openbare orde te handhaven en anarchie te voorkomen. Op sociaal gebied acht het liberalisme de vrijheid daar aanwezig, waar een ieder de mogelijkheid bezit om op grond van zijn persoonlijke hoedanigheden zijn positie in de samenleving te kiezen, te verbeteren en te beleven op basis van eigen verantwoordelijkheid. Op economisch gebied ziet het de vrijheid verankerd in het recht op economisch initiatief en het particuliere eigendom; vrijhandel, vrijheid van onderneming en vrije concurrentie zijn wel de belangrijkste leuzen van het economisch liberalisme geworden. Sociale en economische vrijheid vinden echter hun grens daar waar de vrijheidsbeleving van de een de ontplooiing van de ander belemmert.
Bron: Encarta encyclopedie
Bron 10
Deze tekst is een liberale opvatting omdat er gezegd wordt dat de stelling “De verzorgingsstaat is een onhoudbare staat” te verdedigen is.
Het liberalisme staat voor de minimum bemoeienis van de overheid met de samenleving. Ook vindt het liberalisme dat de staat zich niet, of zo min mogelijk, met de economie moet bemoeien. Zo wordt ook in de bron gezegd dat als de staat zich bemoeit met de economie, dat deze ten onder gaat.
Een verzorgingsstaat kan opgebouwd worden doordat het goed gaat met de economie, maar door diezelfde verzorgingsstaat gaat de markteconomie ten onder. Het liberalisme staat voor “Loon naar Werken”, door de verzorgingsstaat wordt dit principe omgedraaid omdat degene die werken steeds meer moeten betalen voor de mensen die niet werken. Dit is de uitleg voor “De crisis in de verzorgingsstaat is primair het gevolg van het feit dat de verzorgingsstaat langzaam maar zeker de peiler ondergraaft waarop hij zelf berust: de markteconomie. Maar dat is niet alles. De verzorgingsstaat ondermijnt bovendien de twee overige peilers van “de goede maatschappij”, als ik dat zo mag uitdrukken: de rechtstaat en het maatschappelijke middenveld.
Bron 12
Ook in deze bron geldt weer het principe “Loon naar werken”. Ten eerste wordt er gesteld dat het interesse voor het lesgeven aan studenten door leren weg is. Daarom is hij er voor om ook de honorering van leraren te richten naar prestatie. Als daardoor het onderwijs beter wordt, kunnen studenten sneller afstuderen indien er hiervoor meer geld vrijkomt van de overheid. Als studenten eerder afgestudeerd zijn, doen ze eerder mee in de maatschappij en komt het geld eerder terug. Daarom lijkt het hem ook verstandig om alleen de echt intelligente studenten te laten studeren omdat die dan ook, na de studie, daadwerkelijk een goede baan krijgen en de overheid door middel van belasting terug kunnen betalen. Dit is een liberale opvatting doordat weer dat “Loon naar werken” naar voren komt. De confessionelen vinden dat, in de zin van het Christendom, medemenselijkheid getoond moet worden, en dat is bij deze bron niet het geval.
Bron 13
Weer geldt er het principe “Loon naar werken”. Zo zien we dus dat de hoofdzaak bij het liberalisme “Loon naar werken” is en dus opkomt voor het individualisme. Deze bron geeft aan dat de WAO en het echte loon een heel stuk uit elkaar moeten liggen. “Werkloosheid ontstaat omdat arbeid te duur is”. Een voorbeeld:
Iemand met een sociale uitkering wordt onderhouden door het werkende deel van de bevolking. Als de uitkering omlaag gaat, kan het werkende deel ook goedkoper worden omdat de sociale verzekeringen omlaag gaan, hierdoor kunnen de producten die gemaakt worden voordeliger de markt op. Dit verbetert onze economische positie. De producten uit Oost-Europa en Oost-Azië zijn zo goedkoop omdat de arbeid goedkoper is. Dit komt weliswaar door onderbetalingen en het ontbreken van sociale voorzieningen, maar ze zijn wel goedkoper. En daarom moeten in Nederland die uitkeringen omlaag, zowel voor de lagere prijs van producten als de extra reden die werklozen dan hebben om weer te gaan werken.
Bron 11, 14
Confessioneel is afgeleid van confessie: ‘bekentenis’ of ‘geloofsbelijdenis’, Confessioneel is handelen volgens een aantal opvattingen over God en godsdienst. Confessionele partijen zijn partijen die christelijke overtuigingen als uitgangspunt voor hun politieke beleid willen nemen en de samenleving naar Gods wetten willen richten.
Christen-democratie, de in de 19de en 20ste eeuw in Europa en Latijns-Amerika tot ontwikkeling gekomen beweging die een politiek, sociaal en economisch programma nastreeft, dat voortvloeit uit de principes van de christelijk-sociale leer. Zij omvat niet alleen politieke partijen, maar ook sociale organisaties, zoals vakbonden, jeugd- en vrouwenorganisaties.
Meestal is zij het werk van rooms-katholieken, maar in sommige landen (Nederland, Duitsland, Zwitserland) is ook de protestants-christelijke inbreng van grote betekenis. In de christen-democratische ideeën zijn enerzijds variaties te ontdekken in de politieke programma's, gebonden aan tijd en plaats, anderzijds zijn er ook constante elementen, voortkomend uit de christelijke levensopvatting. Dit zijn: het benadrukken van geestelijke en morele waarden in de samenleving (bij kwesties zoals abortus), eenheid van de samenleving (tegenover de klassestrijdopvatting), personalisme (als antwoord op individualisme en collectivisme), pluralisme in de samenleving, subsidiariteitsbeginsel (staatsinterventie alleen daar waar het particulier initiatief tekort schiet, en dan liever via lokale dan via centrale overheden), benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van individu en kleine gemeenschap, bescherming van de private sfeer (eigendomsrecht, bezitsspreiding, gezin en familie), georganiseerde samenwerking van kapitaal en arbeid (via publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, medezeggenschap, georganiseerd overleg), het garanderen van bestaanszekerheid aan de arbeider en het bevorderen van onderwijs en vorming.
Bron: Encarta encyclopedy
Bron 11
De confessionelen handelen in de eerste plaats volgens een aantal opvattingen van God. De staat moet, volgens de confessionelen, in de zin van het Christendom medemenselijkheid tonen. Dit komt in deze bron tot uiting doordat men mensen wil bewegen te werken of eventueel scholing te volgen (omscholing). De WAO wordt dan dus wel zodanig dat men er van kan kleven, maar de WAO-ers wel stimuleert weer te gaan werken. Tegelijkertijd garandeert de overheid de inkomensvoorziening voor mensen die geen werk meer kunnen of hoeven te verrichten. Het geld dat hiervoor nodig is wordt wel weer door de medemens betaald.
Bron 14
Confessionelen reageren op een opvatting van dhr. Van de Copello. Er kwam een wetsontwerp om de eisen van bijzonder onderwijs te verzwaren. Echter ging dit niet gepaard met subsidiemogelijkheden. Dit is een liberaal wetsontwerp omdat ze wel eisen hebben aan het onderwijs, maar hier geen subsidies voor gaven. Dat moest de kerk betalen, vonden ze. (“Loon naar werken” komt hier ook weer terug.)
Het protest tegen het wetsvoorstel is al een argument waarom deze bron confessioneel is. De confessionelen vonden dat deze eisen door de overheid betaald moesten worden. (Ook hier weer de medemenselijkheid van de confessionelen.)
B. VVD Nu
De VVD heeft zich binnen het Nederlandse politieke bestel ontwikkeld tot de min of meer natuurlijke tegenpool van de Partij van de Arbeid. Oud sloot zelfs vanaf 1959 samenwerking met de socialisten uitdrukkelijk uit; de PvdA deed vanaf 1967 hetzelfde in omgekeerde richting. Aan het eind van de jaren zeventig gaf de VVD deze uitsluiting formeel op en in 1982 deed de PvdA hetzelfde. In 1994 bleek dit in de praktijk, toen VVD en PvdA samen met D66 een coalitie vormden.
Door haar opstelling rechts van de christen-democratie en door haar geregelde pleidooien voor belastingverlaging en vermindering van overheidsuitgaven kwam de VVD in het oog van haar politieke concurrenten in de geur van politiek conservatisme te staan. Gedurende de jaren zestig leidde dat ertoe dat zich authentiek liberaal noemende leden, hetzij lid van de Jongerenorganisatie voor Vrijheid en Democratie (JOVD) en het Liberaal Democratisch Centrum hetzij betrokken bij het zelfstandige maandblad Liberaal Réveil, zich van de VVD verwijderden en zich aansloten bij Democraten '66 (Gruijters, Glastra van Loon) of zelfs bij de PvdA (H. Roethof).
Sedert haar oprichting heeft de VVD haar aanhang bij verkiezingen vrijwel voortdurend zien groeien: van 7,9% in 1948 tot 12,2% in 1959, waarna een lichte terugval volgde. Na een korte stabilisatieperiode steeg de aanhang van de VVD in 1972 (14,4%) en 1977 (18,0%) tot ongekende hoogten. Ondanks een lichte terugval in 1981 (17,3%), moet de populariteit van de VVD in deze periode in verband worden gebracht met het leiderschap van Hans Wiegel, die van 1971 tot 1982 fractievoorzitter was in de Tweede Kamer, met onderbreking in de jaren 1977–1981, toen hij vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken was. Ook zijn opvolger, Ed Nijpels, behaalde als lijsttrekker een groot succes, toen de VVD bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1982 23,1% van de stemmen verwierf (36 kamerzetels). Daarna ging het echter bergafwaarts.
In 1986 werd Nijpels ‘weggepromoveerd’ naar het kabinet, maar zijn opvolger, Joris Voorhoeve, wist de neergang niet te stoppen. In 1989 was de VVD weer terug op het niveau van 1972 (22 kamerzetels). Frits Bolkestein werd fractievoorzitter en leidde de partij naar een verkiezingswinst in 1994 met negen zetels. In dat jaar trad de VVD toe tot het kabinet-Kok (het ‘paarse’ kabinet van PvdA, VVD en D66). Frits Bolkestein bleef fractievoorzitter.Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten werd dit door de kiezers zodanig beloond, dat de VVD in de Eerste Kamer de grootste fractie werd. Sinds februari 1997 levert ze tevens de voorzitter in de persoon van Frits Korthals Altes. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in mei 1998 werd de VVD een van de grote winnaars: zij zag haar zetelaantal met zeven stijgen naar 38. Het paarse kabinet werd geprolongeerd in het tweede kabinet-Kok, waarin Annemarie Jorritsma namens de VVD vice-premier werd. Hans Dijkstal volgde Frits Bolkestein op als fractievoorzitter.
Bron: Encarta encyclopedy
Misdaad. Ik vind persoonlijk dat “misdaad” ook onder “sociale zekerheid” hoort. Daarom vertel ik ook wat de VVD hier aan wil doen.
Het doel van de VVD is meer blauw op staat te krijgen. Ze willen veel meer agenten die zo min mogelijk achter hun bureau zitten. “Want”, vinden ze, “boeven vang je op straat, en niet achter je bureau. (Ze komen zich zelden zelf aangeven.”
De VVD vindt dus dat de criminaliteit hoognodig moet worden aangepakt. Ze hebben daarom een enorm bedrag gereserveerd: 500 miljoen euro boven op de 800 miljoen die al in de begroting zit. Wat gaan ze daarmee doen?
Effectief politieoptreden: niet alleen blauw op straat, maar ook meer rechters, meer officieren van justitie en meer cellen.
Preventie: voor jeugdzorg en opvoedingsondersteuning trekt de VVD 150 miljoen extra uit.
De strafmaat verhogen: daardoor zullen we ook creatiever moeten omgaan met de gevangenisruimte.
Over de kwaliteit van onderwijs en zorg is met de VVD niet te onderhandelen: die moet TOP zijn. Helaas is dat op het moment niet het geval. De VVD wil daarom een aantal zaken anders geregeld zien.
Meer vrijheid, minder regels: om aan de hoge verwachtingen te kunnen voldoen en wachtlijsten te bestrijden krijgen scholen en ziekenhuizen meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
Controle op prestaties: scholen en ziekenhuizen worden afgerekend op kwaliteit en doelmatigheid.
Meer concurrentie: door vraag en aanbod de ruimte geven, krijgen leerlingen en patiënten meer vrijheid om zelf te kiezen
Extra personeel: werken in het onderwijs en de zorg wordt gestimuleerd
De VVD wil zoveel mogelijk mensen weer aan het werk helpen doordat de kwakkelende economie alleen nog maar gezond kan worden als zij weer in beweging komt. Dit kan op verschillende manieren.
Meer aandacht voor werk: door de uitkeringen strenger te bewaken, het aantal WAO’ers omlaag te brengen, kosten laag te houden en werken weer lonend te maken ten opzichte van een uitkering.
Kinderopvang slimmer regelen: zodat ouders hun werk en kinderen makkelijker kunnen combineren.
Meer ruimte voor bedrijven: verlos het bedrijfsleven van de overmatige druk van de regelgeving. Snoeischaar erin, uitdunnen en vereenvoudigen. Het doel: in vier jaar minstens 2 miljard minder kosten van regeldruk.
De zogenaamde “Zalmnorm” staat wat de VVD op geen enkele manier ter discussie. Het is immer de gedegen basis geworden van ons begrotingsbeleid. Daarnaast kunnen ze nog meer doen om de begroting solide te houden:
De overheid afrekenen op prestaties: als zaken zonder overheidsgeld of belastinggeld kunnen worden gerealiseerd, dan moet de overheid zich geheel of gedeeltelijk terugtrekken.
Niet tornen aan de AOW en een degelijke pensioensvoorziening: we moeten blindelings op onze pensioenen kunnen vertrouwen.
De staatsschuld in één generatie aflossen: dan worden onze kinderen straks tenminste niet opgezadeld met een schuld die wij hebben opgebouwd, terwijl ze ook al gevraagd wordt mee te betalen aan toenemende AOW-lasten.
Ook wil de VVD
Meer zekerheid voor bezitters van een eigen huis: Hypotheekaftrek moet blijven, onroerendezaakbelasting moet afgeschaft worden.
Dit zijn de hoofdpunten van de VVD tegenwoordig. Omdat het CDA en de VVD na de volgende verkiezingen samen willen regeren zijn deze het op het moment tamelijk eens met elkaar. Groenlinks, de SP en andere zeer linkse partijen zijn het natuurlijk absoluut niet met deze partij eens. Jan Marijnissen zei bijvoorbeeld laatst nog: “Bij de VVD is het kaviaar voor weinigen en kruimeltjes voor weingen.”
Hoe de VVD het zal gaan doen is nog een beetje onduidelijk. De peilingen schommelen, maar er bestaat een grote kans dat de VVD en het CDA ook daadwerkelijk samen gaan regeren. Dan zullen we ook zien of deze twee partijen goede of slechte politieke resultaten zullen gaan halen. Het is wel zo dat de afgelopen paar jaar de VVD steeds weer in het kabinet heeft gezeten. De VVD werd ook steeds populairder.
CDA Nu
Christen-Democratisch Appèl (CDA), benaming voor het samenwerkingsverband van Katholieke Volkspartij (KVP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU), opgericht in 1973 en in 1980 omgezet in één christelijke politieke partij.
In tegenstelling tot in andere Europese landen is in Nederland pas in het midden van de jaren zestig een sterke christen-democratische stroming ontstaan. (Zie ook christen-democratie.) In 1966 verscheen Grondslag en karakter, een KVP-rapport dat pleitte voor confessionele samenwerking. Onder invloed hiervan wist de KVP in 1967 een overlegorgaan met ARP en CHU tot stand te brengen, de Groep van Achttien.
De door dit orgaan uitgebrachte rapporten legden sterk de nadruk op de beginselen, met name onder invloed van de ARP. Men sprak zich uit voor confessionele samenwerking. (Een aantal van degenen die hierin geen vertrouwen hadden, stichtte de Politieke Partij Radikalen.) In 1971 werd onder invloed van de KVP-er Piet Steenkamp een stuurgroep, de Contactraad, ingesteld. Deze stond onder zijn voorzitterschap en diende de oprichting van het CDA voor te bereiden.
Het door de Raad uitgebrachte rapport Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij (1972) zei te streven naar het uitkomen met één lijst en programma bij de verkiezingen van 1977; bovendien moesten de drie partijen federatief gaan samenwerken. Via het aannemen van een resolutie door elk der partijen afzonderlijk op hun partijraden, op 23 juni 1973, werd het rapport aanvaard en kwam de federatie tot stand. De politieke samenwerking in de Tweede Kamer kon toen eigenlijk nog geen gestalte krijgen.
In het kabinet-Den Uyl (1973–1977) hadden wel KVP- en ARP-leden zitting, terwijl de CHU in de oppositie was. De partijen waren het voorts niet eens over de zgn. grondslag van het CDA. De ARP stelde dat de leden van het CDA in de vertegenwoordigende lichamen op de evangelische uitgangspunten ‘aanspreekbaar’ moesten zijn, terwijl KVP en CHU voorstanders waren van een ‘open partij’, waarin de vertegenwoordigers die uitgangspunten niet uit persoonlijke overtuiging zouden behoeven te onderschrijven. Op het eerste CDA-congres van 1975 sprak men zich uit voor een open partij.
Behalve het probleem van de grondslag was er ook het vraagstuk van de politieke koers. Vooral in de ARP bestond een aanzienlijke stroming voor regeringssamenwerking met de PvdA.
Dit alles hield de totstandkoming van het CDA als politieke partij niet tegen. Inmiddels was de christen-democratische samenwerking op gemeentelijk niveau nl. al ver gevorderd: het was uiteindelijk het lokale kader, dat via de partijraden de eenheid van het CDA tot stand bracht. De definitieve fusie werd door de drie afzonderlijke partijraden op 3 maart 1979 aanvaard en op 11 okt. 1980, de dag waarop KVP, ARP en CHU zich officieel ophieven, geëffectueerd.
Nadat de verkiezingen van de Provinciale Staten (1974) een positief beeld voor het CDA te zien hadden gegeven, ging men met het door B. Goudzwaard (ARP) ontworpen verkiezingsprogramma en met een gezamenlijke kandidatenlijst de Tweede-Kamerverkiezingen van 1977 in.
Lijsttrekker werd het KVP-lid Dries van Agt die in het kabinet-Den Uyl vice-premier was. Deze verkiezingen leverden één zetel winst op (t.o.v. het totaal aantal zetels van de afzonderlijke partijen in 1972).
De daaropvolgende langdurige onderhandelingen met de PvdA over een nieuw kabinet leverden geen resultaat op; het CDA vormde daarop met de VVD het kabinet-Van Agt (eind 1977).
Fractieleider in de Tweede Kamer werd de antirevolutionair Willem Aantjes. Toen deze in november 1978 moest aftreden, speelde de vraag uit welke partij de fractievoorzitter afkomstig moest zijn, geen doorslaggevende rol meer: het KVP-lid Ruud Lubbers werd zijn opvolger.
Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1981 verloor het CDA één zetel en raakte de CDA-VVD-combinatie haar meerderheid kwijt. Er volgde nu een CDA-PvdA-D66-regering met Van Agt als premier en Den Uyl als vice-premier. Deze combinatie viel binnen het jaar uiteen, waarna vervroegde verkiezingen volgden. Door een reusachtige winst van de VVD ontstond er, ondanks verder verlies van het CDA, weer een CDA-VVD-meerderheid. Lubbers werd premier, terwijl Bert de Vries fractieleider in de Tweede Kamer werd.
De Tweede-Kamerverkiezingen van 1986 gaven ten opzichte van 1982 een omgekeerd beeld te zien: de VVD verloor bijna al haar in 1982 gewonnen zetels weer, maar Lubbers voerde het CDA naar een dusdanig grote verkiezingswinst dat een CDA-VVD-regering onder zijn leiding kon worden bestendigd. Het kabinet-Lubbers-II viel echter in mei 1989. De daaropvolgende verkiezingen brachten, door een ernstig verlies van de VVD, de PvdA weer naast het CDA in de regering. Lubbers werd voor de derde achtereenvolgende keer minister-president. Eelco Brinkman werd fractievoorzitter in de Tweede Kamer.
De verkiezingen voor de Tweede Kamer van 3 mei 1994 verliepen desastreus voor het CDA: de partij zakte van 54 naar 34 zetels. Voor het eerst in honderd jaar verdwenen de confessionelen in de oppositie, want bij de formatie werden PvdA, VVD en D66 het eens over ‘paars’, de nieuwe coalitieregering. Peilingen voorspelden een nòg zwaarder verlies voor de partij en zijn leiderschap werd binnen en buiten de partij bekritiseerd. Fractieleider Enneüs Heerma trad na ernstige kritiek in maart 1997 af als fractieleider.
Sinds maart 1997 is de katholieke diplomaat Jaap de Hoop Scheffer leider van de partij, met de taak het CDA terug op het voorplan te brengen. De Tweede-Kamerverkiezingen van mei 1998 brachten opnieuw verlies; het CDA zakte van 34 naar 29 zetels.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 1998 leed het CDA een klein verlies (20,2 procent van alle uitgebrachte stemmen, in 1994 was dit 21,4 procent). Het CDA kreeg verhoudingsgewijs veel stemmen in de kleine gemeenten.
Bron: Encarta encyclopedie
Het CDA heeft een aantal speerpunten voor de volgende verkiezingen.
In deze speerpunten zie je dat “solidair” een hoofdpunt is van hun programma.
Extra investeren in kinderbijslag, kinderopvang en studiekosten.
De extra kosten van kinderen voor wonen en zorgverzekering worden overgeheveld naar de kinderbijslag en de kinderkorting.
Het stichten van nieuwe scholen dient makkelijker te worden door verlaging van de stichtingsnormen en het richtingsvrij kunnen plannen. Onderwijs van de ouders met een eigen profiel wordt zo weer mogelijk gemaakt.
Daarnaast zal in de komende kabinetsperiode worden toegewerkt naar een specifieke kinderkorting voor kinderopvang (tot 12 jaar) en studie- en onderwijskosten (vanaf 12 jaar)
Het CDA wil een minister van Gezins- en Jeugdzaken. Deze minister zorgt voor intergratie van de familiebelangen binnen elk beleidsterrein.
Uitbreiding ouderschapsverlof
Het onbetaald ouderschapsverlof voor beide ouders zal worden uitgebreid van 3 maanden naar 4,5 in aanvulling op de Wet Arbeid en Zorg
Langdurig mantelzorgverlof
Voor zorg die samenhangt met langdurige verzorging van mensen die ziek zijn, betsaat de collectieve verzekering AWBZ. Het huidige persoonsgebonden zorgbudget wordt drastisch vereenvoudigd en algemeen toegepast. De zorgvrager kan uit het persoonsgebonden budget zelf de combinatie van diensten van een thuiszorgorganisatie en mantelzorger(s) kiezen.
Levensloopverzekering
Het spreiden van aandachtsprioriteiten en inkomen van de levensloop mogelijk maken.
Arbeid- en rusttijden
Het CDA beschermt de zondag als collectieve rustdag, daarbij behoort geen verdere verruiming van de winkeltijdenwet. ( Handelen volgens opvattingen van God)
De WAO instroom met een derde te doen dalen en WAO-ers bemiddelen naar werk. Dat willen ze gaan doen door de volgende maatregelen toe te passen:
Een verlenging van de loondoorbetalingwet voor werkgevers bij ziekte van 1 naar 2 jaar.
De overheid beperkt de wetgeving en is verantwoordelijk voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, voor geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikten, met een helder en medisch duidelijk toepasbaar arbeidsongeschiktheidscriterium. Werkgevers en werknemers zijn verantwoordelijk voor de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Investeren in oude werknemers.
Het in dienst nemen van oudere werknemers wordt ook financieel aangemoedigd
Gesubsidieerde banen
De gesubsidieerde banen (ID-banen op grond van de Wet Inschakeling Werkzoekenden) worden geleidelijk afgebouwd.
Aanpak van misbruik sociale voorzieningen en verzekeringen
Misbruik en oneigenlijk gebruik maken van met name bijstand, WW en WAO worden streng aangepakt. De toezichtinspanningen van het Rijk op de uitvoering van de bijstand worden vergroot.
De school wordt zelf verantwoordelijk
De overheid zorgt voor een adequate bekostiging per leerling, stelt de eindtermen vast en zorgt voor de bewaking van de kwaliteit. Hoe het onderwijs wordt gegeven is de verantwoordelijkheid van de scholen zelf. Dat geldt ook voor het huisvestingsbudget dat van de gemeente overgeheveld moet worden naar de scholen.
De overheid gaat uit van een kleiner kerncurruculum van het initieel onderwijs.
Ook het vak Lichamelijke Opvoeding hoort bij het kerncurriculum van het basis en middelbaar onderwijs. Hiervoor moeten vakleerkrachten worden aangetrokken, zodat de kwaliteit van dit belangrijke onderdeel wordt gewaarborgd.
Ouders participeren in het bestuur van het openbaar onderwijs, hetzij door middel van bestuurcommissies, hetzij door middel van stichtingsbesturen
Patiënten bepalen zorgaanbod, niet Den Haag
Het CDA kiest voor een nieuw stelsel in de gezondheidszorg: het door de overheid gestuurde aanbodmodel (budgetfinanciering) wordt omgebouwd naar een door burgers bepaald vraaggestuurd stelsel via een privaatrechtelijk verzekeringsstelsel onder publieke waarborgen
De instellingsbudgettering en –bekostiging worden vervangen door financiering op basis van de geleverde zorg tegen transparante en reële kostprijzen.
Naast de (na-) zorg dient preventie inde gezondheidszorg te worden versterkt, b.v. door ontmoediging van tabak-, alcohol-, en druggebruik en de bevordering van meer bewegen.
Solidair met zieke mensen
De solidariteit tussen zieken, gezonden, ouderen en jongeren wordt geregeld via een acceptatieplicht voor zorgverzekeraars. Die bieden daarbij in elk geval een standaardpolis aan dat gelijkwaardig is aan het huidige ziekenfondspakket tegen een premie die geen onderscheid maakt tussen zieken en gezonden. Alle verzekerden kunnen van verzekeraar veranderen als men betere dienstverlening of lagere kosten wenst.
Zorg over de grens
Het ziektekostenstelsel dient in overeenstemming te worden gebracht met het Europese principe van vrij verkeer en de vrijheid van keuze van de verzekerde. Een patiënt dient dus vrij te zijn om ook voor een behandeling over de grens te opteren
Meer zorg in de laatste levensfase
Het CDA vindt dat de financiering van de zorg in de laatste levensfase (palliatieve zorg) niet goed geregeld is. Deze vorm van langdurige zorg hoort in het AWBZ-pakket thuis. Via persoonsgebonden budgetten kan de zorgvrager samen met zijn familie kiezen voor zorgverlening in bijvoorbeeld een hospice. Ze kan thuis of in een hospice op eerbiedwaardige wijze van familie, verwanten en het keven afscheid genomen worden.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.