geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Martijn Vrijmoed

Datum ingestuurd:

1 april 2000

Taal:

Woorden:

7.800

Bekeken:

3327 keer (14 deze maand)

Waardering:

3.0/5 (19 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
I Inleiding en probleemstelling blz. 3

II Het ontstaan van de crisis
§I De beurskrach blz. 5
§II De Roaring Twenties blz. 7
§III Het ontstaan van de crisis blz. 7
§IV Wereld Oorlog I en de crisis blz. 10
§V De crisis was niet alleen in Nederland blz. 10 §VI Verbanden tussen de crisis en de komst van WOI blz. 11

III De reacties van Nederland
§I De maatregelen van de regering op de crisis blz. 11
§II De maatregelen hielpen niet blz. 13
§III Verschillen over hoe de crisis opgelost zou moeten worden blz. 13
onder de verschillende politieke partijen
§IV Reactie van het Nederlandse volk blz. 17
§V De reactie van de industrie en de landbouw blz. 18

IV De omstandigheden tijdens de crisis
§I De bevolking zonder eten blz. 19
§II Werkgelegenheid blz. 19
§III Werknemers werden niet voldoende betaald blz. 20
§IV De welvaart ging steeds verder achteruit in de loop van de crisis blz. 21
§V Mensen die voordeel hadden aan de economische crisis blz. 21

V Het einde van de crisis
§I Redenen voor het einde van de crisis blz. 21
§II President Roosevelt en de New Deal blz. 22
§III WOII en het einde van de crisis blz. 24

VI Conclusie blz. 25
VII Bronvermelding blz. 27

I Inleiding

Toen ik de opdracht kreeg om een onderwerp te verzinnen voor een scriptie voor geschiedenis, dacht ik al gelijk aan de Tweede Wereldoorlog. Dat is eigenlijk het onderwerp dat me het meest interesseert van de hele geschiedenis. Misschien komt dat wel omdat je jezelf toch een beetje betrokken voelt, want het is toch ook jouw land dat in oorlog was met de Duitsers. Daar wil je graag meer over weten. Ik dacht gelijk al aan één van de grootste gebeurtenissen in WOII… D-day. Ik ben gelijk naar de bieb gegaan om boeken te halen over dit onderwerp. Er waren niet zoveel boeken en het was voor mij heel moeilijk om die boeken te gebruiken bij het maken van mijn scriptie. Mijn moeder vond het wel een goed idee om het over Auschwitz te doen, maar daar vond ik niks aan. Mijn oma vond de Eerste Wereldoorlog ook wel een interessant onderwerp, dat vond ik ook wel, maar dat is ook iets te breed. Toen ben ik op een of andere manier bij de periode tussen de oorlogen gekomen, het interbellum¹, daarin vond ik de crisisjaren zeer geschikt als onderwerp. Het is een niet te breed onderwerp en er is voldoende informatie over te vinden. Ik ging mijn D-day boeken maar inruilen voor boeken over de crisis in Nederland. Eigenlijk had ik ook een beetje crisis, want de tijd begon wel te dringen.

Na de Eerste Wereldoorlog, ging het moeilijk met de economie van de landen die hadden meegedaan in de oorlog. Er waren veel schulden gemaakt en veel industrieën hadden veel oorlogsproducten gemaakt en moesten nu overschakelen op gewone producten. Toen in 1929 de economische crisis uitbrak in Amerika werden de problemen nog veel groter. De leningen die de Europese industrie zo hard nodig had van Amerika werden stopgezet. Ook ging Amerika de invoer van producten sterk beperken om zo hun eigen economie te redden. Veel Europese landen volgden dit voorbeeld. Landen die veel producten maakten die voor de export bestemd waren (o.a. Nederland) kregen het nog moeilijker, want ze raakten hun producten aan niemand meer kwijt. Je moet je natuurlijk wel bedenken dat het een heel andere tijd is dan nu. De prijzen zijn heel anders, een luxe auto bijvoorbeeld kostte toen 1.500 gulden, nu is dat wel 150.000 gulden.
Ik ben eerst begonnen met een beetje globaal de boeken door te bladeren en af een toe, een belangrijk stuk te lezen. Er waren wel een paar boeken waar ik wat aan had, maar er zaten ook boeken tussen die totaal niet te lezen waren. Zo heb ik een boek, ‘Geschiedenis van de twintigste eeuw’, van Liek Mulder en Anne Doedens, dat is een erg goed boek. Het gaat wel niet alleen over de crisis, maar er staat een behoorlijk stuk over in. Ook staan er allerlei tabellen met statistische gegevens in. Als je ziet hoe groot de verschillen qua prijzen zijn als je ze vergelijkt met vandaag de dag, dan vraag je jezelf af, hoe de mensen toen in godsnaam konden rondkomen. Ik heb nog wel meer boeken gelezen, maar dit was naar mijn mening het boek waar ik het meeste aan had.

Toen ik een beetje was uitgelezen, ben ik de probleemstelling op gaan maken. Er waren een paar eisen, er moest een periode in komen, dat werd 1929-1939. Ook was het de bedoeling, dat het over een bepaald gebied ging, dat werd Nederland. En tenslotte moest er ook nog een thema in, uiteraard werd dat de economische crisis. Dat woord zal je nog vaak tegenkomen in mijn scriptie. Daarna ben ik de hoofd- en deelvragen gaan verzinnen. Dat deed ik door een beetje de hoofdstukindeling te bekijken van de boeken die ik al had, en gewoon brainstormen. Alles waar ik aan dacht bij een crisis heb ik opgeschreven en daar heb ik toen vragen over gemaakt.
Wat ook nog wel leuk is om even te melden is dat de crisis van toen erg lijkt op de crisis die nu aan de gang is op de wereldmarkt. Alleen is niet Amerika nu de aanleiding, maar is Azië nu het gebied waar het mis ging. Net zoals toen proberen alle banken alles in orde te maken om te zorgen dat er weer een gezonde economie komt.

Probleemstelling:
Hoe ging de Nederlandse regering en het Nederlandse volk om met de Economische Crisis van 1929-1939?

¹ interbellum = de periode tussen twee oorlogen, hier WOI en WOII
II Het ontstaan van de crisis

§I De beurskrach

Het begin van de crisis kun je toeschrijven aan de Verenigde Staten van Amerika. De economie in Amerika bleef maar groeien, de aandelen hadden vrijwel allemaal een stijgende trend. Meer en meer mensen gingen ook aandelen kopen en speculeerden er op los. Door al die belangstelling voor aandelen schoten de koersen omhoog. Dat speculeren gebeurde vooral met geleend geld, want dat kon toch snel terug betaald worden door de snelle koersstijgingen. En dan had je toch mooi een flinke winst. In de zomer van 1929 nam de beurs van New York (Dow Jones op Wall Street) een andere wending. Steeds meer aandelenkoersen daalden in plaats van het stijgen dat ze de afgelopen jaren hadden gedaan. Toen dus opeens de koersen daalden, wist men niet hoe snel de aandelen verkocht moesten worden, want als ze nog verder zouden zakken, dan kon men het krediet niet meer aflossen en dan zat je in de schulden. Maandag 21 oktober was het slecht op de beurs, er werden gigantisch veel aandelen verkocht. Een van de ergste dagen in de geschiedenis van de Amerikaanse beurs was echter donderdag 24 oktober, `Black Thursday`. Voorheen was het recordomzet van een dag 6 of 7 miljoen aandelen. Op deze zwarte donderdag werden er 12,9 miljoen aandelen verkocht. De belangrijke mensen in het bankwezen deden net alsof er niets aan de hand was, terwijl er van de winst van de afgelopen 12 maanden in één dag niets meer over is. Ze gingen juist aandelen kopen zodat er weer vertrouwen kwam in de economie. Op de korter termijn heeft dit even geholpen. De koersen trokken even wat bij, maar dit duurde niet lang. Ook president Hoover dacht dat het zo`n vaart niet kon lopen. Na een vergadering kwam hij tot de conclusie dat Amerika binnenkort zelfs met een tekort aan arbeiders zou kampen.

In de jaren twintig speculeerden veel banken op de
effectenbeurs. Na de beurskrach in 1929 waren
veel mensen bang dat de banken failliet zouden gaan
en haalden hun (spaar)geld van de bank. Op
deze foto bestormen inleggers de Merchants
beurskrach Bank in Passaic in de Amerikaanse staat New Jersey.

J. Edgar Hoover

Onder J. Edgar Hoover steeg het aanzien van de FBI (Federal Bureau of Investigation) in de Verenigde Staten omdat zij in de jaren dertig gangsters arresteerden en tijdens de Tweede Wereldoorlog geheime agenten van de asmogendheden ontmaskerden. Na de oorlog richtte Hoover zijn aandacht op wat hij zag als de groeiende communistische dreiging; hij beschouwde communisten als gevaarlijke staatsvijanden. De door de FBI uitgevoerde onderzoeken naar van 'subversieve activiteiten' verdachte elementen werden door het publiek en de autoriteiten meer en meer bekritiseerd. Hoovers bureau raakte zo in de ban van de strijd tegen het communisme, dat ze vaak burgers bespioneerde en lastig viel, die helemaal of bijna niets met het communisme te maken hadden.

§II De Roaring Twenties

De Roaring Twenties was een soort van nieuw tijdperk. De jaren twintig werden de 'roerende jaren' genoemd. Politieke en economische spanningen bedreigden de vrede. De dingen die nu vanzelfsprekend en gewoon zijn kwamen in die tijd op in de Verenigde Staten. Door het gebruik van de elektriciteit konden er in de fabrieken veel meer geproduceerd worden. Ook konden er nu wolkenkrabbers gebouwd worden. Een wolkenkrabber zonder lift is niet alles. De auto kwam op als massa vervoermiddel, de radio en de film waren reuze populair en ook de luchtvaartlijnen begon in die tijd echt op gang te komen. De activiteiten van de jeugd veranderde doordat die meer aan sport gingen doen, vrijetijdskleding gingen dragen en naar dansparty's gingen.
Voor al de nieuwe producten kwamen er grote fabrieken en nieuwe banen(bijv. pompbediende, vliegtuigbouwer). Doordat er opeens veel meer banen waren konden mensen met hun verdiende geld producten kopen en er zo nog meer mensen een baan krijgen. Iedereen kon nu een eigen auto kopen en omdat er zoveel vraag was werden de auto's goedkoper. Er werden wegen aangelegd voor al die auto's en aan de vooravond van de crisis had een op de vijf gezinnen een auto. Veel mensen konden ook een eigen huis kopen omdat je die binnen tien jaar kon aflossen. In die tijd was het ook heel makkelijk om aandelen te krijgen. Je betaalde 10% tot 20% aan en de effectenmakelaar gaf je de aandelen op krediet. De aandelen hoefde je pas over enkele jaren terug te betalen. Daardoor hadden ook veel mensen hun geld in de aandelen staan en sommigen wel al hun geld. De mensen dachten dat het allemaal nooit meer minder zou worden. Ze noemden die periode ook wel 'new capitalisme'

§III Het ontstaan van de crisis

De Amerikaanse beurskrach is niet de werkelijke oorzaak van het ontstaan van de economische crisis. De ‘krach’ laat wel zien dat de economische omstandigheden niet gezond waren in die tijd. In de zomer had de industrie zijn top al bereikt, daarna daalde de afzet alleen nog maar. Fabrieken bleven met producten zitten en moesten hun productie verlagen. Dit kostte vele werknemers hun baan. De woningbouwmarkt verslechterde al enkele jaren en ook met andere takken ging het niet al te best. Ook de landbouw had problemen met haar afzet. De speculanten namen geen risico en verkochten hun aandelen. En toen ging het balletje aan het rollen. Steeds meer mensen gingen hun aandelen verkopen. De koersen daalden verschrikkelijk. Er kwamen veel werklozen. De crisis was vooral te zien aan het BNP¹, die daalde in 1933 ten opzichte van 1929 met 2 lager. De koopkracht werd minder, waardoor er minder kon worden besteed. Bedrijven konden hun producten niet meer kwijt en er kwamen miljoenen werklozen. In 1933 waren 1 op de 4 mensen werkloos.
Een andere oorzaak van de crisis was de slechte inkomensverdeling. Heel veel mensen hadden een inkomen onder het gemiddelde en er waren er maar weinig die er echt boven zaten. Als dat kleine groepje opeens minder uit ging geven, dan had dat grote gevolgen voor de economie. Er waren veel bedrijven die niet beschikten over een goede leiding. Zo waren er tijdens de `hausse` (prijsstijgingen) veel betrouwbare beleggingsmaatschappijen bij gekomen. Een groot aantal faillissementen was hiervan de oorzaak. Bij het bankwezen was het precies zo, erg slecht georganiseerd. Als banken failliet gingen doordat mensen hun schulden niet meer konden betalen, dan sleepten ze alle bedrijven die hun geld bij hen op de bank hadden staan mee de afgrond in. Ook de regering nam de verkeerde besluiten. In plaats van geld te investeren in het bedrijfsleven, ging men juist op uitgaven bezuinigen. Een belangrijk iemand die hier tegen dit beleid was, is de econoom John Maynard Keynes. Hij vond dat men te veel aandacht besteedde aan het evenwicht op de betalingsbalans.
De betekenis van de theorie van John Maynard Keynes:
- de bestedingen bepalen in welke mate de gegeven capaciteit wordt benut
- volledige werkgelegenheid ontstaat niet vanzelf. Er is doelbewust sturen door de overheid nodig
Oorzaken van de crisis (op een rijtje): Er is, helaas, geen eenduidige oorzaak aan te geven voor de crisis. Wel kun je zeggen dat de oorzaken van de krach deels ook de oorzaken van de crisis waren, zoals de vele gebreken die te vinden zijn in het economische leven van de jaren twintig, die hebben geleid tot de crisis in de jaren dertig. Daarvan zijn de volgende waarschijnlijk wel het belangrijkst:
1. De slechte inkomensverdeling. De armen bleven ondanks alle rooskleurige voorspellingen van president Hoover arm en de rijken bleven rijk. De rijkste 5 procent van de bevolking ontving 30 procent van het nationaal inkomen in 1929.Door die ongelijke verdeling droeg een beperkt aantal mensen de economie, zij moesten investeren en veel consumeren, wat ze niet genoeg deden, zoals bleek toen de voorraden begonnen te groeien.

2. De slechte ondernemingsstructuur. Volgens Harvard Society werd het zakenleven in de meeste gevallen gedreven door conservatisme en voorzichtigheid. In feite was het Amerikaanse zakenleven overspoeld door fraudeurs en zwendelaars. Een zwakke plek in de ondernemingsstructuur werd gevormd door de holding-companies. Die beheersten belangrijke delen van bedrijfstakken, bijvoorbeeld de nutsbedrijven en de spoorwegen.

3. Slechte organisatie bankwezen. In de jaren twintig hadden banken zich
overgegeven aan het algemeen heersende optimisme. Iedereen kreeg een lening,ze konden over het algemeen toch terugbetalen uit hun winst op de effectenbeurs.

Hoe zat het eigenlijk met Nederland?

John Maynard Keynes, hier afgebeeld met zijn vrouw, beschreef zijn oplossing voor een langdurige economische depressie in zijn boek
General theory of employment, interest and
money uit 1936. Keynes geloofde dat een hoge
werkeloosheid het gevolg was van een gebrekkige
vraag naar producten en diensten. Zijn oplossing
voor dit probleem hield in dat de overheid moest
investeren publieke werken en andere projecten
om zo de behoefte aan arbeiders te doen toe
nemen. De voorstellen van Keynes betekenden
een belangrijke ondersteuning van de New Deal,
het hervormingsprogramma van president
Roosevelt; een onderdeel hiervan was de Work Projects Administrationwaardoor banen in de publieke sector werden gecreëerd.


¹ BNP = Bruto Nationaal Product
§IV Wereld Oorlog I en de crisis

De eerste wereldoorlog was voor veel landen een dure kwestie geweest. Niemand kon de hele oorlog zelf financieren. Nederland was echter neutraal gebleven in de oorlog, dus de schulden van Nederland zijn te verwaarlozen. Nu Amerika dat geld hard nodig had door de crisis, en het dus opeiste van de landen die veel geld van Amerika geleend om de oorlog te bekostigen, kwamen die landen in de problemen. Veel bedrijven gingen failliet omdat ze haar schulden simpelweg niet konden aflossen.

§V De crisis was niet alleen in Nederland

Hadden landen buiten de VS dan geen last van de Amerikaanse crisis? Overal was massale werkloosheid, ook in Nederland. Veel landen gingen de importheffingen (importbelastingen) ophogen zodat de andere landen hun eigen goederen weer verkocht werden in hun eigen land. Het gevolg was dat andere landen met hun producten bleven zitten. Dit wordt ook wel protectionisme¹ genoemd. Voor Nederland was dit een catastrofe, want Nederland moest het vooral van haar export hebben. Ze konden haar producten niet meer kwijt. Boeren waren het grootste slachtoffer. Zo kreeg een boer in 1929 nog fl.1,07 voor een kilo volvette kaas, in 1932 was dit nog maar 57 cent. Om toch voldoende inkomsten te hebben gingen de boeren meer verbouwen. Op de korte termijn was dit wel een oplossing, maar op de langere termijn zakten de prijzen hierdoor alleen nog maar erger. De regering wist niet goed hoe ze de crisis kon bestrijden en dat had tot gevolg dat het volk geen vertrouwen meer had in haar regering. Dat bleek uit de verkiezingen van 1933, waaraan 54 partijen deelnamen. Veel mensen waren op zoek naar iets dat wel een oplossing bood. Ze waren ook bereid om te kiezen voor minder democratische oplossingen.



§VI Verbanden tussen de crisis en de komst van WOI

Er is wel een verband tussen de tweede wereldoorlog en de crisis in de wereld. De crisis heeft in heel de wereld niet zo’n effect gehad op de oorlog, maar vooral de crisis in Europa. Hitler had Duitsland overtuigd dat het nationaal-socialisme de oplossing was voor al hun armoede en andere problemen. De economische crisis leidde de aandacht af van het fascisme en nationaal-socialisme, doordat er aandacht besteed werd aan hoe het probleem het best kan worden opgelost. Aan de andere kant kun je natuurlijk ook zeggen dat het nationaal-socialisme juist voordeel gehad heeft aan de economische crisis. Ze kon al de problemen die er in een land waren toeschuiven aan de groep mensen die tegen het nationaal-socialisme was (zondebok). Maar naast de economische crisis waren er natuurlijk meerdere mogelijke oorzaken van de WOII te noemen.

¹ protectionisme = stelsel van bescherming van handel, nijverheid of landbouw van eigen land door invoerrechten, uitvoerpremies enz.

III De Reacties van Nederland

§I De maatregelen van de regering op de crisis

Het Nederlandse beleid ten tijde van de crisis wordt ook wel ‘deflatiepolitiek’ (verhoging van de koopkracht) of ‘aanpassingspolitiek’ genoemd. Dit komt omdat men de prijzen zo laag mogelijk wilde houden, zodat Nederland voor het buitenland een aantrekkelijk land was om van te importeren. Op deze manier dacht de Nederlandse regering haar producten te kunnen verkopen. Het prijspeil van Nederland moest omlaag. Alles werd lager, de lonen, de huren, de pacht, de uitkeringen en ook de belastingen. Maar door al deze maatregelen trad er nog steeds geen verbetering op in de situatie. De situatie werd zelfs nog slechter. In het buitenland zakten de prijzen veel sneller, doordat ze hun munteenheid hadden laten devalueren (in waarde laten verminderen). Nederland daarentegen hield de waarde van de gulden, de ‘gouden waarde’ als langste vast. Op 27 september 1936 devalueerde Nederland haar gulden met twintig procent als laatste in Europa. En het had succes, de export nam sinds jaren weer toe. De economische verbetering was echter maar tijdelijk, er was nog steeds geen sprake van echt herstel van de economie. Dat tonen de statische gegevens over de periode 1932-1936 wel aan.

Basisjaar 1929 = 100 Volume handel in Nederland Volume wereldhandel Industriële productie van Nederland Industriële productie van de wereld (zonder USSR) Werkloosheid in Nederland Werkloosheid in de wereld
1932 82 75 62 62 415 291
1933 78 76 69 71 437 277
1934 76 78 70 77 452 225
1935 69 82 66 86 511 196
1936 72 86 72 96 511 151
Het Nederlandse beleid bood geen uitkomst…

De Nederlandse regering vond eigenlijk tijdens de 5 kabinetten die er in de crisistijd waren geweest dat zij zich afzijdig van de crisis moesten houden. Het zou vanzelf wel overgaan, het zou alleen een kwestie van tijd zijn. Maar de armoede werd zo groot dat de regering wel moest ingrijpen. Dat deed zij vooral bij de landbouw. Er werden allerlei wetten aangenomen om te voorkomen dat de prijzen van de landbouwproducten nog verder zakten. Zo had je de ‘crisisinvoerwet’, waarmee de regering in het voorjaar van 1932 beperkingen stelde voor de import van rund- en kalfsvlees en boter. Maar voor producten waarvoor een exportoverschot bestond waren andere wetten nodig. Eén daarvan was de ‘crisiszuivelwet’. Het kwam er op neer dat voor producten waarvan er een exportoverschot bestond, heffingen kwamen en dat er een maximum werd gesteld aan het aantal uit te voeren producten. Ook kwamen er organisaties die alle exportoverschotten opkocht en die werd vervolgens vernietigd of geëxporteerd met exportsubsidie. Alle extra kosten kwamen uiteindelijk wel weer bij de consument te liggen. De prijzen van de binnenlandse producten schoten omhoog. De regering gaf ook financiële steun door het verstrekken van leningen of het ter beschikking stellen van geld. Het was een goed gebaar van de regering, maar veelal was het veel te weinig. Op een andere manier probeerde de regering ook in te grijpen. Ze probeerde tijdelijk werk te scheppen, door grote regeringsprojecten op te starten. Bijvoorbeeld de aanleg van het Amsterdamse bos, de bouw van het vlaggenschip Nieuw Amsterdam en de drooglegging van een deel van de Zuiderzee.


§II De maatregelen hielpen niet

Het streven dat de prijzen van de Nederlandse producten zo laag mogelijk moesten zijn voor het buitenland om zo de export te bevorderen was goed, maar het gebeurde op de verkeerde manier. De prijzen gingen daadwerkelijk omlaag, maar de prijzen van het buitenland gingen nog verder omlaag. Dit kwam omdat Nederland zo laat de ‘gouden standaard’ verliet. De gouden standaard was het laagste wat de prijzen konden zijn, maar omdat die prijzen in die tijd nog te hoog waren voor de export en de regering te koppig was om die ‘gouden standaard’ te verlagen, was dit te laat om de economie weer op te bouwen. Voor zover mogelijk.

§III Verschillen over hoe de crisis opgelost zou moeten worden onder de
verschillende politieke partijen

In de crisisjaren waren er een groot aantal partijen die allemaal dachten dat ze de crisis wel eventjes op zouden lossen. Maar 3 belangrijke partijen kwamen er duidelijk uit naar voren. Je had de Roomsch-Katholieke Staatspartij¹ (RKSP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP)² en de Sociaal Democratische Partij (SDAP)³. Een belangrijk iemand uit die tijd was Hendrik Colijn. Hij was de voorman van de ARP en hij gaf leiding aan 4 kabinetten van mei 1933 tot augustus 1939. Ondanks de slechte toestand in Nederland tijdens zijn bewind bleef er toch het volste vertrouwen in hem.

De RKSP en de ARP werkten samen. Ze vonden dat de arbeider een rechtvaardig loon moest kunnen ontvangen. De kerk had hier een grote invloed. De SDAP stond er alleen voor vergeleken met de rest van de coalitie. Ze hadden grootse plannen. Stichting van een republiek, ontwapening en onteigening van Nederlands grondgebied waren enkele ideeën. Ook waren ze erg bang dat het communisme zijn intreden zou doen en onparlementaire ideeën vonden ze ook maar niks. De andere partijen in de regering waren fel tegen de plannen van de SDAP. Een vroegere leider van de SDAP had in 1918 een revolutie uitgeroepen. Dat was ook nog lang niet vergeten. Toen de partij haar ideeën iets aanpaste aan de ideeën van de overige partijen gingen ze weer een beetje mee doen in de Tweede Kamer. Een andere belangrijke partij was de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB)4 onder leiding van Anton Mussert. Ze was de enige fascistische partij die een beetje aanhang had. De bedoelingen waren onder andere groter leger en de leiding van het zou bij de koning moeten liggen. Een ander nationalistisch kenmerk is de naam van het dagblad Volk en Vaderland dat ze uit gaven. De NSB Hadden ze in 1935 nog 8 procent van de zetels, 2 jaar erna waren dat er nog maar 4. Die daling werd sterk veroorzaakt doordat de partij zich meer en meer met het fascistische Duitsland bezig ging houden.

(Haarlemmermeer 22 juni 1869 – Ilmenau 18 sept. 1944), Nederlands militair en staatsman, afkomstig uit een eenvoudig gereformeerd landbouwersgezin, werd na een onvoltooide opleiding tot onderwijzer toegelaten tot het Instructiebataljon voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) te Kampen en vertrok in 1892 als tweede luitenant naar
Nederlands-Indië, waar hij zich reeds bij de expeditie
naar Lombok (1894) zeer eervol onderscheidde, maar
vooral én als strateeg én als civiel gezaghebber grote kwaliteiten
toonde in Atjeh (1895–1904). In sept. 1904 werd hij adjudant van
de nieuwbenoemde gouverneur-generaal Johannes Benedictus van
Heutsz. In 1907 trad hij uit militaire dienst; achtereenvolgens was
hij gouvernementssecretaris en adviseur voor de Buitengewesten.
In 1909 repatrieerde hij.Van 1909 tot 1911 was hij voor de
Anti-Revolutionaire Partij lid van de Tweede Kamer; van 1911
tot 1913 minister van Oorlog, in welke hoedanigheid hij een
reorganisatie van het leger inleidde. In 1914 werd hij lid van de Eerste Kamer en directeur van de Bataafse Petroleummaatschappij; een jaar later werd hij tevens managing director van de Asiatic Petroleum Company. Van 1919 tot 1922 woonde hij te Londen. In 1922 werd hij voorzitter van de Anti-Revolutionaire Partij en hoofdredacteur van haar orgaan De Standaard.

Kuyper, Abraham

Kuyper was oprichter (1879) en politiek leider van de Antirevolutionaire Partij. In 1880 richtte hij de Vrije Universiteit op, waaraan hij van 1880 tot 1901 hoogleraar Hebreeuws, homilethiek, esthetiek en dogmatiek was. Hij was oprichter (1883) en tot 1901 voorzitter van de Nederlandsche Journalistenkring. Vanaf 1894 was hij opnieuw lid van de Tweede Kamer.

Troelstra, Pieter Jelles
(Leeuwarden 20 april 1860 – 's-Gravenhage 12 mei 1930), Nederlands politicus en Fries dichter, zoon van een liberaal belastingontvanger, studeerde rechten te Groningen en promoveerde daar in 1888. Hij vestigde zich als advocaat te Leeuwarden, beoefende daarnaast de journalistiek en trad toe tot de Friese Volkspartij. Toen hij er niet in slaagde deze een positief-socialistisch karakter te even, werd hij in 1890 lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Met de leider van deze bond, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, kwam hij echter onmiddellijk in botsing en in de door hemzelf geleide en achtereenvolgens te Sneek, Amsterdam en Utrecht uitgegeven periodieken bestreed hij deze steeds openlijker.

Mussert, Anton Adriaan
(Werkendam 11 mei 1894 – 's-Gravenhage 7 mei 1946), Nederlands politicus, zoon van een hoofdonderwijzer, studeerde weg- en waterbouwkunde in Delft, werd in 1918 cum laude ingenieur en kwam, na twee jaar dienst bij de Rijkswaterstaat, in 1920 bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht, waar hij in 1927 hoofdingenieur werd.
¹ RKSP = Roomsch-Katholieke Staatspartij (afgek. RKSP), politieke organisatie van de Nederlandse katholieken gedurende de periode 1926–1945.
² ARP = Anti-Revolutionaire Partij (ARP), een Nederlandse politieke partij, in 1879 definitief landelijk door Abraham Kuyper georganiseerd, hoewel reeds lang voor die datum sprake was van een verband van staatkundige aard onder antirevolutionaire naam.
³ SDAP = Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, Nederlandse politieke partij, op 26 aug. 1894 te Zwolle opgericht door de zgn. Twaalf Apostelen (onder wie Pieter Jelles Troelstra, Willem Hubertus Vliegen, Frank van der Goes, Johan Hendrik Andries Schaper). Theoretisch gegrondvest op het marxisme, zoals dat in het Erfurter Program in 1891 geformuleerd was en de parlementaire activiteit aanvaardend, onderscheidde de SDAP zich van de Sociaal-Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, waaruit ze voortkwam.
4 NSB = Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), in Nederland politieke partij, opgericht op 14 dec. 1931 in Utrecht door Anton Adriaan Mussert (leider) en Kees van Geelkerken. Het door Mussert geschreven Program was grotendeels een vertaling van dat van Hitler’s NSDAP, maar rassenleer en antisemitisme ontbraken erin (joden konden lid van de NSB worden); het bevatte hoofdzakelijk de in die tijd gangbare fascistische eisen: sterke regering, afschaffing van het individualistische kiesrecht, corporatieve ordening, economie in dienst van de volksgemeenschap, arbeidsplicht, beperking van de drukpersvrijheid.

§IV Reactie van het Nederlandse volk

Er was niet veel protest van het Nederlandse volk. Ze dachten dat het beleid van de regering juist was. Er werd niet aan getwijfeld. De vakbonden hadden te weinig geld om stakingen te organiseren. Ook al was er wel geld geweest, dan was er niet veel animo onder de bevolking. Degene die een baan hadden waren doodsbang dat ze die zouden verliezen. Er is wel een uitzondering geweest. In 1931 en ’32 gingen de Twentse textielarbeiders massaal staken, maar de stakingen werd door de regering de kop in gedrukt. Het meest opvallende protest was de muiterij aan boord van een oorlogsschip dat bij Sumatra voer in 1933. De bemanning van De Zeven Provinciën¹ had de zoveelste salarisverlaging gehad binnen enkele maanden. De muiterij werd door de regering hard bestraft door het schip te bombarderen. Door de vliegtuigbom vielen er 23 doden en 18 gewonden. Een ander groot protest was die van de Amsterdamse Jordaan. De regering had de financiële steun aan Amsterdam verlaagd, daar waren ze het niet mee eens. De opstand duurde 6 dagen. Er werd wederom hard ingegrepen door de regering, 6 doden en vele gewonden.

¹ De Zeven Provinciën = naam waaronder de op 4 febr. 1933 uitgebroken opstand op het gelijknamige pantserschip bekend is geworden. Aanleiding vormde de van overheidswege aangekondigde korting op de salarissen van het marinepersoneel. De muiterij brak onder de hoofdzakelijk Indonesische bemanning uit toen het schip voor de kust van Atjeh (bij Kotaradja) lag. Op 10 febr. werd het schip bij Vlakke Hoek (Zuidwest-Sumatra) tot overgave gedwongen: vanuit een vliegtuig van de Marine Luchtvaartdienst werd een bom afgeworpen, waarbij 23 opvarenden, vnl. muiters, om het leven kwamen.


§V De reactie van de industrie en de landbouw

De landbouw had het beter vergeleken met de industrie. Zij kreeg grotere financiële steun van de overheid. De beschermende wetten voor de landbouw hadden geen betrekking op de industrie. Ze moesten het met een steun van niet meer dan 23 miljoen doen. Met markt van de consumptiegoederen was niets mis. Die was zelfs weer groter geworden sinds 1929. Dit kwam omdat die goederen minder elastisch (niet gevoelig voor prijsveranderingen) waren. Voedsel hoort bij de consumptiegoederen en dat bleef natuurlijk goed verkopen, het was een primaire behoefte (levensbehoefte). Waar het slechter mee ging, dat was de kapitaalgoederen. Dit kwam door de slechte scheepvaartindustrie en de geringe overheidssteun aan het bedrijfsleven. Een ander opvallend kenmerk van de industrie was dat de arbeidsproductiviteit (hoeveelheid productie per arbeider of eenheid arbeidstijd) sterk toenam. Dit had tot gevolg dat er een grotere werkloosheid zou komen. De economie groeide simpelweg gewoon niet hard genoeg om het aanbod van banen aan te kunnen. Daarbij kwam ook nog eens dat de bevolking van Nederland het snelst groeide van heel Europa. De beroepsbevolking nam hierdoor enorm toe. Was de beroepsbevolking in 1929 nog 4,9 miljoen. In 1936 was dit al 5,5 miljoen. Omdat de vraag naar een baan groot was kon de industrie de lonen vrij laag houden. Als je het niet beviel dan stonden er letterlijk zo 10 anderen voor jou in de plaats.
1929 1931 1933 1934 1935 1936 1938 1939
Werkgelegenheid 100,0 89,9 77,4 79,6 78,9 81,3 93,3 98,8
Productie 100,0 94,0 87,6 91,6 91,5 96,9 112,4 127,3
Arbeidsproductiviteit 100,0 104,5 113,2 115,1 116,0 118,8 120,5 128,8
De productie steeg niet genoeg om de voldoende werkgelegenheid te creëren
IV De omstandigheden tijdens de crisis

§I De bevolking zonder eten

Er heerste armoede in Nederland. De sociale uitkeringen waren allemaal minimaal. Men had erg weinig te besteden. Natuurlijk was er ook een rijker deel van de bevolking dat zich wel luxe goederen kon permitteren, maar het grootste deel, de arbeiders, was blij als ze genoeg geld hadden om eten te kunnen kopen. En dat eten was nog duur ook, want alle kosten van de boeren voor de buitenlandse markt werden doorberekend in de binnenlandse prijs. Wat in de steden ook veel gebeurde was de aanleg van volkstuintjes. Je had dan goedkoop je eigen groenten. Op het platte land hoefde dit niet, want dan kon je een gedeelte van je eigen oogst gebruiken om te eten.


§II Werkgelegenheid

Er heerste massale werkloosheid in Nederland tijdens de crisis. Door de overheidsprojecten werd dit iets minder, maar door het beleid van de Nederlandse overheid dat te veel lette op een kloppende begroting, kwam er niet veel vraag naar arbeid. De overheid had moeten investeren in het bedrijfsleven, opdrachten geven, nog meer werk creëren. Dan zou er weer vraag komen naar arbeid. Er zou weer meer verdiend worden en dat heeft automatisch tot gevolg dat er meer wordt uitgegeven. Dat betekent weer meer vraag naar arbeid om die vraag naar producten te realiseren. Zo gaat de economie weer lopen volgens Keynes. De SDAP had wel zoiets bedacht, in 1936 kwamen ze met het Plan van de Arbeid (plansocialisme¹). Dit plan had de bedoeling om grote bedragen, rond de 200 miljoen, te investeren in het bedrijfsleven. Dit zou samen met kortere werktijden en verplichte pensionering 200.000 banen wel zo'n oplevert. Colijn vond het maar niks, hetgeen wat wel bruikbaar was van het plan gebeurde al volgens hem. Andere mensen van de regering vonden dat er een te grote schuld zou komen. Toen in 1937 aan de kiezers gevraagd werd wat zij van het plan vonden, toen bleek dat ze er niks voor voelden. Op dat moment was de economie zich namelijk net een beetje aan het herstellen en het huidige beleid moest dus gehandhaafd worden.

§III Werknemers werden niet voldoende betaald

De bedrijven hadden geen moeite om arbeiders te vinden. Ze lagen voor het oprapen. De vele werklozen hadden het op sociaal gebied slecht. Het idee bestond dat werklozen lui waren en dat dus de uitkeringen zo laag mogelijk gehouden moesten worden. Er werden dan ook verscheidene verlagingen van de Armenwet ingevoerd. Als je voor steun in aanmerking wilde komen, dan moest je dagelijks je stempelkaart laten stempelen. Je moest vaak uren in de rij staan, om daarna aan te kunnen tonen dat je zonder werk zat. Ook waren er speciale werkverschaffingsprojecten. Werklozen moesten dan handwerk
verrichten zoals bijvoorbeeld graven en kruien (op een kruiwagen verplaatsen). Eventuele bijverdiensten werden van de steunuitkering afgetrokken. Colijn vond zelf dat de regering het eigenlijk niet verplicht was om voor haar volk te zorgen. Hij zei: ,,Het is helemaal niet natuurlijk dat de overheid voor de armen zorg’’. Ook werd er een rijwielbelasting ingevoerd. Je moest dan een ijzeren plaatje kopen voor fl.2,50, en dat aan je stuur bevestigen. Later werd dit plaatje voor werklozen gratis beschikbaar. Er kwam dan een gat in het midden. Iedereen kon zien dat je werkloos was. Je werd in die tijd vaak vernederend behandeld als je werkloos was.

¹ Plansocialisme = een in de jaren dertig van deze eeuw ontstane stroming in het westerse socialisme, die de nadruk legde op de planmatige verwezenlijking van een socialistische maatschappij. De plansocialisten ontwikkelden een gedetailleerde visie op de taak die door de overheid zou moeten worden vervuld. Als vader van het plansocialisme wordt de Belg Hendrik de Man beschouwd, die ten tijde van de economische crisis een Plan van de Arbeid (1933) ontwierp, dat nationalisatie van de basisindustrie, het kredietwezen en het openbaar vervoer beoogde. Dit stond model voor het in 1935 in Nederland door NVV en SDAP gelanceerde, door J. Tinbergen en H. Vos ontworpen Plan van de Arbeid.
§IV De welvaart ging steeds verder achteruit in de loop van de crisis

De welvaart ging na het dieptepunt van de crisis in de hele wereld weer stijgen. Door het beleid van de Nederlandse regering ging de stijging in Nederland een stuk langzamer. Maar de economie werd weer beter dan voorheen. De werkloosheid bleef nog steeds een zwak punt, maar dat komt mede door de al eerder genoemde snelle bevolkingsgroei en productiviteit die erg toenam.

§V Mensen die voordeel hadden aan de economische crisis

Het lijkt raar, maar tijdens de crisis waren er ook bedrijven die er juist helemaal geen last van hadden. De cacao- en chocoladeindustrie hadden helemaal geen hinder van de crisis ondervonden. Tijdens de crisis bleven mensen toch nog veel chocola kopen bleek na de crisis, toen de schade werd opgemaakt. Ook met de tabaksindustrie ging het goed. De burger kocht net zoveel tabak als voor de crisis. Dit kwam misschien mede doordat de regering de accijnzen (belasting op sommige voor binnenlands verbruik bestemde levens- en genotmiddelen, brandstof e.d.) voor tabak had verlaagd. Maar dat zijn natuurlijk maar uitzonderingen. Het grootste deel van de Nederlandse bedrijven had wel te maken met grote financiële problemen. Bedrijven moesten veel van hun personeel ontslaan, en kondigden voor het overblijvende gedeelte forse loonsverlaging aan.

V Het einde van de crisis

§I Redenen voor het einde van de crisis

Na de Tweede Wereld Oorlog was de crisis natuurlijk niet gelijk opgelost. De meeste mensen hadden het nog erg krap. De toestand te vergelijken met de toestand zoals die was in 1930. Ze moesten maar zien hoe ze rondkwamen. Tijdens de oorlog hadden zwarthandelaren veel geld verdiend met het vervalsen van Nederlands geld. Daardoor was al het in 1945 in omloop zijnde papiergeld heel weinig meer waard. De regering besloot het groots aan te pakken. Er werd een geldzuivering aangekondigd. Een week lang werden alle tegoeden van mensen op banken geblokkeerd. Er mocht die week maar 10 gulden omgewisseld worden in nieuw geld. Door middel van belastingheffing werd de geldhoeveelheid gehalveerd. Dit alles gebeurde onder leiding van de ministers van Financiën, Professor Lieftinck¹. Hij bracht de Nederlandse economie weer op orde. De sanering van het Nederlandse belastingstelsel nam hij ook voor zijn rekening.

¹ Lieftinck, Pieter = (Muiden 30 sept. 1902 – 's-Gravenhage 9 juni 1989), Nederlands econoom en politicus, studeerde rechten te Utrecht en economie aan de Columbia Universiteit (Verenigde Staten), promoveerde in 1931 te Utrecht, was van 1932 tot 1934 werkzaam aan het ministerie van Economische Zaken en werd daarna gewoon hoogleraar in geld-, krediet- en bankwezen aan de Economische Hogeschool te Rotterdam. In okt. 1940 werd hij door de Duitse bezetters gegijzeld; tot het voorjaar 1945 bleef hij in gevangenschap, onder meer in Buchenwald.

§II President Roosevelt en de New Deal

Het was het jaar 1932. Drie jaar na het begin van de crisis. President Hoover had de crisis niet aangekund. In ieder geval had hij niet de juiste manieren gebruikt om de werkloosheid te verminderen. In dat zelfde jaar waren er ook weer nieuwe verkiezingen. De presidentsverkiezingen zijn in Amerika altijd in een schrikkeljaar. In '32 waren er dus presidentsverkiezingen met Roosevelt als een van de kandidaten. De verkiezingen stonden natuurlijk helemaal in het teken van de crisis er waren op dat moment namelijk 14 miljoen werklozen. De nieuwe president zou dat echt moeten oplossen. De huidige president Hoover, die een republikein was zei dat het allemaal wel weer goed zal komen. Maar de crisis duurde al 3 jaar dus veel mensen hadden er helemaal geen vertrouwen meer in. Franklin Delano Roosevelt, die zijn tegenstander was( Roosevelt was een democraat), had meer het gevoel dat de overheid een rol moest gaan spelen en hij had daar al een plan voor gemaakt. Roosevelt won de verkiezingen met een grote meerderheid van de stemmen. Volgens Roosevelt was de crisis door de bevolking veroorzaakt dus het moest ook door hun worden opgelost. Roosevelt was vooral een man van de praktijk, doen en niet denken. De nieuwe aanpak "New Deal" (afgeleid van het opnieuw uitdelen van de kaarten) kon veel Amerikanen weer werk geven. Iedereen moest weer een kans krijgen. Ook in afgelegen gebieden bracht de New deal verandering. De indianen werden 'herontdekt'. In de reservaten werden ziekenhuizen en scholen gebouwd. De indianen werden met behulp van de staat gestimuleerd om hun oude ambachtelijke tradities weer uit te oefenen. Met grote werkverschaffing en werkverruiming projecten kwamen er dus veel mensen weer aan het werk. De plannen omvatten onder anderen arbeidsplicht voor de jeugd, steunprojecten voor de landbouw, het opknappen van overheidsgebouwen zoals scholen. Woningbouw, het indijken van rivieren het bouwen van waterkracht-centrales voor elektriciteit en het ondersteunen van kunst. Door deze projecten kwam Roosevelt natuurlijk niet van de werkloosheid af, maar het maakte wel vorderingen. De industriële produktie in de Verenigde Staten steeg tussen '32 en '37 met meer dan 60%. Maar de werkloosheid bleef hoog. In '34 vormde hij een nationale organisatie. Hij stelde voor de grote vermogens op te delen en met het zo verkregen geld ieder Amerikaans gezin een radio, een auto en een eigen huis te geven. Hij pleitte ook voor een nationaal minimumloon en arbeidstijdverkorting. In 1935 werd zelfs een sociale verzekering ingevoerd die steun garandeerde bij werkeloosheid of ouderdom. De democratische politici vonden dit een erg risico volle acties. Ze waren bang dat als deze acties zou mislukken en veel mensen weer op Republikeinse kandidaten zouden stemmen. Maar dat gebeurde niet. Bij de tussentijdse verkiezingen van november hadden de democraten weer een grote overwinning. In het Huis van Afgevaardigden hadden de Republikeinen nu nog maar 103 zetels over (op een totaal van 435). Eigenlijk was het hele idee van Roosevelt, als het goed ging met de economie dat dan de overheid streng moest optreden; hoge belastingen, hoge rente enz. En raakte de economie in een dal dan moest de overheid schatkist openen. Voor de rest van de wereld werd Amerika het toonbeeld van modernisme. De weer tot leven gewekte economie ontwikkelde zich tot de sterkste van de wereld. Goedkope apparaten maakten de Amerikaanse huishoudens tot de meest comfortabele ter wereld. De crash van 1929 had de wereldeconomie doen instorten. Een kleine tien jaar later was de Verenigde Staten ondanks vele onopgeloste problemen, de sterkste democratie ter wereld geworden.

§III WOII en het einde van de crisis

WOII had wel iets met de crisis te maken. Toen Duitsland de oorlog had verklaard aan Nederland, duurde het een paar dagen voordat Nederland veroverd was. Daarna zou je zeggen dat Duitsland het Nederlandse bestuur in handen zou nemen. Dat deden ze ook wel, maar op een speciale manier. Ze lieten de huidige ambtenaren op hun plaats, en lieten die samenwerken met Duitse ambtenaren. De Nederlandse ambtenaren mochten vrijwillig ontslag nemen, maar door de grote werkloosheid in Nederland waren er weinig die dat daadwerkelijk deden.



VI Conclusie

Nederland had zich dan wel neutraal gehouden in de Eerste Wereldoorlog, maar de oorlog heeft wel zo zijn gevolgen gehad. Heel Europa zat tot over haar oren in de schulden. En ze had nu juist veel geld nodig, want in de oorlog waren veel steden verloren gegaan. Die moesten nu weer opgebouwd worden en dat was een dure grap. Ook was het natuurlijk niet erg positief voor de economie, want de industrie had geen geld om zich uit te breiden. Gelukkig was Amerika bereid om leningen te verstrekken aan Europa. Het was natuurlijk ook een beetje in het eigen belang van Amerika, want zij konden alleen goed handel drijven met Europa als de economie een beetje gezond was.
Toen kwam er een zwaar jaar in de geschiedenis van de gehele wereld, 1929. In Amerika brak de economische crisis uit. Dit kwam omdat de banken meer geld hadden uitgeleend, dan dat ze in kas hadden. Normaal is dit niet erg, maar er was op dat moment niet veel vertrouwen in het Amerikaanse zakenleven. Iedereen ging zijn aandelen verkopen en het geld van hun bank halen. Toen ging het balletje aan het rollen, toen iedereen hoorde dat er zoveel mensen geld van hun bank haalden was het hek van de dam. De banken hadden niet genoeg geld in kas om de mensen hun geld uit te keren, er ontstond crisis.
Deze crisis sloeg over naar Europa, want om de economie van Amerika nog een beetje te redden, waren de leningen stop gezet. De industrie kon geen investeringen doen, want ze had simpelweg geen geld. Tot overmaat van ramp werd de invoer van producten in Amerika ook nog bemoeilijkt doordat er hogere importheffingen kwamen. Zo gingen de Amerikanen meer eigen producten kopen, want de buitenlandse waren te duur. Veel Europese landen volgden dit voorbeeld om dezelfde reden. Landen die hun inkomsten vooral verkregen door de export van producten, dit was in Nederland het geval, hadden nu weinig inkomsten. Er was geen vraag meer naar de producten, want ze waren veel te duur geworden door de dure importheffingen die doorberekend werd naar de klant. Fabrieken bleven met hun producten zitten en ontsloegen hun personeel, want er was toch geen werk meer voor hen. Er ontstond massale werkloosheid in Nederland. Doordat er zoveel ontslagen vielen had men niet zoveel geld meer. Alleen het broodnodige werd gekocht, als dat al mogelijk was. Er kwam dus ook veel minder vraag naar de eigen producten. Dat gaf weer het effect dat er nog meer ontslagen vielen. Het ging alleen maar slechter en slechter met Nederland. Overal in Europa ging het slecht. De politiek reageerde hierop, er ontstonden veel politieke partijen die beweerden dat zij de economie er weer bovenop konden helpen. Er kwamen steeds meer partijen die ook best zonder parlementaire democratie wilden regeren. Zo had je in Duitsland, Hitler die betere tijden voorspelde. Hij gaf de schuld aan de Joden, zij waren de schuld van de slechte economie en de grote werkloosheid. Men ging in Duitsland in hem geloven, want hij beloofde zo veel moois. Het kon in ieder geval niet veel slechter dan nu. Het lukte Hitler om aan de macht te komen in Duitsland en hij begint de Tweede Wereldoorlog. Nederland wordt ook aangevallen, ondanks dat ze heeft verklaard neutraal te willen blijven, zoals in de Eerste Wereldoorlog. Het Nederlandse leger stelde niet veel voor. Er was in de afgelopen jaren niet erg veel aandacht aan besteed, want men had wel wat beters te doen dan zich druk te maken over het leger. Er was ook helemaal geen geld voor. Nederland was daardoor ook al binnen een paar dagen verslagen. Nu was er een tweede crisis: oorlog en bezetting.
Na de oorlog was Amerika er weer bovenop gekomen. In Nederland was weer genoeg te doen want heel Nederland lag in puin. De Duitsers hebben de laatste maanden nog veel vernield, toen ze wisten dat ze de oorlog verloren. Nederland had weer werk! Men had weer geld om producten te kopen en het ging langzaam maar zeker weer beter met de economie.
Amerika had niet moeten reageren door invoerheffingen te verhogen. Het is misschien tijdelijk wel een goede oplossing, maar op langer termijn is het toch nadelig. Want Amerika moet toch handel drijven met de Europese landen. De Nederlandse regering had juist veel meer moeten investeren, ondanks het bestaande financieringstekort (Keynes). Ze had moeten lenen, want door investeringen komt de industrie er weer bovenop, dan is er weer werk. Als er werk is dan is er geld, en als er geld is dan is er vraag naar producten. En dat betekent weer meer mensen aan het werk om die producten te maken.

VII Bronvermelding

I Boeken

Goedhart, J., Nederland in de crisisjaren, (1979, Zutphen)

Mulder, L./Doedens, Dr. A., Geschiedenis van de twintigste eeuw (1991, Apeldoorn)

Zanden, J.L. van, Economische geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw (1983, Bussum)

Beishuizen, Jan/Werkman, Evert, Nederland in de twintigste eeuw (1992, Amsterdam)

Gordon Thomas, Max Morgan-Witts, De Krach van Wallstreet (1990, New York)


II Internet adressen

Geschiedenis Online, (http://www.geschiedenis.nl/)

Homepage PvdA, Peeters, W., (http://www.pvda.nl/diversen/geschiedenis/32.html)

III Overige

Microsoft Corporation/Elsevier, Encarta® 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie (1997)

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.