Geschreven door: | Esther (5 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 1 april 2002 |
Taal: |  |
Woorden: | 5.800 |
Bekeken: | 13120 keer (23 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Voorwoord
Wij hebben als onderwerp voor onze praktische opdracht geschiedenis gekozen voor: De zorg voor kinderen in de 19e eeuw. Het gaat dan om de georganiseerde zorg voor wezen, misdadige en verwaarloosde kinderen die zich in deze periode steeds verder ontwikkelde. Omdat deze zorg zich bijna volledig afspeelde in tehuizen hebben we de volgende hoofd- en deelvragen bedacht:
Welke ontwikkelingen hebben de kinderhuizen doorgemaakt in 19e eeuw?
Wat waren de politieke omstandigheden in de 19e eeuw?
Hoe hebben de ideeën over de opvoeding zich in de 19e eeuw ontwikkeld?
Wat voor ontwikkelingen ondergingen de weeshuizen?
Wat voor ontwikkelingen onderging de zorg voor criminele kinderen?
Wat voor ontwikkelingen onderging de zorg voor verwaarloosde kinderen?
Inleiding
De komst van de Franse troepen in 1795 en de daarop volgende Bataafse revolutie zouden grote gevolgen hebben voor de zorg voor wezen en voor verwaarloosde en misdadige kinderen in
Nederland. In 1810 werd Nederland ingelijfd bij Frankrijk. De tehuizen in Nederland werden toen overspoeld met aanwijzingen, besluiten en wetten. Er werden hygiënische maatregelen getroffen zoals de verplichte inenting tegen kinderpokken. Er waren ook besluiten over de inrichting van het onderwijs en over de regeling van de voogdij.
Na het vertrek van de Fransen verkeerden de financiën van de meeste weeshuizen in een droevige staat. Dit kwam doordat de uitbetaling van de rente tot op een derde werd verminderd en de scherp gestegen prijzen van levensmiddelen.
Na het uitroepen van het Koninkrijk onder koning Willem de eerste (1772-1843) werd het Koninkrijk een nationale eenheidsstaat. De weeshuizen zouden de gevolgen van deze nieuwe staatsstructuur merken. De invoering van een nieuw reglement op het stedelijk bestuur in 1824 bevestigde het toezicht van gemeentewege op de besturen van weeshuizen die niet helemaal van hun eigen middelen konden rondkomen. De benoeming van de bestuurders van deze weeshuizen ging, wat eerst werd geregeld door het besloten college van de vroedschap, nu over op de gemeenteraad. Ook het financieel beheer van weeshuizen kwam, voor zover deze stichtingen afhankelijk waren van de gemeente, onder het toezicht van de gemeenteraad. Tegelijk betekende dit voor weeshuizen die, zoals het Utrechtse Burgerweeshuis en het Burgerweeshuis in Harderwijk, niet afhankelijk waren van financiële ondersteuning van de overheid, een impliciete erkenning voor hun zelfstandigheid.
Hfdst 1: Wat waren de politieke en economische omstandigheden in de 19e eeuw?
§ 1.1 Politieke en economische omstandigheden
In Nederland bestond in de eerste helft van de 19e eeuw een grote armoede. Zo’n 12% van de bevolking was permanent of tijdelijk afhankelijk van de bedeling. Meer dan de helft was “potentieel arm”, wat betekende dat in tijden van tegenspoed het bestaansminimum snel werd bereikt. En tegenspoed was er regelmatig, zowel binnen de gezinnen als onder invloed van de afwisseling van goede en slechte tijden in de economie. De zwarte jaren 1845-1849 vormden het absolute dieptepunt. De sinds 1815 aanwezige demografische groei kwam tot stilstand, de zuigelingensterfte liep hoog op, de geboortecijfers daalden en er ontstond een sociale en politieke crisis. Er vonden voedselrellen plaats als gevolg van de schaarste en de hoge prijzen. Ze droegen bij tot de angst voor het ineenstorten van de sociale en morele orde, een angst die rondom 1848 de gehele West-Europese elite in de ban hield.
In 1848 vormden de doctrinair-liberalen (streng), onder leiding van J.R. Thorbecke, Nederland om tot een constitutionele, parlementaire democratie, afgeschermd van de invloed van de massa door middel van het censuskiesrecht.
Aanhangers van de Verlichting waren, behalve in een omvorming van het staatsbestel, ook geïnteresseerd in sociale en educatieve maatregelen in het belang van het Nederlandse volk. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg aangeduid als ’t Nut, was de organisatie die deze maatregelen ging bedenken.
’t Nut was dus geïnteresseerd in onderwijs en opvoeding. ’t Nut bemoeide zich dus ook met de armenzorg. Een van de onderwerpen waar verlichte burgers zich mee bemoeiden was de zorg voor criminele en verwaarloosde kinderen. Dit deden ze natuurlijk ook uit eigen belang, omdat de hele West-Europese elite ongerust was over de bedreiging die uit de lagere klassen van de maatschappij kwam. Maar er was ook een oprechte bezorgdheid over het droevige lot dat velen van die klasse hadden, bijvoorbeeld als ze in gevangenissen zaten.
Na de Franse tijd ontdekte men dat het gevangeniswezen in een slechte toestand verkeerde. Dat was vaak noodlottig voor de gevangenen die uit de lagere klassen kwamen. Toen ze ook nog ontdekten dat tussen het uitschot van de maatschappij ook nog kinderen zaten, vonden de verlichte burgers dat er wat moest gebeuren. In 1823 werden door Willem Hendrik Suringar (1790-1872), J.L. Nierstrasz Jr. (1796-1828) en W.H. Warnsinck Bz (1782-1857) het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen opgericht. Het eerste doel van het genootschap was het scheiden van jeugdige en volwassen gedetineerden.
In 1848 vormde voor de doctrinair-liberalen de nieuwe grondwet van hun voorman Thorbecke een duidelijke overwinning. De orthodox-protestanten en de gematigd conservatieven leden een gevoelige nederlaag. De grondwet van 1848 werd gevolgd door een reeks uit de grondwet voortvloeiende wetten, zoals de Armenwet die in 1854 in werking trad. Deze wet droeg nadrukkelijk het stempel van het protestants-christelijke volksdeel. In deze wet werd het particuliere initiatief bij de armenzorg herbevestigd. Alleen als de particuliere liefdadigheid tekort schoot, zag de overheid een taak voor zichzelf weggelegd. Deze taakverdeling, waarbij de overheid zich in de armenzorg op de tweede plaats stelde, zou tot in de 20e eeuw gehandhaafd blijven. Met de Armenwet van 1912 zou dit subsidiariteitsbeginsel opnieuw worden bevestigd. Deze wet bevestigde de zelfstandige rol van de weeshuizen.
Tegen 1850 was de zorg voor verwaarloosde kinderen een vraagstuk geworden, waarover druk werd nagedacht door orthodoxe protestanten, rooms-katholieken en groeperingen zonder duidelijke geloofsbasis maar met een vrijzinnig protestantse kleur, zoals het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen uit 1823. Het onderscheid in levensbeschouwing zorgde voor specifieke aandacht voor bepaalde categorieën kinderen. Orthodoxe protestanten, zoals dominee Heldring, waren vooral geïnteresseerd in de zwaarste gevallen van de diepst gezonkenen in de meest ellendige toestanden. Gematigder protestanten, zoals Willem Suringar, hielden zich met de iets lichtere gevallen bezig, kinderen die verwaarloosd waren, soms ook al crimineel, maar bij wie een redelijke kans tot redding aanwezig was. Ook de katholieken waren aanvankelijk vooral geïnteresseerd in de gevallen waar nog hoop was.
In de tweede helft van de 19e eeuw breidde hun belangstelling zich uit tot alle categorieën. Nog midden in de bittere armoede van de jaren veertig begon burgerlijk Nederland een stelsel van pedagogische voorzieningen op te zetten. Sommige voorzieningen waren geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden. Toen de welvaart in de tweede helft van de 19e eeuw ging toenemen, kwam een heel netwerk aan tehuizen tot stand.
Na 1870 liep de Nederlandse conjunctuur( = economische omstandigheden) meer gelijk aan de wereldconjunctuur. Na een lange depressie in de jaren zeventig en tachtig kwam er vanaf 1896 hoogconjunctuur. Voor een groot deel van de bevolking verbeterden de levensomstandigheden. In de gezinsbudgetten kwam meer ruimte voor andere uitgaven dan alleen voor uitgaven gericht op de eerste levensbehoeften. Structurele werkloosheid verdween als groot maatschappelijk probleem naar de achtergrond conjuncturele werkloosheid uiteraard niet. De eerste fundamenten voor een sociaal verzekeringsstelsel werden gelegd tijdens het liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius in 1897-1901 en het confessionele kabinet Heemskerk Jzn (1908-1913). De verbeterde omstandigheden hadden een gunstig effect op de sterftecijfers. Het sterftecijfer voor zuigelingen was in de eerste helft van de 19e eeuw, vergeleken met onze omringende landen, op een dramatisch niveau. In het midden van de jaren zeventig was het gaan dalen en kwam op het eind van deze periode onder de grens van 100 sterfgevallen per 1000 geboorten. Door de snelle industrialisatie nam het aantal arme mensen in snel tempo af en liep de vraag naar losse werklieden terug. In plaats daarvan kwamen gespecialiseerde en dus geschoolde arbeiders meer in trek.
Tegen 1890 werden een bijna jaarlijks groeiende stroom wetenschappelijke publicaties uitgegeven. Ze werden geschreven door sociaal bewogen, meestal liberaal georiënteerde juristen. Ze gingen over maatschappelijke problemen zoals criminaliteit, onderwijs, de inrichting van het gevangeniswezen en de armenzorg. Daar was veel vraag naar, want zelfs de overheid liet in 1886-1887 en 1890-1894 enquêtes uitvoeren naar de levensomstandigheden van de arbeiders. Ook ’t Nut ging wat doen. Zij gaf opdracht tot het samenstellen van een reeks rapporten over maatschappelijke kwesties zoals werkloosheid, ziekenfondsen en armenzorg. De onderzoekers waren meestal de juristen. Vanaf 1890 gingen veel jonge juristen hun proefschriften schrijven over maatschappelijke onderwerpen.
§ 1.2 De wetten voor kinderen
De kinderwetten van 1905 vormden het sluitstuk van een reeks van wetten die het bijzondere karakter van de wereld van het kind wettelijk vastlegden en rechten en plichten van de volwassenen ten opzichte van kinderen regelden. De eerste en bekendste wet is natuurlijk het Kinderwetje van Van Houten. Hij is opgesteld in1874 door de liberale minister
S. van Houten (1837-1930). In 1889 is er nog een wet
opgesteld en deze wetten samen zijn de arbeidswetten.
In 1901 is ook de Leerplichtwet van kracht geworden.
Deze wetten hadden de opvatting dat kinderen op school
hoorden te leren en niet in een fabriek, werkplaats of op
het land moesten werken. De arbeidswet zei dat als er
sprake was van overmatige arbeid en verwaarlozing, dat
de overheid, een beperkte, mogelijkheid had tot inbreuk
op de vaderlijke macht. De arbeidswet was nu ook een
pedagogische wet geworden. Bij de wet was nu vast-
gesteld dat de wereld van het kind voortaan thuis of op
school was en niet in de fabriek, de werkplaats of op het
land.
De kinderwetten bestonden uit een burgerlijke en een
strafrechterlijke kinderwet. De burgerlijke wet op de
ouderlijk macht, die op 6 februari 1901 als wijziging van
het Burgerlijk Wetboek in het Staatsblad verscheen, was
met instemming van alle politieke parijen tot stand gekomen.
Het was een principiële wetswijziging waarbij de ouderlijke macht aan de ouders (of de voogd) kon worden ontnomen als maatregel van de kinderbescherming en niet als strafmaatregel. Twee maatregelen werden ingevoerd, de ontzetting (deze bestond wel binnen het Wetboek van Strafrecht, maar werd nu in het Burgerlijk Wetboek ondergebracht) en de ontheffing. Beide maatregelen konden worden genomen in geval de plicht tot opvoeding door onmacht (ontheffing) of door schuld (ontzetting) niet kon worden nagekomen. Ouderlijke macht werd voortaan in de Nederlandse wetgeving eerder een plicht tot opvoeding dan het beschikken over de eigen kinderen.
Bij het ontheffen en ontzetten werd niet, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk, voorzien in staatsvoogdij. Als de overheid de opvoedingsverantwoordelijkheid bij het fout lopen van de opvoeding wegnam van de ouders, werd deze weer gegeven aan de levensbeschouwelijke groep waartoe de ouders behoorden. Het confessionele particulier initiatief vond het belangrijk dat verenigingen bij maatregelen van ontzetting of ontheffing de voogdij over het kind konden krijgen. Die verenigingen beheerden vaak heropvoedingstehuizen of hadden er nauwe relaties mee.
Tegelijk met deze regelingen werd de term “vaderlijke macht” vervangen door “ouderlijke macht”. Maar in de praktijk betekende dit weinig. De minister vond namelijk dat “bij verschil van gevoelen (…) één van beiden moeten beslissen” en wilde daarom vasthouden aan “het beginsel van art. 355, dat in den regel de vader alleen het ouderlijk gezag uitoefent”.
De tweede belangrijke kinderwet, de strafrechtelijke, verscheen op 12 februari 1901 in het Staatsblad als de “Wet houdende wijziging in de bepalingen betreffende het straffen en de strafrechtspleging ten aanzien van jeugdige personen.” De wet ging vooral over misdadige kinderen en de overheid kon worden aangesproken op de toestand van deze kinderen in de Rijksopvoedingsgestichten. Het was een combinatie van straf en (her)opvoeden. Zoals de minister zei: ”Evenzeer als een volwassen persoon, behoort een kin voor zijne daden verantwoordelijk te zijn, zij het dan ook in meer beperkte mate en in anderen zin(…). Het kind heeft nog niet voldoende vermogens om na te denken en onderscheidt de werkelijkheid nog zeer onvolkomen van hetgeen de verbeelding voor oogen toovert.”
Troelstra had weinig vertrouwen in de ouderlijke macht. Deze bestond volgens hem ”uit personen, die nimmer eenige paedagogische opleiding gehad hebben.” Toch gingen de sociaal-democraten uiteindelijk akkoord met een combinatie van straf- en opvoedingsmaatregelen, mits opvoeding het einddoel zou blijven. Troelstra’s collega Van Kol formuleerde het zo: ”Niet straffen, maar genezen, niet wreken, doch behoeden voor den val.”
Hfdst 2: Hoe hebben de ideeën over de opvoeding zich in de 19e eeuw ontwikkeld?
Om te begrijpen hoe er in de kinderhuizen gehandeld werd moeten we ook wat weten over de ideeën over op opvoeding in die tijd. De 19e eeuw is voor de pedagogiek een belangrijke periode geweest omdat er in die tijd veel veranderingen hebben plaatsgevonden.
Vroeger werden kinderen veel eerder dan nu als volwassenen behandeld. Het idee dat er een fundamenteel verschil was tussen volwassenen en kinderen na ongeveer hun zevende jaar bestond niet.
Vroeger was het breken van de wil van het kind van groot belang voor de opvoeding. Tegenwoordig is niet meer het breken maar het oefenen van de wil een doel van de opvoeding.
Het kind heeft nooit een belangrijke rol gespeeld. Het idee dat een kind ook rechten heeft is bijvoorbeeld iets dat pas 120 jaar geleden ontstaan is.
Een van de eerste dingen waarin onderscheiding tussen volwassen en kinderen plaatsvond was dat kinderen nog niet de zelfbeheersing konden opbrengen die in de volwassenenwereld nodig was.
Lange tijd heeft het gezin geen belangrijke rol gespeeld in de opvoeding. In de 17e eeuw werden de kinderen van de adel en de bourgeoisie, als de ouders het konden betalen, uit huis gedaan en door een min opgevoed. Na een aantal jaren kwamen ze dan wel weer terug in huis maar de opvoeding werd nog steeds aan het personeel overgelaten.
In de lagere klassen werden de kinderen veel meer aan hun lot overgelaten. Ze kwamen aan hun opvoeding doordat ze wat tussen de volwassenen ronddwaalden. Vanaf ongeveer hun zevende gingen ze werken.
Iedereen bemoeide zich in die tijd met de opvoeding. Heel de straat, buurt of zelfs dorp had zijn aandeel.
Al aan het begin van de puberteit gingen de kinderen uit huis en gingen ze naar een andere stad om daar in de leer te gaan.
In de 19e eeuw veranderde dit alles. Vooral voor de kinderen van de burgerlijke bovenlaag werd dit een moeilijke tijd. Vooral zelfbeheersing werd getraind. Ze moesten zich onderscheiden van de schreeuwende en ruwe spelletjes spelend kinderen van het lagere volk. Er werd van hen verwacht dat ze geen lawaai zouden maken, lange tijd onbeweeglijk konden zijn en zichzelf niet vuil zouden maken. Om het verschil nog groter te maken moesten ze rondlopen in keurige kleertjes, die spelen bijna onmogelijk maakten, en mochten ze geen contact hebben met mensen van de lagere klassen. Kinderen werden niet meer buitenshuis opgevoed maar juist thuis. Aan de opvoeding en opleiding van de jongens werden hoge eisen gesteld terwijl hun kansen om spoedig economisch afhankelijk te worden klein waren. Ook voor de meisjes was de opvoeding in ingewikkelde omgangsvormen en zelfdiscipline zwaar, terwijl er voor hun weinig toekomstmogelijkheden waren.
In de loop van de 19e eeuw ging de moeder een steeds belangrijkere rol in de opvoeding spelen. Doordat het huishouden minder tijd ging kosten kon ze meer aandacht aan haar kinderen besteden. De relatie van moeders met hun kinderen werd intiemer en minder formeel en hierdoor werd de autoritaire relatie met de vader voor de kinderen vaak ondragelijk.
Het afschaffen van harde drilmethoden in de opvoeding is een belangrijke stap geweest richting de opvoeding zoals die nu is.
Liefde ging een steeds belangrijkere plaats innemen. Pedagogen pleitten al langer voor een liefdevolle behandeling van het kind maar omdat daar veel tijd en moeite van de moeder voor nodig was werd dat pas aan het einde van de vorige eeuw mogelijk. Het straffen was niet langer een belangrijke strategie maar de onthouding van de liefde werd ingevoerd. Hierbij was de chantage met schuldgevoel een belangrijk fenomeen.
In de arbeidende klasse ging het er nog heel anders aan toe. Vaak werkte ook de vrouw en dus was er weinig tijd om aan de opvoeding van de kinderen te besteden. Vaak letten de oudere kinderen op de kleintjes, of de kinderen werden naar dagverblijven gebracht waar verder ook niks met hun gedaan werd. Ook ontstonden er de zogenaamde ’baby farms’ waar ouders hun kinderen permanent tegen betaling konden onderbrengen. Door de lange werktijden maakte de opvoeding haast onmogelijk en afstomping door slechte voeding, alcoholmisbruik en slechte woningen hield de ontwikkeling van de kinderen op een absoluut minimum. Omdat deze kinderen zelf geen opvoeding hadden gehad gingen ze hun eigen kinderen hetzelfde behandelen en hierdoor ontstond er weinig verbetering. Gelukkig kwam er in de loop van de 19e eeuw hulp van buitenaf. Er werden veel instellingen voor hulpverlening opgericht en er kwamen huishoudscholen. Ook het maatschappelijk werk kwam in deze dagen op gang. De opvoeding werd nu ook vanuit andere instellingen ondersteund. De school kreeg een opvoedende taak en werd ook ingeschakeld bij het opvangen van de jeugd buiten schooltijd. Doordat de situatie voor de arbeiders verbeterde, de werktijden werden korter en de opleidingen beter, konden ook zij meer tijd besteden aan de opvoeding van hun kinderen.
Er wordt altijd aangenomen dat de opvoeding in de bourgeoisie strenger was dan die in de arbeidersklasse, omdat de arbeiders minder tijd hadden om hun kinderen op te voeden maar dit is niet helemaal waar. Ook de bewegingsvrijheid va de arbeiderskinderen was zeer beperkt en de omgang met de ouders was zeer autoritair. Zo waren ze in de bourgeoisie aan het einde van de 19e eeuw zover dat de kinderen mochten praten aan tafel omdat dat nuttig was als oefening, terwijl de arbeiderskinderen nog steeds hun mond moesten houden.
Samengevat komt het er op neer dat er in de 19e eeuw veel veranderd is inde opvoeding. Kinderen werden als volwaardig gezien, maar wel duidelijk anders dan volwassenen en het wed duidelijk dat de opvoeding van groot belang was. Wel waren er duidelijk verschillen dus de kinderen van de bourgeoisie en de arbeiderskinderen.
Hfdst 3: Wat voor ontwikkelingen ondergingen de weeshuizen?
Over de aantallen kinderen die in de verschillende weeshuizen verbleven, is maar weinig informatie over. In december 1859 telde Nederland volgens de vierde algemene volkstelling circa dertigduizend ouderloze kinderen van wie er 10.104 in 232 gestichten verbleven. Dus het gemiddeld aantal weeskinderen in een gesticht bedroeg toen ruim 40. Het Utrechtse Burgerweeshuis bijvoorbeeld telde in het jaar van de volkstelling 136 kinderen. Dit was dus een van de grotere tehuizen. Het aantal kinderen in het Utrechtse weeshuis bereikte als gevolg van de cholera-epidemie in 1850 een hoogtepunt van 157 kinderen. Tegen het einde van de 19e eeuw daalde het aantal geleidelijk tot onder de 50, en in de 20e eeuw kromp de weeshuisbevolking tot de omvang van een flink huisgezin. In andere steden in deze periode was er een soortgelijke ontwikkeling.
De interne organisatorische structuur van de weeshuizen was in de 19e eeuw in alle weeshuizen hetzelfde en stamde in veel gevallen nog uit voorgaande eeuwen. Aan het hoofd van het grote weeshuisgezin stonden een man en vrouw, meestal een echtpaar zonder kinderen, die verantwoordelijk waren voor de opvoeding, verzorging en opleiding van de kinderen. Zij werden hierin bijgestaan door een aantal "suppoosten”, in veel gevallen waren dat oudere weduwen of mensen die militair zijn geweest.
De financiële positie van veel tehuizen werd in belangrijke mate versterkt door de opvallende toename in aantal en omvang van de testamentaire schenkingen die ze kregen. In de tweede helft van de 19e eeuw bestond de wezenzorg voornamelijk door deze liefdadigheidsinkomsten. De weeshuisbesturen gingen nu naast geld ook meer tijd en aandacht geven aan het weeshuis en zijn bewoners.
De wezenzorg merkte ook de invloed van de maatschappelijke veranderingen die samengingen met het moderniseringsproces dat Nederland vanaf het einde van de 19e eeuw doormaakte. De stijgende welvaart en de demografische ontwikkeling lieten de behoefte aan opvang en verzorging van weeskinderen verminderen. Hierdoor konden de weeskinderen in Utrecht, die door de snelle groei van de stadsbevolking nog tot circa 1890 in absolute aantallen zouden toenemen, gebruik maken van meer verschillende tehuizen. Hoewel het absolute aantal weeskinderen dat in totaal in de verschillende tehuizen verbleef pas vanaf ongeveer 1890 drastisch begon te verminderen, was het aantal wezen in verhouding tot de totale Utrechtse bevolking al vanaf het midden van de 19e eeuw voortdurend afgenomen. Voor een relatief kleinere groep weeskinderen bestonden in de tweede helft van de eeuw dus steeds ruimere en meer verschillende opvangmogelijkheden.
Er waren nog al wat bepalingen omtrent de opname van kinderen in weeshuizen. De belangrijkste bepaling had te maken met het burgerrecht van de ouders. Daardoor waren de al bestaande weeshuizen in de 16e en 17e eeuw bijna allemaal “burgerweeshuizen”. Daarnaast werden er tehuizen voor verweesde kinderen van niet-burgers opgericht, waarin ook verwaarloosde kinderen, halfwezen, vondelingen en zieke of mismaakte kinderen konden worden opgenomen. Deze meer algemene tehuizen werden meestal gefinancierd uit de stedelijke middelen. Terwijl de burgerweeshuizen en de tehuizen op levensbeschouwelijke grondslag gedeeltelijk of zelfs helemaal werden gefinancierd door particuliere middelen.
Er werd naar de godsdienstige overtuiging van de ouders in de meeste tehuizen tot in de 19e eeuw niet gekeken. De bestuurders van het Amsterdamse Burgerweeshuis zeiden bijvoorbeeld dat “nimmer wordt onderzocht van wat religie de ouders zijn geweest, nog in welke de kinderen zijn gedoopt.”
Het doel van de verzorging en de opleiding van de kinderen in de burgerweeshuizen was de kinderen op te voeden tot “nutte burgers” die voor zichzelf de kost konden verdienen. Om die reden waren zieke, mismaakte of achterlijke kinderen in veel gevallen bij voorbaat uitgesloten van opname. Ook moesten die kinderen een leeftijd hebben die het nog mogelijk maakte hen voldoende onderwijs en opleiding te geven. Zij mochten bij hun opname dus niet te oud zijn.
De burgerweeshuizen vonden de belangrijkste bepalingen in het opnamebeleid de sociale laag waartoe de ouders van de kinderen behoord hadden. Door de afschaffing van het burgerrecht in 1829 verdween de scherpe grenzen van de sociale lagen die hiervoor altijd was. Toch wilden veel besturen zich aan de oorspronkelijke sociale “maatstaf” te houden. Daarom gingen ze zelf kenmerken omschrijven waaraan de ouders moesten voldoen. Zo werd geëist dat de ouders een eerzaam beroep hadden uitgeoefend, geen openbaar schandelijk leven hadden geleid, geen onterende straffen hadden ondergaan en niet bedeling hadden gedaan. Door de toenemende complexiteit van de maatschappelijke gelaagdheid, de opkomst van een arbeidersklasse en de instroom van grote aantallen nieuwe stadsbewoners aan het einde van de 19e eeuw, werd het echter steeds moeilijker de sociale status van de ouders te bepalen. Het gevolg was dus dat de besturen allerlei subjectieve opvattingen gingen gebruiken om te beslissen of een kind opgenomen mocht worden.
Hfdst 4: Wat voor ontwikkelingen onderging de zorg voor criminele kinderen?
Tussen 1795 en1905 ontwikkelde zich een nieuw werkterrein van zorg, namelijk de zorg voor criminele kinderen. In de loop van de 19e eeuw werden tien afzonderlijke gestichten voor criminele jongens en meisjes in het leven geroepen met een capaciteit die groeide van zo’n 100 plaatsen in 1836 naar ruim 800 plaatsen in 1905.
Aanvankelijk waren dat gewone strafgevangenissen, gespecialiseerd in de opsluiting van jongen kinderen, maar later - vanaf het midden van de eeuw- gestichten waar met nadruk de verbetering en opvoeding van kinderen op de voorgrond werd gesteld.
In de praktijk waren er twee categorieën jeugdige criminelen te onderscheiden. In de eerste plaats kinderen die verantwoordelijk werden gehouden voor hun vergrijp en dus een straf kregen opgelegd. Zij werden gestraften of veroordeelden genoemd. In de tweede kinderen van wie de rechter tot de slotsom was gekomen dat zij “zonder oordeel des onderscheids” tegen de wet gezondigd hadden. Deze werden dus vrijgesproken en kregen dus ook geen straf. Daarna waren er twee mogelijkheden: het vrijgesproken kind kon aan zijn ouders of verzorgers worden teruggegeven, of het kind kon naar een verbeterhuis worden gestuurd. Deze kinderen worden opvoedelingen genoemd.
In 1833 werd in Rotterdam de eerste Nederlandse jeugdgevangenis geopend. Het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen vond dat kinderen en volwassenen niet langer samen konden worden opgesloten. In de Rotterdamse inrichting zaten de jongens en meisjes eerst nog bij elkaar en de veroordeelden en opvoedelingen ook. Maar in 1836 werden de meisjes naar een afzonderlijke gevangenis in Amsterdam overgebracht. In de jaren veertig werd er gesproken over de splitsing van veroordeelden en opvoedelingen. Pas in 1857 werden pas de mannelijke veroordeelden en opvoedelingen daadwerkelijk gescheiden. Voor de op te voeden jongens werd er in Alkmaar een afzonderlijk Huis van Verbetering en Opvoeding gebouwd. Voor de meisjes was er een tussenoplossing. De vrouwelijke veroordeelden én opvoedelingen werden in een gebouw in Montfoort ondergebracht. Binnen deze nieuwe inrichting kon een interne scheiding van veroordeelden en opvoedelingen worden doorgevoerd.
In 1886, met de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafrecht en de zogenaamde Gestichtenwet, vond voor criminele kinderen een aantal ingrijpende veranderingen plaats. In de eerste plaats werden alle jeugdgestichten omgevormd tot rijksopvoedingsgestichten. Veroordeelde jongens en meisjes werden vanaf die tijd niet meer in een jeugdgevangenis opgesloten. Nu de meeste gevangenissen in cellen waren ingedeeld, konden de kinderen zonder “besmettingsgevaar” in een gewone gevangenis worden ingesloten. Alleen wanneer ze jonger dan veertien jaar waren gingen jongens naar een speciale, niet-cellulaire afdeling van de gevangenis in ‘s-Hertogenbosch. Veroordeelde meisjes bleven in de gevangenisafdeling van Montfoort.
Na de invoering van de Kinderwetten in 1905 werden er nieuwe, zogenaamde Tuchtscholen geopend in Nijmegen, Haren en Zeist, bedoeld voor het kortstondig straffen van criminele kinderen.
Tussen 1836 (het eerste jaar waarover cijfers bekend zijn) en 1905 verbleven in de jeugdgevangenissen naar schatting ongeveer 10.000 kinderen. Het blijkt dat hun aantal geleidelijk aan toenam. In de eerste jaren waren er gemiddeld 93 à 152 kinderen. In een aantal jaren vond er capaciteitsuitbreiding plaats die gevolgd werd door een toename van de bevolking. Dus hoe meer plaatsruimte, hoe meer kinderen er kwamen.
Tussen 1836 en 1915 vertwaalfvoudigde de capaciteit van jeugdgevangenissen in ons land. De omvang van de gestichtbevolking volgde die capaciteitsontwikkeling tot 1870 op de voet; daarna waren de gestichten gemiddeld genomen minder vol.
In de periode 1836-1915 bleef het aandeel van de meisjes in de totale bevolking van jeugdgestichten beneden de 200. Terwijl dat van jongens in 1836 met een aantal van 167 begon en sindsdien eigenlijk alleen maar toenam tot ruim 1800 in 1905. Deze ongelijke vertegenwoordiging van jongens en van meisjes in de jeugdgestichten komt overeen met de verhoudingscijfers van mannen en vrouwen in het gevangeniswezen als geheel.
Hfdst 5: Wat voor ontwikkelingen onderging de zorg voor verwaarloosde kinderen?
Tot 1830 bestonden er in Nederland slechts enkele huizen voor verwaarloosde kinderen. Er was een kweekschool voor landbouw en zeevaart, een instelling waar verwaarloosde èn misdadige jongens naar toe konden, maar dat ging aan structurele zwakte ten onder. In Amsterdam was het St. Nicolaasgesticht. Dit was bedoeld voor katholieke meisjes die niet in het Maagdenhuis (het huis voor vrouwelijke wezen) konden. Hier zaten half-wezen en verwaarloosde en verlaten kinderen.
Johannes van den Bosch (1780-1844) was een generaal die had meegevochten tegen de Napoleontische legers en later een carrière in Oost-Indië opbouwde. Hij was gegrepen door het vraagstuk van de chronische armoede (pauperisme) en richtte daarom in het noord-oosten van het land een aantal koloniën op. In deze koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid wilde hij een aantal doelen tegelijk realiseren. De paupers zouden het land ontginnen en hierdoor zou de nationale productie toenemen. Hiermee zou het vraagstuk van het pauperisme worden opgelost en daarmee ook het vraagstuk van het risico van het ineenstorten van de sociale en morele kwestie. Bovendien zou een deel van de bevolking, dat sterk in de ontwikkeling was achtergebleven, op deze manier een fatsoenlijk burgerbestaan krijgen. De overheid was enthousiast over dit plan en verleende alle mogelijk medewerking. Op 6 november 1822 werd een koninklijk besluit uitgevaardigd waarin stond dat “alle vondelingen, weezenen verlaten kinderen moeten worden overgebracht naar de koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, zoodra ze 6 jaar oud zijn geworden”. Om dit besluit kracht bij te zetten werd het provincies en gemeenten verboden subsidies te geven aan wees- en kindertehuizen. Nu moesten de kinderen wel naar de koloniën gestuurd worden. Er waren verschillende typen koloniën: vrije voor arme gezinnen, koloniën voor bedelaars en gestichten voor wezen. In eerste instantie werd het experiment positief beoordeeld, het was een goede manier om de armoede aan te pakken. Zelfs vanuit het buitenland kwam belangstelling. Maar al gauw kwam er kritiek door de harde aanpak van de wezen. Ze werden in schuiten van Amsterdam naar het noorden gevoerd. Ook de agrarische productie liet vaak te wensen over. Meisjes die in de koloniën opgroeiden kwamen vaak in de prostitutie terecht en jongens gedroegen zich in de koloniën onzedelijk. In 1869 werden de weesgestichten ontruimd.
Omstreeks 1850 waren er enkele tehuizen bijgekomen. Drie ervan hadden een voorbeeldfunctie.
Het orthodoxs-protestantse tehuis Steenbeek in Zetten was bedoeld voor gevallen vrouwen en meisjes. Zij zochten bij voorkeur de meest ellendigen en diepst gezonkenen. De oprichter Heldring was eigenlijk van mening dat kinderen die een goede opvoeding nodig hadden die eigenlijk in een pleeggezin moesten krijgen maar eind jaren veertig koos hij er toch voor de ellendigste gevallen op te nemen in een tehuis. Het rooms-katholieke Sint Aloysiusgesticht in Amsterdam was bedoeld voor verwaarloosde jongens, soms ook half-wezen, die niet in bestaande weeshuizen konden worden opgenomen. Dit tehuis was nog maar het begin. In 1952 werd er voor jongens een landbouwkolonie, de Heibloem genaamd, en voor meisjes een tehuis opgericht. Naast deze landbouwkolonie ontstonden er rond de jaren vijftig ook enkele reddingscongregaties (Congregatie= vereniging van kloosterlingen met zekere geloften). In 1851 werd een congregatie voor de heropvoeding van jongens tot stand en twwe jaar later volgde er een voor meisjes.
Bij Eefde werd door de vrijzinnige protestanten het Nederlandsch Mettray opgericht. Hier probeerden ze het pedagogisch ideaal van gezinsopvoeding zo lang mogelijk vol te houden. Korte tijd functioneerde een verblijfplaats voor jeugdige ontslagenen te Leiden maar de resultaten hiervan waren teleurstellend. Er kon bijna niemand bij een nieuwe baas geplaatst worden en slechts een gering aantal bleek een goede bestemming te vinden. Een ander vroeg voorbeeld was het Toevluchtsoord voor meisjes, dat in 1845 in Groningen werd opgericht.
De initiatieven die hierboven beschreven staan werden meestal gesteund door genootschappen. Eer ervan, de Maatschappij van Weldadigheid, had de bijzondere belangstelling en steun van de overheid. Maar het oudste en beroemdste genootschap was nog steeds ’t Nut. Willem Suringar, een prominent lid van ’t Nut zei eens in een lezing: ”Die arme menschen leven in een kring, waar zij meestal niets anders hooren dan vloeken, tieren, razen en allerlei onhebbelijke tonelen bijwonen. ’t Is voor hen een schat, dat zij eens in de week een kwartier uurs betere dingen vernemen. Een enkele wenk, eene enkele spreuk brengt het ontevreden en oproerig gemoed misschien in rust, of schraagt de wankele deugd.” Later richtte hij het Nederlandsch Mettray op, dat gericht was op de heropvoeding van uit dergelijke gezinnen afkomstige jongens.
Ook de katholieken richtten verschillende genootschappen op. In 1820 kwam de Rooms-Catholijke Maatschappij ter bevordering van godsdienstige wetenschap en goede zeden voor het koninkrijk der Nederlanden tot stand. Zij wilden de godsdienstkennis onder het gewone katholieke volk verspreiden en verdiepen. Dit gebeurde door het verspreiden van populaire geschriftjes onder de mensen. Later kwamen er nog allerlei activiteiten bij zoals het oprichten van scholen, spijskokerijen, bibliotheken, kledingmagazijnen en kindertehuizen.
Buiten de nationale maatschappijen opereerde het Réveil. Zij bezochten de armen en richtten zich op het onderwijs en de zorg van verwaarloosde kinderen. Omstreeks 1860 viel het Réveil uiteen maar het praktische werk, de Inwendige Zending, bleef doorgaan. Ze richtten zich op alle categorieën gevallen broeders en zusters.
In 1850 waren de belangrijkste varianten tehuizen beschikbaar. Er waren reddingstehuizen, landbouwkolonies, tehuizen in de grote steden, correctiehuizen voor misdadige jongeren en opleidingstehuizen voor dienstbode of ambachtsman. In deze tijd werd er ook voor het eerst onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten opvoeding voor verschillende groepen kinderen.
NA 1850 groeide het aantal tehuizen snel. Het werd financieel mogelijk om meer tehuizen te stichten. Bijna alle tehuizen waren particuliere instellingen, de overheid hield zich vrijwel niet bezig met verwaarloosde kinderen.
Vooral het aantal katholieke tehuizen steeg snel, wat te maken had met de opmars van de Nederlandse katholieken in allerlei sectoren in de samenleving. Er waren minder orthodox-protestantse huizen. Dit kwam doordat de protestanten voor gezinsopvoeding, en eigenlijk tegen gestichtsverpleging waren. In 1878 kwam de vereniging Mirjam tot stand, een Christelijke vereeniging tot verpleging van onbeheerde kinderen in het huisgezin. Het plaatsen van kinderen in pleeggezinnen was haar belangrijkste activiteit.
Het aantal tehuizen bleef in de periode 1874-1895 sterk groeien. Er kwamen steeds meer tehuizen en ook konden de tehuizen steeds meer kinderen opnemen. Aan het einde van deze periode stonden bijna alle kinderen in de schoolgaande leeftijd ingeschreven bij een school. Ook het pauperisme en de verwaarlozing namen af. Kijkend naar het doel waarvoor de tehuizen opgericht waren, zou dit tot stabilisatie van het aantal tehuizen moeten leiden. Maar het aantal tehuizen bleef groeien. Hiervoor zijn een aantal oorzaken aan te wijzen.
Misschien wel de belangrijkste is de verder toegenomen aandacht voor kinderen en hun opvoeding. De kinderen werden zowel religieus als wetenschappelijk opgevoed. Ook was het soort kinderen dat een goede opvoeding moest krijgen steeds verder uitgebreid. Men richtte zich niet alleen op het gewone schoolkind maar ook op het ‘abnormale’, het ‘afwijkende’, het ‘verwaarloosde’ en het ‘misdadige’ kind. Er werd via het onderwijs, via de gezonheidszorg, en via voorzieningen voor verwaarloosde en misdadige kinderen veel geïnvesteerd in kinderen en hun opvoeding.
Toen de meerderheid van de kinderen naar school ging, werd het makkelijker om vast te stellen welke kinderen niet aan de norm van ‘normale’ kinderen voldeden. De doelgroep werd nu dus beter zichtbaar. De situatie bleef zorgelijk, maar het probleem werd beperkter van omvang, daardoor overzichtelijker en eerder geschikt om aan te pakken.
Als laatste oorzaak is de wens van zowel orthodox-protestanten als van katholieken om hun activiteiten uit te breiden tot alle terreinen des levens. Door opvoeding en heropvoeding streefden ze naar het vergroten van hun maatschappelijke invloed. De machtstrijd tussen deze twee was mede verantwoordelijk voor de groei van het aantal tehuizen.
Ook aan het begin van de 20e eeuw bleef het aantal tehuizen groeien. De zorg breidde zich steeds verder uit en er kwamen steeds meer specialisaties. Vanaf 1905 werd de heropvoeding zelfs juridisch en financieel gesteund.
Bronvermelding
Boeken:
Geschiedenis van opvoeding en onderwijs (inleiding, bronnen, onderzoek)
Kruithof, Noordman, De Rooy (redactie)
Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel
Lea Dasberg
Historische pedagogiek van Nederland een inleiding
Prof. Dr, N.F. Noordman
Wezen en boefjes (zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen)
S. Groenveld, J.J.H. Dekker, Th.R.M. Willemse, J. Dane (Eindredactie)
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.